Het begin van de orde der mindere broeders inhoudsopgave



Dovnload 99.17 Kb.
Pagina1/3
Datum23.08.2016
Grootte99.17 Kb.
  1   2   3
HET BEGIN VAN DE ORDE DER MINDERE BROEDERS
INHOUDSOPGAVE
Titel [1]
Inleiding [2]
I Hoe de zalige Franciscus God begon te dienen [3]-[9]

II De eerste twee broeders van de zalige Franciscus [10]-[13]

III De eerste verblijfplaats van de broeders en hoe hun verwanten hen lastig vielen [14]-[17]

IV Hoe de zalige Franciscus zijn broeders vermaande en de wereld inzond [18]

V De slechte ervaringen van de broeders op hun tocht door de wereld [19]-[24]

VI De levenswijze van de broeders en hun wederkerige genegenheid [25]-[30]

VII Hoe de broeders naar Rome gingen en de paus de regel goedkeurde en verlof gaf om te preken [31]-[36]

VIII Het op zijn voorschrift gehouden kapittel en wat er behandeld werd [37]-[39]

IX Hoe de broeders over de hele wereld uitgezonden werden [40]-[41]

X Toen de houding van de kardinalen zich ten goede keerde en zij de broeders met raad en daad begonnen bij te staan [42]-[43]

XI Hoe de kerk de broeders beschermde tegen vervolging [44]-[45]

XII Dood van de zalige Franciscus; zijn wonderen en heiligverklaring [46]-[47]

Nawoord [48]

BEGIN EN GRONDSLAG VAN DE ORDE

HET LEVEN EN DE WERKEN VAN DE MINDERE BROEDERS DIE ALS EERSTEN IN

DE GEMEENSCHAP KWAMEN EN GEZELLEN WAREN VAN DE ZALIGE

FRANCISCUS
INLEIDING
2. De dienaren van God mogen niet onkundig blijven van de weg en de leer van heilige mannen, waarlangs zij tot God kunnen komen. Daarom heb ik, die hun leven en werken heb gezien, die hun woorden heb gehoord en die zelfs hun leerling ben geweest, ter ere van God en tot stichting van hen die dit lezen en horen een en ander over het doen en laten van onze zalige vader Franciscus en van sommige broeders die in het begin bij de gemeenschap kwamen, verteld en bijeengebracht, voorzover mijn geest van Godswege daartoe bekwaam werd gemaakt.
HOOFDSTUK I

HOE DE ZALIGE FRANCISCUS GOD BEGON TE DIENEN


3a. Sinds de menswording van de Heer waren 1207 jaren voorbijgegaan. Het was 16 april 1208. God zag dat zijn volk, dat Hij door het kostbare bloed van zijn eniggeboren Zoon had vrijgekocht, zijn geboden had vergeten en zijn weldaden met ondankbaarheid beloonde. Reeds lange tijd had Hij in het zijn lankmoedigheid, al verdiende het de dood, gespaard. Desondanks wilde Hij nog niet de dood van de zondaar, maar dat hij zich zou bekeren en zou leven (Ez 33,11; Mt 9,38). Daarom besloot Hij, bewogen door de overmaat van zijn welwillende barmhartigheid, arbeiders te sturen voor zijn oogst (Mt 9,13).

3b. En Hij verlichtte een man die in de stad Assisi leefde, met de naam Franciscus, een koopman van beroep, een zeer lichtzinnig uitdeler van wereldse rijkdom.


4a. Eens was hij in het magazijn waar hij gewoonlijk laken verkocht druk met zijn zaken bezig, toen er een arme verscheen die er in de naam van de Heer op aandrong hem een aalmoes te geven. Omdat genoemde Franciscus alleen maar aan winst maken dacht en voor niets anders oog had dan voor bovenge­noemde handel, scheepte hij de arme af en weigerde hij hem die aalmoes zonder meer. Maar toen de arme schoorvoetend heenging, begon hij onder invloed van Gods zorgende genade, zich verwijten te maken om zijn onbehou­wenheid en zei bij zichzelf: 'Wanneer die arme je zoiets gevraagd had in naam van een aanzienlijke graaf of baron zou je zeker aan zijn verzoek hebben voldaan. Hoeveel te meer had je dat dan moeten doen nu hij het je vroeg in naam van de Koning der koningen, en de Heer van allen!'

4b. En in zijn hart kwam hij tot het vast besluit nooit meer iemand iets te weigeren wanneer het hem gevraagd werd in naam van een zo machtig Heer. Hij riep genoemde arme terug en gaf hem een ruime aalmoes.

4c. O hart, zeg ik, geheel en al vol van genade, rijk aan vruchten en verlicht! O onwrikbaar en heilig besluit van waaruit een wonderbare, overmoede, geheel eigen verlichting van de toekomst ontspringt! Maar toch, zo heel verbazingwekkend is het niet. Zegt Jesaja niet reeds - en hij spreekt onder inspiratie van de Heilige Geest -: 'Als je de hongerige aanbiedt wat je voor jezelf verlangt, en de wegkwijnende met voedsel verzadigt, zal je licht in de duisternis opgaan en je duisternis worden als de heldere middag (Jes 58,10).' En verder: 'Als je je brood deelt met de hongerige, breekt je licht als de dageraad door en gaat je rechtschapenheid voor je aanschijn uit (Jes 58,7 8).'
5a. Enige tijd later overkomt deze zalige man iets wonderlijks, dat ik, naar mijn mening, onder geen voorwaarde stilzwijgend voorbij mag gaan. Op een nacht lag hij rustig in zijn bed te slapen toen hem iemand verscheen die hem bij zijn naam roep en hem meenam naar een onzegbaar bekoorlijk, wondermooi paleis. Het stond vol met ridderuitrustingen en overal aan de muren hing een keur van schitterende, met het kruis getekende schilden.

5b. Op zijn vraag aan wie die zo schitterende uitrustingen en dat zo buitengewoon heerlijke paleis toebehoorden, kreeg hij van zijn begeleider ten antwoord: 'Dit alles met paleis en al is van jou en je ridders.'

5c. Uit zijn slaap ontwaakt, kwam hij op de wereldse gedachte - want nog altijd was hij niet geheel in de ban gekomen van de geest van God - dat het hem beschoren was eens in dat paleis als een groot vorst te heersen. Hij overdacht de zaak telkens weer opnieuw en besloot tenslotte de krijgsdienst in te gaan en ridder te worden. Zo hoopte hij te bereiken dat hem, wanneer hij eenmaal ridder was, een vorstelijke waardigheid zou worden aangeboden. Hij vatte het plan op om, na zich de kostbaarste uitrusting die hij krijgen kon, te hebben aangeschaft, naar Apulië te gaan en zich aan te sluiten bij graaf Gentilis, opdat hij van hem de ridderslag zou ontvangen.

5d. Tengevolge van dit alles was hij zoveel vrolijker en opgeruimder dan gewoonlijk dat het allen op ging vallen. En wanneer ze hem verwonderd vroegen wat toch wel de reden van die ongekende blijheid was, gaf hij ten antwoord: 'Nu weet ik heel zeker dat ik eens een groot vorst zal zijn.'


6a. Na een schildknaap in dienst genomen te hebben, besteeg hij zijn paard en begaf zich op weg in de richting van Apulië.

6b. Toen hij echter, alleen maar denkend aan zijn tocht, in Spoleto gekomen was en zich 's nachts te slapen had gelegd, hoorde hij, half in slaap, een stem hem vragen waarheen hij op weg was. Hij gaf een duidelijk en nauwkeu­rig overzicht van heel zijn plan. En de stem weer: 'Wie is er eigenlijk in staat je meer te geven, de heer of de knecht?' 'Vanzelf de heer', antwoord­de hij. - 'Waarom laat je de Heer dan in de steek voor de knecht en veronachtzaam je de Koning voor de onderdaan?' Toen stelde Franciscus de vraag: 'Wat wilt U dan dat ik zal doen, Heer?' - 'Keer terug naar de streek waar je thuishoort, ga daar doen wat de Heer je zal openbaren.'

6c. Opeens voelde hij zich door Gods genade veranderd in een ander mens.
7a. Toen de volgende morgen aangebroken was, keerde hij naar zijn eigen streek terug, zoals hem bevolen was.

7b. Op weg naar huis in Foligno gekomen verkocht hij er het paard waarop hij reed, en de kleren waarmee hij zich had uitgedost om naar Apulië te gaan, en trok andere, meer eenvoudige kleren aan.

7c. Vervolgens zette hij zijn tocht vanuit Foligno naar Assisi voort, terwijl hij het geld dat hij voor de verkoop gekregen had met zich meenam. Toen hij in de buurt kwam van een kerk die ter ere van de heilige Damianus was gebouwd, trof hij daar een arm priester aan, Petrus geheten, die aan die kerk verbonden was, en wilde hem het geld in bewaring geven. Maar de priester weigerde het onder zijn hoede te nemen. Hij had immers, zei hij, geen geschikte plaats om het voor een tijd veilig op te bergen. Toen de man Gods Franciscus dat hoorde, gooide hij het geld achteloos in een nis van die kerk.

7d. Omdat hij echter zag dat het een arm kerkje was dat op instorten stond, vatte hij onder leiding van Gods geest het plan op met dat geld het metselwerk ervan steviger te maken en er te blijven wonen. Zijn bedoeling was het kerkje uit zijn vervallen staat op te heffen en te restaureren. Dit plan heeft hij na verloop van tijd, nadat God hem tevoren een wenk gegeven had, ook metterdaad tot een goed einde gebracht.


8a. Toen zijn vader, die hem met louter menselijke liefde beminde en erop gebrand was het geld in handen te krijgen, dit hoorde, werd hij razend op hem. Op allerlei manieren maakte hij hem, door hem kwetsend te behandelen en te beschimpen, het leven zuur en eiste het geld van hem op.

8b. Maar in het bijzijn van de bisschop van Assisi deed Franciscus afstand van dat geld en van de kleren die hij droeg, en gaf alles vol vreugde aan zijn vader terug. Naakt stond hij daar onder de mantel van de bisschop die zijn armen om hem heen sloeg en zijn naaktheid met zijn mantel bedekte.

8c. Zo was hij dus vrij van tijdelijk bezit. Hij kleedde zich zeer eenvou­dig en verachtelijk en keerde terug naar het kerkje om daar te gaan wonen. Maar de Heer maakte hem in zijn armoede en verachtelijkheid rijk. Hij vervulde hem van zijn Heilige Geest en legde hem woorden van leven in zijn mond. Hij zou als verkondiger onder de moeten gaan, hun preken over oordeel en barmhartigheid, straf en heerlijkheid (RegNB 21; RegB 9,4), hun zeggen dat ze de geboden van God, die ze aan de vergetelheid hadden prijsgegeven, in herinnering moesten roepen. De Heer stelde hem aan tot vorst over vele volkeren (Ge 17,4; Sir 44,19), die Hij met behulp van Hem uit de hele wereld bijeenbracht en tot één volk maakte. 8d. Hij leidde hem daarbij langs een rechte en enge weg. Franciscus wilde immers goud noch zilver noch geld noch wat dan ook bezitten, maar volgde Heer in nederigheid en armoede en in oprechte eenvoud van hart.
9a. Hij liep blootsvoets, droeg een armzalig habijt en omgordde zich ook met een versleten stuk touw.

9b. En telkens wanneer zijn vader hem tegenkwam, voelde deze zich in zijn hart diep gekwetst en verwenste hem. Maar de zalige man nam een arme grijsaard, een zekere Albertus, bij zich en vroeg die dan om hem te zegenen.

9c. Ook veel anderen bespotten hem en scholden hem voor alles en nog wat uit; en bijna allen hielden hem voor een waanzinnige. Maar hij trok zich er niets van aan en gaf hun zelfs geen antwoord. Het enige waar hij zich met alle zorg op toelegde, was metterdaad in praktijk te brengen wat God hem als zijn wil liet weten. Bij het gaan van zijn weg liet hij zich niet leiden door de deskundige uitspraken van menselijke wijsheid, maar stemde hij zich af op de inspiratie en de kracht van de Geest (1 Kor 2,4).
HOOFDSTUK II

DE EERSTE TWEE BROEDERS VAN DE ZALIGE FRANCISCUS


10a. Bij het zien en horen van dit alles kwamen twee burgers van die stad, in hun hart geraakt door Gods genade, nederig naar hem toe. Een van hen was broeder Bernardus, de andere broeder Petrus. En ze zeiden hem simpelweg: 'We willen voortaan bij je blijven en doen zoals jij doet. Zeg ons dus wat we met onze bezittingen moeten doen.' Franciscus was juichend gelukkig over hun komst en hun verzoek en antwoordde hun vriendelijk: 'Laten we de Heer om raad gaan vragen.' 10b. Ze begaven zich dus naar een kerk in dezelfde stad, gingen er binnen, knielden nederig neer en vroegen biddend: 'Heer God, Vader van de heerlijkheid, wij vragen U ons in uw barmhartige liefde te laten weten wat we moeten doen.' Na hun gebed vroegen ze de priester van die kerk, die daar op dat moment aanwezig was: 'Vader, wees zo goed ons het evangelie van onze Heer Jezus Christus te laten zien.'
11a. Omdat ze zelf nog niet goed wisten hoe ze bij het lezen van het evangelieboek te werk moesten gaan, opende de priester het boek voor hen. Meteen al vonden ze de passage waarin geschreven stond: 'Als je volmaakt wilt zijn, ga dan alles verkopen wat je bezit, en geef het aan de armen; dan zul je een schat bezitten in de hemel (Mt 19,21).' Ze bladerden verder in het boek en vonden toen: 'Wie mijn volgeling wil zijn... enzovoort (Mt 16,24).' En toen ze nog een keer de bladen omsloegen, stuitten ze op: 'Neem onderweg niets mee.. enzovoort (Lc 9,3).' Een overweldigende vreugde maakte zich van hen meester toen ze dit hoorden, en ze zeiden: 'Dat is het wat we verlangden, dat zochten we (vgl. RegNB 0,2; 1,2 3; 2,4; 14,1; RegB 1,1; 2,5; 12,4; Test 14).' En de zalige Franciscus zei: 'Dat zal onze leefregel zijn.' Daarna sprak hij tot de twee anderen: 'Je hebt de raad van de Heer gehoord; ga hem dus uitvoeren.'

11b. Broeder Bernardus ging dus heen en omdat hij rijk was, bracht de verkoop van al zijn bezittingen hem veel geld op. Broeder Petrus was echter altijd al arm geweest aan stoffelijke goederen, maar in geestelijke goederen was hij reeds rijker geworden. Ook hij deed wat de Heer hem geraden had. Vervolgens haalden ze de armen van de stad bij elkaar en verdeelden onder hen het geld dat de verkoop van hun bezittingen had opgebracht.


12a. Terwijl ze in tegenwoordigheid van de zalige Franciscus daarmee bezig waren, kwam er een priester, Silvester geheten, bij. Vroeger had de zalige Franciscus eens stenen van hem gekocht voor het herstel van de kerk van de heilige Damianus. Bij die kerk had hij overigens ook zijn verblijfplaats voordat hij zijn eerste broeders als gezellen had.

12b. Toen de priester hen al dat geld zo maar zag weggeven, kreeg hij het benauwd van hebzucht. Hij was begerig om ook iets van dat geld in handen te krijgen, begon zich te beklagen en zei: 'Franciscus, je hebt me een veel te lage prijs betaald voor de stenen die je van mij gekocht hebt.' Nauwelijks hoorde de zalige Franciscus hem die onrechtmatige klacht uiten, of hij die zich van iedere begeerte naar bezit had ontdaan, liep naar broeder Bernar­dus. Hij stak zijn hand in diens mantel - waarin hij het geld bewaarde -, trok ze er vol muntstukken weer uit en gaf die aan de priester. En nog eens deed hij een greep in de mantel, haalde er weer zoals de eerste keer een handvol munten uit en, terwijl hij die ook deze keer weer aan de priester gaf, zei hij: 'Vind je de prijs van die stenen nu goed genoeg?' 'Inder­daad', antwoordde de priester. Vergenoegd ging hij daarna terug naar huis.


13a. Enige tijd later begon de priester, onder invloed van de liefdevolle genade van de Heer, na te denken over wat de zalige Franciscus had gedaan, en zei bij zichzelf: 'Eigenlijk ben ik toch maar een armzalig, beklagens­waardig mens dat ik, terwijl ik al op jaren ben, nog zo gehecht ben aan het aardse en er zo hevig naar verlang, terwijl die jongeman het om de liefde van God met diepe minachting van zich gooit.'

13b. In de nacht daarna zag hij in zijn slaap een geweldig groot kruis. De top ervan reikte tot aan de hemel en met zijn voet stond het geplant in de mond van de zalige Franciscus; de dwarsbalken van het kruis strekten zich uit van het ene uiteinde van de wereld tot het andere.

13c. Toen de priester wakker werd, drong zich de overtuiging bij hem op dat de zalige Franciscus onmiskenbaar een vriend was van God, en dat de gemeenschap die hij begonnen was te stichten zich over de hele wereld zou gaan uitbreiden. In eerbiedige vrees voor God begon hij daarna in zijn huis een boetvaardig leven te leiden. En het duurde niet lang, of hij trad in de orde van de broeders. Als lid van de orde is hij na een verdienstelijk leven een glorierijke dood gestorven.
HOOFDSTUK III

DE EERSTE VERBLIJFPLAATS VAN DE BROEDERS EN HOE HUN VERWANTEN

HEN LASTIG VIELEN
14a. Nadat broeder Bernardus en broeder Petrus hun bezittingen verkocht hadden en de opbrengst ervan, zoals we verteld hebben, aan de armen hadden uitgedeeld, kleedden ze zich als de man Gods, de zalige Franciscus, en sloten zich bij hem aan. 14b. Ze hadden echter nergens een plaats waar ze konden wonen. Ze gingen daarom op zoek en vonden een armoedig, zo goed als verlaten kerkje, de heilige Maria in Portiuncula geheten. Daar zetten ze een klein hutje neer waar ze met elkaar verbleven.

14c. Acht dagen later kwam er nog een inwoner uit dezelfde stad, Egidius, bij hen, een zeer vroom en oprecht gelovig man, die de Heer rijk met genaden heeft gezegend. Met nederig vertrouwen en grote eerbied vroeg hij, op zijn knieën, de zalige Franciscus zo goed te willen zijn hem in zijn gezelschap op te nemen. Grote blijdschap maakte zich van Franciscus meester, toen hij hem zag en zijn verzoek hoorde. Enthousiast en van ganser harte nam hij hem dan ook dadelijk op. Alle vier voelden ze zich toen innig blij en gelukkig en waren ze van een bijzonder grote geestelijke vreugde vervuld.


15a. Wat later koos de zalige Franciscus broeder Egidius als gezel en nam hem met zich mee naar het markgraafschap Ancona; de twee anderen bleven thuis. Onderweg waren ze geestdriftig blij in de Heer. De man Franciscus echter gaf er juichend uiting aan door luidkeels in het Frans lofliederen te zingen op de Heer, hem lovend en prijzend.

15b. Ze waren immers zo overstelpt van vreugde dat het leek alsof ze in bezit gekomen waren van de grootste schat die er bestond. En werkelijk, ze hadden reden om blij te zijn. Veel hadden ze immers prijsgegeven en als mest weggeworpen wat voor de mensen gewoonlijk een bron is van zorgen en verdriet. Daarbij waren ze zich ook diep bewust van de bittere nasmaak die de genotzoekers in hun wereldse genietingen ondervinden, waarin ze het slachtoffer plegen te worden van veel ellende en bittere ontgoochelingen.

15c. Op een gegeven moment zei de zalige Franciscus tot zijn gezel, broeder Egidius: 'Met onze gemeenschap zal het gaan als met een visser die zijn netten in het water uitzet en een overvloedige hoeveelheid vissen vangt. Wanneer hij die massa vissen ziet, haalt hij de grote eruit en verzamelt ze in zijn bakken, maar de kleine werpt hij weer in het water terug (Mt 13,47 49).' Broeder Egidius was zeer verbaasd over de voorspelling die de heilige hiermee deed. Hij wist immers hoe klein het aantal broeders toen nog was.

15d. Nog altijd was het niet zover dat de man Gods voor de mensen preekte. Maar op hun tocht door steden en dorpen spoorde hij de mannen en vrouwen wel reeds aan dat ze de Schepper van hemel en aarde moesten eerbiedigen en beminnen en boete doen voor hun zonden. Broeder Egidius reageerde daarop dan: 'Hij zegt het voortreffelijk; geloof hem maar!'


16a. Wanneer de mensen hen zo bezig hoorden, zeiden ze tegen elkaar: 'Wat zijn dat voor kerels en waar hebben ze het over (vgl. Hand 2,12vv)?'

16b. Er waren er die meenden dat ze met dwaze of dronken kerels te maken hadden. Maar anderen zeiden: 'Wat ze zeggen kun je moeilijk waanzin noemen.' Ook was er onder de toehoorders een die reageerde: 'Die lui hebben zich ofwel als volgelingen bij de Heer aangesloten omdat ze de hoogste volmaaktheid willen bereiken of ze zijn stapelgek. Kijk maar eens naar hun leven: ze leven als dakloze zwervers, ze lopen op blote voeten, dragen een stel armzalige lompen en ze gebruiken bijna geen voedsel.' Maar nog niemand dacht er tot nog toe aan hen te volgen. En wanneer de jonge meisjes hen zelfs maar op een afstand zagen, werden ze bang en liepen weg. Ze mochten immers eens door hun waanzin aangetast worden! Maar ofschoon de mensen er niet aan dachten in hun voetspoor te treden, de broeders maakten niettemin een diepe indruk op hen wanneer ze zagen hoe heilige die mannen leefden. Het scheen hun toe als waren ze daardoor gemerktekend voor de Heer.

16c. Nadat ze die streek waren rondgetrokken, keerden ze naar de heilige Maria in Portiuncula terug.
17a. Enige dagen later kwamen er nog drie mannen uit Assisi bij hen, namelijk broeder Sabbatinus, broeder Johannes en broeder Moricus de Kleine, en smeekten de zalige Franciscus deemoedig om hen in zijn gezelschap op te nemen. Welwillend en vol vreugde willigde de zalige Franciscus hun verzoek in (RegNB 2,1.3). 17b. Wanneer ze echter in de stad rondtrokken en om aalmoezen bedelden, wilde zo goed als niemand hun iets geven; integendeel, ze maakten hun het verwijt: 'Welja, eerst je eigen bezittingen opgeven en dan teren op de zak van anderen!' Het gevolg was dat ze veel gebrek leden. Ook werden ze door hun ouders en bloedverwanten danig lastig gevallen, terwijl de andere inwoners van die stad, kinderen en volwassenen, mannen en vrouwen, hen minachtend behandelden en hen spottend uitmaakten voor waanzinnigen en botteriken. De enige die hierop een uitzondering maakte, was de bisschop van de stad. De zalige Franciscus ging nogal eens naar hem toe om raad te vragen.

17c. Dat hun ouders en verwanten het hun zo lastig maakten en dat anderen de draak met hen staken vond zijn oorzaak hierin, dat het in die tijd iets volkomen nieuws was dat je eerst van al je bezittingen afstand deed en dan van deur tot deur om aalmoezen ging vragen (Test 22).

17d. Op een dag was de zalige Franciscus naar de bisschop gegaan. De bisschop zei hem: 'Ik vind de manier waarop jullie leven, wel erg hard en moeilijk: leven zonder ook maar iets in de wereld te hebben en te bezit­ten!' Gods heilige echter antwoordde hem: 'Heer, als we ook maar een paar bezittingen hadden, zouden we wapens nodig hebben om ze te beschermen. Bezittingen zijn immers een voortdurende bron van geschillen en twisten. En gewoonlijk komt hierdoor de liefde tot God en de evenmens in het gedrang. Juist daarom willen we in de wereld geen enkel aards bezit hebben.'

17e. Met waardering luisterde de bisschop naar dit antwoord.


HOOFDSTUK IV

HOE FRANCISCUS ZIJN BROEDERS VERMAANDE EN DE WERELD INZOND


18a. Reeds vol van de genade van de Heilige Geest voorspelde de zalige Franciscus zijn broeders wat hun te wachten stond. Hij riep de zes broeders die hij toen had bij zich in het bos in de buurt van de heilige Maria in Portiuncula, waarin ze zich vaak terugtrokken om te bidden, en zei hun: 'Laten we, beste broeders, toch goed nadenken over onze roeping: God heeft ons in zijn barmhartigheid niet alleen geroepen, opdat we er zelf voordeel van hebben en zelf zalig worden, maar ook ten voordele en voor de zaligheid van velen. Laten we dus door de wereld trekken en mannen en vrouwen door ons woord en voorbeeld aansporen en erop wijzen dat ze boete moeten doen voor hun zonden en weer opnieuw moeten gaan denken aan de geboden van de Heer, die ze al zolang vergeten zijn.'

18b. En hij ging door: 'Laat je niet afschrikken, kleine kudde (Lc 12,32), heb vertrouwen in de Heer. Wanneer je met elkaar spreekt, zeg dan niet: 'We zijn maar onnozele, ongeletterde mensen; hoe kunnen we dan gaan preken?' Denk veeleer aan de woorden die de Heer tot zijn leerlingen heeft gezegd: 'Jullie zijn het immers niet die spreken, het is de geest van jullie Vader die in jullie spreekt (Mt 10,20).' Heus, de Heer zelf zal jullie geest en wijsheid geven om mannen en vrouwen aan te sporen, hun de weg van zijn geboden te verkondigen en hun te leren hoe ze die moeten onderhouden. Zonder twijfel zullen jullie mensen aantreffen die gelovig, vriendelijk, bescheiden en welwillend tegenover jullie staan, en die jullie met vreugde en genegenheid zullen aanvaarden en naar je woorden zullen luisteren. Maar er zullen anderen zijn die niet geloven en vol trotste eigenwaan God zullen lasteren. Dergelijke lieden zullen zich tegen jullie verzetten en minach­tend het hoofd schudden over jullie zelf en over wat je hun te zeggen hebt. Bereiden jullie je daarop voor en maak je het vaste voornemen om alles wat je overkomt geduldig en onderworpen te verdragen (RegNB 16,10 21; RegB 10,10 11).'

18c. Toen de broeders dit hoorden, raakten ze wel wat in paniek. Maar de zalige Franciscus, die zag dat ze erg tegen hun taak opzagen, zei tot hen: 'Laat je toch niet van de wijs brengen (Mc 16,6)! Je kunt er immers zeker van zijn dat het niet lang zal duren of vele wijze, onderlegde en aanzien­lijke mannen zullen zich bij ons voegen en ons leven gaan delen. Ze zullen gaan preken voor allerlei volken en stammen, voor koningen en vorsten. En je zult zien dat velen zich tot de heer zullen bekeren. En overal in de wereld zal de Heer het gezin dat Hij Zich gewild heeft, zich laten verme­nigvuldigen en uitbreiden.'

18d. Na hun dit alles gezegd te hebben zegende hij hen en gingen ze op weg.


HOOFDSTUK V

DE SLECHTE ERVARINGEN VAN DE BROEDERS OP HUN TOCHT DOOR DE WERELD


19a. Wanneer de zeer vrome dienaren van de Heer onderweg waren en bij een kerk kwamen, nog in gebruik of verlaten, of langs de weg een kruis zagen staan, bogen ze diep ter aarde en getuigden van hun grote verering door met eerbiedige vroomheid te bidden: 'Wij aanbidden U, Christus, en loven U , in alle kerken die er op de hele wereld zijn, omdat U door uw heilig kruis de wereld verlost hebt (Test 5).' Ze waren er in diep geloof van overtuigd op een plaats te zijn waar de Heer aanwezig was.

19b. De mensen die hen zagen, waren verbaasd over hen en zeiden: 'We hebben nog nooit religieuzen gezien die zo uitgedost waren.' In kleding en levenswijze verschilden ze immers van alle andere religieuzen en ze zagen er uit als wilden die zo uit de bossen weggelopen waren. Kwamen ze stad, dorp of huis binnen, dan brachten ze de vredesboodschap (RegNB 14,2; RegB 3,13; Test 23). En overal waar ze ergens mannen of vrouwen in de straten of op de pleinen tegenkwamen, spraken ze hen bemoedigend toe dat ze de Schepper van hemel en aarde moesten eerbiedigen en beminnen en zich zijn voorschriften die ze vergeten waren, weer te binnen moesten brengen en hun best doen ze van nu af metterdaad te vervullen (RegNB 21,2 9; zie 18ab).



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina