Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina9/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   18

Maandag, 6 December 1943

Lieve Kitty,


Toen Sinterklaas naderde, dachten we allemaal onwille-keurig aan de leuk opgemaakte mand van verleden jaar en vooral mij leek het vervelend om dit jaar alles over te slaan. Ik dacht lang na, totdat ik iets gevonden had, iets grappigs.

Pim werd geraadpleegd en een week geleden gingen we aan het werk om voor alle acht een versje te maken.

Zondagavond om kwart over acht verschenen we boven met de grote wasmand tussen ons in, die versierd was met guurtjes en strikken van rose en blauw doorslagpapier. Over de mand lag een groot stuk pakpapier heen, waarop een briefje was bevestigd. Allen waren enigszins verbaasd over de omvang van de verrassing.

Ik nam het briefje van het papier en las:



Proloog

Sinterklaas is ook dit jaar weder gekomen, Zelfs het Achterhuis heeft het vernomen Helaas, kunnen we het niet zo leuk begaan Als het verleden jaar was gedaan.

Toen waren we hoopvol en dachten beslist Dat zegevieren zou de optimist
En meenden dat dit jaar vrij
Sint Nicolaas te vieren zij.

Toch willen wij deez' dag gedenken, Maar daar nu niets meer is te schenken, Zo moeten wij iets anders doen:


Een ieder kijke in zijn schoen!

(terwijl vader en ik het pakpapier oplichtten).


Een daverend gelach volgde, toen iedere eigenaar zijn schoen uit de mand haalde.

In elke schoen zat een klein pakje in papier gewikkeld met het adres van den schoeneigenaar.

Je Anne.

Woensdag, 22 December 1943

Lieve Kitty,


Een zware griep heeft me verhinderd je eerder dan vandaag te schrijven. Het is ellendig om hier ziek te zijn. Als ik moest hoesten kroop ik één, twee, drie onder de dekens en probeerde mijn keel zo zacht mogelijk tot stilte te brengen, wat meestal ten gevolge had, dat de kriebel helemaal niet meer wegging en melk met honing, suiker of pastilles er aan te pas moesten komen. Als ik aan de kuren denk die ze me door hebben laten maken, dwarrelt het me. Zweten, omslagen, natte borstlappen, droge borstlappen, heet drinkken, gorgelen, penselen, stil liggen, warmte-kussen, kruiken, citroenkwast en daarbij om de twee uur de thermometer.

Kan men op zo'n manier eigenlijk beter worden? Het ergste vond ik wel, als mijnheer Dussel doktertje ging spelen en met zijn pomadehoofd op mijn blote borst ging liggen, om de geluiden daarbinnen af te luisteren. Niet alleen dat zijn haar me verschrikkelijk kriebelde, ik geneerde me ondanks het feit, dat hij eens dertig jaar geleden gestudeerd en de artsentitel heeft. Wat heeft die vent aan mijn hart te gaan liggen? Hij is mijn geliefde toch niet! Trouwens, wat daarbinnen gezond of niet gezond is, hoort hij toch niet, zijn oren moeten eerst uitgespoten worden, daar hij angstig veel op een hardhorende gaat lijken.

Maar nu genoeg over de ziekte. Ik ben weer kiplekker, een centimeter gegroeid, twee pond aangekomen, bleek en leerlustig.

Veel nieuws is er niet te berichten. Bij uitzondering is de verstandhouding hier goed, niemand heeft ruzie, we hebben zo'n huisvrede zeker een half jaar niet gehad. Elli is nog steeds van ons gescheiden.

We krijgen voor Kerstmis extra olie, snoep en stroop; het ‘cadeau’ is een broche, gefabriceerd uit een plak van twee en een halve cent en dit netjes glimmend. En n, niet uit te leggen prachtig. Mijnheer Dussel heeft aan moeder en mevrouw Van Daan een mooie taart cadeau gegeven, die Miep op zijn verzoek gebakken heeft. Bij al het werk moet Miep ook dat nog doen! Ik heb ook wat voor Miep en Elli. Wel twee maanden lang heb ik namelijk de suiker van mijn pap opgespaard en zal daarvan, door bemiddeling van mijnheer Koophuis, borstplaatjes laten maken.

Het weer is druilerig, de kachel stinkt, het eten drukt zwaar op aller magen wat aan alle kanten donderende geluiden veroorzaakt; oorlogs-stilstand, rotstemming.

Je Anne.

Vrijdag, 24 December 1943

Lieve Kitty,


Ik heb al meer geschreven, dat we hier allemaal met stemmingen te doen hebben en ik geloof, dat deze kwaal bij mij vooral in de laatste tijd sterk toeneemt. ‘Himmelhoch jauchzend und zum Tode betrübt’ is hier zeker wel van toepassing. ‘Himmelhoch jauchzend’ ben ik, als ik er aan denk hoe goed we het hier hebben en mij vergelijk met andere Joodse kinderen en ‘zum Tode betrübt’ overvalt me, wanneer bijvoorbeeld, zoals vandaag, mevrouw Koophuis hier geweest is en vertelt van haar dochter Corry's hockeyclub, kanovaarten, toneelopvoeringen en vrienden. Ik geloof niet, dat ik jaloers op Corry ben, maar wel krijg ik dan zo'n sterk verlangen om ook eens ink pret te maken en te lachen tot ik er buikpijn van krijg. Vooral nu in de winter met al die vrije Kerst- en Nieuwjaarsdagen, dan zitten we hier zo als uitgestotenen en toch mag ik deze woorden eigenlijk niet opschrijven, omdat ik dan ondankbaar lijk en het is ook wel overdreven. Maar wat je ook van me mag denken, ik kan niet alles voor mezelf bewaren en haal dan nog maar mijn beginwoorden aan: ‘Papier is geduldig’.

Als iemand net van buiten komt, met de wind in zijn kleren en de kou op zijn gezicht, dan zou ik wel mijn hoofd onder de dekens willen stoppen om niet te denken: ‘Wanneer is het ons weer gegund lucht te ruiken?’ En omdat ik mijn hoofd niet in dekens mag verbergen, het integendeel rechtop en ink moet houden, komen de gedachten toch, niet één keer maar och, ontelbare malen. Geloof me, als je anderhalf jaar opgesloten zit, dan kan het je op sommige dagen eens teveel worden. Alle rechtvaardigheid of dankbaarheid ten spijt; gevoelens laten zich niet verdringen. Fietsen, dansen, uiten, de wereld inkijken, me jong voelen, weten dat ik vrij ben, daar snak ik naar en toch mag ik het niet laten merken, want denk eens aan, als we alle acht ons gingen beklagen of ontevreden gezichten zetten, waar moet dat naar toe? Ik vraag mezelf wel eens af: ‘Zou iemand me hierin begrijpen, heenzien over Jood of niet-Jood, alleen maar in me zien de bakvis, die zo'n behoefte heeft aan uitgelaten pret?’ Ik weet het niet, en zou er ook met niemand over kunnen spreken, want ik weet dat ik dan ga huilen. Huilen kan zo'n verlichting brengen.

Ondanks theorieën en moeiten mis ik elke dag de echte moeder die me begrijpt. Daarom ook denk ik bij alles wat ik doe en wat ik schrijf, dat ik later voor mijn kinderen wil zijn de ‘mams’ die ik me voorstel. De mams die niet alles zo ernstig opvat, wat er zo gezegd wordt en wel ernstig, wat van mij komt. Ik merk, ik kan het niet beschrijven, maar het woord mams zegt al alles. Weet je wat ik er op gevonden heb om toch zoiets als mams tegen mijn moeder te zeggen? Ik noem haar vaak ‘mansa’ en daarvan komt dan ‘mans’. Het is als het ware de onvolkomen mams, die ik zo graag met nog een pootje aan de ‘n’ zou vereren, maar die dit niet beseft. Het is gelukkig zo, want zij zou er zich ongelukkig over maken.

Nu genoeg daarover, mijn ‘zum Tode betrübt’ is bij het schrijven een beetje overgegaan.

Je Anne.

Zaterdag, 25 December 1943

Lieve Kitty,


In deze dagen, nu Kerstmis nog maar één dag af is, moet ik aldoor aan Pim denken en wat hij mij verleden jaar omtrent zijn jeugdliefde verteld heeft. Verleden jaar begreep ik de betekenis van zijn woorden niet zo goed, als ik ze nu begrijp. Sprak hij nog maar een keer, misschien zou ik hem dan kunnen aantonen dat ik hem begreep.

Ik geloof dat Pim daarover gesproken heeft, omdat hij die ‘zoveel hartsgeheimen van anderen weet’, zich ook één keer moest uiten; want Pim zegt anders nooit wat over zichzelf en ik geloof ook niet, dat Margot vermoedt wat Pim allemaal heeft moeten doormaken. De arme Pim, hij kan mij niet wijsmaken, dat hij alles vergeten is. Nooit zal hij dit vergeten. Hij is toegevend geworden. Ik hoop, dat ik een beetje op hem ga lijken, zonder dat ik dat ook allemaal moet doormaken.

Je Anne.

Maandag, 27 December 1943

Lieve Kitty,


Vrijdagavond heb ik voor het eerst van mijn leven iets voor Kerstmis gekregen.

De meisjes, Koophuis en Kraler hadden weer een heerlijke verrassing voorbereid. Miep heeft een Kerstkoek gebakken, waar ‘Vrede 1944’ op stond. Een pond boterkoekjes van vooroorlogse kwaliteit verzorgde Elli. Voor Peter, Margot en mij was er een esje yoghurt en voor de volwassenen elk een esje bier. Alles was weer zo leuk ingepakt en plaatjes waren op de verschillende pakjes geplakt. De Kerstdagen zijn voor ons verder gauw voorbijgegaan.

Je Anne.

Woensdag, 29 December 1943

Lieve Kitty,


Gisteravond was ik weer erg verdrietig. Oma en Lies kwamen voor mijn geest.

Oma, o die lieve Oma, hoe weinig hebben wij begrepen wat zij geleden heeft, hoe lief was ze. En daarbij bewaarde ze steeds zorgvuldig het vreselijke geheim, dat ze met zich meedroeg.

Hoe trouw en goed was Oma altijd, geen van ons zou zij ooit in de steek gelaten hebben. Wat het ook was, hoe stout ik ook geweest was, Oma verontschuldigde me altijd.

Oma - heb jij van me gehouden of heb jij mij ook niet begrepen? Ik weet het niet. Tegen Oma heeft ook nooit iemand wat van zichzelf gezegd. Hoe eenzaam moet Oma geweest zijn, hoe eenzaam ondanks ons. Een mens kan eenzaam zijn ondanks de liefde van velen, want voor niemand is hij toch ‘de liefste’. En Lies, leeft zij nog? Wat doet zij? O God, bescherm haar en breng haar naar ons terug. Lies, aan jou zie ik steeds hoe mijn lot ook had kunnen zijn, steeds zie ik mij in jouw plaats. Waarom ben ik dan vaak nog verdrietig om wat hier gebeurt? Moet ik niet altijd blij, tevreden en gelukkig zijn, behalve als ik aan haar en haar lotgenoten denk?

Ik ben zelfzuchtig en laf. Waarom droom en denk ik altijd de ergste dingen en zou ik het van angst wel willen uitgillen? Omdat ik toch nog, ondanks alles. God niet genoeg vertrouw. Hij heeft mij zoveel gegeven, wat ik zeker niet verdiend had en toch doe ik elke dag nog zoveel verkeerds.

Als men aan zijn naasten denkt moet men huilen, men kan eigenlijk wel de hele dag huilen. Er blijft niets anders over dan te bidden, dat God een wonder laat gebeuren en nog enigen van hen spaart. En ik hoop, dat ik dat voldoende doe!

Je Anne.

Zondag, 2 Januari 1944

Lieve Kitty,


Toen ik vanmorgen niets te doen had, bladerde ik eens in mijn dagboek en kwam meermalen aan brieven, die het onderwerp ‘moeder’ in zo driftige woorden behandelden, dat ik, er van geschrokken, me afvroeg: ‘Anne, ben jij het die over haat gesproken heeft? O Anne, hoe kon je dat!’

Ik bleef met de open bladzijde in de hand zitten en dacht er over na hoe het kwam, dat ik zo boordevol woede en werkelijk met zoiets als haat vervuld was, dat ik alles aan jou moest toevertrouwen. Ik heb geprobeerd de Anne van een jaar geleden te begrijpen en te verontschuldigen, want mijn geweten is niet zuiver, zolang ik je met deze beschuldigingen laat zitten, zonder je nu achteraf te verklaren hoe ik zo kwam.

Ik lijd en leed aan stemmingen die me ( guurlijk) met mijn hoofd onder water hielden en de dingen, zoals ze waren, alleen subjectief lieten zien, zonder dat ik probeerde rustig over de woorden van de tegenpartij na te denken en dan te handelen in de geest van diegene, die ik in mijn opbruisende temperament beledigd of verdriet gedaan heb.

Ik heb me in mezelf verstopt, alleen mezelf bekeken en al mijn vreugde, spot en verdriet ongestoord in mijn dagboek opgepend. Dit dagboek heeft voor mij veel waarde, omdat het vaak een memoiren boek is geworden, maar op vele bladzijden zou ik wel ‘voorbij’ kunnen zetten.

Ik was woedend op moeder, ben het soms nog. Zij begreep mij niet, dat is waar, maar ik begreep haar ook niet. Daar zij wel van mij hield was zij teder, maar daar zij ook in vele onaangename situaties door mij is gekomen, en dan daardoor en door vele andere droevige omstandigheden zenuwachtig en geprikkeld was, is het wel te begrijpen, dat zij mij afsnauwde.

Ik nam dit veel te ernstig op, was beledigd, brutaal en vervelend tegen haar, wat haar op haar beurt weer verdrietig stemde. Het was dus eigenlijk een heen en weer van onaangenaamheden en verdrietigheden. Prettig was het voor ons allebei zeker niet, maar het gaat voorbij.

Dat ik dit niet wilde inzien en veel medelijden met mezelf had is eveneens te begrijpen. De zinnen die zo heftig zijn, zijn enkel uitingen van boosheid, die ik in het gewone leven met een paar maal stampvoeten in een kamer achter slot, of schelden achter moeders rug botgevierd zou hebben.

De periode, dat ik moeder in tranen veroordeel, is voorbij.

Ik ben wijzer geworden en moeders zenuwen zijn wat gekalmeerd. Ik houd meestal mijn mond als ik me erger en zij doet dat eveneens en daardoor gaat het ogenschijnlijk veel beter. Want van moeder zó echt houden met de aanhankelijke liefde van een kind, dat kan ik niet, daarvoormis ik het gevoel.

Ik sus mijn geweten nu maar met de gedachte, dat scheldwoorden beter op papier kunnen staan dan dat moeder ze moet meedragen in haar hart.

Je Anne.

Woensdag, 5 Januari 1944

Lieve Kitty,


Vandaag moet ik je twee dingen bekennen, die heel wat tijd in beslag zullen nemen, maar die ik aan iemand moet vertellen en dat kan ik dan toch maar het best aan jou doen, omdat ik stellig weet, dat jij altijd en onder alle omstandigheden zult zwijgen.

Het eerste is over moeder. Je weet dat ik veel geklaagd heb over moeder en dan toch steeds weer moeite deed aardig tegen haar te zijn. Plotseling is het me nu duidelijk geworden wat er aan haar mankeert. Moeder heeft ons zelf verteld, dat ze ons meer als haar vriendinnen dan als haar dochters beschouwt. Dat is nu wel heel mooi, maar toch kan een vriendin de plaats van een moeder niet vervangen. Ik heb er behoefte aan mijn moeder als een voorbeeld te nemen en eerbied voor haar te hebben. Ik heb het gevoel, dat Margot in al deze dingen zo anders denkt en wat ik je nu verteld heb nooit zou begrijpen. En vader ontwijkt alle gesprekken, die over moeder zullen handelen.

Een moeder stel ik me voor als een vrouw, die in de eerste plaats veel tact aan de dag legt, vooral voor haar kinderen die in onze leeftijd zijn en die niet doet zoals mansa, die, als ik om iets huil, niet om pijn maar om andere dingen, me uitlacht.

Eén ding, het mag misschien onbenullig lijken, heb ik haar nooit vergeven. Het was op een dag dat ik naar den tandarts moest. Moeder en Margot zouden meegaan en vonden het goed, dat ik mijn ets meenam. Toen we bij den tandarts klaar waren en weer voor de deur stonden, vertelden Margot en moeder dat ze naar de stad gingen, om iets te bekijken of te kopen, ik weet het niet meer zo heel precies. Ik wilde meegaan, maar dat mocht niet, omdat ik mijn ets bij me had. Van woede sprongen me de tranen in de ogen en Margot en moeder begonnen me uit te lachen. Toen werd ik zo woedend, dat ik op straat mijn tong tegen hen uitstak, terwijl toevallig een klein vrouwtje langs kwam, dat heel verschrikt keek. Ik reed op de ets naar huis en heb zeker nog lang gehuild.

Het is eigenaardig, dat de wond, die moeder me toen toegebracht heeft, nog gaat branden als ik er aan denk, hoe kwaad ik toen was.

Het tweede is iets dat me erg veel moeite kost om het je te vertellen, want het gaat over mezelf.

Gisteren las ik een artikel van dra Sis Heyster, die over blozen schreef. Zij spreekt in dit artikel net alsof het tegen mij alleen was. Hoewel ik niet zo gauw bloos, zijn die andere dingen die daarin staan, toch wel op mij van toepassing. Zij schrijft zo ongeveer, dat een meisje in de puberteitsjaren stil wordt in zichzelf en gaat nadenken over de wonderen, die er met haar lichaam verricht worden.

Ook ik heb dat en daarom krijg ik de laatste tijd het gevoel, dat ik me ga generen voor Margot, moeder en vader. Margot daarentegen is veel verlegener dan ik en geneert zich helemaal niet.

Ik vind het zo wonderlijk, dat wat er met me gebeurt en niet alleen dat, wat aan de uiterlijke kant van mijn lichaam te zien is, maar dat wat zich daarbinnen voltrekt. Juist omdat ik over mezelf en over al deze dingen nooit met iemand spreek, spreek ik met mezelf er over.

Telkens weer als ik ongesteld ben, en dat is nog maar drie keer gebeurd, heb ik het gevoel dat ik, ondanks alle pijn, narigheid en viezigheid, een zoet geheim met me meedraag en daarom, al heb ik er niets dan last van, verheug ik me in zekere zin altijd weer op de tijd, dat ik weer dat geheim in me zal voelen.

Verder schrijft Sis Heyster nog, dat jonge meisjes in die jaren niet geheel zeker van zichzelf zijn en gaan ontdekken, dat zij zelf een mens zijn met ideeën, gedachten en gewoonten. Ik ben, daar ik hier al kort na mijn 13de jaar gekomen ben, vroeger dan andere meisjes begonnen met over mezelf na te denken en te weten, dat ik een ‘mens op zichzelf’ ben. Soms krijg ik 's avonds in bed een verschrikkelijke behoefte om mijn borsten te bevoelen en te horen, hoe rustig en zeker mijn hart slaat.

Onbewust heb ik dergelijke gevoelens al gehad, vóór ik hier kwam, want ik weet, dat ik, toen ik eens bij een vriendin sliep, een sterke behoefte had haar te zoenen en dat ik dat ook gedaan heb. Ik raak elke keer in extase, als ik een naakt vrouwen guur zie, zoals bijvoorbeeld een Venus. Ik vind het soms zo wonderlijk en mooi, dat ik me moet inhouden om mijn tranen niet te laten rollen.

Had ik maar een vriendin! Je Anne.

Donderdag, 6 Januari 1944

Lieve Kitty,


Mijn verlangen om eens met iemand te praten werd zo groot, dat ik het op de een

of andere manier in mijn hoofd kreeg Peter daarvoor uit te kiezen.


Als ik boven wel eens in Peters kamertje kwam, bij licht, vond ik het daar altijd

erg gezellig, maar omdat Peter zo bescheiden is en nooit iemand die te lastig wordt de deur uitzet, durfde ik nooit langer te blijven, omdat ik bang was dat hij me erg vervelend zou vinden. Ik zocht naar een gelegenheid om onopvallend in het kamertje te blijven en hem aan de klets te houden en die gelegenheid deed zich gisteren voor. Peter heeft namelijk plotseling een manie voor kruiswoordpuzzles gekregen en doet niets anders meer dan puzzlen. Ik hielp hem daarbij en al gauw zaten we tegenover elkaar aan zijn tafeltje, hij op de stoel, ik op de divan.

Het werd mij wonderlijk te moede, telkens als ik in zijn donkerblauwe ogen keek en hij daar zat met die geheimzinnige glimlach om zijn mond. Ik kon uit alles zo zijn innerlijk lezen, ik zag op zijn gezicht nog die hulpeloosheid en die onzekerheid hoe zich te houden en tegelijkertijd een zweem van het besef van zijn mannelijkheid. Ik zag zo die verlegen houding en werd zo zacht van binnen, ik kon het niet laten telkens en telkens weer die donkere ogen te ontmoeten en smeekte haast met heel mijn hart: o vertel me toch wat er in je omgaat, o kijk toch over die noodlottige babbelzucht heen.

Maar de avond ging voorbij en er gebeurde niets, behalve dat ik hem dat over dat blozen vertelde, natuurlijk niet dat wat ik opgeschreven heb, maar alleen dat hij wel zekerder zou worden met de jaren.

's Avonds in bed vond ik de hele situatie lang niet opwekkend en het idee, dat ik om Peters gunsten moet smeken, gewoon afstotend. Men doet heel wat om zijn verlangens te bevredigen, dat zie je wel aan mij, want ik nam me voor vaker bij Peter te gaan zitten en hem op de een of andere manier aan de praat te krijgen.

Je moet in geen geval denken, dat ik verliefd op Peter ben, geen sprake van. Als de Van Daans in plaats van een zoon hier een dochter hadden gehad, zou ik ook geprobeerd hebben met haar vriendschap te sluiten.

Vanochtend werd ik om ongeveer vijf minuten voor zevenen wakker en wist meteen heel stellig wat ik gedroomd had. Ik zat op een stoel en tegenover me zat Peter ... Wessel, we bladerden een boek met tekeningen van Mary Bos door. Zo duidelijk was mijn droom dat ik me de tekeningen gedeeltelijk nog herinner. Maar dat was niet alles, de droom ging verder. Opeens ontmoetten Peters ogen de mijne en lang keek ik in die mooie uweelbruine ogen. Toen zei Peter heel zacht: ‘Als ik dat geweten had, was ik al lang bij je gekomen!’ Brusk draaide ik me om, want de ontroering werd me te machtig. En daarna voelde ik een zachte, o zo koele en weldadige wang tegen de mijne en was alles zo goed, zo goed ...

Op dit punt aangekomen werd ik wakker, terwijl ik nog zijn wang tegen de mijne aanvoelde en zijn bruine ogen diep in mijn hart voelde kijken, zo diep dat hij daarin gelezen had hoezeer ik van hem gehouden had en hoeveel ik nog van hem hield. De tranen sprongen me weer in de ogen en ik was erg bedroefd, omdat ik hem weer kwijt was, maar tegelijkertijd toch ook blij, omdat ik weer met zekerheid wist, dat Peter nog steeds mijn uitverkorene is.

Het is eigenaardig dat ik hier vaak zulke duidelijke droombeelden krijg. Eerst zag ik Omi1. op een nacht zo duidelijk, dat ik haar huid van dik, zacht rimpel- uweel kon onderscheiden. Toen verscheen Oma als beschermengel, daarna Lies, die mij nog het symbool van de ellende van al mijn vriendinnen en alle Joden toelijkt. Als ik voor haar bid, bid ik voor alle Joden en arme mensen samen. En nu Peter, mijn lieve Peter, nog nooit is hij mij in mijn geest zo duidelijk voor ogen gekomen, ik hoef geen foto van hem te hebben, ik zie hem voor mijn ogen o zo goed!

Je Anne.


Vrijdag, 7 Januari 1944

Lieve Kitty,


Stomkop die ik ben! Ik heb er helemaal niet aan gedacht, dat ik je de geschiedenis van mij en al mijn aanbidders nooit heb verteld.

Toen ik nog heel klein was, zelfs nog op de kleuterschool, was mijn sympathie gevallen op Karel Samson. Hij had geen vader meer en woonde met zijn moeder bij een tante in. Een neefje van Karel, Robby, was een knappe, slanke, donkere jongen, die steeds meer bewondering opwekte dan de kleine, humoristische dikzak, die Karel was. Ik keek niet naar knapheid, maar hield jaren lang erg veel van Karel.

Een tijd lang waren we veel samen, maar overigens bleef mijn liefde onbeantwoord. Toen kwam Peter op mijn weg en ik kreeg een echte kinderverliefdheid te pakken. Hij mocht mij eveneens graag en een zomer door waren we onafscheidelijk. Ik zie ons in gedachten nog hand in hand door de straten lopen, hij in een wit katoenen pak, ik in een korte zomerjurk. Aan het einde van de grote vacantie kwam hij in de eerste klas van de middelbare school en ik in de zesde klas van de lagere school. Hij haalde me van school af en omgekeerd haalde ik hem. Peter was een beeld van een jongen, groot, knap, slank met een ernstig, rustig en intelligent gezicht. Hij had donker haar en prachtig bruine ogen, roodbruine wangen en een spitse neus. Vooral op zijn lach was ik dol, dan zag hij er zo kwajongensachtig en ondeugend uit. Ik ging in de vacantie naar buiten; toen ik terugkwam was Peter inmiddels verhuisd en woonde samen met een veel ouderen jongen. Deze maakte hem er schijnbaar opmerkzaam op, dat ik een kinderachtige puk was en Peter liet me los. Ik hield zoveel van hem, dat ik de waarheid niet wilde inzien en hem vasthield, tot de dag kwam, waarop het tot me doordrong, dat ik, als ik hem nog langer achterna liep, voor jongensgek uitgemaakt zou worden. De jaren gingen voorbij. Peter ging met meisjes van zijn eigen leeftijd om en dacht er niet meer aan mij te groeten, maar ik kon hem niet vergeten. Ik ging naar het Joodse Lyceum, vele jongens van onze klas werden verliefd op me, ik vond het leuk, was vereerd, maar verder raakte het mij niet. Nog weer later was Harry dol op me, maar zoals al gezegd, ik werd nooit meer verliefd.

Er bestaat een gezegde: ‘De tijd heelt alle wonden’; zo ging het ook met mij. Ik verbeeldde mij, dat ik Peter vergeten was en hem helemaal niet meer aardig vond. De herinnering aan hem leefde echter in mijn onderbewust zijn zo sterk voort, dat ik mezelf wel eens bekende, dat ik jaloers was op die andere meisjes en hem daarom niet meer aardig vond. Vanochtend heb ik begrepen, dat niets veranderd is, integendeel, terwijl ik ouder en rijper werd, groeide mijn liefde in mij mee. Ik kan nu goed begrijpen, dat Peter me toen kinderachtig vond en toch trof het me steeds weer pijnlijk, dat hij me zo vergeten had. Zijn gelaat vertoonde zich zo duidelijk aan me en ik weet nu, dat niemand anders zo in me kon blijven vastzitten.

Na de droom ben ik geheel in de war. Toen vader me vanochtend een zoen gaf, wilde ik wel schreeuwen: ‘O, was je Peter maar!’ Bij alles denk ik aan hem en de hele dag herhaal ik niets anders bij mezelf dan: ‘O Petel, lieve, lieve Petel ...!’

Wie kan me nu helpen? Ik moet gewoon verder leven en God bidden, dat hij, als ik hier uitkom, Peter op mijn weg zal brengen en dat die, terwijl hij in mijn ogen mijn gevoelens leest, zal zeggen: ‘O Anne, als ik dat geweten had, was ik al lang bij je gekomen!’

Ik heb in de spiegel mijn gezicht gezien en dat ziet er zo anders uit. Mijn ogen zien zo helder en zo diep, mijn wangen zijn, wat in weken niet gebeurd is, roze gekleurd, mijn mond is veel weker, ik zie er uit of ik gelukkig ben en toch is er zo iets droevigs in mijn uitdrukking, mijn glimlach glijdt meteen van mijn lippen af. Ik ben niet gelukkig, want ik zou kunnen weten dat Peters gedachten niet bij mij zijn en toch, toch voel ik steeds weer zijn mooie ogen op me gericht, en zijn koele zachte wang tegen de mijne ...

O Petel, Petel, hoe kom ik ooit weer van je beeld los? Is ieder ander in je plaats niet een armzalig surrogaat? Ik houd van je, o met zoveel liefde dat die niet langer in mijn hart kon groeien, maar te voorschijn springen moest en zich plotseling, in zo'n geweldige omvang, aan mij openbaarde.

Een week geleden, een dag geleden zou ik, als men me gevraagd had: ‘Wie van je kennissen zou je het meest geschikt vinden om mee te trouwen?’ geantwoord hebben: ‘Ik weet het niet’, en nu zou ik schreeuwen: ‘Petel, want van hem houd ik met geheel mijn hart, met geheel mijn ziel, in volledige overgave!’ Behalve dat éne, hij mag me niet verder aanraken, dan in mijn gezicht.

Vader zei eens tegen me, toen we over sexualiteit spraken, dat ik de begeerte toch nog niet kon begrijpen; ik wist altijd dat ik het wel begreep en nu begrijp ik het helemaal. Niets is me nu zo dierbaar als hij, mijn Petel!

Je Anne.



1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina