Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina6/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18

Donderdag, 25 Maart 1943

Lieve Kitty,


Moeder, vader, Margot en ik zaten gisteren genoeglijk bij elkaar; ineens kwam Peter binnen en uisterde vader iets in zijn oor. Ik hoorde wat van ‘een ton omvallen in het magazijn’ en ‘iemand aan de deur morrelen’. Margot had dat ook verstaan, maar probeerde mij nog een beetje te kalmeren, want ik was natuurlijk krijt-wit en zeer nerveus, toen vader dadelijk met Peter de deur uitging.

Wij drieën wachtten nu af. Nog geen twee minuten later kwam mevrouw, die beneden in het privé-kantoor naar de radio had geluisterd, naar boven. Ze vertelde dat Pim haar verzocht had de radio af te draaien en zachtjes naar boven te gaan. Maar hoe gaat het, als men heel zachtjes wil lopen, dan kraken de treden van een oude trap juist dubbel hard. Weer vijf minuten daarna kwamen Peter en Pim, wit tot aan hun neuspuntjes, en vertelden ons hun wederwaardigheden.

Ze hadden zich onder aan de trap neergezet en gewacht, eerst zonder resultaat. Maar opeens, ja hoor, daar hoorden ze twee harde bonzen, alsof hier in huis twee deuren dichtgeslagen werden. Pim was in één sprong boven, Peter waarschuwde eerst nog Dussel, die met veel omhaal en geruis eindelijk ook boven aanlandde. Nu ging het op kousenvoeten een étage hoger naar het gezin Van Daan. Mijnheer was erg verkouden en lag al in bed, dus schaarden we ons allen aan zijn sponde en uisterden onze vermoedens.

Telkens als mijnheer hard hoestte, dachten mevrouw en ik dat we de stuipen kregen van angst. Dat ging zolang, totdat één van ons op het lumineuze idee kwam hem codeïne te geven, de hoest bedaarde toen onmiddellijk.

Weer wachtten en wachtten we, maar niets werd meer vernomen en nu veronderstelden we eigenlijk allemaal dat de dieven, doordat ze stappen in het anders zo stille huis hadden gehoord, de benen genomen hadden. Nu was het ongeluk, dat de radio beneden nog op Engeland stond en de stoelen er ook nog netjes omheen geschaard waren. Als nu de deur geforceerd zou zijn en de luchtbescherming dit zou bemerken en de politie waarschuwen, dan zouden er heel onaangename gevolgen uit het geval kunnen voortvloeien. Dus stond mijnheer Van Daan op, trok zijn jas aan, zette een hoed op en ging achter vader heel voorzichtig de trap af, gevolgd door Peter, die voor alle zekerheid met een zware hamer bewapend was. De dames boven (inclusief Margot en ik) wachtten met spanning tot vijf minuten later de heren boven verschenen en vertelden, dat alles in huis rustig was.

Er werd afgesproken, dat we geen water zouden laten lopen, noch de W.C. doortrekken. Maar daar de opwinding bijna al de huisgenoten op de maag geslagen was, kun je je voorstellen wat een lucht daar heerste, toen we allen na elkaar onze boodschap achtergelaten hadden.

Als er zo iets is, komen er altijd een heleboel dingen bij elkaar, zo ook nu. No 1 was, dat de Westertorenklok niet speelde, en dat gaf me juist altijd zo'n geruststellend gevoel.

No 2: Dat mijnheer Vossen de vorige avond eerder weggegaan was en wij dus niet zeker wisten, of Elli de sleutel nog had kunnen bemachtigen en misschien vergeten had de deur af te sluiten.

Het was nog altijd avond en wij verkeerden nog steeds in onzekerheid, hoewel we toch weer een beetje gerustgesteld waren, daar we vanaf circa acht uur, toen de dief ons huis onveilig had gemaakt, tot half elf niets meer gehoord hadden. Het leek ons bij nader inzien dan ook erg onwaarschijnlijk dat een dief zo vroeg in de avond, als er nog mensen op straat kunnen lopen, een deur opengebroken zou hebben. Bovendien rees bij één van ons de gedachte, dat het wel mogelijk zou zijn, dat de magazijnmeester van onze buren nog aan het werk was, want in de opwinding en met de dunne muren kan men zich gemakkelijk in de geluiden vergissen en ook de verbeelding speelt meestal in zulke hachelijke ogenblikken een grote rol.

We gingen dus naar bed, maar de slaap wilde niet bij allen komen. Vader, zowel als moeder als mijnheer Dussel waren veel wakker en ik kan met een beetje overdrijving zeggen, dat ik geen oog dichtgedaan heb. Vanochtend zijn de heren naar beneden gegaan en hebben aan de buitendeur getrokken of ze nog afgesloten was, maar alles bleek veilig.

De gebeurtenissen, die ons zoveel angst hadden aangejaagd, werden in geuren en kleuren aan het gehele personeel verteld. Iedereen dreef er de spot mee, maar achteraf kan men om zulke dingen gemakkelijk lachen. Alleen Elli heeft ons au sérieux genomen.

Je Anne.


Zaterdag, 27 Maart 1943

Lieve Kitty,


De steno-cursus is af, we beginnen nu snelheid te oefenen.
Wat worden we knap! Om je verder nog eens iets van mijn dagdoodvakken te vertellen (dat noem ik zo, omdat we niets anders doen dan de dagen maar zo gauw mogelijk laten verlopen, zodat het eind van de onderduiktijd gauw naderbij komt): ik ben dol op mythologie en wel het meest op de Griekse en Romeinse Goden. Hier denken ze, dat het voorbijgaande neigingen zijn, ze hebben nog nooit van een bakvis met Godenappreciaties gehoord. Welnu, dan ben ik de eerste!

Mijnheer Van Daan is verkouden, of beter: hij heeft een weinig keelgekriebel. Hij maakt er een geweldige poespas om heen. Gorgelen met kamillenthee, verhemelte penselen met myrrhe-tinctuur, dampo op de borst, neus, tanden en tong en dan nog een slechte bui.

Rauter, één of andere hoge mof, heeft een rede gehouden: ‘Alle Joden moeten vóór 1 Juli de Germaanse landen verlaten hebben. Van 1 April tot 1 Mei zal de provincie Utrecht gezuiverd worden (alsof het kakkerlakken zijn). Van 1 Mei tot 1 Juni de provincies Noord- en Zuid-Holland’. Als een kudde ziek en verwaarloosd vee worden de arme mensen naar de onzindelijke slachtplaatsen gevoerd. Maar laat ik hierover zwijgen, ik krijg alleen nachtmerries van mijn eigen gedachten.

Een prettig nieuwtje is, dat de Duitse afdeling van de arbeidsbeurs door sabotage in brand gestoken is. Een paar dagen daarna volgde de Burgerlijke Stand. Mannen in uniformen van de Duitse politie hebben de wachtposten gekneveld en zodoende belangrijke papieren foetsjie gemaakt.

Je Anne.

Donderdag, 1 April 1943

Lieve Kitty,


Heus geen moppenstemming (zie datum), integendeel, vandaag kan ik gerust het gezegde aanhalen: ‘Een ongeluk komt nooit alleen’.

Ten eerste heeft onze opvrolijker mijnheer Koophuis gisteren een erge maagbloeding gehad en moet op zijn minst drie weken het bed houden. Ten tweede: Elli griep. Ten derde gaat mijnheer Vossen volgende week naar het ziekenhuis. Hij heeft waarschijnlijk een maagzweer en moet daaraan geopereerd worden. En ten vierde waren belangrijke zakenbesprekingen op komst, en alle voornaamste punten had vader met mijnheer Koophuis in details besproken, mijnheer Kraler kan in de gauwigheid niet zo goed ingelicht worden.

De verwachte heren kwamen, vader bibberde al van te voren over de a oop van de bespreking. ‘Als ik er maar bij kon zijn, was ik maar beneden’, riep hij uit. ‘Ga dan met je oor op de grond liggen, de heren komen toch in het privé-kantoor, dan kun je alles horen’. Vaders gezicht klaarde op en om half elf gisterochtend namen Margot en Pim (twee oren horen meer dan één) hun stelling op de grond in. De bespreking werd 's morgens niet beëindigd, maar 's middags was vader niet in staat de luistercampagne voort te zetten. Hij was geradbraakt door de ongewone en onpractische houding. Ik nam zijn plaats in om half drie, toen we stemmen in de gang hoorden. Margot hield me gezelschap, het gesprek was ten dele zo langdradig en vervelend, dat ik plotseling op de harde, koude linoleum-grond ingeslapen was. Margot durfde me niet aan te raken uit angst, dat ze ons beneden zouden horen en roepen ging helemaal niet. Ik sliep een goed half uur, werd toen verschrikt wakker en was alles van de belangrijke bespreking vergeten. Gelukkig had Margot beter opgelet.

Je Anne


Vrijdag, 2 April 1943

Lieve Kitty,


Ach, ik heb weer iets verschrikkelijks in mijn zondenregister staan.
Gisteravond lag ik in bed en wachtte tot vader met me zou komen bidden en dan goedennacht zou zeggen, toen moeder de kamer binnenkwam, op mijn bed ging zitten en heel bescheiden vroeg: ‘Anne, Pappie komt nog niet, zullen wij niet eens samen bidden?’

‘Neen, mansa’, antwoordde ik.

Moeder stond op, bleef naast mijn bed staan, liep dan langzaam naar de deur. Eensklaps draaide ze zich om en met een verwrongen gezicht zei ze: ‘Ik wil niet boos zijn, liefde laat zich niet dwingen’. Een paar tranen gleden over haar gezicht, toen zij de deur uitging.

Ik bleef stil liggen en vond het dadelijk gemeen van mezelf dat ik haar zo ruw van me gestoten had, maar ik wist ook, dat ik niet anders antwoorden kon. Ik kan niet huichelen en tegen mijn wil in met haar bidden. Het ging eenvoudig niet.

Ik had medelijden met moeder, heel erg veel medelijden, want voor de eerste keer in mijn leven heb ik gemerkt, dat mijn koele houding haar niet onverschillig laat. Ik heb het verdriet op haar gezicht gezien, toen ze over de liefde, die zich niet dwingen laat, sprak. Het is hard de waarheid te zeggen en toch is het de waarheid, dat zij zelf mij van zich gestoten heeft, dat zij zelf mij voor elke liefde van haar kant afgestompt heeft door haar ontactvolle opmerkingen, haar ruwe scherts over dingen, die bij mij voor grappen niet toegankelijk zijn. Zoals ik elke keer in elkaar krimp als zij mij haar harde woorden toevoegt, zo kromp haar hart ineen toen zij merkte, dat de liefde tussen ons werkelijk verdwenen was.

Zij heeft de halve nacht gehuild en de hele nacht haast niet geslapen. Vader kijkt me niet aan en als hij het even doet, lees ik in zijn ogen de woorden: ‘Hoe kon je zo naar zijn, hoe durf je moeder zo'n verdriet te doen’.

Ze verwachten, dat ik excuus zal aanbieden, maar dit is een geval, waarvoor ik geen excuses kan aanbieden, omdat ik iets gezegd heb, dat waar is en dat moeder vroeger of later toch moet weten. Ik lijk en ben onverschillig tegenover moeders tranen en vaders blik geworden, omdat zij alle twee de eerste keer iets voelen van wat ik onophoudelijk merk. Ik kan alleen medelijden hebben met moeder, die zelf haar houding terug moet vinden. Ik voor mij blijf zwijgen en ben koel en zal ook verder voor de waarheid niet terugdeinzen, omdat zij, naarmate zij langer wordt uitgesteld, des te moeilijker te horen valt.

Je Anne.


Dinsdag, 27 April 1943

Lieve Kitty,


Het hele huis dendert van ruzie. Moeder en ik, de Van Daans en Papa, moeder en

mevrouw, alles is kwaad op elkaar, leuke sfeer, hè? Het gebruikelijke zondenregister van Anne kwam in zijn hele omvang opnieuw op het tapijt.

Mijnheer Vossen ligt al in het Binnengasthuis, mijnheer Koophuis is weer op, de maagbloeding was gauwer gestelpt dan anders. Hij heeft verteld, dat de Burgerlijke Stand nog eens extra toegetakeld is door de brandweer, die in plaats van alleen het vuur te blussen de heleboel onder water heeft gezet. Doet me plezier!

Het Carlton Hotel is kapot, twee Engelse vliegers met een grote lading brandbommen aan boord zijn precies op het ‘Of ziersheim’ gevallen. De hele hoek Vijzelstraat-Singel is afgebrand. De luchtaanvallen op Duitse steden worden van dag tot dag sterker. We hebben geen nacht meer rust, ik heb zwarte kringen onder mijn ogen door het tekort aan slaap. Ons eten is miserabel. Ontbijt met droog brood en kof esurrogaat. Diner: al veertien dagen lang spinazie of sla. Aardappels van 20 cm lengte smaken zoet en rot. Wie wil vermageren logere in het Achterhuis! Boven klagen ze steen en been, wij vinden het niet zo tragisch. Alle mannen, die in 1940 gevochten hebben of gemobiliseerd waren, zijn opgeroepen om in krijgsgevangenschap voor den Führer te werken. Doen ze zeker als voorzorgsmaatregel tegen de invasie!

Je Anne.

Zaterdag, 1 Mei 1943

Lieve Kitty,


Als ik zo wel eens bedenk hoe we hier leven kom ik meestal tot de conclusie dat we het hier, in verhouding tot de andere Joden, die niet ondergedoken zijn, als in een paradijs hebben. Toch zal ik later, als alles weer gewoon is, wel verwonderd zijn hoe wij, die het thuis erg netjes hadden, zo afgezakt zijn.

Afgezakt in dien zin van het woord, waar het de manieren betreft. We hebben bijvoorbeeld al sinds we hier zijn altijd op onze tafel één zeildoek, dat door het vele gebruik meestal niet tot de schoonste behoort. Wel probeer ik het vaak wat op te knappen met een vuile afwasdoek, die meer gat dan doek is. Zelfs hiermee valt op de tafel, met nog zo hard boenen, niet veel eer te behalen. De Van Daans slapen nu al de hele winter op een lap anel, die men hier niet wassen kan, omdat de bonzeeppoeder veel te schaars en bovendien veel te slecht is. Vader loopt met een gerafelde broek en ook zijn das vertoont slijtage. Mama's korset is vandaag afgeknapt van ouderdom en is niet meer te repareren, terwijl Margot met een twee maten te kleine bustehouder loopt.

Moeder en Margot hebben de hele winter samen met drie hemdjes gedaan en de mijne zijn zo klein dat ze nog niet eens tot aan mijn buik komen.

Dit zijn nu wel allemaal dingen, waar overheen te stappen is, toch bedenk ik wel eens met schrik: ‘Hoe willen wij, die vanaf mijn onderbroek tot op de scheerkwast van vader met versleten dingen rondlopen, later weer eens tot onze vooroorlogse stand gaan behoren?’

Vannacht heb ik vier keer al mijn bezittingen op moeten pakken, zo hard paften ze. Vandaag heb ik een koffertje gepakt, waarin ik de nodigste vluchtbehoeften heb gestopt. Maar terecht zegt moeder: ‘Waar wil je naar toe vluchten?’

Heel Nederland heeft straf voor het staken in vele gebieden. Daarom is er staat van beleg afgekondigd en ieder krijgt een boterbon minder. Wat zijn de kindertjes stout!

Je Anne.

Dinsdag, 18 Mei 1943

Lieve Kitty,


Ik ben toeschouwster geweest van een hevig luchtgevecht tussen Duitse en Engelse vliegers. Een paar Geallieerden moesten jammer genoeg uit hun brandende toestellen springen. Onze melkboer, die in Halfweg woont, heeft aan de kant van de weg vier Canadezen zien zitten, waarvan er een vloeiend Hollands sprak. Deze vroeg den melkboer om vuur voor een sigaret en vertelde hem, dat de bemanning van de machine uit zes personen bestaan had. De piloot was verbrand en hun vijfde man had zich ergens verstopt. De groene politie kwam de vier kerngezonde mensen ophalen. Hoe is het mogelijk dat je na zo'n geweldige parachute-reis nog zoveel tegenwoordigheid van geest hebt.

Hoewel het tamelijk warm is, moeten wij om de dag onze kachels aanmaken om groente-afval en vuil te verbranden. In vuilnisemmers kunnen we niets gooien, omdat we altijd met de magazijnknecht rekening moeten houden. Hoe licht verraadt een kleine onvoorzichtigheid je niet!

Alle studenten, die van het jaar willen afstuderen of verder studeren, moeten op een lijst van de overheid tekenen, dat ze met de Duitsers sympathiseren en de nieuwe orde goed gezind zijn. 80 pCt heeft het vertikt zijn geweten en overtuiging te verloochenen, maar de gevolgen zijn niet uitgebleven. Alle studenten, die niet getekend hebben, moeten in een werkkamp naar Duitsland. Wat blijft er van de Nederlandse jeugd nog over, als allen in Duitsland hard moeten werken?

Wegens de harde knallen had moeder vannacht het raam gesloten; ik was in Pims bed. Eensklaps springt boven ons hoofd mevrouw uit haar bed, als door Mouschi gebeten, direct gevolgd door een harde klap. Het klonk alsof een brandbom naast mijn bed gevallen was. Ik gilde: ‘Licht, licht!’ Pim knipte de lamp aan. Ik verwachtte niet anders dan dat binnen een paar minuten de kamer in lichtelaaie zou staan. Er gebeurde niets. We haastten ons allen naar boven om te zien wat daar aan de gang was. Mijnheer en mevrouw hadden door het open raam een rose gloed gezien. Mijnheer dacht dat het hier in de buurt brandde en mevrouw dacht, dat ons huis vlam gevat had. Bij de klap die volgde stond mevrouw al op haar trillende benen. Maar er gebeurde verder niets en wij kropen weer in onze bedden.

Er was nog geen kwartier verlopen, of het schieten begon opnieuw. Mevrouw rees dadelijk overeind en liep de trap af naar mijnheer Dussels kamer, om daar de rust te vinden die haar bij haar ega niet beschoren was. Dussel ontving haar met de woorden: ‘Kom in mijn bed, mijn kind!’ Wat ons in een onbedaarlijke lach deed schieten. Het kanonvuur deerde ons niet meer, onze angst was weggevaagd.

Je Anne.


Zondag, 13 Juni 1943

Lieve Kitty,


Mijn verjaardagsvers van vader is te mooi dan dat ik je dit gedichtje kan onthouden.

Daar Pim meest in het Duits dicht, moest Margot aan het vertalen slaan. Oordeel naar het hier aangehaalde stukje zelf, of Margot zich niet prima van haar vrijwillige taak gekweten heeft. Na de gebruikelijke korte samenvatting van de jaarsgebeurtenissen volgt:

‘Als jongste van allen en toch niet meer klein Heb je het niet makkelijk; een ieder wil zijn

Een beetje je leraar, jou dikwijls tot pijn.

“Wij hebben ervaring!” - “Neem het van mij aan!” “Wij hebben zoiets al vaker gedaan
En weten beter wat kan en wat mag”.
Ja ja, zo gaat het sinds jaar en dag.
De eigen gebreken zijn van geen gewicht,
Daarom valt berispen een ieder zo licht.
Van andren de fouten die tellen zwaar,
't Is moeilijk voor ons, je ouderpaar
Altijd te oordelen zeer rechtvaardig,
De ouden berispen staat eigenaardig.
Is men tezamen met zoveel besjes,
Dan moet men slikken al die lesjes
Zoals je neemt een bittre pil.
Men doet het dan om vredes wil.
De maanden hier zijn niet verspild,
Dat had je zelf ook niet gewild.
Met leren en lezen van veel boeken
Kon je “verveling” met een lichtje zoeken.
Maar nog veel moeilijker is de vraag:
“Wat moet ik aandoen? Wat ik ook draag
Is veel te klein. Ik heb geen broek,
Mijn hemd is als een lendendoek
En dan de schoenen, 't is niet te dragen
Zoveel kwalen als me plagen”’.

Een stuk over het eetthema kon Margot niet op rijm vertaald krijgen en daarom laat ik het helemaal weg. Vind je overigens mijn vers niet mooi? Verder ben ik erg verwend en heb veel mooie dingen gekregen, onder andere een dik boek over mijn lievelingsonderwerp: de mythologie van Hellas en Rome. Ook over gebrek aan snoep kan ik niet klagen, allen hebben hun laatste voorraad aangesproken. Als Benjamin van de duikfamilie ben ik werkelijk met veel meer vereerd dan me toekomt.

Je Anne.

Dinsdag, 15 Juni 1943

Lieve Kitty,


Er is wel een massa gebeurd, maar ik denk meestal dat al mijn oninteressant geklets je erg verveelt en dat je blij bent, als je niet zoveel brieven ontvangt. Ik zal je de berichten dan ook maar in het kort weergeven.

Mijnheer Vossen is niet aan een maagzweer geopereerd. Toen ze hem op de operatietafel hadden en zijn maag open was, zagen de doktoren, dat hij kanker had, die al zover gevorderd was, dat er niets meer te opereren viel. Ze hebben de maag dus weer gesloten, hem toen drie weken in bed gehouden en goed te eten gegeven en ten slotte maar naar huis gestuurd. Ik heb ontzettend veel medelijden met hem en vind het heel erg dat we niet op straat kunnen gaan, anders zou ik hem beslist vaak bezoeken om hem af te leiden. Voor ons is het een ramp dat die goede Vossen ons niet meer van alles wat er in het magazijn gebeurt en gehoord wordt op de hoogte houdt. Hij was onze beste hulp- en steunkracht voor de voorzichtigheid, we missen hem erg.

Volgende maand zijn wij aan de beurt met de radio-inlevering. Koophuis heeft thuis een clandestien Baby-toestel, dat wij ter vervanging van onze grote Philips krijgen. Het is wel jammer dat die mooie kast ingeleverd moet worden, maar een huis waar onderduikers zitten moet zich in geen geval de overheid moedwillig op de hals halen. De kleine radio zetten we boven neer. Bij clandestiene Joden, clandestien geld en clandestien kopen kan ook nog wel een clandestiene radio.

Alle mensen proberen een oud toestel te bemachtigen om dat in plaats van hun ‘moed-houd-bron’ in te leveren. Het is heus waar, als de berichten van buiten steeds slechter worden, helpt de radio met haar wonder-stem, dat we de moed niet verliezen door elke keer weer te zeggen: ‘Kop op, houd goede moed, er komen ook weer andere tijden!’

Je Anne.

Zondag, 11 Juli 1943

Lieve Kitty,


Om voor de zoveelste keer op het opvoedingsthema terug te komen, zal ik je zeggen, dat ik me erg veel moeite geef om hulpvaardig, vriendelijk en lief te zijn en alles zo te doen, dat de aanmerkingsregen een motregentje wordt. Het is verhipt moeilijk om voor mensen, die je niet uit kunt staan zo voorbeeldig te doen, terwijl je er niets van meent. Maar ik zie werkelijk in dat ik er verder mee kom, als ik een beetje huichel, in plaats van mijn oude gewoonte te volgen, namelijk om iedereen mijn mening ronduit te zeggen (hoewel nooit iemand naar mijn mening vraagt of er waarde aan hecht.).

Vaak val ik erg uit mijn rol en kan mijn woede bij onrechtvaardigheden niet verkroppen, zodat er weer vier weken lang over het brutaalste meisje ter wereld gekletst wordt. Vind je niet dat ik soms te beklagen ben? Het is maar goed dat ik geen mopperpot ben, want dan zou ik verzuurd worden en mijn goede humeur niet kunnen bewaren.

Verder heb ik besloten om steno een beetje te laten schieten. Het heeft lang geduurd. Ten eerste om nog meer tijd aan mijn andere vakken te kunnen besteden en ten tweede om mijn ogen, want dat is een ellendige misère. Ik ben erg bijziend geworden en moest al lang een bril hebben (oei, wat zal ik er uilachtig uitzien), maar ja, je weet, onderduikers mogen ... Gisteren sprak het hele huis over niets anders dan over Anne's ogen, omdat moeder geopperd had om mevrouw Koophuis met mij naar den oogarts te sturen. Bij deze mededeling wankelde ik even op mijn benen, want dat is toch geen kleinigheid.

Op straat. Stel je voor: op straat! Het is niet om in te denken. Eerst was ik doodsbenauwd en later blij. Maar zo eenvoudig ging dat niet, niet alle instanties, die over zulk een stap te beslissen hebben, waren het er zo gauw over eens. Alle moeilijkheden en risico's moesten eerst op de weegschaal gelegd worden, alhoewel Miep direct met me op stap wilde.

Ik haalde alvast mijn grijze jas uit de kast, maar die was zo klein, dat hij wel van mijn jongste zusje leek. Ik ben werkelijk benieuwd wat er van komt, maar ik denk wel niet dat het plan doorgaat, want intussen zijn de Engelsen op Sicilie geland en vader is weer op ‘een spoedig einde’ ingesteld.

Elli geeft Margot en mij veel kantoorwerk, dat vinden we alle twee gewichtig en het helpt haar een heel stuk. Correspondentie opbergen en een verkoopboek inschrijven kan iedereen, maar wij doen het bijzonder nauwgezet.

Miep is precies een pakezeltje, die sjouwt wat af. Haast elke dag heeft ze ergens groente opgescharreld en brengt alles in grote inkooptassen op de ets mee. Zij is het ook, die iedere Zaterdag vijf bibliotheekboeken meebrengt. Wij kijken altijd reikhalzend naar de Zaterdag uit, omdat dan de boeken komen. Net als kleine kinderen, die een cadeautje krijgen.

Gewone mensen weten ook niet, hoeveel boeken voor ons opgeslotenen betekenen. Lezen, leren en de radio zijn onze a eidingen.

Je Anne.

Dinsdag, 13 Juli 1943

Lieve Kitty,


Gistermiddag had ik met vaders verlof aan Dussel gevraagd of hij het alstublieft goed zou vinden (toch erg beleefd) dat ik twee keer in de week van het tafeltje in onze kamer ook 's middags van vier uur tot half zes gebruik zou kunnen maken. Van half drie tot vier uur zit ik daar al elke dag, terwijl Dussel slaapt en verder is de kamer plus het tafeltje verboden terrein. Binnen, in onze algemene kamer is het 's middags veel te druk, daar kan men niet werken en trouwens, vader zit 's middags toch ook wel eens graag te werken aan de schrijftafel.

De reden was dus redelijk en de vraag alleen zuivere beleefdheid. Wat denk je nu wel dat de hooggeleerde Dussel antwoordde: ‘Neen’. Botweg en alleen maar ‘Neen!’ Ik was verontwaardigd en liet me niet zomaar afschepen, vroeg hem dus de reden van zijn ‘neen’. Maar ik kwam van een koude kermis thuis. Ziedaar de lading die volgde:

‘Ik moet ook werken, als ik niet 's middags kan werken schiet er voor mij helemaal geen tijd meer over. Ik moet mijn pensum afkrijgen, anders ben ik voor niets er aan begonnen. Jij werkt toch aan niets ernstigs. Die mythologie, wat is dat nou voor werk, breien en lezen is ook geen werk. Ik ben en blijf aan dat tafeltje’. Mijn antwoord was: ‘Mijnheer Dussel, ik werk wèl ernstig; ik kan 's middags binnen niet werken, ik verzoek u vriendelijk nog eens over mijn vraag na te denken!’

Met deze woorden draaide de beledigde Anne zich om, en deed of de hooggeleerde dokter lucht was. Ik ziedde van woede, vond Dussel verschrikkelijk onbeleefd (en dat was-ie ook) en mij heel vriendelijk. 's Avonds toen ik Pim nog even te pakken kon krijgen, vertelde ik hem hoe de zaak was afgelopen en besprak met hem wat ik nu verder moest doen, want opgeven wilde ik de zaak niet en wilde ze ook liever alleen opknappen. Pim gaf me zo ongeveer weer hoe ik de zaak moest aanpakken, maar vermaande me om liever tot de volgende dag te wachten, wegens mijn opgewondenheid.

Deze laatste raad sloeg ik in de wind en wachtte Dussel na de afwas op. Pim zat naast ons in de kamer en dat gaf me een grote rust. Ik begon: ‘Mijnheer Dussel, ik geloof dat u het niet de moeite waard vond om met mij de zaak eens beter onder de ogen te zien, maar ik verzoek u dat toch wel te doen’. Met zijn liefste glimlach merkte Dussel toen op: ‘Ik ben altijd en te allen tijde bereid om over deze, intussen al afgehandelde zaak, te spreken!’

Ik vervolgde toen het gesprek, steeds onderbroken door Dussel. ‘We hebben in het begin, toen u hier kwam, afgesproken, dat deze kamer voor ons samen zou zijn, als de indeling dus juist was, zou u de morgen en ik de hele middag krijgen! Maar dat vraag ik niet eens, en me dunkt, dan zijn twee middagen in de week toch wel billijk’.

Hierbij sprong Dussel als door een naald gestoken op. ‘Over recht heb jij hier helemaal niet te spreken. En waar moet ik dan blijven? Ik zal aan mijnheer Van Daan vragen of hij op zolder een hokje voor mij bouwen wil, dan kan ik daar zitten, ik kan ook nergens eens rustig werken. Met jou heeft een mens ook altijd ruzie. Als je zuster Margot, die toch wel meer reden tot zo'n vraag heeft, met hetzelfde verzoek tot mij zou komen, zou ik er niet aan denken te weigeren, maar jij ...’

En toen volgde weer het verhaal van de mythologie en het breien, en Anne was opnieuw beledigd. Ze liet het echter niet merken en liet Dussel uitspreken: ‘Maar ja, met jou is nu eenmaal niet te praten. Je bent een schandelijke egoïst, als jij maar je zin kunt doordrijven, dan kunnen alle anderen opzij gaan, zo'n kind heb ik nog nooit gezien. Maar per slot van rekening zal ik toch wel genoodzaakt zijn je je zin te geven, want anders hoor ik later dat Anne Frank voor haar examen gezakt is, omdat mijnheer Dussel haar het tafeltje niet wilde afstaan’.

Het ging maar door en steeds maar door, op het laatst zo'n vloed, dat ik het haast niet meer bij kon houden. Het ene ogenblik dacht ik: ‘Ik geef hem direct een klap voor zijn snuit, dat hij met zijn onwaarheden tegen de muur aanvliegt’, en het volgende ogenblik zei ik tegen mijzelf: ‘Houd je kalm, die vent is niet waard, dat je je zo druk over hem maakt!’

Eindelijk was de heer Dussel dan uitgeraasd en ging met een gezicht, waarop zowel gramschap als triomf te lezen stonden, met zijn jas vol etenswaren de kamer uit. Ik rende naar vader en vertelde, voor zover hij ons gesprek niet gevolgd had, het hele relaas. Pim besloot om nog dezelfde avond met Dussel te gaan praten en zo gebeurde het. Ze praatten meer dan een half uur. Het onderwerp van het gesprek was ongeveer als volgt: ze spraken eerst daar over, of Anne nu aan het tafeltje moest zitten, ja dan neen. Vader zei dat Dussel en hij al een keer over datzelfde onderwerp gesproken hadden, maar dat hij toen zogenaamd Dussel gelijk gegeven had om den oudere niet tegenover de jongere in het ongelijk te stellen. Maar billijk had vader het toen al niet gevonden. Dussel vond, dat ik niet mocht spreken, alsof hij een indringer was en op alles beslag legde, maar dit sprak vader beslist tegen, want hij had zelf gehoord, dat ik daar met geen woord van gerept had. Het ging zo heen en weer, vader mijn egoïsme en mijn ‘pruts’-werk verdedigend, Dussel steeds na-mopperend.

Eindelijk moest Dussel dan toch toegeven en ik kreeg twee middagen in de week eens gelegenheid om ongestoord tot vijf uur te werken. Dussel keek heel sip, sprak twee dagen niet tegen me en moest van vijf tot half zes toch nog aan het tafeltje zitten ... kinderachtig natuurlijk.

Iemand die al 54 jaar oud is en nog zulke pedante en kleinzielige gewoonten heeft, is door de natuur zo gemaakt en leert die gewoonten ook nooit meer af.

Je Anne.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina