Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina8/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   18

Vrijdag, 20 Augustus 1943

Lieve Kitty,


Precies half zes gaan de mannen uit het magazijn naar huis en dan hebben wij de vrijheid.

Half 6: Elli komt ons de avond-vrijheid schenken. Er komt dadelijk schot in het bedrijf. Ik ga eerst met Elli nog even naar boven, waar zij meestal ons avondtoetje vooruit krijgt.

Elli zit nog niet, of mevrouw begint al haar wensen op te sommen, het klinkt dan al gauw: ‘Ach, Elli, ik heb een wens ...’

Elli knipoogt tegen mij, mevrouw zal geen keer overslaan om wie maar boven komt haar wensen kenbaar te maken. Dat is zeker één van de redenen, waarom ze geen van allen graag naar boven gaan.

Kwart voor 6: Elli vertrekt. Ik ga twee verdiepingen lager kijken. Eerst naar de keuken, dan naar het privé-kantoor, vervolgens naar het kolenhok om voor Mouschi het muizendeurtje open te maken. Na een lange inspectietocht raak ik dan in Kralers appartement verzeild. Van Daan kijkt in alle laden en mappen, om de post van de dag te zoeken. Peter haalt de magazijnsleutel en Mof ; Pim sleept schrijfmachines naar boven; Margot zoekt een rustig plekje om haar kantoorwerk te maken; mevrouw zet een ketel water op het gasstel; moeder komt met een pan aardappels de trap af; ieder weet zijn eigen werk.

Al gauw komt Peter uit het magazijn weerom. De eerste vraag geldt het brood. Dit wordt door de dames altijd in de keukenkast gelegd, maar daar is het niet. Dus vergeten? Peter wil in het voorkantoor zoeken. Hij maakt zich voor de deur van dit kantoor zo klein mogelijk en kruipt op handen en voeten, om niet van buitenaf gezien te worden, naar de stalen kast, pakt het brood, dat daar opgeborgen lag en verdwijnt, tenminste, hij wil verdwijnen, maar voor ie goed beseft wat er gebeurd is, is Mouschi over hem heengesprongen en helemaal onder de schrijftafel gaan zitten.

Peter zoekt naar alle kanten, ha, daar ziet-ie de kat, weer kruipt hij het kantoor binnen en trekt het dier aan de staart. Mouschi blaast, Peter zucht. Wat heeft hij bereikt? Mouschi zit nu helemaal bij het raam en likt zich, heel tevreden aan Peter ontsnapt te zijn. Nu houdt Peter als laatste lokmiddel de kat een stukje brood voor en jawel, Mouschi laat zich verleiden en de deur sluit zich.

Ik heb het allemaal staan aankijken, door de reet van de deur. We werken door. Tik, tik, tik. ... Drie keer geklopt, etenstijd!

Je Anne.

Maandag, 23 Augustus 1943

Lieve Kitty,


Vervolg van de Achterhuis-dagindeling: als 's morgens de klok half negen slaat! Margot en moeder zijn zenuwachtig: ‘Sst ... vader, stil Otto, sst ... Pim! Het is half negen; kom nu hier, je kunt niet meer het water laten lopen; loop zachtjes!’ Dit zijn de diverse uitroepen voor vader in de badkamer. Klokslag half negen moet hij in de kamer zijn. Geen druppel water, geen W.C., niet lopen, alles stil. Als er nog niemand van het kantoorpersoneel aanwezig is, is alles voor het magazijn nog gehoriger.

Boven wordt om tien voor half negen de deur geopend en kort daarop drie tikjes op de grond: de pap voor Anne. Ik klauter de trap op en het honde-schoteltje wordt afgehaald.

Beneden in mijn kamer gekomen, gaat alles gauw, gauw: haar doen, klaterbus weg, bed op zijn plaats. Stil, de klok slaat! Mevrouw boven verwisselt van schoenen en sloft op badsloffen door de kamer, mijnheer ook op sloffen; alles in rust.

Nu is het ideale familie-tafereel wel op zijn hoogtepunt. Ik wil lezen of leren, Margot ook, evenals vader en moeder. Vader zit (natuurlijk met Dickens en het woordenboek) op de rand van het uitgezakte piep-bed, waar niet eens behoorlijke matrassen in liggen: twee peluwen boven op elkaar doen ook dienst. ‘Moet ik niet hebben, gaat ook zonder!’

Eenmaal aan het lezen kijkt hij niet op of om, lacht af en toe, doet vreselijke moeite moeder een verhaaltje op te dringen. Antwoord: ‘Ik heb nu geen tijd’. Even kijkt-ie teleurgesteld, dan leest-ie weer door; even later, als er weer iets typisch leuks komt, probeert hij het weer: ‘Dit moet je lezen, moeder!’

Moeder zit op het opklapbed, leest, naait, breit of leert, net wat er aan de beurt is. Opeens valt haar iets in. Gauw even zeggen: ‘Anne, weet je wel ... Margot, schrijf even op ...!’

Na een poosje is de rust weer teruggekeerd. Met een klap slaat Margot haar boek dicht, vader knijpt zijn wenkbrauwen in een grappig boogje, zijn leesrimpeltje plooit zich opnieuw en hij is weer verdiept; moeder begint met Margot te kwebbelen, ik word nieuwsgierig, luister ook! Pim wordt in de zaak betrokken ... Negen uur! Ontbijt!

Je Anne.


Vrijdag, 10 September 1943

Lieve Kitty,


Elke keer als ik aan je schrijf is er weer iets bijzonders gebeurd, maar meestal zijn het meer onaangename dan aangename dingen. Nu echter is er iets jns aan de gang. Woensdagavond 8 September j.l. zaten we aan de radio van zeven uur en het eerste wat we hoorden was: ‘Here follows the best news of the whole war. Italy had capitulated!’ Italië onvoorwaardelijk gecapituleerd! Om kwart over acht begon de Oranjezender: ‘Luisteraars, een uur geleden, toen ik juist klaar was met de kroniek van de dag, kwam het heerlijke bericht van de capitulatie van Italië binnen. Ik kan zeggen, dat ik nog nooit met zoveel genoegen mijn papier in de prullemand gedeponeerd heb als vandaag!’ God save the King, het Amerikaanse volkslied en de Internationale werden gespeeld. Als steeds was de Oranjezender hartverheffend en toch niet te optimistisch.

Toch hebben we ook narigheid, het gaat om mijnheer Koophuis. Je weet, we houden allemaal erg veel van hem en hoewel hij altijd ziek is, veel pijn heeft en niet veel eten en lopen mag, is hij altijd opgewekt en bewonderenswaardig moedig. ‘Als mijnheer Koophuis binnenkomt, gaat de zon op’, zei moeder pas geleden en daarmee heeft ze groot gelijk.

Nu moest hij voor een zeer onaangename darmoperatie naar het ziekenhuis en zal daar minstens vier weken moeten blijven. Je had eens moeten zien hoe hij afscheid van ons genomen heeft, alsof hij een boodschap ging doen, zo gewoon.

Je Anne.


Donderdag, 16 September 1943

Lieve Kitty,


De onderlinge verhouding hier wordt hoe langer hoe slechter. Aan tafel durft niemand zijn mond open te doen (behalve om er een hap in te laten glijden), want wat je zegt wordt òf kwalijk genomen òf verkeerd opgevat. Ik slik elke dag Valeriaantjes tegen angst en depressie, maar dat verhoedt toch niet dat mijn stemming de volgende dag nog miserabeler is. Eens goed en hard lachen zou beter helpen dan tien Valeriaantjes, maar lachen zijn wij haast verleerd. Soms ben ik bang, dat ik van de ernstigheid een uitgestreken gezicht en neerhangende mond zal krijgen. Met de anderen is het niet beter, allen kijken met bange voorgevoelens tegen het grote rotsblok, dat winter heet, op.

Nog een feit, dat ons niet opkikkert, is dat de magazijnman v.M. achterdochtig wordt aangaande het Achterhuis. Het zou ons niets kunnen schelen wat v.M. van de toestand denkt, als de man niet een hoge mate van nieuwsgierigheid bezat en zich niet met een kluitje in het riet laat sturen en bovendien niet betrouwbaar is.

Op een dag wou Kraler eens extra voorzichtig zijn, deed tien minuten voor één zijn jas aan en ging naar de drogisterij om de hoek. Nog geen vijf minuten later was hij weer terug, sloop als een dief de steile trap op, die direct naar boven leidt en kwam bij ons. Om kwart over één wilde hij weer weggaan, maar kwam Elli tegen die hem waarschuwde dat v.M. op kantoor zat. Kraler maakte rechtsomkeert en zat tot half twee bij ons. Dan nam hij zijn schoenen in zijn hand en liep op kousenvoeten naar de deur van de voorzolder, ging dan voetje voor voetje de trap af en na een heel kwartier op de trap gebalanceerd te hebben om het kraken te voorkomen, belandde hij vanaf de straatzijde op kantoor.

Elli intussen, even van v.M. bevrijd, kwam mijnheer Kraler bij ons afhalen, maar deze was al lang weg, die zat nog op kousenvoeten op de trap. Wat zullen de mensen op straat wel gedacht hebben, toen de directeur zijn schoenen buiten weer aandeed? Ha, die directeur op sokken!

Je Anne.

Woensdag, 29 September 1943

Lieve Kitty,


Mevrouw Van Daan is jarig. We hebben haar, behalve een kaas-, vlees- en

broodbon alleen nog een potje jam cadeau gegeven. Van haar man, Dussel en onze beschermers heeft ze ook uitsluitend bloemen gekregen of etenswaren. Zo zijn de tijden nu eenmaal!

Elli had van de week een halve zenuwuitbarsting, zo vaak werd ze er op uitgestuurd, steeds werd er op aangedrongen dat ze iets gauw moest halen, dat ze nog eens moest lopen of dat ze het verkeerd gedaan had. Als je dan bedenkt, dat ze beneden op kantoor haar werk af moet hebben, Koophuis ziek is, Miep thuis met een verkoudheid, zijzelf haar enkel verstuikt, liefdesverdriet en een mopperenden vader heeft, dan kun je je wel indenken, dat ze met haar handen in het haar zit. Wij hebben haar getroost en gezegd, dat als ze een paar keer energiek zou beweren dat ze geen tijd heeft, die boodschappenlijstjes vanzelf wel kleiner zouden worden.

Met Van Daan gaat het weer mis, ik zie het al aankomen! Vader is om de een of andere reden erg woedend. O, welke uitbarsting hangt ons nu weer boven het hoofd? Als ik maar niet zo nauw met al die schermutselingen verbonden was, als ik maar weg kon gaan. Ze maken ons nog gek!

Je Anne.

Zondag, 17 October 1943

Lieve Kitty,


Koophuis is weer terug, gelukkig! Hij ziet nog wat bleekjes maar gaat toch welgemoed op straat om voor Van Daan kleren te verkopen. Het is een naar feit dat het geld van de Van Daans radicaal op is. Mevrouw wil van haar stapel jassen, jurken en schoenen niets missen, mijnheer zijn pak is moeilijk van de hand te doen, omdat hij te hoge prijzen vraagt. Het slot van het liedje is nog niet in zicht. Mevrouw zal haar bontjas wel moeten afstaan. Boven hebben ze dienaangaande een knallende ruzie achter de rug en nu is de verzoeningsperiode van ‘och, lieve Putti’ en ‘schattige Kerli’ ingetreden.

Ik duizel van de scheldwoorden die in de laatste maand door dit eerbare huis rondgevlogen zijn. Vader loopt met opeengeperste lippen rond; als iemand hem roept kijkt hij zo schichtig op, alsof hij bang is opnieuw een precaire zaak te moeten opknappen. Moeder heeft rode plekjes van opgewondenheid op haar wangen. Margot klaagt over hoofdpijn, Dussel kan niet slapen, mevrouw klaagt de hele dag en ikzelf ben de kluts helemaal kwijt. Eerlijk gezegd vergeet ik af en toe met wie we ruzie hebben en met welke persoon de verzoening al heeft plaats gehad.

Het enige wat a eidt is leren en dat doe ik veel. Je Anne.

Vrijdag, 29 October 1943

Lieve Kitty,


Hier waren weer klinkende ruzie's tussen mijnheer en mevrouw. Het kwam zo: zoals ik al schreef is het geld van de Van Daans op. Op een dag, al een tijd geleden, sprak Koophuis over een bevrienden bontwerker; daardoor kwam mijnheer op het idee nu toch mevrouws bontjas te verkopen. Het is een bontjas uit konijnenvellen gemaakt en zeventien jaar lang gedragen. ƒ 325. - kreeg hij er voor, dit is een enorm bedrag. Mevrouw wilde het geld echter houden om na de oorlog nieuwe kleren te kopen en het had heel wat voeten in de aarde, eer mijnheer haar duidelijk gemaakt had, dat het geld in de huishouding dringend nodig was.

Dat gegil, geschreeuw, gestamp en gescheld kun je je onmogelijk voorstellen. Het was angstwekkend. Mijn familie stond met ingehouden adem onder aan de trap, om zo nodig de vechtenden uit elkaar te houden. Al dat gegil, gehuil en die zenuwachtigheid zijn zo spannend en inspannend, dat ik 's avonds huilend in mijn bed val en de hemel dank dat ik eens een half uurtje voor me alleen heb.

Mijnheer Koophuis is weer afwezig; zijn maag laat hem niet met rust. Hij weet zelf nog niet eens of het bloed al gestelpt is. Hij was voor de eerste keer erg down toen hij ons vertelde, dat hij zich niet goed voelde en naar huis ging.

Met mij gaat het in het algemeen goed, behalve dat ik helemaal geen trek heb. Steeds weer hoor ik: ‘Wat zie je er toch slecht uit’. Ik moet zeggen, dat ze zich erg uitsloven om me een beetje op peil te houden. Druivensuiker, levertraan, gisttabletten en kalk moeten er aan te pas komen.

Mijn zenuwen ben ik lang niet altijd de baas, vooral 's Zondags voel ik me er ellendig aan toe. Dan is de stemming in huis drukkend, slaperig en loodzwaar. Buiten hoor je geen vogel zingen, een doodse en benauwende stilte hangt over alles heen en dit zware klemt zich aan mij vast, alsof ik mee moest naar een diepe onderwereld.

Vader, moeder en Margot laten me dan bij tijd en wijle onverschillig, ik dwaal van de ene naar de andere kamer, de trap af en weer op en heb een gevoel als een zangvogel, wiens vleugels hardhandig uitgerukt zijn en die in een volslagen duisternis tegen de spijlen van zijn nauwe kooi aanvliegt. ‘Naar buiten, lucht en lachen’, schreeuwt het in me. Ik antwoord niet eens meer, ga op een divan liggen en slaap om de tijd, de stilte, de verschrikkelijke angst ook, te verkorten, want te doden zijn ze niet.

Je Anne.

Woensdag, 3 November 1943

Lieve Kitty,


Om ons wat a eiding en ontwikkeling te bezorgen heeft vader een prospectus van de Leidse Onderwijs Instelling aangevraagd. Margot neusde het dikke boek wel drie keer door, zonder dat ze iets naar haar gading en haar beurs vond. Vader was vlugger om iets te vinden, hij wilde naar de instelling laten schrijven en om een proe es ‘Elementair Latijn’ vragen. Zo gezegd, zo gedaan, de les kwam, Margot trok enthousiast aan het werk en de cursus werd genomen. Voor mij is hij veel te moeilijk, hoewel ik erg graag Latijn zou leren.

Om mij eveneens aan iets nieuws te laten beginnen vroeg vader aan Koophuis naar een kinderbijbel, om eindelijk eens iets van het nieuwe testament te weten te komen. ‘Wil je Anne voor Chanuka een bijbel geven?’ vroeg Margot wat ontdaan.’ ‘Ja ... eh, ik denk dat Sint Nicolaas een betere gelegenheid is’, antwoordde vader. ‘Jezus past nu eenmaal niet op Chanuka’.

Je Anne.

Maandagavond, 8 November 1943

Lieve Kitty,


Als je mijn brievenstapeltje achter elkaar door zou lezen, dan zou het je zeker opvallen in wat voor verschillende stemmingen mijn brieven geschreven zijn. Ik vind het zelf vervelend dat ik hier in het Achterhuis zo erg van stemmingen afhankelijk ben, dat ben ik trouwens niet alleen, dat zijn wij allemaal. Als ik een boek lees, dat indruk op me maakt, moet ik in mezelf grondig orde scheppen, alvorens me onder de mensen te begeven, anders zou men van mij denken dat ik een wat rare geest had. Op het ogenblik, zoals je wel zult merken, heb ik een periode, waarin ik neerslachtig ben. Ik zou je echt niet kunnen zeggen hoe ik zo kom, maar ik geloof dat het mijn lafheid is, waar ik telkens weer tegen op bots.

Vanavond, toen Elli er nog was, werd er lang, hard en doordringend gebeld. Op dat ogenblik werd ik wit, kreeg buikpijn en hartkloppingen en dat allemaal van de angst.

's Avonds in bed zie ik me in een kerker alleen, zonder vader en moeder. Soms zwerf ik aan de weg, of ons Achterhuis staat in brand, of ze komen ons 's nachts weghalen. Ik zie alles, alsof ik het aan mijn eigen lijf beleef en heb daarbij het gevoel dat dit alles me dadelijk zal kunnen overkomen!

Miep zegt wel vaak, dat ze ons benijdt, omdat we hier rust hebben. Dat kan best waar zijn, maar aan onze angst denkt ze zeker niet. Ik kan me helemaal niet voorstellen dat de wereld voor ons ooit weer eens gewoon wordt. Ik spreek wel over ‘na de oorlog’, maar dan is dat, alsof ik over een luchtkasteeltje spreek, iets dat nooit werkelijkheid kan worden. Aan ons vroeger thuis, de vriendinnen, schoolpretjes, aan dat alles denk ik als aan iets, dat een ander dan ikzelf beleefd heeft.

Ik zie ons achten samen met het Achterhuis, alsof wij een stukje blauwe hemel waren, omringd door zware, zwarte regenwolken. Het ronde, afgebakende plekje, waarop wij staan is nog veilig, maar de wolken rukken steeds dichter op ons toe en de ring, die ons van het naderende gevaar scheidt wordt steeds nauwer toegehaald. Nu zijn we al zover door gevaar en donkerte omgeven, dat wij van vertwijfeling, waar uitredding te vinden, tegen elkaar aanbotsen. We kijken allen naar beneden waar de mensen tegen elkaar vechten, we kijken allen naar boven, waar het rustig en mooi is en onderwijl zijn we afgesneden door die duistere massa, die ons niet naar boven laat gaan, maar die voor ons staat als een ondoordringbare muur, die ons verpletteren wil, maar nog niet kan. Ik kan niets anders doen dan roepen en smeken: ‘O ring, ring wordt wijder en open je voor ons!’

Je Anne.


Donderdag, 11 November 1943

Lieve Kitty,


Ik heb net een goede titel voor dit hoofdstuk:

Ode aan mijn Vulpen. In Memoriam.

Mijn vulpen was voor mij altijd een kostbaar bezit; ik waardeerde haar hogelijk, vooral wegens de dikke punt die zij had, want ik kan alleen met dikke vulpenpunten werkelijk netjes schrijven. Mijn vulpen heeft een zeer lang en interessant vulpen-leven gehad, dat ik in het kort wil meedelen.

Toen ik 9 jaar oud was, kwam mijn vulpen in een pakje (in watten gewikkeld) als ‘monster zonder waarde’ helemaal uit Aken, de woonplaats van mijn grootmoeder, de goede geefster. Ik lag in bed met griep, terwijl de Februariwind om het huis gierde. De glorierijke vulpen had een rood leren étuitje om zich heen en werd dadelijk aan al mijn vriendinnen getoond. Ik, Anne Frank, de trotse bezitster van een vulpen.

Toen ik 10 jaar was, mocht ik de pen mee naar school nemen en de juffrouw stond zowaar toe, dat ik er mee schreef.

Met 11 moest mijn schat echter weer opgeborgen worden, daar de juffrouw van de zesde klas alleen schoolpennen en inktpotjes als schrijfgerei toestond.

Toen ik 12 werd en naar het Joodse Lyceum ging, kreeg mijn vulpen ter meerdere ere een nieuw étui, waar een potlood bij kon en dat bovendien veel echter stond, daar het met een ritssluiting sloot.

Met 13 ging de vulpen mee naar het Achterhuis, waar zij met mij door talloze dagboeken en geschriften is gerend.

Toen ik 14 jaar oud was, was dat het laatste jaar dat mijn vulpen met mij voltooid had, en nu ...

Het was op Vrijdagmiddag na vijf uur, dat ik uit mijn kamertje gekomen aan tafel wilde gaan zitten om te schrijven, toen ik hardhandig opzij geduwd werd en plaats moest maken voor Margot en vader die hun ‘Latijn’ oefenden. De vulpen bleef ongebruikt op tafel liggen, en haar bezitster nam zuchtend genoegen met een heel klein hoekje tafel en ging boontjes wrijven. ‘Boontjes wrijven’ is hier beschimmelde bruine bonen weer in hun fatsoen brengen.

Om kwart voor zes ging ik de grond vegen en gooide het vuil tezamen met de slechte bonen op een krant en in de kachel. Een geweldige vlam sloeg er uit en ik vond het prachtig, dat op die manier de kachel, die op apegapen gelegen had, zich herstelde. De rust was weergekeerd, de Latijners opgehoepeld en ik ging aan tafel zitten om mijn voorgenomen schrijfwerk op te nemen, maar, waar ik ook zocht, mijn vulpen was nergens te bekennen. Ik zocht nog eens, Margot zocht, moeder zocht, vader zocht, Dussel zocht, maar het ding was spoorloos verdwenen.

‘Misschien is zij wel in de kachel gevallen, tegelijk met de bonen’, opperde Margot. ‘Ach, wel neen, kind!’ antwoordde ik.

Toen mijn vulpen echter 's avonds nog niet te voorschijn wou komen, namen we allen aan, dat zij verbrand was, temeer daar celluloid reusachtig brandt.

En werkelijk, de droeve verwachting werd bevestigd, toen vader de andere morgen bij het kachel-uithalen het clipje, waarmee je een vulpen vaststeekt, te midden van een lading as terugvond. Van de gouden pen was niets meer te vinden. ‘Zeker vastgebakken in de een of andere steen’, meende vader.

Eén troost is mij gebleven, al is hij maar schraal: mijn vulpen is gecremeerd, net wat ik later zo graag wil!

Je Anne.


Woensdag, 17 November 1943

Lieve Kitty,


Huisschokkende gebeurtenissen aan de gang.
Bij Elli thuis heerst diphterie, daarom mag ze zes weken lang niet met ons in aanraking komen. Zowel met eten als met boodschappen doen is het erg lastig, om van de ongezelligheid nog maar niet te spreken. Koophuis ligt nog steeds en heeft al drie weken lang niets anders dan melk en pap gehad. Kraler heeft het razend druk.

Margots ingestuurde Latijnse lessen worden door een leraar gecorrigeerd teruggezonden. Margot schrijft onder Elli's naam, de leraar is erg aardig en geestig bovendien. Hij is zeker blij, dat hij zo'n knappe leerlinge gekregen heeft.

Dussel is helemaal in de war, wij weten geen van allen waarom. Het is er mee begonnen, dat hij boven zijn mond dichtkneep en noch met mijnheer noch met mevrouw een woord sprak. Dit viel iedereen op en toen het een paar dagen aanhield nam moeder de gelegenheid waar om hem te waarschuwen voor mevrouw, die hem inderdaad nog veel onaangenaamheden zou kunnen bezorgen, als hij zo doorging.

Dussel zei, dat mijnheer Van Daan met zwijgen begonnen was en hij was dan ook niet van plan zijn zwijgen te verbreken.

Nu moet je weten, dat het gisteren 16 November was, de dag, waarop hij een jaar in het Achterhuis is. Moeder werd ter gelegenheid daarvan met een potje bloemen vereerd, maar mevrouw Van Daan, die al weken van te voren meermalen op deze datum een toespeling had gemaakt en haar mening, dat Dussel moest tracteren, niet onder stoelen of banken stak, kreeg niets. In plaats van voor het eerst zijn dank voor het onbaatzuchtige opnemen te uiten, sprak hij helemaal niet. En toen ik hem op de morgen van de 16de vroeg, of ik hem feliciteren of condoleren moest, antwoordde hij, dat hij alles in ontvangst nam. Moeder, die voor de mooie rol van vredesstichtster wilde fungeren, kwam geen stap met hem verder en uiteindelijk bleef de toestand gelijk.

‘Der Mann hat einen grossen Geist Und ist so klein von Taten!’

Je Anne.

Zaterdag, 27 November 1943

Lieve Kitty,


Gisteravond vóór het ins'apen kwam opeens voor mijn ogen: Lies.
Ik zag haar voor mij, in lompen gekleed met een vervallen en vermagerd gezicht.

Haar ogen waren heel groot en zij keek mij zo droevig en verwijtend aan, dat ik in haar ogen kon lezen: ‘O Anne, waarom heb je me verlaten? Help, o help mij, red mij uit deze hel!’

En ik kan haar niet helpen, ik kan slechts toekijken hoe andere mensen lijden en sterven en kan God slechts bidden om haar terug te voeren naar ons.

Juist Lies zag ik, geen ander en ik begreep het. Ik heb haar verkeerd beoordeeld, was te veel kind om haar moeilijkheden te begrijpen. Zij was gehecht aan haar nieuwe vriendin en het leek, alsof ik haar die wilde ontnemen. Hoe moet de arme zich gevoeld hebben, ik weet het, ik ken zelf dat gevoel zo goed!

Soms, in een its, zag ik iets van haar leven, om egoïstisch direct weer in eigen genoegens en moeilijkheden op te gaan. Het was lelijk van me zoals ik met haar gehandeld heb en nu keek ze me met haar bleke gezicht en smekende ogen o zo hulpeloos aan. Kon ik haar maar helpen!

O God, dat ik hier alles heb wat ik me maar wensen kan en dat zij door het harde noodlot zo aangepakt is. Zij was minstens zo vroom als ik, zij wilde ook het goede, waarom werd ik dan uitverkoren om te leven en moet zij wellicht sterven? Welk verschil was er tussen ons? Waarom zijn wij nu zo ver van elkander?

Eerlijk gezegd, heb ik haar maandenlang, ja een jaar haast vergeten. Niet helemaal, maar toch heb ik nooit zo aan haar gedacht, dat ik haar in al haar ellende voor me zag.

Ach Lies, ik hoop dat ik je, als je het einde van de oorlog nog zou beleven en bij ons terug zou komen, opnemen kan, om je iets te vergoeden van wat er tegen je misdaan is.

Maar als ik weer in staat ben om haar te helpen, dan heeft zij mijn hulp niet zo nodig als nu. Zou zij nog een keer aan mij denken en wat zal zij dan voelen?

Goede God, geef haar steun, opdat ze tenminste niet alleen is. O, kon jij haar maar zeggen, dat ik met liefde en medelijden aan haar denk; het zou haar misschien in haar uithoudingsvermogen sterken.

Ik mag niet verder denken, want ik kom er niet uit. Ik zie steeds weer haar grote ogen, die me niet loslaten. Zou Lies werkelijk in zichzelf geloof hebben, zou zij het geloof niet alleen van buiten opgedrongen gekregen hebben?

Ik weet dat niet eens, nooit heb ik me de moeite genomen om het haar te vragen.

Lies, Lies, kon ik je maar weghalen van waar je nu bent, kon ik je maar laten delen in alles wat ik geniet. Het is te laat, ik kan niet meer helpen en niet meer herstellen, wat ik verkeerd gedaan heb. Maar ik zal haar nooit meer vergeten en altijd voor haar bidden.

Je Anne.



1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina