Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina2/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18

Donderdag, 9 Juli 1942

Lieve Kitty,


Zo liepen we dan door de stromende regen, vader, moeder en ik, elk met een

school- en boodschappentas, tot bovenaan toe volgepropt met de meest door elkaar liggende dingen.

De arbeiders, die vroeg naar hun werk gingen, keken ons medelijdend na; op hun gezicht was duidelijk de spijt te lezen, dat ze ons generlei voertuig konden aanbieden; de opzichtige gele ster sprak voor zichzelf.

Pas toen we op straat waren, vertelden vader en moeder me bij brokjes en beetjes het hele onderduikplan. Al maandenlang hadden ze zoveel van onze inboedel en ons lijfgoed als mogelijk was het huis uitgedaan en nu waren we juist zover, dat we vrijwillig op 16 Juli wilden gaan onderduiken. Door de oproep was dat onderduikplan tien dagen vervroegd, zodat we ons met minder goed geordende appartementen tevreden zouden moeten stellen. De schuilplaats zelf zou in vaders kantoorgebouw zijn. Dat is voor buitenstaanders een beetje moeilijk te begrijpen, daarom zal ik het nader toelichten. Vader heeft niet veel personeel gehad: mijnheer Kraler, Koophuis, Miep en Elli Vossen, de 23-jarige stenotypiste, die allen van onze komst op de hoogte waren. In het magazijn mijnheer Vossen, vader van Elli en twee knechten, die we niets gezegd hadden.

Het gebouw zit als volgt in elkaar: parterre is een groot magazijn, dat ook als pakhuis gebruikt wordt. Naast de magazijndeur bevindt zich de gewone huisdeur, die door een tussendeur toegang tot een trapje geeft (A). Boven aan de trap bereikt men een half-matglazen deur, waarop eenmaal in zwarte letters ‘kantoor’ stond. Dat is het grote voorkantoor, zeer groot, zeer licht, zeer vol. Overdag werken daar Elli, Miep en mijnheer Koophuis. Via een kabinetje met brandkast, garderobe en grote voorraadkast komt men aan het kleine, tamelijk donkere achterkamertje. Daar zaten vroeger mijnheer Kraler en mijnheer Van Daan, nu alleen nog de eerste. Men kan ook vanuit de gang Kralers kantoor bereiken, maar dan alleen door een glazen deur die van binnen wel, maar van buiten niet zonder meer te openen is.

Vanuit Kralers kantoor, de lange smalle gang door, langs het kolenhok, vier treden op, het pronkstuk van het hele gebouw: het privé-kantoor. Deftige donkere meubels, linoleum en kleden op de vloer, radio, sjieke lamp, alles prima-prima. Daarnaast een grote, ruime keuken met warmwatergeyser en twee gaspitten. Daarnaast W.C. Dat is de eerste verdieping.

Vanuit de benedengang loopt een gewone houten trap naar boven (B). Bovenaan is een klein portaaltje, dat als overloopje wordt betiteld. Rechts en links van de overloop zijn deuren, de linker leidt naar het voorhuis met pakhuisruimten, voorzolder en voorvliering. Van dit voorgebouw loopt aan de andere kant ook nog een lange, hypersteile, echte Hollandse been-breektrap naar de tweede straatdeur (C).

De rechterdeur leidt naar ‘het Achterhuis’. Geen mens zou vermoeden, dat achter de simpele, grijsgeschilderde deur zoveel kamers schuilgaan. Voor de deur is een stoepje en dan ben je binnen.

Recht tegenover de ingangsdeur een steile trap (E), links brengt een klein gangetje je in een kamer, die de huis- en slaapkamer van de familie Frank zou worden, daarnaast een kleinere kamer, slaap- en werkkamer van de twee jongedames Frank. Rechts van de trap een kamer zonder raam met wastafel en een afgesloten W.C.-hokje, ook weer een toegangsdeur naar Margots en mijn kamer.

Als men de trap opgaat en de deur aan het boveneinde opent, staat men verbaasd, dat in zo'n oud grachtenhuis zo'n groot, licht en ruim vertrek bestaat. In dit vertrek is een gasfornuis (dat hebben we te danken aan het feit, dat het tot nu toe als laboratorium diende) en een gootsteen. Dit nu is de keuken en tevens de slaapkamer voor het echt-paar Van Daan, alsmede gemeenschappelijke huiskamer, eetkamer en werkkamer. Een heel klein doorloopkamertje zal Peter van Daans appartement worden. Dan, net als vóór, een zolder en vliering. Ziehier, ik stelde je ons hele, jne Achterhuis voor.

Je Anne.

Vrijdag, 10 Juli 1942

Lieve Kitty,


Het is zeer waarschijnlijk, dat ik je met mijn langdradige woningbeschrijving danig

verveeld heb, maar toch vind ik het noodzakelijk, dat je weet, waar ik beland ben. Nu het vervolg van mijn verhaal, want dat was nog niet klaar, weet je. Op de

Prinsengracht aangekomen nam Miep ons gauw mee naar boven, het Achterhuis in. Ze sloot de deur achter ons en we waren alleen. Margot was er met de ets veel sneller aangekomen en wachtte al op ons. Onze huiskamer en alle andere kamers waren zo vol rommel, dat het niet te beschrijven is. Alle cartonnen dozen, die in de loop van de voorafgegane maanden naar kantoor gestuurd waren, stonden op de grond en op de bedden. Het kleine kamertje was tot aan het plafond met beddegoed gevuld. Als we 's avonds op behoorlijk opgemaakte bedden zouden willen slapen, moesten we direct aan de gang gaan en de boel opruimen. Moeder en Margot waren niet in staat een lid te verroeren, zij lagen op de kale bedden, waren moe, ellendig en ik weet niet wat al meer. Maar vader en ik, de twee opruimers in de familie, wilden dadelijk beginnen.

We pakten de hele dag door dozen uit, kasten in, hamerden en ruimden, totdat we 's avonds doodmoe in de schone bedden vielen. De hele dag hadden we geen warm eten gehad, maar dat hinderde ons niet; moeder en Margot waren te moe en te overspannen om te eten, vader en ik hadden te veel werk.

Dinsdagochtend begonnen we daar, waar we Maandag opgehouden waren. Elli en Miep haalden de boodschappen op onze levensmiddelenbonnen, vader verbeterde de onvoldoende verduistering, we schrobden de keukenvloer en waren opnieuw van 's ochtends tot 's avonds in de weer. Tijd om over de grote verandering die er in mijn leven gekomen was na te denken, had ik haast niet tot Woensdag. Toen vond ik voor het eerst sinds onze aankomst in het Achterhuis gelegenheid om je de gebeurtenissen mede te delen en tegelijkertijd om me eens goed te realiseren, wat er nu eigenlijk met me gebeurd was en wat er nog gebeuren zou.

Je Anne.


Zaterdag, 11 Juli 1942

Lieve Kitty,


Vader, moeder en Margot kunnen nog steeds niet aan het geluid van de

Westertorenklok wennen, die om het kwartier zegt hoe laat het is. Ik wel, ik vond het dadelijk jn en vooral 's nachts is het zo iets vertrouwds. Het zal je wel interesseren te horen hoe het me in mijn ‘duik’ bevalt, welnu, ik kan je alleen zeggen, dat ik het zelf nog niet goed weet. Ik geloof, dat ik me in dit huis nooit thuis zal voelen, maar daarmee wil ik helemaal niet zeggen, dat ik het hier naar vind, ik voel me veeleer als in een heel eigenaardig pension, waar ik met vacantie ben. Nogal een gekke opvatting van onderduiken, maar het is nu eenmaal niet anders. Het Achterhuis is als schuilplaats ideaal. Hoewel het vochtig is en scheefgetrokken zal men nergens in Amsterdam zo iets geriefelijks voor onderduikers ingericht hebben, ja misschien zelfs nergens in heel Nederland.

Ons kamertje was met die strakke muren tot nu toe erg kaal; dank zij vader, die mijn hele lmsterrenverzameling en mijn prentbriefkaarten van tevoren al meegenomen had, heb ik, na met een lijmpot en kwast de hele muur bestreken te hebben, van de kamer één plaatje gemaakt. Daardoor ziet het er veel vrolijker uit en als de Van Daans komen, zullen we met het hout dat op zolder staat wel wat muurkastjes en andere aardige prullen maken.

Margot en moeder zijn weer een klein beetje opgeknapt. Gisteren wou moeder voor het eerst erwtensoep koken, maar toen ze beneden aan het praten was, vergat ze de soep, die brandde daardoor zo aan, dat de erwten, koolzwart, niet meer van de pan los te krijgen waren.

Mijnheer Koophuis heeft het Boek voor de Jeugd voor me meegebracht. Gisteravond zijn we met zijn vieren naar het privé-kantoor gegaan en hebben de Engelse radio aangezet. Ik was zo ontzettend bang dat iemand dat zou kunnen horen, dat ik vader letterlijk smeekte mee naar boven te gaan. Moeder begreep mijn angst en ging mee. Ook in andere dingen zijn we erg bang, dat de buren ons zouden kunnen horen of zien. Direct de eerste dag hebben we de gordijnen genaaid. Eigenlijk mag men niet van gordijnen spreken, want het zijn maar losse lichte lappen, totaal verschillend van vorm, kwaliteit en motief, die vader en ik erg onvakkundig scheef aan elkaar naaiden. Met punaises zijn deze pronkstukken voor de ramen bevestigd om er vóór het einde van onze onderduiktijd nooit meer af te komen.

Rechts naast ons ligt een groot zakenpand, links een meubelmakerij; personeel is er na werktijd niet in de percelen, maar toch zouden er geluiden kunnen doordringen. We hebben Margot dan ook verboden 's nachts te hoesten, hoewel ze een zware verkoudheid te pakken heeft en geven haar grote hoeveelheden codeïne te slikken.

Ik verheug me erg op de komst van de Van Daans, die op Dinsdag vastgesteld is; het zal veel gezelliger en ook minder stil zijn. De stilte is het namelijk, die me 's avonds en 's nachts zo zenuwachtig maakt en ik zou er heel wat voor geven als iemand van onze beschermers hier zou slapen.

Het benauwt me ook meer dan ik zeggen kan, dat we nooit naar buiten mogen en ik ben erg bang, dat we ontdekt worden en dan de kogel krijgen. Dat is natuurlijk een minder prettig vooruitzicht.

Overdag moeten we altijd erg zacht lopen en zacht spreken, want in het magazijn mogen ze ons niet horen. Net word ik geroepen. Je Anne.

Vrijdag, 14 Augustus 1942

Lieve Kitty,


Een maand lang heb ik je in de steek gelaten, maar er is ook heus niet zoveel

nieuws om je elke dag iets leuks te vertellen. De Van Daans zijn op 13 Juli aangekomen. Wij dachten, dat het de 14de zou worden, maar daar de Duitsers tussen de 13de en 16de Juli al meer en meer mensen onrustig maakten en oproepen naar alle kanten stuurden, vonden ze het veiliger een dag te vroeg dan een dag te laat te vertrekken. 's Ochtends om half 10 (we zaten nog aan het ontbijt) arriveerde Peter, Van Daans zoon van nog geen 16 jaren, een tamelijk saaie en verlegen slungel, van wiens gezelschap niet veel te verwachten is en bracht zijn poes (Mouschi) mee. Mevrouw en mijnheer kwamen een half uur later, mevrouw had tot onze grote pret in haar hoedendoos een grote nachtpot. ‘Zonder nachtpot voel ik me nergens thuis’, verklaarde ze en de pot was dan ook het eerste, dat een vaste plaats onder het divanbed kreeg. Mijnheer bracht geen po, maar zijn inklapbare theetafel onder zijn arm mee.

We aten de eerste dag van ons samenzijn gezellig met elkaar en na drie dagen wisten we allen niet anders meer dan dat we één grote familie waren geworden. Zoals vanzelf spreekt hadden de Van Daans nog veel over de week, die zij na ons in de bewoonde wereld doorbrachten, te vertellen. Onder meer interesseerde het ons sterk wat er met onze woning en met mijnheer Goudsmit gebeurd was.

Mijnheer Van Daan vertelde:

‘Maandagmorgen om 9 uur belde mijnheer Goudsmit ons op en vroeg of ik even langs kon komen. Ik ging dadelijk en vond G. in grote opwinding. Hij liet me een briefje lezen, dat de familie Frank achtergelaten had en wou naar aanwijzing daarvan de kat naar de buren brengen wat ik zeer goed vond. Mijnheer G. was bang, dat er huiszoeking gehouden zou worden, daarom liepen we door alle kamers, ruimden een beetje op en ruimden de tafel af.

Plotseling ontdekte ik op de schrijftafel van mevrouw een blocnote, waarop een adres in Maastricht stond aangegeven. Hoewel ik wist dat mevrouw dit expres achtergelaten had, deed ik zeer verbaasd en verschrikt en verzocht mijnheer G. dringend dit ongelukspapiertje te verbranden.

Ik hield al die tijd vol, dat ik niets van Uw verdwijnen afwist, maar nadat ik het papiertje had gezien, kreeg ik een goed idee. “Mijnheer Goudsmit”, zei ik, “nu valt me opeens in, waarop dit adres betrekking kan hebben. Ik herinner me nu opeens, dat er ongeveer een half jaar geleden een hooggeplaatst of cier op kantoor was, het bleek een goede jeugdkennis van mijnheer Frank te zijn, die hem beloofde hem in geval van nood te zullen helpen en die ook in Maastricht verblijf hield. Ik denk, dat deze of cier woord gehouden heeft en de Franks op de een of andere manier naar België en vandaar naar Zwitserland zal brengen. Vertelt u dit ook maar aan kennissen, die eventueel naar de Franks zouden vragen. Maastricht hoeft u dan natuurlijk niet te vermelden”.

En daarmee ging ik weg. De meeste kennissen weten dit nu al, want van verschillende kanten heb ik op mijn beurt deze verklaring gehoord’.

Wij vonden het verhaal erg grappig, maar lachten nog meer om de verbeeldingskracht van de mensen, toen mijnheer Van Daan van andere kennissen vertelde. Zo had een familie ons alle vier vroeg 's ochtends op de ets langs zien komen en een andere mevrouw wist pertinent, dat we midden in de nacht in een militaire auto waren geladen.

Je Anne.


Vrijdag, 21 Augustus 1942

Lieve Kitty,


Onze ‘duik’ is nu pas een echte schuilplaats geworden. Mijnheer Kraler vond het

namelijk beter om voor onze toegangsdeur een kast te plaatsen (omdat er veel huiszoekingen naar verstopte etsen gehouden worden), maar dan natuurlijk een kast die draaibaar is en die dan als een deur opengaat.

Mijnheer Vossen heeft het geval getimmerd. We hebben hem intussen over de zeven onderduikers ingelicht en hij is één en al hulpvaardigheid. Als we nu naar beneden willen, moeten we eerst bukken en dan springen, want het stoepje is verdwenen. Na drie dagen liepen we allemaal met een voorhoofd vol builen, omdat iedereen zich aan de lage deur stootte. Nu is er doek met houtwol tegenaan gespijkerd. Zien of het helpt!

Leren doe ik niet veel; tot September hou ik voor mezelf vacantie. Daarna wil vader me les geven, want ik ben bitter veel van wat ik op school geleerd heb, vergeten.

Veel verandering komt er in ons leven hier niet. Mijnheer Van Daan en ik liggen altijd overhoop, daarentegen houdt hij veel van Margot. Mama doet soms alsof ik een baby ben en dat kan ik niet uitstaan. Verder gaat het wel wat beter. Peter vind ik nog steeds niet aardiger, het is een vervelende jongen, hij luiert de hele dag op zijn bed, timmert een beetje en gaat dan weer dutten. Wat een stomkop!

Het is buiten mooi warm weer en ondanks alles maken wij er zoveel mogelijk gebruik van door op het harmonicabed op de zolder te gaan liggen, waar de zon door een open raam naar binnen schijnt.

Je Anne.

Woensdag, 2 September 1942

Lieve Kitty,


Mijnheer en mevrouw Van Daan hebben erge ruzie gehad, ik heb zo iets nog nooit meegemaakt, daar vader en moeder er niet aan zouden denken zo tegen elkaar te schreeuwen. De aanleiding was zo nietig, dat het niet de moeite waard was om er één woord over vuil te maken. Maar ja, ieder zijn meug.

Het is natuurlijk erg onaangenaam voor Peter, die er toch ook maar tussen moet zitten. Ook wordt hij door niemand au sérieux genomen, daar hij verschrikkelijk kleinzerig en lui is. Gisteren was hij danig ongerust, omdat hij een blauwe in plaats van een rode tong gekregen had; dit zeldzame verschijnsel verdween evenwel net zo gauw als het gekomen was. Vandaag loopt hij met een sjaal om zijn nek, daar deze stijf is en verder klaagt mijnheer over spit in de rug. Pijnen tussen hart, nier en long zijn hem ook niet vreemd, hij is een echte hypochonder (dat noem je toch zo, hè?)!

Tussen moeder en mevrouw Van Daan botert het niet zo erg; aanleidingen tot onaangenaamheden zijn er genoeg. Om een klein voorbeeld te noemen wil ik je vertellen dat mevrouw uit de gemeenschappelijke linnenkast op drie na al haar lakens weggehaald heeft. Zij neemt natuurlijk aan, dat moeders goed voor de hele familie gebruikt kan worden. Zal haar wel lelijk tegenvallen als ze merkt dat moeder het goede voorbeeld gevolgd heeft.

Verder heeft mevrouw er erg de pé over in, dat ons servies niet, maar het hare wèl in gebruik is. Ze probeert steeds te weten te komen, waar wij onze borden wel naar toe gedaan hebben; ze zijn dichter bij dan ze denkt, want ze staan op zolder in cartonnen dozen, achter een heleboel reclamemateriaal. Gedurende onze onderduiktijd zijn de borden onbereikbaar en dat is maar goed ook. Mij gebeuren altijd ongelukken; gisteren smeet ik een soepbord van mevrouws servies aan stukken. ‘O!’ riep ze woedend uit, ‘wil je wel eens voorzichtig zijn, dit is het enige, dat ik nog heb’. Mijnheer Van Daan is de laatste tijd poeslief tegen mij. Laat hem maar. Mama heeft vanochtend weer zo ellendig gepreekt; dat kan ik niet uitstaan. Onze opvattingen staan precies lijnrecht tegenover elkaar. Papa is een dot, al is hij wel eens 5 minuten kwaad op me.

Verleden week hadden we een kleine interruptie in ons zo eentonige leven: het kwam door een boek over vrouwen, - en Peter. Je moet namelijk weten, dat Margot en Peter haast alle boeken, die mijnheer Koophuis ons leent, mogen lezen, maar dit bijzondere boek over een vrouwenonderwerp hielden de volwassenen toch maar liever in eigen handen. Dat prikkelde dadelijk de nieuwsgierigheid van Peter. Wat zou er wel voor verbodens in dat boek staan? Stiekem pakte hij het van zijn moeder weg, terwijl zij beneden aan het praten was, en ging met zijn buit naar de vliering. Dat ging een paar dagen goed. Mevrouw Van Daan wist al lang wat hij deed, maar verklapte niets, totdat mijnheer er achter kwam. Die werd kwaad, pakte het boek af en dacht, dat daarmee de zaak afgelopen zou zijn. Hij had echter buiten de nieuwsgierigheid van zijn zoon gerekend, die door het kordate optreden van papa geenszins van zijn stuk gebracht was.

Peter zon op mogelijkheden om dit meer dan interessante boek toch uit te lezen. Mevrouw had intussen bij moeder geïnformeerd wat zij van de kwestie dacht. Moeder vond dit boek niet goed voor Margot, maar in de meeste andere boeken zag ze geen kwaad.

‘Er is een groot verschil, mevrouw Van Daan’, zei moeder, ‘tussen Margot en Peter, ten eerste is Margot een meisje, en meisjes zijn altijd rijper dan jongens, ten tweede heeft Margot al meer serieuze boeken gelezen en zoekt niet naar dingen die voor haar verboden zijn, ten derde is Margot veel ontwikkelder en verstandiger, wat haar vier H.B.S.- jaren meebrengen’. Mevrouw stemde daarmee in, maar vond het toch in principe verkeerd jonge kinderen boeken voor volwassenen te laten lezen.

Intussen had Peter de geschikte tijd gevonden, waarin niemand naar het boek of naar hem omkeek. 's Avonds om half 8, toen de hele familie in het privé-kantoor naar de radio luisterde, nam hij zijn schat weer mee naar de vliering. Om half 9 had hij weer beneden moeten zijn, maar daar het boek zo spannend was, vergat hij de tijd en kwam net de zoldertrap af, toen zijn vader de kamer binnenkwam. Wat volgde is begrijpelijk! Een tik, een klap, een ruk, het boek lag op tafel en Peter zat op de vliering. Zo stonden de zaken toen de familie ten eten kwam. Peter bleef boven, niemand bekommerde zich om hem, hij moest zonder eten naar bed. Vrolijk keuvelend zetten wij onze maaltijd voort, toen er opeens een doordringend ge uit tot ons doordrong, allen legden de vorken neer en ieder keek de ander met bleek en verschrikt gezicht aan. Dan hoorden we Peters stem, die door de kachelpijp riep: ‘Ik kom toch niet naar beneden, hoor’. Mijnheer Van Daan sprong op, zijn servet viel op de grond, met vuurrood hoofd schreeuwde hij: ‘Maar nu is het genoeg’. Vader pakte hem bij de arm, daar hij erge dingen vreesde en samen gingen de twee heren naar de zolder. Na veel tegenstribbelen en trappen belandde Peter in zijn kamer, de deur ging dicht en wij aten door. Mevrouw wou een boterham voor zoonlief overlaten, mijnheer was onverbiddelijk. ‘Als hij niet dadelijk excuus vraagt, moet hij op de vliering slapen’.

Wij protesteerden en vonden ‘zonder eten’ al straf genoeg. Peter mocht eens verkouden worden en dan zou er geen dokter aan te pas kunnen komen.

Peter vroeg geen excuus, hij zat alweer op de vliering. Mijnheer Van Daan bemoeide zich er niet meer mee, maar bemerkte 's morgens dat Peters bed wel beslapen was. Om 7 uur zat Peter alweer op zolder, maar werd toch door de vriendschappelijke woorden van vader genoopt naar beneden te komen. Drie dagen norse gezichten, hardnekkig zwijgen en toen liep alles weer in gewone banen.

Je Anne.

Maandag, 21 September 1942.

Lieve Kitty,


Vandaag zal ik je even het algemene nieuws van het Achterhuis vertellen. Mevrouw Van Daan is onuitstaanbaar. Ik krijg van boven voortdurend standjes

voor mijn onophoudelijk geklets. Altijd is er iets anders waarmee ze ons plaagt; nu doet ze het zo, dat ze de pannen niet wil afwassen en als er nog een tipseltje inzit, doet ze dat niet in een glazen schotel, zoals het tot nu toe gedaan werd, maar laat het in de pan bederven. Bij de volgende afwas heeft Margot dan wel eens zeven vuile pannen en dan zegt madame wel: ‘Margotje, Margotje, wat heb je veel te doen!’

Met vader ben ik bezig een stamboom van zijn familie te maken, daarbij vertelt hij van iedereen wat en dat interesseert me geweldig.

Mijnheer Koophuis brengt om de week een paar meisjesboeken voor me mee, ik ben enthousiast over de Joop ter Heul-serie. De hele Cissy van Marxveldt bevalt me in het algemeen bijzonder goed. Een Zomerzotheid heb ik dan ook al vier keer gelezen en nog moet ik om de potsierlijke situaties lachen.

Het leren heeft een aanvang genomen, ik doe veel aan Frans en pomp elke dag vijf onregelmatige werkwoorden. Peter heeft zijn Engelse taak vol zuchten opgenomen. Enkele schoolboeken zijn pas gearriveerd, voorraad schriften, potloden, vlakjes en etiketten heb ik in ruime mate van thuis meegenomen. Ik luister soms naar de Oranje-zender, pas sprak Prins Bernhard. Omstreeks Januari zal er een kindje bij hen geboren worden, vertelde hij. Ik vind het leuk, hier verbazen ze zich er over, dat ik zo Oranje-gezind ben.

Een paar dagen geleden hadden ze het er over, dat ik toch nog erg dom ben, met het gevolg dat ik de volgende dag hard aan het werk ben gegaan. Ik heb heus geen zin met 14 of 15 jaar nog in de eerste klas te zitten.

Verder kwam in het gesprek ter sprake, dat ik haast niets behoorlijks lezen mag. Moeder heeft op het ogenblik Heeren, vrouwen en knechten, dat mag ik niet hebben (Margot wel), ik moet eerst wat meer ontwikkeld zijn, zoals mijn begaafde zuster. Dan spraken we over mijn onwetendheid omtrent philosophie, psychologie en physiologie, waar ik niets van af weet. Misschien ben ik het volgend jaar wijzer! (Deze moeilijke woorden heb ik gauw in Koenen opgezocht.)

Ik ben tot de schrikwekkende conclusie gekomen, dat ik maar één jurk met lange mouwen en drie vestjes voor de winter heb. Vader heeft me toestemming gegeven een trui van witte schapenwol te breien; de wol is wel niet erg mooi, daar zal warmte tegen op moeten wegen. We hebben nog wat kleren bij andere mensen, die kunnen jammer genoeg pas na de oorlog gehaald worden, als ze er dan tenminste nog zijn.

Toen ik pas iets aan je schreef over mevrouw, kwam ze er net aan. Flap! Boek dicht.

‘Hè Anne, mag ik niet eens kijken?’ ‘Neen, mevrouw’.


‘Alleen de laatste bladzijde maar?’ ‘Neen, ook niet, mevrouw’.

Ik schrok me natuurlijk een mik, want op deze bladzijde stond zij juist minder leuk gedeponeerd.

Je Anne.

Vrijdag, 25 September 1942

Lieve Kitty,


Gisteravond was ik weer eens ‘op visite’ boven bij de Van Daans om een beetje

te praten. Soms is het er wel gezellig. Dan eten we motten-koekjes (de trommel stond in een klerenkast die ‘ingemot’ was) en drinken limonade.

Het gesprek ging over Peter. Ik vertelde, dat Peter me zo vaak over mijn wang strijkt, dat ik dat zo vervelend vond en dat ik niet hield van handtastelijke jongens.

Zij vroegen echter op oudersmanier of ik niet van Peter kon houden, daar hij zeker veel van mij hield. Ik dacht ‘o jee!’ en zei ‘o neen!’ Stel je voor!

Wel zei ik, dat Peter een beetje harkerig deed en dat ik dacht, dat hij verlegen was, want dat is zo met alle jongens, die nog niet vaak met meisjes omgegaan hebben.

Ik moet zeggen dat de schuilcommissie Achterhuis (afd. heren) zeer vindingrijk is. Moet je horen, wat ze nu weer bedacht hebben om mijnheer Van Dijk, hoofdvertegenwoordiger van Travies, goeden kennis en clandestiene-goederenopberger, een bericht van ons te laten zien! Ze tikken een brief aan een drogist in Zeeuws-Vlaanderen, klant van de zaak, en wel zo, dat de man een ingesloten briefje als antwoord moet insturen en in de bijgevoegde enveloppe terug moet zenden. Op die enveloppe schrijft vader het adres. Als deze enveloppe uit Zeeland terugkomt, wordt het inliggende briefje er uit gehaald en een met de hand geschreven levensteken van vader er in gestopt. Zo kan Van Dijk het lezen zonder argwaan te krijgen. Ze hebben juist Zeeland gekozen, omdat dit dicht bij België ligt en het briefje dus makkelijk over de grens gesmokkeld kan zijn, waarbij nog komt, dat niemand daar zonder speciale vergunning naar toe mag.

Je Anne.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina