Het bijbelse kernwoord huurling/ dagloner I. Het oude testament



Dovnload 36.92 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte36.92 Kb.

Het bijbelse kernwoord huurling/ dagloner

I. HET OUDE TESTAMENT


I. A.a. Betekenis van de tekstgegevens
Nevenstaande en onderstaande gegevens zijn verzameld uit Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915 en Abr. Trommius, Nederlandse Concordantie (6e herz.dr.). שׂכיר
1.Als bijv.naamwoord (passief); iets dat gehuurd/ geleend is

  • Ex.22:14; u hebt de plicht om het gehuurde te vergoeden, als het beschadigd raakt of sterft (vee bijv.)

  • Jes. 7:20 (figuurlijk): een gehuurd scheermes is de koning van Assyrië.

2. Als zelfstandig naamwoord:

a) Loonarbeider, dagloner (niet een slaaf, want die behoorde bij het gezin)


  • Ex. 12:45: Een vreemdeling en dagloner mag van het Pascha niet eten;

  • Lev. 19:13: Het arbeidsloon van de dagloner moet niet bij u overnachten tot aan de morgen;

  • Lev. 22:10: Een dagloner mag de heilige gave niet eten (zoals de priesters);

  • Lev. 25:6: De opbrengt van het sabbatsjaar is voor u, uw slaaf(in); dagloner en bijwoner/ vreemdeling;

  • Lev. 25: 40: Een broeder die tot armoede is vervallen en zich aan u heeft verkocht, moet als een dagloner of bijwoner bij u zijn tot aan het jubeljaar; zie ook vs.53;

  • Lev.25:50: Naar de berekening van de arbeidsdagen van een dagloner; zie Jes. 16:14; 21:16 (exact berekend);

  • Deut.15:18: Een aan u verkochte broeder/ zuster moet u 6 jaar dienen; daarna mag hij desgewenst vrijuit gaan, niet met lege handen; want hij heeft u 6 jaar dubbel zoveel opgeleverd als een dagloner..;

  • Deut.24:14: De arme dagloner (een broeder of vreemdeling) moet op dezelfde dag zijn loon gegeven worden;

  • Job 7:1v: De mens op aarde, zijn dagen zijn als de dagen van een dagloner…; die uitziet naar zijn loon;

  • Job 14:6: Laat God de mens die vol onrust is, van zijn rust doen genieten zoals een dagloner van zijn dag ;

  • Malachi 3:5: Die het loon van de dagloner met geweld inhouden gaat God oordelen;

b) Huurtroepen/ soldaten

  • Jer. 46:21: van Nebukadnezar; zij zijn als gemeste kalveren

Niet behandeld worden hier de in Gesenius opgesomde teksten waarin het gaat om het Hebr. werkwoord skr = huren voor loon (Hebr. שׂכר) 1 en het Hebr. zelfstandige naamwoord saakaar = loon van de dagloner (שׂכ'ר)2

I.A.b Samenvatting + toepassing

1. Huurling/ dagloner (שׂכיר, sakhır):3 Dit woord komt een flink aantal keren voor in het OT en betekent een (dag)arbeider die werkt voor arbeidsloon. Zie I.A.a.2.In het navolgende komen we tot een afweging van de in deze rubriek opgesomde teksten OT en trekken daaruit lessen voor het leven hier en nu.


2. Uit de boven geciteerde teksten blijkt genoegzaam, dat Gods wetgeving aan Israël ook w.b. de dagloner er een is van sociale bewogenheid. Daardoor werd het lot van de dagloner enigszins verzacht en draaglijk. Vandaar de volgende bepalingen:
Lev.19:13: zijn dagloon moet op dezelfde dag worden uitbetaald; zo ook Deut. 24:14. Met dat geld kan zijn onderhoud voor die achter hem liggende dag worden bekostigd.

Lev. 25:6: hij mag ook gebruik maken van wat er in het sabbatsjaar ‘vanzelf’ op het land is gegroeid;

Lev. 25:40, 53: als hij zich aan u verkocht door armoede, moet hij niet langer dan 6 jaar als dagloner in uw dienst blijven; daarna (in het jubeljaar) moet u hem (niet met lege handen) vrijuit laten gaan. Zie ook Deut.15:18


3. Bij huurling denken we aan iemand die gehuurd is voor korte of lange tijd en aan wie een bepaalde taak is opgedragen, bijv. het hoeden van de kudde (denk aan de gelijkenis van de Goede Herder)


Bij dagloner of daggelder denken we aan iemand die per werkdag is aangesteld voor een bepaalde taak of taken, tegen per dag vastgesteld loon (bijv. in de landbouw). Zo iemand zal aan het eind van een werkdag zijn loon (volgens afspraak) ontvangen (denk aan de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard). Een opvallende zaak m.b.t. de vreemdeling en dagloner vinden we in Ex. 12:45: Een vreemdeling en dagloner mag van het Pascha niet eten.
In de commentaar van Keil-Delitzsch lezen we daarover: ‘Een vreemdeling (niet uit Israël), wonend voor korter of langer tijd of permanent onder de Israëlieten die het Paasfeest mee wilde vieren, moest eerst geestelijk ingelijfd worden in de natie van de Heere door besnijdenis (ook van de mannelijke leden van zijn gezin) (Ex.12:48). De dagloner/שָׂכִיר was de niet-Israëliet die werkte voor een Israëliet voor loon.’ Wij mogen ons zeker afvragen, welke de betekenis is van genoemde bepaling voor de NT-ische situatie m.b.t. het Heilig Avondmaal. Inlijving in Gods verbond door doop en openbare belijdenis lijkt mij een eerste vereiste voor deelname aan dit voor Christus’ gelovigen ingestelde sacrament.
* In de situatie van (oud)Israël was er nog geen sprake van wettelijk geregelde arbeidsovereenkomsten (met loonafspraken). Een huurling/ dagloner kon van de ene dag op de andere ontslagen worden. Met als gevolg: werkeloosheid en zonder sociale voorzieningen/uitkeringen verder zien te leven. Dat betekende armoede.
* In de situatie van de westerse wereld, c.q. Nederland hebben we tijden van grote crisis beleefd, bijv. aan het begin van de 20e eeuw en tussen de twee wereldoorlogen. Die tijd – zo werd mij door mijn grootvader verteld – was een tijd van werkeloosheid. De mannen van het dorp stonden op de kaai en wachten daar op iemand die hen voor onbepaalde tijd kwam huren voor het vervullen van een opdracht. Vooral voor hun vaak grote gezinnen was het bijna onmogelijk om de bakker te betalen.
4. In Job 7:1v lezen we: ‘Heeft de mens niet een strijd op de aarde. Hoe zwaar zijn zijn dagen door zijn onafgebroken arbeid. Hij ziet steeds uit naar het eind van een dag, als hij zijn loon ontvangt.

Deze dagloner krijgt zijn ‘loonzakje’ niet aan het eind van een week of maand, maar zoals in vroeger dagen (als iemand voor een werkdag werd ingehuurd) aan het eind van de dag. Vgl. de gelijkenis van de arbeiders (dagloners) (Matth.20:1vv). Inderdaad, de mens van een vrouw geboren is kort van dagen en zat van onrust. Hij weet soms niet, hoe hij van de ene dag in de andere moet komen.


Ooit heb ik de begrafenis mogen leiden van een man die in zijn leven vele jaren actief was geweest in de SDAP en gestreden had voor verbetering van de sociale voorzieningen van de arbeiders. In de aula werd op verzoek van de familie het oude SDAP strijdlied gespeeld: Eens komt de schone dag. Ik heb nooit families tijdens een begrafenis zo zien huilen als toen. Ik begreep dat heimwee. Gelukkig heb ik de nabestaanden kunnen vertellen, dat die sociale strijd om betere arbeids- en leefomstandigheden niet zonder resultaat is gebleven. Maar ik kon het toch ook niet laten om erop te wijzen, dat er voor allen die hun heil verwachten van Jezus Christus nog een andere schone dag komt. Gelukkig wie als een ‘arme’ zondaar de rijkdom mag kennen van een gerechtigheid die redt van de dood.
5 In Jes. 16:14 en 21:16 wordt gesproken over drie jaren/ een jaar, gerekend naar de jaren van een dagloner. Zie ook Lev. 25:50. Deze kwalificatie (jaar/jaren van een dagloner) is een aanduiding van de lengte van zo’n jaar, vermoedelijk zo genoemd, omdat zo’n jaar nauwkeurig was vastgesteld door de werkgever en ambtenaar. Hij kreeg geen cent meer uitbetaald dan een dagloon dat was afgesproken keer het aantal dagen van een jaar.
Keil-Delitzsch omschrijft deze uitdrukking als volgt: even exact berekend als het in het algemeen het geval is waar het werkgever en arbeiders betreft (ad Jes.. 21:16).
6. In Malachi 3:5 spreekt de profeet in Gods Naam het oordeel over Israël uit in de dag van Gods oordeel. En dat oordeel zal o.a. ook gaan over sociale wantoestanden, zoals het met geweld inhouden van loon van de dagloner. Een bewijs, hoezeer de God van Israël ook bewogen is met het lot van hen die arm zijn en ellendig. In Zef.3:12 heeft deze laatste omschrijving de betekenis van: hen die in het verlies van hun ‘erve der vaderen’ (tijdens de ballingschap) in materiële nood waren gekomen. Die nood was echter voor hen tegelijk een geestelijke nood, omdat het verlies van die ‘erve der vaderen’ voor hen betekende, dat zij geen bewijsstuk meer hadden bij het volk van God te behoren. Zij vielen overal buiten. In die geest hebben we ook te verstaan wat Jezus in Zijn Bergrede heeft gezegd: ‘Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen’ (Matth. 5:3).
Vermoedelijk is in Mal.3:5 bedoeld: het achterhouden van (een deel van) het loon van de daggelder of op een of andere manier hem daarin tekort te doen. Vgl. Jak. 5:4.

II. HET NIEUWE TESTAMENT



II.A.a Het Griekse woord voor huurling is μισθωτος / μισθiος 4

II.A.b Tekstgegevens/ korte omschrijvingen (o.a.volgens Trommius)

  • Om arbeiders voor zijn wijngaard te huren…(Matth. 20:1, 7, 9). Vgl. vs. 6: Wat staat gij hier de gehele dag ledig (werkloos).

  • Zij lieten hun vader Zebedeus in het schip, met de huurlingen (Mark.1:20)

  • Hoe vele huurlingen/ dagloners van mijn vader, hebben overvloed van brood…(Luk. 15:17)

  • Maak mij als een van uw huurlingen (Luk.15:19)

  • Maar de huurling en die geen herder is…vliedt, omdat hij een huurling is en geen zorg heeft voor de schapen (Joh.10:12, 13)


II.A.c Samenvatting + toepassing

1. Voor het navolgende zie ook ISBE (E-sword), s.v. hireling/ hire


2. De gelijkenis die Jezus vertelt over het huren van arbeiders in de wijngaard (Matth.20:1vv) heeft als achtergrond wat we boven onder I.A.b.3 hebben aangegeven over het huren van loonarbeiders in een wijngaard. Hierin is sprake van het in dienst nemen van daggelders die voor een dag worden ingehuurd. Een beeld van wat de Heere doet bij de arbeid in Zijn Koninkrijk/ de gemeente. Hij huurt arbeiders in. Niemand moet ledig op de markt blijven staan in Christus’ gemeente. De Heere heeft altijd wel wat voor ons te doen. En voor iemand die zich tot de arbeid in Gods Koninkrijk en gemeente geroepen weet, is het altijd een vreugde, als hij daartoe geroepen wordt, hetzij in zijn/ haar jongste jaren, of later, verdragende de hitte des daags.5 Zoals Jakobus en Johannes (Mark.1:20) zullen we er graag alles voor over hebben om een volgeling en verkondiger van Jezus te worden. Meer dan een dagloner worden we echter nooit. En dat is ook niet onze bedoeling. Als God maar verheerlijkt wordt. We verdienen niets. Wat wij doen en het loon dat God geeft, het is alles genade.
Zo is het ook, als die roeping ter elfder ure ons ten deel valt. Als we oud geworden zijn en uitgerangeerd en werkeloos op de markt des levens zijn blijven staan. J.J.Knap 6 schrijft over dat ledig op de markt blijven staan in heel ons leven:’ Verspilde krachten in het najagen van wat de ziel niet verzadigt. Verdroomde jaren voor zover het de geestelijke belangen betreft. Nooit eens een gedachte die aan het hemelse gewijd werd. Geen worstelen met de problemen van schuld en verzoening, eeuwigheid en oordeel. Een volslagen onkunde aangaande ’s mensen bestemming. Een leven zonder een eeuwig doel…’Welk een verrassing, dat we in de gelijkenis ook horen over de roeping ter elfder ure van hen die zo’n zinloos bestaan hebben geleid. Een mens, u en ik zijn nooit te oud om tot inkeer te komen en gered te worden. Maar oneindig veel rijker is het om levenslang de Heere te hebben gediend. Onze grote God is dat waard.

3. Als de ‘verloren zoon’ in de vreemde aan de grond is gekomen met zichzelf en zijn dwaze bestaan, gaat hij terugdenken aan vroeger. Zie Luk. 15:17, 19. Hoe goed was het toch eigenlijk bij zijn vader thuis. Was hij maar als de dagloner die bij zijn vader werkt. Dat vraagt hij dan ook, als hij berouwvol is teruggekeerd in het vaderhuis en de zonde van zijn verachting van het goede leven thuis heeft beleden: Maak mij maar als een van uw huurlingen. En plekje in de hooiberg is genoeg. Wie zichzelf als een onwaardige zondaar leerde kennen, mag en kan met het minste genadebewijs tevreden zijn.



Maar wat doet de vader? Hij omhelst hem, doet een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten. Hij die zich het kindschap onwaardig heeft gemaakt, wordt opnieuw geadopteerd als zoon. Hij was dood geweest en is weer levend geworden. Aldus de gelijkenis van de uitziende vader (een beter opschrift dan: van de verloren zoon (Luk.15:17, 19).
4. Joh. 10:12, 13: Maar de huurling vliedt….Alleen in deze tekst komt het Griekse woord voor huurling voor (= μισθωτος). Een huurling heeft geen echte zorg voor de schapen en gaat er vandoor, als er gevaar is of als hij er niet goed genoeg aan verdient. 7 Maar de herder waagt zijn leven voor de schapen.Sterker nog: Onze Goede Herder heeft Zijn leven gegeven voor de schapen. Daarin ligt de grond van ons behoud. In Hem en Zijn genadeloon: gerechtigheid, voor eeuwig genoeg.8

1 Dit werkwoord huren voor loon komt voor in: 1 Sam.2:5; 2 Kron.24:12 (arbeiders) of 2 Sam.10:6; 2 Kon.7:6; 1 Kron.19:6v; 2 Kron.25:6 (huursoldaten of Jes. 46:6 (een goudsmit) of Richt.9:4 (een bende van ijdele/ lichtvaardige volgelingen of Richt. 18:4 (een valse profeet) of Deut.23:4; Neh.13:2 (Bileam)) of Ezra 4:5 (vijandige raadgevers of Neh. 6:12v (valse profeten).

2 Er is een menigte teksten te noemen, waarin het woord loon voorkomt (loon voor/ van een dagloner). Zie daarvoor Gesenius en Trommius s.v.loon.

3 In het navolgende is o.a. gebruik gemaakt van E-sword, ISBE, s.v. hireling/ hire

4 In the English New Testament the word occurs once as a verb and 3 times as a noun as the translation of μισθος, misthos, and its verbal form. In Mat_20:1, Mat_20:8 and Jak_5:4 it refers to the hiring of ordinary field laborers for a daily wage. In Luk_10:7 it signifies the stipend which is due the laborer in the spiritual work of the kingdom of God. It is a wage, earned by toil, as that of other laborers. The word is very significant here and absolutely negatives the idea, all too prevalent, that money received by the spiritual toiler is a gift. It is rather a wage, the reward of real toil. Aldus E-sword/ ISBE, s.v. hireling.


5 De afbeelding toont de uitbetaling van de arbeiders in de wijngaard in Jezus’ gelijkenis (Georg Pencz; 1534-1535) (Rijksmuseum). ‘Zij ontvingen allen een penning’.

6 Zo Ds. J.J.Knap, Gelijkenissen des Heeren; Schriftoverdenkingen van Ds. J. J. Knap Czn bij teekeningen van Eugène Burnand; derde deel; Nijkerk 1921; blz. 104.

7 M.Henri schrijft:: ‘What makes them false, and trifling, and self-seeking? It is because they are hirelings, and care not for the sheep. That is, (a.) The wealth of the world is the chief of their good; it is because they are hirelings. They undertook the shepherds' office, as a trade to live and grow rich by, not as an opportunity of serving Christ and doing good. It is the love of money, and of their own bellies, that carries them on in it. Deut. 24:15. See 1 Sam 2:29; Jes. 56:11; Micha 3:5, 11.

8 In deze voordracht is gebruik gemaakt van 1. Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 191, s.v שׂכיר ; 2. Trommius’ concordantie, s.v. huurling/ dagloner; 3. ISBE (E-sword), s.v. hireling/ hire; 4. E-sword/ Keil-Delitzsch ad tekstsn OT; 5. Ds. J.J.Knap, Gelijkenissen des Heeren; Schriftoverdenkingen van Ds. J. J. Knap Czn bij teekeningen van Eugène Burnand; derde deel; Nijkerk 1921.










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina