Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina3/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18

Zondag, 27 September 1942

Lieve Kitty,


Ruzie met moeder gehad, voor de zoveelste keer in de laatste tijd; het gaat tussen

ons jammer genoeg niet erg goed, ook met Margot kan ik niet goed opschieten. Hoewel er in onze familie nooit zo'n uitbarsting als boven is, is het er voor mij toch lang niet altijd prettig. De naturen van Margot en moeder zijn zo vreemd voor mij, ik snap mijn vriendinnen nog beter dan mijn eigen moeder, jammer is dat!

We praten vaak over na-oorlogse problemen, zoals bijvoorbeeld dat men niet geringschattend over dienstmeisjes moet spreken. Dit vond ik net zo erg als het verschil tussen mevrouw en juffrouw bij getrouwde vrouwen.

Mevrouw heeft voor de zoveelste keer de bokkepruik op; ze is erg humeurig en sluit steeds meer van haar privédingen weg. Jammer dat moeder niet elke Van Daan-verdwijning met een Frank-verdwijning beantwoordt.

Sommige mensen schijnen het een bijzonder genoegen te vinden, niet alleen hun eigen, maar ook nog de kinderen van hun kennissen op te voeden. De Van Daans behoren tot die mensen. Aan Margot is niets op te voeden, die is van nature de goed-, lief- en knapheid zelve, maar ik draag haar deel aan ondeugendheid ruimschoots mee. Meer dan één keer vliegen aan tafel de vermanende woorden en brutale antwoorden heen en weer. Vader en moeder verdedigen me altijd vurig, zonder hen zou ik de strijd niet steeds weer zo zonder blikken of blozen kunnen opnemen. Hoewel ze me steeds weer voorhouden dat ik minder moet praten, me met niets bemoeien moet en bescheidener moet zijn, faal ik meer dan ik slaag. En was vader niet altijd weer zo geduldig, had ik de hoop om ook nog eens te voldoen aan de ouderlijke eisen, die toch heus niet zo hoog zijn, al lang opgegeven.

Als ik van een groente, die ik helemaal niet lust, weinig neem en in plaats daarvan aardappels eet, kunnen Van Daan en vooral mevrouw over die verwendheid niet heen.

‘Neem nog wat groente, Anne, kom’, volgt dan al gauw.
‘Neen, dank u wel, mevrouw’, antwoord ik, ‘ik heb genoeg aan aardappels’. ‘Groente is erg gezond, dat zegt je moeder zelf, neem nog wat’, dringt zij dan aan, totdat vader er tussen komt en mijn weigering bevestigt.

Dan vaart mevrouw uit: ‘Dan had u eens bij ons thuis moeten zijn, daar werden de kinderen tenminste opgevoed, dit is geen opvoeding, Anne is verschrikkelijk verwend, ik zou dat nooit toestaan, als Anne mijn dochter was ...’

Daarmee begint en eindigt altijd de hele woordenstroom: ‘als Anne mijn dochter was’. Nu, gelukkig ben ik dat niet.

Maar om op ons opvoedingsthema terug te komen. Gisteren viel na mevrouws

laatste woorden een stilte in. Dan antwoordde vader: ‘Ik vind dat Anne zeer goed opgevoed is, ze heeft toch tenminste al zoveel geleerd dat ze op uw lange preken geen antwoord meer geeft. Wat de groenten betreft kan ik u niets anders antwoorden dan vice versa’.

Mevrouw was verslagen en grondig ook. Dat vice versa duidde namelijk rechtstreeks op haar eigen minieme portie. Mevrouw voert voor haar verwendheid als reden aan, dat te veel groente vóór het naar bed gaan voor haar ontlasting slecht is. Laat ze dan over mij in ieder geval haar mond houden. Het is zo grappig om te zien hoe gauw mevrouw Van Daan een kleur krijgt. Ik lekker niet en daar ergert ze zich heimelijk ontzettend aan.

Je Anne.

Maandag, 28 September 1942

Lieve Kitty,


Mijn brief van gisteren was nog lang niet af, toen ik met schrijven op moest houden.

Ik kan de lust niet bedwingen om je nog een onenigheid mede te delen, maar voordat ik daaraan begin dit:

Ik vind het heel gek dat volwassen mensen zo gauw, zo veel en over alle mogelijke kleinigheden ruzie maken; tot nu toe dacht ik altijd dat kibbelen een kindergewoonte was, die later uit zou slijten. Er is natuurlijk wel eens aanleiding voor een ‘echte’ ruzie, maar dat woordengeplaag hier is niets anders dan kibbelarij. Daar deze kibbelarijen tot de orde van de dag behoren, moest ik er eigenlijk al aan gewend zijn; dit is echter niet het geval en zal ook wel niet het geval zijn, zolang ik bij haast elke discussie (dit woord wordt hier in plaats van ruzie gebruikt) ter sprake kom. Niets, maar dan ook niets laten ze goed aan me, mijn optreden, karakter, manieren worden stuk voor stuk van onder tot boven en van boven tot onder beoordeeld en bekletst. En iets dat ik helemaal niet gewend was, namelijk harde woorden en geschreeuw aan mijn adres, moet ik volgens bevoegde zijde welgemoed slikken. Dat kan ik niet! Ik denk er niet aan om al die beledigingen op me te laten zitten, ik zal ze wel laten zien, dat Anne Frank niet van gisteren is, ze zullen nog opkijken en gauw hun grote bek houden, als ik ze duidelijk maak, dat ze niet aan mijn maar aan hun opvoeding het eerst moeten beginnen. Is me dat een manier van optreden! Barbaars gewoon! Tot nu toe sta ik elke keer weer perplex over zoveel ongemanierdheid en vooral ... domheid (mevrouw Van Daan), maar zodra ik er aan ga wennen - en dat zal wel gauw zijn - zal ik ze hun woorden ongezouten teruggeven, dan zullen ze wel anders praten!

Ben ik dan werkelijk zo ongemanierd, eigenwijs, koppig, onbescheiden, dom, lui enz. enz. als ze boven zeggen? Ach, welneen, ik weet heus wel dat ik veel fouten en gebreken heb, maar ze overdrijven het wel in zeer hoge mate.

Als je eens wist, Kitty, hoe ik soms kook bij die schelden schimppartijen! En het zal heus niet lang meer duren of mijn opgekropte woede komt tot uitbarsting.

Maar nu genoeg hierover, ik heb je lang genoeg met mijn ruzie's verveeld en toch kan ik niet nalaten, een hoog-interessante tafel-discussie hier te laten volgen.

Door het een of andere thema kwamen we op Pims (Pim - vleinaam voor Papa) verregaande bescheidenheid. Deze is een vaststaand feit, waaraan zelfs door de idiootste mensen niet getornd kan worden. Plotseling zei mevrouw, omdat ze toch in elk gesprek zichzelf betrekken moet: ‘Ik ben ook erg bescheiden, veel bescheidener dan mijn man’.

Heb je ooit van je leven! Deze zin laat wel heel duidelijk haar bescheidenheid uitkomen! Mijnheer Van Daan, die het nodig vond dat: ‘dan mijn man’ nader te verklaren, antwoordde heel kalm: ‘Ik wil ook niet bescheiden zijn, ik heb in mijn leven altijd ondervonden dat onbescheiden mensen het veel verder brengen dan bescheidene’. En dan zich tot mij wendend: ‘Wees maar niet bescheiden, Anne, daar kom je heus niet verder mee!’

Met deze zienswijze stemde moeder volkomen in. Maar mevrouw Van Daan moest, zoals gewoonlijk, aan dit opvoedingsonderwerp ook haar woordje toevoegen. Voor deze keer wendde ze zich echter met rechtstreeks tot mij, maar tot mijn ouderpaar met de woorden: ‘U hebt toch een eigenaardige levensopvatting om zoiets tegen Anne te zeggen, in mijn jeugd was dat toch anders. En ik ben er zeker van dat dat nu ook nog anders is, behalve dan in uw moderne huisgezin!’ Dit laatste doelde op de meermalen verdedigde moderne opvoedingsmethode van moeder.

Mevrouw was vuurrood van opwinding, moeder daarentegen helemaal niet en iemand die kleurt windt zich door de warmwording steeds meer op en verliest het gauwer van de tegenpartij. De niet-kleurende moeder, die het hele geval nu maar zo gauw mogelijk van de baan wilde hebben, bedacht zich maar kort, voordat ze antwoordde: ‘Mevrouw Van Daan, ook ik vind inderdaad dat het in het leven veel beter is wat minder bescheiden te zijn. Mijn man, Margot en Peter zijn alle drie buitengewoon bescheiden. Uw man, Anne, u en ik zijn niet onbescheiden, maar wij laten ons ook niet bij alles opzij duwen’.

Mevrouw: ‘O, maar mevrouw, ik begrijp u niet, ik ben werkelijk buitengewoon bescheiden, hoe komt u er bij mij onbescheiden te noemen?’

Moeder: ‘U bent zeker niet onbescheiden, maar niemand zou u bepaald bescheiden vinden’.

Mevrouw: ‘Ik zou wel eens willen weten, waarin ik onbescheiden ben! Als ik hier niet voor mezelf zou zorgen, een ander doet het zeker niet en dan zou ik dus moeten verhongeren, maar daarom ben ik heus wel net zo bescheiden als uw man’.

Moeder kon om deze belachelijke zelfverdediging niets anders doen dan lachen,

dat irriteerde mevrouw, die haar fraai relaas nog met een lange serie prachtige Duits-Nederlandse en Nederlands-Duitse bewoordingen vervolgde, totdat de geboren redenares zich zo in haar eigen woorden verwarde, dat ze ten slotte zich van haar stoel verhief en de kamer uit wou gaan. Toen viel haar oog op mij. En nu had je eens iets moeten zien! Ongelukkigerwijze had ik net op het moment, dat mevrouw ons haar rug toonde, meewarig en ironisch met mijn hoofd geschud, niet expres, maar heel onwillekeurig, zo intens had ik de hele woordenvloed gevolgd. Mevrouw keerde terug en begon te kijven, hard, Duits, gemeen en onbeschaafd, precies als een dik, rood viswijf, het was een lust om aan te zien. Als ik had kunnen tekenen, had ik haar het liefst in deze houding getekend, zo grappig was dat kleine, malle, domme mens!

Maar één ding weet ik nu en dat is dit: je leert de mensen pas goed kennen, als je een keer echte ruzie met ze gemaakt hebt. Pas dan kan je hun karakter beoordelen!

Je Anne.

Dinsdag, 29 September 1942

Lieve Kitty,


Onderduikers beleven rare dingen! Stel je voor, omdat we geen badkuip hebben,

wassen we ons in een wasteiltje en omdat het kantoor (hiermee bedoel ik altijd de gehele benedenverdieping) warm water heeft, gaan we alle zeven om de beurt van dit grote voordeel pro teren.

Maar omdat we alle zeven ook zo erg verschillend zijn en het vraagstuk van de genanterie bij een paar hoger zit dan bij de rest, heeft elk lid van de familie zich een aparte badplaats uitgezocht. Peter baadt in de keuken, hoewel de keuken een glazen deur heeft. Als hij van plan is een bad te nemen, bezoekt hij ons allemaal apart en deelt mede dat we gedurende een half uur niet langs de keuken mogen lopen. Deze maatregel vindt hij dan voldoende. Mijnheer baadt helemaal boven, bij hem weegt de veiligheid van eigen kamer op tegen de lastigheid van het hete water al de trappen op te dragen. Mevrouw gaat voorlopig helemaal niet in het bad; die wacht af, welke plaats de beste is. Vader baadt in het privé-kantoor, moeder in de keuken achter een kachelscherm; Margot en ik hebben het voorkantoor als ploeterplaats gekozen. 's Zaterdagmiddags gaan daar de gordijnen dicht, dan reinigen we ons in het donker, terwijl diegene die niet aan de beurt is, door een kier van het gordijn uit het raam kijkt, en zich over de grappige mensen verbaast.

Sinds verleden week bevalt me dit bad niet meer en ben ik op zoek gegaan naar een meer comfortabele inrichting. Het was Peter die me op een idee bracht en wel om in de ruime kantoor- W.C. mijn teiltje te zetten. Daar kan ik gaan zitten, licht aansteken, de deur op slot doen, het water zelf zonder vreemde hulp weggieten en ben veilig voor onbescheiden blikken. Zondag heb ik mijn mooie badkamer voor het eerst in gebruik genomen en hoe gek het ook klinkt, ik vind het beter dan welke andere plaats ook.

Verleden week was de loodgieter beneden om de buizen van onze watertoe- en afvoer van de kantoor- W.C. naar de gang te verleggen. Deze verandering is met het oog op een eventueel koude winter en buizen-bevriezing geschied. Het loodgietersbezoek was voor ons allesbehalve aangenaam. Niet alleen mochten we overdag geen water laten lopen, maar we mochten ook niet naar de W.C. Nu is het wel heel onnet om je te vertellen wat we dan wel gedaan hebben om dit euvel te verhelpen; ik ben niet zo preuts om over zulke dingen niet te spreken.

Vader en ik hebben ons van het begin van onze schuiltijd een geïmproviseerde po aangeschaft, met dien verstande dat we bij gebrek aan een nachtvaasje een glazen weckpot voor dit doel opgeofferd hebben. Deze weckpotten hebben we tijdens het loodgietersbezoek in de kamer gezet en onze behoeften daarin overdag bewaard. Dit vond ik niet zo akelig dan dat ik de hele dag stil moest blijven zitten en ook niet mocht praten. Je kunt je niet indenken hoe moeilijk dat juffrouw Kwek-kwek-kwek gevallen is. Op gewone dagen moeten we al uisteren; helemaal niet spreken en bewegen is nog 10 keer erger. Mijn achterste was, na drie dagen aanéén-stuk-door plat gedrukt te zijn, helemaal stijf en pijnlijk. Avond-gymnastiek heeft geholpen.

Je Anne.

Donderdag, 1 October 1942

Lieve Kitty,


Gisteren ben ik ontzettend geschrokken. Er werd om acht uur plotseling heel hard

gebeld. Ik dacht niet anders of er kwam iemand, wie, dat snap je wel. Maar toen ze allen beweerden dat het zeker kwajongens waren of de post was, werd ik rustiger.

De dagen worden hier erg stil; Lewin, een kleine Joodse apotheker en chemicus werkt voor mijnheer Kraler in de keuken. Hij kent het hele gebouw goed en daarom zijn we aldoor bang, dat hij het in zijn hoofd krijgt om in het vroegere laboratorium een kijkje te gaan nemen. We zijn zo stil als babymuisjes. Wie had drie maanden geleden kunnen vermoeden, dat kwikzilver-Anne urenlang zo rustig zou moeten en kunnen zitten!?

De 29ste was mevrouw Van Daan jarig. Hoewel het feest niet groots werd gevierd, werd ze toch wel vereerd met bloemen, kleine cadeau's en goed eten. Rode anjers van haar heer gemaal schijnt in de familie traditie te zijn. Om nog even bij mevrouw stil te blijven staan kan ik je zeggen, dat een bron van voortdurende ergernis voor mij haar irtpogingen met vader zijn. Zij strijkt hem over wang en haar, trekt haar rokje heel hoog op, zegt zogenaamd geestige dingen en probeert zo Pims aandacht op zich te vestigen. Gelukkig vindt Pim haar niet mooi en ook niet leuk, hij gaat niet op die irtations in. Ik ben nogal jaloers uitgevallen zoals je weet, dus dat kan ik niet hebben. Moeder doet dat toch ook niet bij mijnheer, dat heb ik haar ook in haar gezicht gezegd.

Peter kan af en toe wel eens grappig uit de hoek komen. Eén voorliefde, die tot lachen aanleiding geeft, heeft hij althans met mij gemeen, en wel verkleden. Hij verscheen in een zeer nauwe jurk van mevrouw en ik in zijn pak, hij had een hoed op en ik een pet. De volwassenen lagen dubbel en wij hadden niet minder schik.

Elli heeft in De Bijenkorf nieuwe rokken voor Margot en mij gekocht. Het is rottuig, net jutezakken en ze kosten resp. ƒ 24. - en ƒ 7.50. Wat een verschil met vroeger!

Nog iets leuks in petto. Elli heeft voor Margot, Peter en mij bij een of andere vereniging schriftelijke stenographielessen besteld. Je zult eens zien wat een perfecte stenomensen we het volgend jaar zijn. Ik vind het in ieder geval reuzegewichtig zo'n geheimschrift echt te leren.

Je Anne.


Zaterdag, 3 October 1942

Lieve Kitty,


Gisteren was er weer een botsing. Moeder heeft verschrikkelijk opgespeeld en al

mijn zonden aan pappie verteld. Ze begon erg te huilen, ik natuurlijk ook en ik had al zo'n vreselijke hoofdpijn. Ik heb pappie eindelijk verteld, dat ik veel meer van hem houd dan van moeder, daar heeft hij op gezegd dat dat wel weer over zal gaan, maar dat geloof ik niet. Ik moet me met geweld dwingen tegenover haar kalm te blijven. Pappie wou dat ik, als moeder zich niet lekker voelt of hoofdpijn heeft, maar eens uit mijzelf moest aanbieden om iets voor haar te doen, maar dat doe ik niet.

Ik leer vlijtig Frans en ben La belle Nivernaise aan het lezen. Je Anne.

Vrijdag, 9 October 1942

Lieve Kitty,


Niets dan nare en neerdrukkende berichten heb ik vandaag te vertellen. Onze vele

Joodse kennissen worden bij groepjes weggehaald. De Gestapo gaat met deze mensen allerminst zachtzinnig om, ze worden gewoon in veewagens naar Westerbork, het grote Jodenkamp in Drente, gebracht. Westerbork moet vreselijk zijn; voor honderden mensen 1 wasruimte en er zijn veel te weinig W.C.'s. De slaapplaatsen zijn alle door elkaar gegooid. Mannen, vrouwen en kinderen slapen samen. Men hoort daardoor van verregaande zedeloosheid, vele vrouwen en meisjes, die er wat langer verblijf houden, zijn in verwachting.

Vluchten is onmogelijk; de meeste mensen uit het kamp zijn gebrandmerkt door hun kaalgeschoren hoofden en velen ook door hun Joods uiterlijk.

Als het in Holland al zo erg is, hoe zullen ze dan in de verre en barbaarse streken leven, waar ze heengezonden worden? We nemen aan dat de meesten vermoord worden. De Engelse radio spreekt van vergassing. Misschien is dat wel de vlugste sterfmethode. Ik ben helemaal van streek. Miep vertelt al deze gruwelverhalen zo aangrijpend en zelf is ze eveneens opgewonden. Pas geleden bijvoorbeeld zat er een oude, lamme Joodse vrouw voor haar deur; ze moest op de Gestapo wachten, die een auto was gaan halen om haar te vervoeren. Het arme oudje was zo bang voor het harde schieten op de Engelse vliegers die overvlogen en ook voor de schel itsende schijnwerpers. Toch durfde Miep haar niet naar binnen halen, dat zou niemand gewaagd hebben. De Duitsers zijn niet zuinig met hun straffen.

Ook Elli is stil; haar jongen moet naar Duitsland. Ze is bang, dat de vliegers die over onze huizen vliegen, hun bommenlast van vaak wel een millioen kilo's op Dirks hoofd laten vallen. Grapjes van ‘een millioen zal hij wel niet krijgen’ en ‘één bom is al genoeg’ vind ik hier niet erg op zijn plaats. Dirk is heus niet de enige die moet gaan, elke dag rijden er volle treinen met jongens weg. Onderweg, als ze op een klein stationnetje stoppen, stappen ze wel eens stiekem uit en proberen onder te duiken; dat lukt misschien een klein percentage.

Ik ben nog niet klaar met mijn treurzang. Heb je wel eens van gijzelaars gehoord? Dat voeren ze nu als nieuwste strafsnufje voor saboteurs in. Het is het meest vreselijke dat je je kunt voorstellen. Onschuldige vooraanstaande burgers worden gevangen gezet, om op hun veroordeling te wachten. Als iemand gesaboteerd heeft en de dader wordt niet gevonden, zet de Gestapo doodgewoon een stuk of 5 gijzelaars tegen de muur. Vaak staan er doodsberichten van deze mannen in de krant. Als een ‘noodlottig ongeval’ wordt deze misdaad daar betiteld. Fraai volk, de Duitsers. En daar behoorde ik ook eens toe! Maar neen, Hitler heeft ons al lang statenloos gemaakt. En trouwens, er bestaat geen groter vijandschap op de wereld dan tussen Duitsers en Joden.

Je Anne.

Vrijdag, 16 October 1942

Lieve Kitty,


Ik heb het vreselijk druk. Net heb ik een hoofdstuk uit La belle Nivernaise vertaald

en woordjes opgeschreven. Dan een rotsom en drie bladzijden Franse spraakkunst. Ik vertik het gewoon om elke dag van die sommen te maken. Pappie vindt ze ook erg en ik kan ze haast nog beter dan hij, maar feitelijk kunnen we ze alle twee niet goed, zodat we vaak Margot er bij moeten halen. In steno ben ik het verste van ons drieën.

Gisteren heb ik De Stormers uitgelezen. Het is wel leuk, maar het haalt het lang niet bij Joop ter Heul.

Overigens vind ik dat Cissy van Marxveldt knal schrijft. Ik zal haar boeken beslist ook aan mijn kinderen laten lezen.

Moeder, Margot en ik zijn weer de beste maatjes, dat is toch eigenlijk veel prettiger. Gisteravond lagen Margot en ik samen in mijn bed, het was onnoemelijk klein, maar juist grappig. Ze vroeg of ze eens mijn dagboek mocht lezen. Ik zei: ‘Sommige stukken wel’, en toen vroeg ik naar het hare, dat mocht ik dan ook lezen. Toen kwamen we zo op de toekomst. Ik vroeg haar wat ze wilde worden, maar dat wil ze niet zeggen en ze maakt er een groot geheim van. Ik heb zoiets opgevangen van onderwijs; ik weet niet of het goed is, maar ik vermoed van wel. Eigenlijk mag ik niet zo nieuwsgierig zijn!

Vanmorgen lag ik op Peters bed, nadat ik hem er eerst had afgejaagd. Hij was woedend op me, maar dat kon me al bijster weinig schelen. Hij mocht wel eens wat vriendelijker tegen me zijn, want ik heb hem gisteravond nog een appel cadeau gegeven.

Ik heb Margot eens gevraagd of ze me erg lelijk vond. Ze zei, dat ik er wel grappig uitzag en dat ik leuke ogen had. Nogal vaag, vind je ook niet?

Tot de volgende keer. Je Anne.



Dinsdag, 20 October 1942

Lieve Kitty,


Mijn hand trilt nog, hoewel de schrik die we hadden al weer twee uur voorbij is.

Je moet weten, dat we vijf Minimaxtoestellen in huis hebben tegen brandgevaar. We wisten dat er iemand zou komen om de apparaten te vullen, maar niemand had ons gewaarschuwd toen de timmerman of hoe zo'n man anders heet inderdaad kwam.

Gevolg was, dat we helemaal niet stil waren, totdat ik buiten op het overloopje (tegenover onze kastdeur) hamerslagen hoorde. Ik dacht dadelijk aan den timmerman en waarschuwde Elli, die boven aan het eten was, dat ze niet naar beneden kon. Vader en ik vatten post aan de deur om te horen, wanneer de man zou vertrekken. Na een kwartier aan het werk geweest te zijn, legde hij daarbuiten zijn hamer en andere gereedschappen op onze kast (zo meenden we) en klopte aan onze deur. We werden wit, zou hij dus toch iets gehoord hebben en nu dit geheimzinnige gevaarte willen onderzoeken? Het scheen zo, het kloppen, trekken, duwen en rukken hield aan. Ik viel haast auw van angst bij de gedachte dat het dien wildvreemden man mocht gelukken onze mooie schuilplaats te ontmantelen. En net dacht ik, dat ik de langste tijd geleefd had, toen ik mijnheer Koophuis hoorde zeggen: ‘Doe even open, ik ben het’. Dadelijk openden we. De haak, waarmee de deurkast vastzit en die door ingewijden ook van buiten verwijderd kan worden, was gaan klemmen; daardoor had niemand ons voor den timmerman kunnen waarschuwen. De man was nu naar beneden gegaan en Koophuis wilde Elli halen, doch kreeg de kast weer niet open.

Ik kan je zeggen, dat ik niet weinig opgelucht was. De man, van wien ik meende dat hij bij ons binnen wou, had in mijn verbeelding steeds groter vormen aangenomen, op het laatst leek hij op een reus en was zo'n fascist als er geen ergere bestaat.

Hè, hè, gelukkig is het voor deze keer weer goed met ons afgelopen.

Intussen hadden we Maandag veel plezier. Miep en Henk hebben bij ons overnacht. Margot en ik waren voor een nacht bij vader en moeder komen slapen, zodat het echtpaar Van Santen onze plaats kon innemen. Het eten smaakte heerlijk. Een kleine interruptie was, dat vaders lamp kortsluiting veroorzaakte en wij eensklaps in het donker zaten. Wat te doen? Nieuwe stoppen waren wel in huis, maar die moesten helemaal achter in het donkere magazijn ingezet worden en dat was niet zo'n prettig werkje 's avonds. Toch waagden de heren het er op en na 10 minuten kon onze kaarsenilluminatie weer opgeborgen worden.

Vanochtend was ik al vroeg op. Henk moest al om half negen weggaan. Na een gezellig ontbijt trok Miep naar beneden. Het goot en ze was blij dat ze nu niet op de ets naar kantoor hoefde te rijden.

Elli komt volgende week ook eens op nachtbezoek. Je Anne.



Donderdag, 29 October 1942

Lieve Kitty,


Ik ben danig ongerust, vader is ziek. Hij heeft hoge koorts en rode uitslag, het

lijken wel de mazelen. Stel je voor, we kunnen niet eens den dokter halen! Moeder laat hem goed transpireren, misschien gaat de koorts daardoor omlaag.

Vanochtend vertelde Miep dat de woning van Van Daan ontmeubeld is. We hebben het mevrouw nog niet verteld, ze is toch al zo zenuwachtig de laatste tijd en we hebben geen zin nog een jeremiade aan te horen over haar mooie servies en haar jne stoeltjes, die thuis gebleven zijn. Wij hebben ook haast alles wat mooi was in de steek moeten laten; wat helpt nu nog dat geklaag?

De laatste tijd mag ik wat meer volwassenen-boeken lezen. Ik ben nu bezig met Eva's jeugd van Nico van Suchtelen. Het verschil tussen meisjesromans en dit vind ik niet zo erg groot. Wel staan er ook dingen in over het verkopen van hun lichaam door vrouwen aan onbekende mannen in straatjes. Ze vragen er een schep geld voor. Ik zou me doodschamen tegenover zo'n man. Verder staat er ook in, dat Eva ongesteld is geworden; hè, daar verlang ik zo naar, het lijkt me zo gewichtig.

Vader heeft Goethes en Schillers drama's uit de grote kast gehaald, hij wil me elke avond wat gaan voorlezen. Met Don Carlos zijn we al begonnen.

Om vaders goede voorbeeld te volgen heeft moeder me haar gebedenboek in handen gestopt. Voor mijn fatsoen heb ik wat gebeden in het Duits gelezen; ik vind het wel mooi, maar het zegt me niet veel. Waarom dwingt ze me ook om zo vroom-godsdienstig te doen?

Morgen gaat de kachel voor het eerst aan, we zullen wel danig in de rook zitten. De schoorsteen is al in lange tijd niet geveegd, laten we hopen dat het ding trekt!

Je Anne.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina