Het bijbelse kernwoord dief I. Het oude testament



Dovnload 39.7 Kb.
Datum02.10.2016
Grootte39.7 Kb.

Het bijbelse kernwoord dief




I. HET OUDE TESTAMENT


Nevenstaande en onderstaande gegevens zijn verzameld uit Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915, en Abr. Trommius, Nederlandse Concordantie (6e herziene dr.), s.v. gannaab גּנּב



Zie ook het ww. ganab (stelen)

I.A.a Betekenis van de tekstgegevens
Dief


  • Indien een dief (niet) gevonden wordt (Ex.22:1v, 4, 7v)

  • Zo zal deze dief sterven (Deut.24:7)

  • En des nachts is hij als een dief (Job 24:14)

  • Men jouwde over hem als over een dief (Job 30:5)

  • Indien gij en dief ziet, zo loopt gij met hem (Ps. 50:18)

  • Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft (Spr. 6:30); zie ook vs.31.

  • Die met een dief deelt, haat zijn ziel.. (Spr. 29:24)

  • Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven (Jes. 1:23)

  • Gelijk een dief beschaamd wordt (Jer. 2:26)

  • Was hij onder de dieven gevonden (Jer. 48:27)

  • Zo er dieven bij nacht gekomen waren (Jer. 49:9)

  • Zij werken valsheid; en de dief gaat erin (Hos.7:1)

  • Zij zullen door de vensters inkomen als een dief (Jo.2:9)

  • Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren…, zouden zij niet gestolen hebben, zoveel hun genoeg ware (Obad.: 5)

  • Dat hij kome in het huis van de dief (Zach.5:4).



I.A.b Samenvatting + toepassing


1. In het OT wordt komt het Hebr.woord voor dief 17 keer voor: גּנּב, gannabh, van ganabh, “stelen,” maar gannabh is eerder breder dan ‘dief’ en houdt ook in: een ontvoerder (bijv. van een kind) (Deut.24:7).

2. Stelen = het ontvreemden van iemands bezit. Bezit (dat waarop iemand zit) is iets onschendbaars. Het bevel ‘U zult niet stelen’ verbiedt niet alleen het heimelijk of openlijk wegnemen van iemands persoonlijk bezit, maar ook het schade daaraan aanbrengen of bedrieglijk inhouden ervan, door onachtzaamheid of onverschilligheid (bijv. iemands os of kleinvee dat weg is gedwaald, moet men weer terugbrengen). Uit ISBE/ E-sword, s.v. thief/ steal.



3. Enkele bepalingen over dieven/ diefstal in de Thora:

  • Voor een gestolen os moeten vijf runderen worden teruggegeven en vier schapen voor een gestolen stuk klein vee. Als het gestolene levend in de hand van de dief gevonden wordt, moet hij het dubbel teruggeven.

  • Als een dief op heterdaad betrapt wordt, geslagen wordt en sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn. P.S. vergelijk dat eens met het onlangs in Etten-Leur voorgekomen geval van twee overvallers van een juwelierszaak die door een eigenares werden gedood (uit zelfverweer).

  • Als iemands geld of vaatwerk dat bij hem in bewaring is gegeven, hem ontstolen wordt, zal hij het dubbel teruggeven. Als de dief niet gevonden wordt, moet de man bij wie de dingen in bewaring gegeven waren, onder ede betuigen, dat hij deze dingen niet zelf gestolen heeft.

  • Wie iemand ontvoert en hem verkoopt, moet zeker sterven (Deut. 24:7).

Men mag hierbij wat onze tijd betreft, ook denken aan de zgn. loverboy die meisjes weglokt met mooie beloften en die in Amsterdam aan de seksindustrie verkoopt. Zie ook Ex.21:16.


4. Enkele vermeldingen van dieven/ diefstal in de andere boeken van het OT:

  • Een dief komt in de regel in de nacht (Job 24:14; Jer. 49:9)). Hij klimt door de vensters naar binnen (Jo.2:9) In Ob.:5 heten dieven nachtrovers.

  • Men kan iemand als een dief achteraan schreeuwen (Job 30:5)

  • Met een dief mee op pad gaan is helen (= stelen) (Ps. 50:8; Spr. 29:14)

  • Men behandelt een dief niet smadelijk, wanneer hij steelt om zijn hevige begeerte te bevredigen, als hij honger heeft. Maar als hij eenmaal gegrepen is, moet hij wat gestolen is, zevenvoudig teruggeven. (Daarentegen zijn overspel en de gevolgen ervan onherstelbaar). Spr. 6:30); zie ook vs.31. NB: als men eenmaal het stelen van brood uit honger heeft goedgepraat, is het hek van de dam.

  • Leidslieden van een volk worden wel vergeleken met hen die met dieven op pad gaan (Jes. 1:23). Ook in onze tijd is dit in velerlei opzichten toepasbaar op hen die in hoogheid zijn gezeten. Alom is er sprake van afzetterij, corruptie en zelfverrijking; in landen van Afrika, maar niet minder ook onder ons, waar regeringsleiders er met grote sommen geld vandoor gaan. NB: In neomarxistische systemen wordt bezit zelf wel als diefstal gezien; het dijn is in principe het mijn.

  • Wie op vreemde goden vertrouwt, komt beschaamd uit, net als een dief die op heterdaad betrapt wordt (Jer. 2:26). In Jer. 48:27 wordt aan Moab gevraagd, of het Israël soms als een belaching beschouwde en als een dief die op heterdaad wordt betrapt.

  • De profeet Hosea bestraft in zijn boek (Noord)Israël om zijn gruwelijke zonden. Hoe meer de Heere in het werk stelt om dit volk (Efraïm/ Samaria) te genezen van zijn geestelijke kwalen, des te meer treedt het boze karakter van die kwalen aan de dag. De zonde blijft niet schuilen in het verborgen, maar breekt uit voor ieders oog. Hosea noemt: a) allerlei bedrieglijke streken die niet van de lucht zijn; b) dieven die de huizen binnendringen; c) roversbenden die straten en wegen onveilig maken. 1 Zo Hosea 7:1. Het mag ons wel opvallen, dat hier ook het grote aantal inbraken genoemd zijn; zij zijn aan de orde van de dag. Dat was toen zo. En is dit in onze tijd soms anders? Het lijkt wel, alsof velen van gedachten zijn, dat alle bezit in feite diefstal is (al is dat ook niet onrechtmatig verkregen) en dus ook wel weer afgepakt mag worden.

  • In Zach.5:4 (het zesde nachtgezicht van Zacharia) ziet de profeet Zacharia een boekrol: tien meter lang, vijf meter breed; helemaal uitgerold. Een hand heeft hem wellicht vanuit de hemel naar beneden geworpen. Als een vliegende schotel die hangt tussen hemel en aarde. Die boekrol is volgeschreven met vloeken die de ergerlijke zondaars zullen moeten treffen: dieven die hun naasten beroven, denkend, dat de hele wereld van hen is en meinedigen die de fundamenten van de maatschappij aantasten en met hun vals getuigenis de eer van God door het slijk halen.. 2

Dit nachtgezicht van Zacharia heeft ook in onze dagen volop actualiteit. Wie door Gods Geest ontdekt wordt aan de kwaal van zijn hart, vindt de dief in zijn eigen bestaan terug: Als ik het maar heb. Een dief is iemand die ten diepste alle dingen om zichzelf laat draaien en voor wie de naaste iemand is aan wie hij slechts zichzelf denkt te kunnen verwerkelijken. 3

  • Ten slotte. In het Oude Testament lezen we van Achan de dief die zich ondanks het uitdrukkelijke verbod van Godswege op de puinhopen van Jericho verrijkte met wat hij daar aan begeerlijks vond. Tegen beter weten in eigende hij zich het gebannene toe. En wat moest Israël met die man doen? Achan de dief werd met heel zijn gezin gestenigd. En de vloek verteerde zijn huis. Ook later (in Hosea’s profetieën) wordt het dal van Achan – een ongeluksdal en gerichtsdal – nog een keer genoemd. Vgl. Joz. 6:18; 7:10vv; Hos. 2:14.

Gelukkig dat dit dal van Achan/ Achor een poort van hoop is geworden. Want de ban is door de straf die Achan en de zijnen onderging uit het leger weggedaan. De zonde was weggenomen en door het gericht heen was er daardoor weer een weg geopend voor de verdere intocht in het land der belofte door Israël. Zo mocht ook Israël het ondervinden in de dagen van Hosea. En zo mag ook ieder kind van God het beleven, dat een gerichtsdal waarin hij/ zij onder Gods oordeel over hun zondig bestaan leert buigen en waarin met de zonde radicaal

wordt afgerekend, nog steeds een Petach Tikwah - deur der hoop mag worden. Dank zij Jezus Christus Die in mijn plaats Gods toorn wegdroeg.

II. HET NIEUWE TESTAMENT



II.A Het Griekse woord voor dief/ stelen in het NT is κλεπτης/ κλεπτω
II.A.a Tekstgegevens/ korte omschrijvingen (o.a.volgens Trommius)


  • Waar de dieven doorgraven en stelen (Matth. 6:19)

  • Waar de dieven niet doorgraven noch stelen (Matth. 6:20)

  • In welke nachtwake de dief zou komen (Matth. 24:43)

  • Gij zult niet stelen (Matth. 19:18; Mark.10:19; Luk.18:20; Rom. 13:9)

  • Opdat Zijn discipelen niet komen bij nacht en Hem stelen (Matth. 27:64)

  • Zijn discipelen zijn des nachts gekomen en hebben Hem gestolen (Matth. 28:13)

  • Daar de dief niet bijkomt ( Luk. 12:33)

  • In welke ure de dief zou komen (Luk. 12:39)

  • Die is een dief en moordenaar (Joh. 10:1).

  • Allen - zijn dieven en moordenaars (Joh. 10:8)

  • De dief komt niet, dan opdat hij stele en slachte en verderve (Joh.10:10)

  • Maar omdat hij een dief was (Joh.12:6)

  • Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt gij (Rom. 2:21)

  • Noch dieven, noch gierigaards (1 Kor.6:10)

  • Die gestolen heeft, stele niet meer… (Ef.4:28a)

  • De dag des Heeren zal alzo komen gelijk een dief in de nacht (1 Thess. 5: 2)

  • Dat u die dag als een dief zou bevangen (1 Petr. 4:15)

  • Als een doodslager, of dief (1 Petr. 4:15)

  • De dag des Heeren als een dief (2 Petr. 3:10)

  • Zo zal Ik over u komen, als een dief (Openb. 3:3)

  • Ziet Ik kom als een dief (Openb.16:15).



II.A.b Samenvatting + toepassing


1. In het NT wordt voor het woord dief het Griekse woord κλεπτης (kleptès) en ληστης (lèstès) gebruikt. Het eerstgenoemde woord duidt de dief aan die een muur doorgraaft 4 om een schat te bemachtigen. Gelukkig is er ook een schat waar geen dief kan bijkomen: het Koninkrijk der hemelen. Wie daaraan deel krijgt, mag zich schatrijk weten.

Het is opmerkelijk, dat het boven genoemde woord voor rover (lèstès) ook wordt gebruikt voor de boosdoeners die met Jezus mede gekruisigd werden op Golgotha. Zij heten in Mark. 15:27; Matth. 27:38, 44 rovers/ moordenaars (in Luk. 23:32, 39 kwaaddoeners). Het gaat hier dan over ‘Sicariërs’ (mannen van de dolk) uit de Galilese ondergrondse; wellicht hadden de twee met Jezus gekruisigden zich ook schuldig gemaakt aan roofovervallen en waren het dus in feite ook dieven.5

2. Een en andermaal herinnert het NT intussen wel aan het uitdrukkelijke bevel van de Heere in Zijn wet: Gij zult niet stelen (een ding, een mens, een schaap bijv.). Jezus herinnert ook de rijke jongeling aan het verbod om te stelen (Matth.19:16vv). Iemand bestelen is het tegenovergestelde van hem liefhebben. Het betekent iets/ iemand (bijv. het lichaam van Jezus) ontvreemden, zich ten onrechte toeëigenen.

Van Judas wordt gezegd, dat hij de huishoudbeurs van de discipelkring van Jezus beheerde, waaruit ook armen werden geholpen en dat hij daaruit soms geld ontvreemdde. In Joh. 12:6 wordt ons verteld, dat hij het Maria hoogst kwalijk neemt, dat zij Jezus zalft met een zeer kostelijke nardus. Dat geld had zij beter aan de armen kunnen besteden. Of meende Judas heimelijk, dat hij er dan wellicht ook wat van in eigen zak had kunnen steken? Tenslotte bracht zijn geldzucht Judas ten val. 6

Laat ieder die een kas te beheren heeft (soms van miljoenen) extra waken tegen de zonde van de diefstal. Geen dief of gierigaard zal het Koninkrijk Gods binnenkomen. M.a.w. zo’n kleinigheidje is het niet om te stelen (hetzij een koekje uit moeders kast, hetzij het kapitaal van een multimiljonair). Heel ernstig hebben de apostelen de jonge christenen in de eerste eeuw vermaand om zich van diefstal te onthouden. Het gaat om naastenliefde, van alle zelfzucht ontdaan.

3. In een heel andere zin kan iemand door te stelen in zijn levensonderhoud zoeken te voorzien. Te denken is aan wat Jezus in Joh.10 zegt van een vreemde, een dief en moordenaar (in een adem) die een schaapskooi binnendringt en dat niet doet via de deur (= waar de herder zit en waakt), maar van elders inklimt. Met de bedoeling om te stelen, te slachten en te gronde te richten. En op wie heeft Jezus dan het oog? Het tekstverband zegt, dat Hij het daarbij heeft over allen die vóór Hem zijn gekomen.7 Geestelijke leidslieden die op kosten en ten koste van de hun toevertrouwde kudde opereren. Een Schriftgeleerde die de huizen van weduwen ‘opeten’ en dat onder de schijn van lang te bidden (Mark.12:40). Leidslieden van blinden die prediken, dat men niet mag stelen, maar intussen zelf hun onderdanen uitkleden..Machthebbers die niet voor de armen en verdrukten opkomen, maar hen veeleer uitzuigen. Maar wie is daarentegen de Goede Herder wiens kenmerk het is, dat Hij Zijn leven geeft voor het behouden van Zijn schapen? Wie anders dan onze Heere Jezus Christus? Ieder die in Zijn hoede is geborgen, mag zingen: De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken (Ps. 23).

4. Nog weer anders komt in het NT de figuurlijke betekenis van de dief ter sprake. Een inbreker is iemand die zonder waarschuwing van tevoren en op een onberekenbaar tijdstip als een ongewenste gast een huis binnenkomt (Matth. 24:43, etc.). In de regel komt hij bij nacht. Als iemand zou weten, wanneer hij zou komen, zou hij hem met stokken en zwaarden opwachten.

In het NT wordt dit op een aantal plaatsen gezegd van de wederkomst van de Heere Jezus. Wees te allen tijd wakker.Vgl. o.a. 1 Thess.5:1.Hoe vreselijk om te worden overrompeld door de wederkomende Christus en het eeuwige oordeel te moeten ondergaan. 8




1 Zie Dr. C. van Gelderen/ W. H. Gispen, Het boek Hosea (Commentaar op het Oude Testament); Kampen 1953; blz. 245v; Dr. J. Ridderbos, De kleine profeten; eerste deel (Korte Verklaring); Kampen, 5e druk; blz. 80.

2 Zie verder in mijn website: voordrachten/ bijbelstudies (De nachtgezichten van Zacharia; in het bijzonder het zesde)

3 Ieder mens, ook al is hij vroom, mag van zichzelf wel zeggen, dat hij een bedrieglijk hart in zich omdraagt en van zichzelf moet zeggen wat de Spreukendichter zegt:. Als ik tot armoede verval, zou ik nog wel eens tot diefstal kunnen komen en de Naam van mijn God aantasten. Vgl. Spr. 30:9.

4 ‘Ondergraven’ doet denken aan het onder de muren van het huis doorgraven of ook het graven door de lemen wanden.’ Aldus Dr. F. W. Grosheide, Het heilig Evangelie volgens Mattheüs (Kommentaar op het Nieuwe Testament (Bottenburg serie); Amsterdam 1922; blz.78v.

5 Dieven (Luk.23:32-39, 43) (struik)rovers, vermoedelijk volgelingen van Barabbas. Het kruis van onze Heere was geplaatst tussen die van de kwaaddoeners (uiting van oneer t.o.v. Zijn positie). Volgens de traditie was Demas of Dismas de naam van de berouwvolle dief, rechts van Jezus, en Gestas, de niet boetvaardige aan de linkerkant. Zo Easten Bible Dictionary in Bible Works.

6 Op de afbeelding Judas die het geld dat hij verdiend had voor het verraden van zijn Meester, voor de voeten van de tempeldienaars smeet.

7 In Robertson’s Word Pictures (Bible Works) lezen we: Aleph with the Latin, Syriac, and Sahidic versions omit these words (supported by A B D L W). But with or without pro emou Jesus refers to the false Messiahs and self-appointed leaders who made havoc of the flock. These are the thieves and robbers, not the prophets and sincere teachers of old. The reference is to verse 1. There had been numerous such impostors already (Josephus, Ant. XVIII. i. 6; War II. viii. I) and Jesus will predict many more (Mt 24:23f.). They keep on coming, these wolves in sheep's clothing (Mt 7:15) who grow rich by fooling the credulous sheep. Vgl. Jer. 23:21, Dat zijn de ontrouwe leidslieden die niet geroepen zijn zoals Schriftgeleerden en Farizeeën die de harten van de mensen stelen, maar enkel eigen eer en belang op het oog hebben.

8 In deze voordracht is gebruik gemaakt van 1. Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl, s.v. גּנּב ; 2. Trommius’ concordantie, s.v. dief (κλεπτης) ; 3. Woordenboek ISBE = Internat. Standard Bible Encyclopedie in E-sword, s.v. thief/ steal; 4. E-sword (comm. M. Henri/ Keil-Delitzsch); 5. Dr. C. van Gelderen/ W. H. Gispen, Het boek Hosea (Commentaar op het Oude Testament); Kampen 1953; 6. Dr. J. Ridderbos, De kleine profeten; eerste deel (Korte Verklaring); Kampen, 5e druk; 7. Dr. F. W. Grosheide, Het heilig Evangelkie volgens Mattheüs (Kommentaar op het Nieuwe Testament (Bottenburg serie); Amsterdam 1922; 8. Robertson’s Word Pictures in Bible Works; 9. Easten Bible Dictionary in Bible Works






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina