Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina5/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18

Donderdag, 10 December 1942

Lieve Kitty,


Mijnheer Van Daan komt uit de worst-, vlees- en specerijenhandel. In de zaak

werd hij om zijn vakkennis geëngageerd. Ook nu toont hij zich van de worstachtige kant, wat ons lang niet onaangenaam is.

We hadden veel vlees (clandestien natuurlijk) besteld om te wecken, als we eens moeilijke tijden zouden moeten doormaken! Het was een leuk gezicht hoe eerst de vleesstukken door de vleesmolen gingen, twee of drie keer, dan alle toebehoorselen door de vleesmassa heengewerkt werden en hoe de worst dan, door middel van een tuitje in de darmen, gevuld werd. De braadworst aten we dadelijk 's middags bij de zuurkool op, maar de Gelderse moest eerst goed drogen en daarvoor werd ze aan een stok met twee touwtjes aan de zoldering opgehangen. Iedereen die de kamer binnenkwam en de tentoongestelde worsten in het oog kreeg, begon te lachen. Het was dan ook een allerkoddigst gezicht.

In de kamer was het een rompslomp van jawelste. Mijnheer Van Daan was, met de schort van mevrouw voor, in zijn hele dikte (hij leek veel dikker dan hij was) met het vlees bezig. Bloederige handen, rood hoofd en het bemorste schort gaven hem het aanzien van een echten slager. Mevrouw deed van alles tegelijk, Nederlands leren uit een boekje, de soep roeren, kijken naar het vlees, zuchten en klagen over haar gebroken bovenborstrib. Dat komt er van als oudere dames (!) zulke alleridiootste gymnastiekoefeningen doen om hun dikke achterste weer kwijt te raken!

Dussel had een ontstoken oog en bette het bij de kachel met kamillen-thee. Pim zat op een stoel in het straaltje zon dat door het venster kwam, werd van de ene naar de andere kant geschoven, daarbij had hij zeker weer pijn op zijn rheumatiekplek, want hij zat tamelijk krom en met een verstoord gezicht mijnheer Van Daan op zijn vingers te kijken. Hij leek sprekend op zo'n oud en invalide diakenhuismannetje. Peter tolde met zijn poes in de kamer rond, moeder, Margot en ik waren aan het aardappelen schillen, en ten slotte deden we geen van allen onze bezigheden goed om naar Van Daan te kijken.

Dussel heeft zijn tandartsenpraktijk geopend. Ik zal je voor de grap even mededelen hoe de eerste behandeling verlopen is. Moeder was aan het strijken en mevrouw Van Daan de eerste, die er aan moest geloven. Ze ging op een stoel midden in de kamer zitten. Dussel begon heel gewichtig zijn doosje uit te pakken, vroeg om eau de cologne als desinfecteermiddel en vaseline als was.

Hij keek in mevrouws mond, raakte een tand en een kies aan, waarbij mevrouw elke keer in elkaar kromp, alsof ze van de pijn verging, terwijl ze onsamenhangende klanken uitstootte. Na een langdurig onderzoek (voor mevrouw tenminste, want het was niet langer dan twee minuten) begon Dussel een gaatje uit te krabben. Maar neen hoor, er was geen denken aan, mevrouw sloeg wild met haar armen en benen, zodat op een gegeven ogenblik Dussel het krabbertje losliet, dat ... in mevrouws tand bleef steken.

Nu had je eerst echt de poppen aan het dansen! Mevrouw sloeg om zich heen, huilde (voor zover dat mogelijk is met zo'n instrumentje in je mond), probeerde het krabbertje uit haar mond te krijgen en duwde het er met dat alles nog verder in. Mijnheer Dussel stond het toneeltje doodkalm met zijn handen in de zij aan te zien. De rest van de toeschouwers lachte onbedaarlijk. Dat was gemeen, want ik weet zeker dat ik nog veel harder gegild zou hebben.

Na veel draaien, schoppen, schreeuwen en roepen had mevrouw dan eindelijk het krabbertje er uit en mijnheer Dussel vervolgde, alsof er niets gebeurd was, zijn werk.

Hij deed dit zo vlug, dat mevrouw geen tijd had om nog eens te beginnen, maar hij had ook zoveel hulp, als nog nooit in zijn leven. Twee assistenten is niet weinig, mijnheer en ik fungeerden goed. Het geheel leek wel op een plaatje uit de Middeleeuwen met het opschrift ‘Kwakzalver aan het werk’.

Intussen had de patiënte echter niet veel geduld, ze moest op ‘haar’ soep letten en op ‘haar’ eten.

Een ding is zeker, mevrouw laat zich zo gauw niet meer behandelen! Je Anne.



Zondag, 12 December 1942

Lieve Kitty,


Ik zit heel gezellig in het voorkantoor naar buiten te kijken, door de spleet van het zware gordijn. Het is schemerdonker, maar nog net licht genoeg om je te schrijven.

Het is een heel gek gezicht als ik de mensen zie lopen, het lijkt net of ze allemaal verschrikkelijke haast hebben en bijna over hun eigen voeten struikelen.

De etsers, nou, dat tempo is helemaal niet bij te houden, ik kan niet eens zien, wat voor een soort individu er op het vehikel zit.

De mensen zien er hier in de buurt niet zo erg aanlokkelijk uit en vooral de kinderen zijn te vies om met een tang aan te pakken. Echte achterbuurtkinderen met snotneuzen, hun taaltje kan ik nauwelijks verstaan.

Gistermiddag waren Margot en ik hier aan het baden en toen zei ik: ‘Als we nu eens de kinderen, die hier langs lopen, stuk voor stuk met een hengel ophengelden, in het bad stopten, hun goed wasten en verstelden en dan weer lieten lopen, dan ...’ Daarop viel Margot in: ‘Zouden ze er morgen weer net zo vies en kapot uitzien als tevoren’.

Maar wat zit ik te bazelen, er zijn ook andere dingen om te zien, auto's, schepen en de regen. Ik hoor de tram en het gieren er van en amuseer me.

Onze gedachten hebben net zo weinig afwisseling als wijzelf. Ze gaan steeds als een caroussel van de Joden naar het eten en van het eten naar de politiek. Tussen haakjes, van Joden gesproken, gisteren heb ik, alsof het een wereldwonder was, door het gordijn twee Joden gezien; dat was zo'n naar gevoel, net of ik die mensen verraden heb en nu hun ongeluk zit te beloeren. Hier vlak tegenover ligt een woonschip, waarop een schipper met vrouw en kinderen huist, deze man heeft een klein keffertje. Het hondje kennen we alleen van het horen blaffen en van zijn staartje, dat we kunnen zien als hij in de goot van de boot loopt.

Bah, nu is het gaan regenen en de meeste mensen zijn schuil gegaan onder hun paraplu. Ik zie niets dan regenjassen en soms een bemutst achterhoofd. Het is ook eigenlijk niet nodig méér te zien, zo langzamerhand ken ik de vrouwen ook zó al, opgeblazen door de aardappels, een rode of groene jas aan, op afgetrapte hakken en met een tas aan de arm. Ze hebben een grimmig of een goedig gezicht, al naar het humeur van haar man.

Je Anne.

Dinsdag, 22 December 1942

Lieve Kitty,


Het Achterhuis heeft met blijdschap vernomen dat ieder met Kerstmis een kwart

pond boter extra krijgt. In de krant staat wel een half pond, maar dit is alleen voor de gelukkige stervelingen, die hun levensmiddelenkaarten van de Staat krijgen en niet voor ondergedoken Joden, die voor de duurte maar vier in plaats van acht clandestien kopen.

We gaan alle acht wat bakken met de boter. Ik heb vanochtend koekjes gemaakt en twee taarten. Het is erg druk hierboven en moeder heeft me verboden te gaan leren of lezen, vóórdat het huishoudelijk werk achter de rug is.

Mevrouw Van Daan ligt met haar gekneusde rib in bed, klaagt de hele dag, laat zich aldoor nieuwe verbanden aanleggen en is met niets tevreden. Ik zal blij zijn als ze weer op haar twee benen staat en zelf haar boeltje opknapt, want één ding moet gezegd worden, ze is buitengewoon vlijtig en netjes en zolang ze lichamelijk en geestelijk in goede conditie verkeert ook vrolijk.

Alsof ik overdag al niet genoeg ‘sst sst’ te horen krijg, omdat ik altijd te veel lawaai maak, is mijn heer kamergenoot op het idee gekomen me 's nachts ook herhaaldelijk ‘sst’ toe te roepen. Ik mag dus volgens hem niet eens even draaien. Ik vertik het om hier aandacht aan te besteden en roep de volgende keer ‘sst’ terug.

Hij maakt me vooral 's Zondags woedend, als hij zo vroeg het licht aansteekt en gymnastiek gaat doen. Het lijkt mij, arme geplaagde, wel uren te duren, want de stoelen, waarmee mijn bed verlengd is, schuiven gedurig onder mijn slaperig hoofd heen en weer. Na een paar keer heftig met de armen zwaaiend de lenigheidsoefeningen beëindigd te hebben, begint meneer met zijn toilet. De onderbroek hangt aan de haak, dus eerst daar naar toe en weer terug. Maar hij vergeet de das die op tafel ligt. Dus weer duwende en stotende langs de stoelen en zo weer terug.

Maar laat ik je niet ophouden over oude nare heren te zeuren, het wordt er toch niet beter door en al mijn wraakmiddelen, zoals lamp uitschroeven, deur afsluiten, kleren verstoppen, moet ik om de vrede te bewaren, achterwege laten.

Ach, ik word zo verstandig! Alles moet hier met verstand gebeuren, leren luisteren, mond houden, helpen, lief zijn, toegeven en weet ik wat nog meer. Ik ben bang dat ik mijn verstand, dat al niet bijster groot is, veel te vlug opgebruik en voor na-oorlogse tijden niets meer overhoud.

Je Anne.

Woensdag, 13 Januari 1943

Lieve Kitty,


Vanochtend ben ik weer met alles gestoord en kon daardoor niets behoorlijk

afmaken.
Buiten is het verschrikkelijk. Dag en nacht worden die arme mensen weggesleept,

met niets anders bij zich dan een rugzak en wat geld. Deze bezittingen worden hun onderweg ook nog ontnomen. De gezinnen worden uit elkaar gerukt, gesplitst in mannen, vrouwen en kinderen.

Kinderen, die van school naar huis komen, vinden hun ouders niet meer. Vrouwen, die boodschappen doen, vinden bij haar thuiskomst haar huis verzegeld, haar familie verdwenen.

De Nederlandse Christenen hebben ook al angst, hun zonen worden naar Duitsland gestuurd, iedereen is bang.

En elke nacht komen er honderden vliegers over Nederland, vliegen naar de Duitse steden en ploegen daar de aarde met hun bommen om, en ieder uur vallen in Rusland en Afrika honderden, duizenden mensen. Niemand kan zich er buiten houden, de hele aardbol voert oorlog en al gaat het beter met de geallieerden, een einde is nog niet te zien.

En wij, we hebben het goed, ja beter dan millioenen anderen. We zitten nog rustig en veilig en eten zogenaamd ons geld op. We zijn zo egoïstisch, dat we over ‘na de oorlog’ spreken, ons op nieuwe kleren en schoenen verheugen, terwijl we eigenlijk iedere cent moesten sparen om na de oorlog de andere mensen te helpen, te redden wat er nog te redden valt.

De kinderen hier lopen rond in een dun blousje en met klompen aan de voeten, geen jas, geen muts, geen kousen en niemand die hen helpt. Ze hebben niets in hun buik, maar kauwen op een peenwortel, lopen van hun koude woning weg naar de koude straat en komen op school in een nog koudere klas. Ja, het is zelfs zo ver met Holland gekomen, dat talloze kinderen op straat de voorbijgangers aanhouden en om een stuk brood vragen.

Ik zou je wel urenlang over de ellende, die de oorlog meebrengt, kunnen vertellen, maar dat maakt me zelf enkel nog mismoediger. Er blijft ons niets anders over dan zo rustig als het kan het einde van deze misère af te wachten. Zowel de Joden als de Christenen wachten, de hele aardbol wacht en velen wachten op hun dood.

Je Anne.


Zaterdag, 30 Januari 1943

Lieve Kitty,


Ik damp van woede en ik mag het niet tonen. Ik zou willen stampvoeten,

schreeuwen, moeder eens hard door elkaar schudden, huilen en weet ik wat nog meer om de nare woorden, de spottende blikken, de beschuldigingen die als pijlen van een scherp gespannen boog mij elke dag opnieuw treffen en die zo moeilijk uit mijn lichaam te trekken zijn.

Ik zou moeder, Margot, Van Daan, Dussel en ook vader toe willen schreeuwen: ‘Laat me met rust, laat me eindelijk een nacht slapen zonder dat mijn kussen nat is van tranen, mijn ogen branden en mijn hoofd bonst. Laat me gaan, weg van alles, liefst weg van de wereld!’

Maar ik kan het niet, ik kan hun mijn vertwijfeling niet laten zien; ik kan hun geen blik laten slaan in de wonden die zij mij toebrachten, ik zou hun medelijden en hun goedmoedige spot niet kunnen verdragen, ook dan nog zou ik moeten schreeuwen. Iedereen vindt me aanstellerig als ik praat, belachelijk als ik zwijg, brutaal als ik antwoord geef, geslepen als ik een goed idee heb, lui als ik moe ben, egoïstisch als ik een hap te veel eet, dom, laf berekenend enzovoort enzovoort. De hele dag hoor ik niets anders dan dat ik een onuitstaanbaar wicht ben, en hoewel ik er om lach, doe of ik me er niets van aantrek, kan het me wel wat schelen, zou ik God wel willen vragen me een andere natuur te geven, die niet alle mensen tegen me in het harnas jaagt.

Het kan niet, mijn natuur is me gegeven en ik kan niet slecht zijn, ik voel het. Ik doe meer mi]n best allen te bevredigen dan ze in de verste verte vermoeden, ik probeer boven te lachen, omdat ik hun mijn narigheden niet wil tonen.

Meer dan eens heb ik moeder, na een rij onredelijke verwijten, naar het hoofd geslingerd: ‘Het kan me toch niets schelen wat je zegt, trek je handen maar helemaal van me af, ik ben toch een hopeloos geval’. Ik kreeg dan natuurlijk te horen dat ik brutaal was, werd twee dagen een beetje genegeerd en dan was opeens weer alles vergeten en ik werd behandeld zoals ieder ander.

Het is me onmogelijk om de ene dag poeslief te zijn en de volgende dag hun mijn haat in het gezicht te slingeren. Ik kies liever de gulden middenweg, die niet verguld is, en houd mijn mond over wat ik denk en probeer ééns net zo minachtend tegenover hen te worden, als zij het zijn tegenover mij.

Ach, als ik het maar kon. Je Anne.



Vrijdag, 5 Februari 1943

Lieve Kitty,


Hoewel ik je al lang niets meer van de ruzie's geschreven heb, is daar toch geen

verandering in gekomen. Mijnheer Dussel nam de gauw vergeten onenigheden in het begin nog tragisch op, maar nu gaat hij er al aan wennen en probeert niet meer te bemiddelen.

Margot en Peter zijn helemaal niet wat je ‘jong’ noemt, alle twee zo saai en stil. Ik steek daar verschrikkelijk tegen af en krijg altijd te horen: ‘Margot en Peter doen dat ook niet, kijk maar naar hen’. Verschrikkelijk vind ik dat.

Ik zal je wel bekennen dat ik helemaal niet zo worden wil als Margot, ze is me veel te slapjes en onverschillig, laat zich door iedereen omverpraten en geeft in alles toe. Ik wil wat steviger van geest zijn! Maar zulke theorieën houd ik voor me, ze zouden me wel uitlachen als ik met deze verdediging aan kwam zetten.

Aan tafel is de stemming meestal gespannen, gelukkig worden de uitbarstingen nog wel eens door de soep-eters tegengehouden. De soep-eters zijn allen, die van kantoor komen en dan een kopje soep krijgen.

Vanmiddag had mijnheer Van Daan het er weer over, dat Margot zo weinig eet. ‘Zeker om de slanke lijn te houden’, vervolgde hij op spottende toon. Moeder, die het altijd voor Margot opneemt, zei op luide toon: ‘Ik kan dat domme geklets van u niet meer horen’.

Mevrouw werd vuurrood, mijnheer keek voor zich en zweeg. Vaak lachen we om de één of ander; pas geleden kraamde mevrouw zo'n heerlijke onzin uit. Ze vertelde van vroeger, hoe goed ze met haar vader op kon schieten en hoeveel ze ge irt heeft. ‘En weet u’, vervolgde ze, ‘als een heer een beetje handtastelijk wordt, zei mijn vader, dan moet je tegen hem zeggen: “Mijnheer, ik ben een Dame”, dan weet hij wel wat je bedoelt’. Wij schaterden als om een goede mop.

Ook Peter, hoe stil ook meestal, geeft nog eens aanleiding tot vrolijkheid. Hij heeft het geluk, dol op vreemde woorden te zijn, maar de betekenis er van niet altijd te kennen.

Op een middag toen we wegens visite op kantoor niet naar het toilet konden gaan, moest hij daar toch hoognodig naar toe, trok echter niet door. Om ons nu te waarschuwen, bevestigde hij een bordje aan de W.C.-deur met: ‘S.v.p.gas!’ er op. Hij wou natuurlijk zetten: ‘Voorzichtig, gas’, maar vond ‘s.v.p.’ deftiger staan. Dat de betekenis er van ‘alstublieft’ is, daar had hij geen notie van.

Je Anne.


Zaterdag, 27 Februari 1943

Lieve Kitty,


Pim verwacht elke dag de invasie. Churchill heeft longontsteking gehad, hij gaat

langzaam vooruit. Gandhi, de Indische vrijheidsman, houdt zijn zoveelste hongerstaking.

Mevrouw beweert dat ze fataliste is. Maar wie is het bangst als ze schieten? Niemand anders dan Petronella.

Henk heeft het herderlijk schrijven van de bisschoppen aan de mensen in de kerk voor ons meegebracht. Het was reuze-mooi en opwekkend geschreven. ‘Blijft niet stilzitten, Nederlanders, ieder vechte met zijn eigen wapenen voor de vrijheid van land, volk en godsdienst! Helpt, geeft, aarzelt niet!’ Dat roepen ze zomaar van de preekstoel. Zou het helpen? Onzen geloofsgenoten stellig niet.

Stel je voor, wat ons nu weer overkomen is. De huiseigenaar van dit perceel heeft, zonder Kraler en Koophuis in te lichten, het huis verkocht. Op een morgen kwam de nieuwe huiseigenaar met een architect het huis bezichtigen.

Gelukkig was mijnheer Koophuis aanwezig, die den heren alles heeft laten zien, op ons Achterhuis na. Hij had zogenaamd de sleutel van de tussendeur thuis vergeten. De nieuwe huiseigenaar vroeg niets verder. Als hij maar niet terugkomt en toch het Achterhuis wil zien, want dan ziet het er lelijk voor ons uit.

Vader heeft voor Margot en mij een kartotheekdoos leeggemaakt en er kaartjes in gedaan. Dit wordt de boekenkartotheek, we schrijven namelijk alle twee op welke boeken we gelezen hebben, door wie ze geschreven zijn, enzovoort. Voor vreemde woorden heb ik me een apart boekje aangeschaft.

Moeder en ik schieten de laatste tijd wel beter met elkaar op, maar vertrouwelijk zijn we nooit. Margot is kattiger dan ooit en vader heeft iets waarmee hij niet voor de dag wil komen, maar is toch altijd een schat.

Nieuwe boter- en margarineverdeling aan tafel! Ieder krijgt zijn stukje smeersel op zijn bord. Mijns inziens geschiedt de verdeling daarvan door de Van Daans zeer oneerlijk. Mijn ouders zijn echter veel te bang voor ruzie om er wat van te zeggen. Jammer, ik vind dat je zulke mensen altijd met gelijke munt terugbetalen moet.

Je Anne.


Woensdag, 10 Maart 1943

Lieve Kitty,


Gisteravond hadden we kortsluiting, bovendien paften ze onophoudelijk. Ik heb

mijn angst voor alles wat schieten of vliegers is nog niet afgeleerd en lig haast elke nacht bij vader in bed, om daar troost te zoeken. Dat kan nu wel erg kinderachtig zijn, maar je moest het eens meemaken. Je kunt je eigen woorden niet meer verstaan, zo bulderen de kanonnen. Mevrouw, de fataliste, begon haast te huilen en sprak met een heel benepen stemmetje: ‘O, het is zo onaangenaam, o ze schieten zo hard’, dat wil zeggen: ‘Ik ben zo bang’.

Bij kaarslicht leek het nog niet eens zo erg, als toen het donker was. Ik rilde alsof ik koorts had en smeekte vader om het kaarsje weer aan te maken. Hij was onverbiddelijk, het licht bleef uit. Plotseling schoten machinegeweren, dat is nog tienmaal erger dan kanonnen. Moeder sprong uit bed en stak, tot ergernis van Pim, de kaars aan. Haar resolute antwoord op zijn gemopper was: ‘Anne is toch geen oude soldaat’. Daarmee basta.

Heb ik je al van mevrouws andere angsten verteld? Ik geloof van niet. Om in al de Achterhuisavonturen ingelicht te zijn moet je ook dit weten. Mevrouw meende op een nacht op zolder dieven te horen, ze vernam echte harde stappen en was zo bang, dat ze haar man wekte. Net op dat ogenblik verdwenen de dieven en het lawaai dat mijnheer nog hoorde was het kloppen van het bange hart der fataliste. ‘Och Putti (mijnheers troetelnaam), ze hebben zeker de worsten en al onze peulvruchten meegenomen. En Peter, o zou Peter nog wel in zijn bed liggen?’

‘Peter hebben ze heus niet gestolen, hoor, maak je niet bang en laat me slapen’.

Maar daar kwam niets van, mevrouw sliep van angst niet meer in. Een paar nachten later werd de hele bovenfamilie door het spokenlawaai gewekt. Peter ging met een zaklantaarn naar de zolder en rrrrt, wat liep er weg? Een massa grote ratten! Toen we wisten wie de dieven waren, hebben we Mouschi op zolder laten slapen en de ongenode gasten zijn niet meer teruggekomen, tenminste niet 's nachts.

Peter kwam een paar avonden geleden op de vliering om wat oude kranten te halen. Om de trap af te dalen moest hij zich goed aan het luik vasthouden. Hij legde zonder te kijken zijn hand neer en ... viel bijna van schrik en pijn de trap af. Zonder dat hij het wist had hij zijn hand op een grote rat gelegd, die hem hard in zijn arm beet. Het bloed liep door zijn pyama heen, toen hij zo wit als een doek en met knikkende knieën bij ons kwam. Geen wonder, een grote rat aaien is niet zo leuk en nog een hap krijgen op de koop toe is verschrikkelijk.

Je Anne.


Vrijdag, 12 Maart 1943

Lieve Kitty,


Mag ik je voorstellen: Mama Frank, voorvechtster der kinderen! Extra boter voor

de jeugdigen, moderne jeugdproblemen, in alles komt moeder voor de jeugd op en krijgt na een dosis ruzie altijd haar zin.

Een glas geweckte tong is bedorven. Galadiner voor Mouschi en Mof .

Mof is nog een onbekende voor je, toch is ze al in de zaak geweest, voordat we gingen onderduiken. Ze is de magazijn- en kantoorkat en houdt in de opslagplaats de ratten verre. Ook haar politieke naam is makkelijk uit te leggen. Een tijdlang had de rma twee katten, één voor het magazijn en één voor de zolder. Het gebeurde wel eens, dat die twee elkaar ontmoetten, wat altijd grote gevechten ten gevolge had. De magazijner was altijd degene die aanviel, terwijl het zolderbeest op het eind toch de overwinning behaalde. Net als in de politiek. Dus werd de magazijnkat, de Duitse of Mof , en de zolderkat, de Engelse of Tommi, genoemd. Tommi is later afgeschaft en Mof dient ons allen tot amusement, als we naar beneden gaan.

We hebben zoveel bruine en witte bonen gegeten, dat ik ze niet meer zien kan. Als ik er alleen maar aan denk, word ik al misselijk. De avond-broodverstrekking is helemaal ingetrokken.

Pappie heeft net gezegd dat hij niet goed in zijn humeur is, hij heeft weer zulke droevige oogjes, de arme ziel!

Ik ben gewoon verslaafd aan het boek: De klop op de deur van Ina Boudier-Bakker. De familieroman is buitengewoon goed geschreven, wat er omheen is over oorlog, schrijvers of de emancipatie der vrouwen, vind ik niet zo goed en eerlijk gezegd interesseert het me niet zo bar.

Verschrikkelijke bomaanvallen op Duitsland. Mijnheer Van Daan is slecht gehumeurd, aanleiding sigarettenschaarste. Discussies over het vraagstuk van wel of niet de blikgroente op te eten is voor onze partij gunstig verlopen.

Geen schoen kan ik meer aan, behalve hoge skischoenen, die in huis erg onpractisch zijn. Een paar rieten sandalen voor ƒ 6.50 kon ik maar een week dragen, toen waren ze al buiten gevecht gesteld. Misschien diept Miep wat clandestiens op. Ik moet vaders haar nog knippen. Pim beweert, dat hij na de oorlog nooit meer een anderen kapper neemt, zo goed volbreng ik mijn werk. Als ik maar niet zo vaak zijn oor meeknipte!

Je Anne.


Donderdag, 18 Maart 1943

Lieve Kitty,


Turkije in de oorlog. Grote opwinding. Wachten met spanning de radioberichten

af.
Je Anne.



Vrijdag, 19 Maart 1943

Lieve Kitty,


De teleurstelling was de vreugde al in een uur gevolgd en had de laatstgenoemde achterhaald. Turkije is nog niet in oorlog, de minister daar sprak enkel van een spoedige ophef ng der neutraliteit. Op de Dam stond een krantenverkoper die schreeuwde: ‘Turkije aan de kant van Engeland!’ De kranten werden hem op die manier uit de handen gegrist. Zo heeft het verheugende bericht ook ons bereikt.

De 500- en 1000-gulden-briefjes worden ongeldig verklaard. Dat is een grote strop voor alle zwartehandelaren en dergelijke, maar nog meer voor eigenaars van ander zwart geld en ondergedokenen. Men moet, als men een duizend-gulden-biljet wil inwisselen, precies verklaren en bewijzen boe men er aan is gekomen. Belastingen mogen er nog wel mee worden betaald, ook dit laatste loopt volgende week af.

Dussel heeft een trapboormachine ontvangen, ik zal dan wel gauw een ernstige nakijkbeurt krijgen.

De Führer aller Germanen heeft gesproken voor gewonde soldaten. Het was treurig om aan te horen. Vraag en antwoord gingen ongeveer zo:

‘Heinrich Scheppel is mijn naam’. ‘Waar gewond?’
‘Bij Stalingrad’.
‘Wat gewond?’

‘Twee afgevroren voeten en een gewrichtsbreuk aan de linkerarm’.

Precies zo gaf de radio dit verschrikkelijke marionettentheater aan ons door. De gewonden leken wel trots op hun verwondingen, hoe meer hoe beter. Eentje kwam van de ontroering, dat hij den Führer de hand mocht reiken (als hij die tenminste nog had), haast niet uit zijn woorden.

Je Anne.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina