Het bijbelse kernwoord leren/ onderwijzen, leraar, leer



Dovnload 69.77 Kb.
Datum14.08.2016
Grootte69.77 Kb.
Het bijbelse kernwoord leren/ onderwijzen, leraar, leer

Vlak voordat Jezus van de aarde heenging, heeft Hij Zijn discipelen een uitdrukkelijk bevel gegeven: ‘Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb’ (Matth.28:l9).Drie jaren lang had Hij zelf Zijn volgelingen onderwezen. Nu moesten zij op hun beurt erop uittrekken om overal op de aarde van Hem te getuigen. Onder jong en oud.

Het is door dit apostolisch getuigenis, dat de geschriften van het Nieuwe Testament tot stand zijn gekomen. Op het fun­dament van datzelfde apostolisch getuigenis zijn er gemeenten ontstaan, waarin de Woorden van de grote Meester zijn be­waard en voort gedragen. En dat alles heeft dan uiteindelijk een leerproces op gang gebracht, waardoor christenen van alle eeuwen zijn gevormd en toegerust. Om een volk te kunnen zijn, dat de deugden des Heeren zou verkondigen.

Alleen al omdat de grote Meester eenmaal die leeropdracht heeft gegeven, is het van belang nog eens goed na te denken over de betekenis, de inhoud, de doelstelling en de aard van die opdracht. Daartoe willen wij in het navolgende enkele aanzetten geven. Het gaat dan om de geloofsoverdracht in het gezin, in de kerk en in de maatschappij, in prediking en catechese.



A. HET OUDE TESTAMENT

Grondlijnen (gedenken en vieren)

Voordat wij aandacht geven aan wat het Nieuwe Testament ons voorhoudt met betrekking tot deze geloofsoverdracht, willen wij eerst enkele grondlijnen van het Oude Testament schetsen. De opdracht waardoor de dingen van God en van Zijn openbaring worden overgedragen van geslacht op geslacht is immers oudtijds heel in het bijzonder aan Israël gegeven. Op hoeveel plaatsen in het Oude Testament komen we niet het bevel van de Heere tegen om elkander te leren!

Wat God van zichzelf aan Zijn volk heeft geopenbaard, moet worden doorverteld. En het moet zo worden doorverteld, dat het nageslacht de grote heilsdaden van de Heere kan vieren. Wie denkt daarbij niet aan de opdracht van Mozes aan Israël om elk jaar de uittocht uit Egypte te gedenken in een samenzijn van het gezin rondom de Paasmaaltijd? ‘En het zal geschieden, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt gij daar voor een dienst? Zo zult gij zeggen: Dit is (voor) de Hee­re een paasoffer, Die voor de huizen der kinderen Israëls voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg en onze huizen bevrijdde’ (Ex.12:26v). Gods kinderen vieren de grote heilsdaden van de Heere verhalenderwijs. En het is daardoor ook, dat zij leren wandelen in Zijn wegen.

Dat laatste is op een indrukwekkende wijze onder woorden gebracht in de bekende verzen van Deut. 6:4vv (het zgn. 'Sjema', de geloofsbelijdenis van Israël): ’Hoor, Israël, de Heere onze God is een enig Heere…!. En deze woorden, die ik u heden gebied, zullen in uw hart zijn. En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op de weg gaat en als gij nederligt, en als gij opstaat…’.



Leefregels voor elke dag (Hij leerde ze in Zijn wegen wandelen)

In het heerlijk en heilig verbond van de Heere met Israël zijn er van meet af ook de Woorden des Heeren die de weg wijzen door de woestijn van het leven: Woorden voor onderweg dus; rechten des Heeren; leefregels voor alle dag (Deut. 4:1v; 31:19; 2 Kron. 17:7vv; Ezra 7:10; Neh. 8:8; Ps. 51:15; Pred.12:9). Israël moet een heilig volk zijn, dat de Naam des Heeren uitroept en heiligt over de lengte en de breedte van de aarde. Koninklijk, priesterlijk, profetisch (Ex. 19:5; Ez. 36 : 22vv).

De Woorden van Israëls God zijn er om ze te vieren, om ze te verkondigen en om elkaar erin te onderrichten. Ze zijn er om het Koning­schap van God onder Israël gestalte te geven. En ze roepen tegelijk om een Koningschap van God in de gestalte van de ko­mende Messias, in Wie Israël tot een Licht der volkeren wor­den zal. En dat alles met de kinderen erbij. ‘Zijn Naam moet van kind tot kind voortgeplant worden’ (Ps. 72:17) Verborgenheden, door ons gehoord, door de vaderen aan ons verteld; ‘wij zullen het niet verbergen voor onze kinderen, het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des Heeren en Zijn sterkheid en Zijn wonderen die Hij gedaan heeft’ (Ps. 78:4).

Het is niet de bedoeling om alle tekstgegevens uit het Oude Testament waarin over dit leerproces gesproken wordt, naar vo­ren te halen.De grote lijn is in het bovenstaande aangegeven. En daarmee moge tevens duidelijk zijn gemaakt, dat Jezus het van geen vreemde had, toen Hij Zijn volgelingen zo nadrukke­lijk op het hart bond om Zijn Woord te bewaren en over te dragen.



De Septuagint (‘didaskein’) en de Griekse oudheid (‘didaskalos’)

Het Hebreeuwse werkwoord voor leren (stam: ‘lmd’) wordt in de Septuagint (LXX: de Griekse vertaling van het Oude Testament) niet minder dan in 57 gevallen vertaald met het Griekse werkwoord ‘didaskein’. De inhoud van dit woord is in de Septuagint echter wel totaal anders dan in de Griekse wereld in het algemeen, waar onder ‘leren’ werd verstaan: het overdragen van kennis en vaardigheden. Het doel van het onderwijs is de vorming van de menselijke persoonlijkheid. De leraar poogt de natuurlijke aanleg en begaafdheid van zijn leerlingen tot de grootst mogelijke ontwikkeling te brengen. Hoe beter hij dit kan, des te groter is zijn aanzien.


Een ‘didaskalos’ is in de Griekse oudheid een leraar die systematisch en technisch kennis overdraagt, bijvoorbeeld in de kunst van lezen en schrijven, maar ook in het oorlogsvak of in een be­paald handwerk. Het gaat hier om de ontplooiing van de natuurlijke aanleg en begaafdheden tot een menselijke persoonlijkheid.

In het Oude Testament evenwel gaat het in het onderricht om de bevordering van de bereidheid om te horen en om het gehoorde te doen. Het is levensonderricht (bijvoorbeeld Deut. 11:19), het wil mensen tot een beslissing oproepen inzake de wil van God. Mensen moeten Gods inzettingen en rechten leren gehoorzamen. Het is in feite dus een overdracht van praktische geloofskennis, van een hartelijk en daadwerkelijk omgaan met de God van het verbond (vooral in het boek Job en in Spreu­ken ligt hierop een sterk accent). Niet het doorgeven of verzamelen van intellectuele kennis, maar het leren leven in de vreze des Heeren is hier in geding. Zie Pred. 12:9.



Vaders, tempeldienaars en profeten (tradenten)

In dit leerproces is het ten diepste God Zelf Die Zijn volk als leraar onderwijst (Deut. 4:1, 10, 14; Ps. 25:8vv). Maar voorts bemiddelen ook mensen daarin. Het is vooral de taak van een vader in zijn gezin (Ex. 10:1v). Maar ook van priesters en levieten in de tempel (Neh.8:8). En niet minder ook van Israëls profeten. ‘De kennis (van de door God geopenbaarde gemeenschapsver-houding met Hem) dankt Israël aan zijn profeten, die, door Gods Geest gegrepen, het werk Gods aan Zijn volk leerden verstaan, en het volk deze kennis Gods verkondigden’ (Th.C.Vriezen).



B. HET NIEUWE TESTAMENT

Jezus, de Leraar Israëls

In deze traditie van de overdracht van Gods openbaring nu komt ook Jezus Christus tot Zijn volk. Hij is bij uitstek de Leraar Israëls in Wie het nabij gekomen Koninkrijk van God wordt geproclameerd (Luk.. 4:21; Hand. 1:3). Hij is de Koning van dat Rijk, de Zoon des mensen ‘Die Zijn leven als een losprijs voor velen zal geven’ (Mark. 10:45).

Daartoe roept Hij een discipelenkring om zich heen en doet hen de ‘geheimenissen’ van dat Koninkrijk verstaan (Matth.13:10vv). Wanneer Hij hen, zoals gebruikelijk in het Joodse onderricht, bijvoorbeeld een eenvoudige en tegelijk diepzin­nige gelijkenis (Hebr. ‘masjaal’) vertelt.1 Hij heeft hen gedurig aan Zijn voeten en scherpt hen a.h.w. door herhaling van uitspraken Gods waarheid in.. ‘De woorden die de Vader Hem gegeven heeft, geeft Hij hun. En zij hebben ze ontvangen en hebben waarlijk bekend, dat Hij van God is uitgegaan en hebben geloofd, dat de Vader Hem gezonden heeft’ (Joh. 17:8). Hij, de Meester geeft een leer die Hij van de Vader heeft gehoord (Joh. 7:l6vv; vgl. 18:19; 2 Joh.: 9v). Ten diepste is het dus de Vader Die trekt door Zijn Geest in het onderwijs dat Jezus geeft (Deut. 4:10; Luk. 12:12; Joh.14:26). ‘Er is volstrekte eenheid tussen de Vader en de Zoon... Jezus woorden hebben goddelijk gezag’ (F. J. Pop).

Dat betekent evenwel niet, dat Jezus Zijn onderwijs en leer beperkt tot ‘de gegevenen van de Vader’ of dat hij een geheimleer verkondigt, slechts voor ingewijden bedoeld. Hij had een kleine kring van volgelingen om zich heen. Maar aanhoudend was Hij ook temidden van de schare. Hij had menigten onder Zijn gehoor.



Voordat Hij de Bergrede uitspreekt, lezen we: ‘En Jezus, de schare ziende, is geklommen op een berg’ (Matth. 5:1). En zo - met de menigte aan Zijn voeten - leerde Hij. En Hij leerde met macht (Matth. 7:29). Dat kwam ook hierin tot uitdrukking, dat Hij grote ‘tekenen’ (Gr. ‘sèmeia’) deed, waarin het dynamiet van.Gods Koninkrijk lag. Dagelijks was Hij als de Leraar van Israël bij hen, staande in de tempel (Matth. 26:55; Mark. 12:35; Luk. 21:37), zittend in de synagogen (Matth. 9:35; 13:54 par; Mark. 1:21; Joh. 18:20), wandelend op de straten (Matth. 5:12; Mark. 6:34; Luk. 5:3; 13:26). Jezus heeft het gewone volk, ja bij voor­keur de ‘schare die de wet niet kende’ met woorden en daden van Zijn Vader onderwezen. Hij citeerde vaak Schriftwoorden die Hij zeker uit het hoofd had geleerd. En zo heeft Hij Zijn hoorders de weg des heils gewe­zen. Hij was een echte straatprediker. Hij verkondigde het Ko­ninkrijk van God waarvan Hij zelf de inhoud was.
In de Johanneische geschriften ligt een bijzonder accent op de eenheid van Jezus Christus met de Vader. Vandaar, dat in Joh. 8:28 e.a.p. met nadruk gezegd wordt, dat Jezus niet uit zichzelf spreekt (14:10), maar dat Hij spreekt, wat Hij van de Vader gehoord heeft (8:26). Hij is de Zoon die zegt wat de Vader hem leert. Er is volstrekte eenheid tussen de Vader en de Zoon; zowel in Jezus' werken als in Zijn woorden treedt dit aan de dag. Daarom verdient Jezus geloof en gehoorzaamheid. Zijn woorden hebben goddelijk gezag.
De evangeliën spreken herhaaldelijk over Jezus' optreden als rabbi.2 Dit woord komt van rab = groot, hogergeplaatst, geschoold. Als zodanig werden de vorst en de leraar beschouwd. Dit wordt aardig geïllustreerd door het gezegde van een rabbi uit de derde eeuw n. C.: „Ik was eerst een zwerver en een aanvoerder van een bende rovers; toen heette ik een rabbi. Thans, in het leerhuis, heet ik weer rabbi." Met deze titel is Jezus aangesproken (Joh. 1: 38) en zijn discipelen gaven Hem de eer, die een rabbi toekwam, door Hem volkomen toegedaan te zijn en Hem alleen voorop te laten lopen. Vrouwen dienden Hem met haar goederen en zijn moeder Maria wordt zalig geprezen, zoals met de moeders van grote rabbijnen placht te gebeuren (Luk. 11:27).

  • In zeker opzicht vertoont Jezus als Leraar van Israël dus het beeld van de Joodse rabbi, aan wie in het leerproces dat zich in de eeuwen vóór Christus vooral via de synagogen ontwikkeld had, een be­langrijke rol was toebedeeld. De Farizeën waren het in de laatste eeuwen voor Christus, die overtuigd de traditie van de ene generatie op de andere overleverden. In die synagogen hadden de rabbi’s ook de taak om de Thora uit te leggen en beslissingen te nemen in rechtszaken. De Joodse overleve­ring verhaalt, dat er in de tijd van de verwoesting van de tempel (70 na Chr.) alleen al in Jeruzalem niet minder dan 480 synagogen moeten zijn geweest. Elke synagoge had een schoolhuis en een leerhuis. Een schoolhuis voor Bijbelonderricht aan de kinderen en een leerhuis voor Misjna-onderricht aan de ouderen. Jezus beoordeelde dit niet altijd positief. Zie o.a. Matth. 15:9; 16:12;. Mark. 7:7. De verzameling van de rabbijnse leer is later gebundeld in de (Jeruzalemse en Babylonische) Talmoed.

In Zijn wijze van leren sloot Jezus zich aan bij een bestaande gewoonte. Hij leerde naar de Joodse vorm. Voorbeeld in Luk. 4:16 v.v.: zittend legt Hij in de synagoge de Schrift uit.



  • Wat betreft de methode van onderwijs, werd het bij de rabbijnen als heel wezenlijk gezien, dat hun leerlingen (Hebr. ‘talmidim’) vragen stelden. Daardoor bleven die bij het onderwijs betrokken. Maar het was ook een goed middel om onduidelijkheden en verkeerde opvattingen bij de leerlingen op het spoor te komen. Medescholieren rea­geerden vaak met tegenwerpingen die dan op hun beurt weer discussies opriepen die de geest opscherpten. ‘IJzer scherpt men met ijzer’ (Spr. 27 : 17). Zo scherpen de leerlingen van een geleerde elkaar op door de Halakha en hun bespreking. Of: Waarom worden de woorden van de Thora met hout vergeleken (Spr. 3:18)? Wel, zoals een klein stuk hout een groot stuk hout in brand steekt, zo scherpen ook de kleine leerlingen van de geleerden (door hun vragen en disputeren) de groten. Om hun leerlingen goede antwoorden te kunnen geven, wordt overigens van de leraars vereist, dat ze de stof goed beheersen (H. L. Strack - P. Billerbeck; II.150). Evenals oudtijds de profeten die een school van leerlingen hadden, had ook Jezus zo’n kring van volgelingen.

Was Jezus een ‘gewone’ Joodse rabbi?

Het verschil tussen rabbi Jezus en de andere rabbijnen is intussen opvallend…. Hij wist zich niet een leraar in Israël, maar de leraar. Hij sprak als volmachthebbende (Matth. 7:29; Mark. 1:21v). Daardoor presenteerde Hij zich als Messias die de profeten te boven gaat. Hij zegt: ‘Ik zeg u (Matth. 5). Hij treedt op zoals alleen God kan optreden en dát is het, wat de Joodse leiders niet konden verdragen. Niettegenstaande was Zijn optreden in de lijn van de verw achtingen van verschillende Joodse groeperingen.3

De synoptische Evangeliën schetsen ons, zoals gezegd, een beeld van Jezus als ‘Leraar van Israël’ dat erg veel lijkt op dat van de zojuist besproken Joodse rabbi die de wet leert, die leer- en levensbeslissingen neemt en daarover gedurig in gesprek is met Zijn volgelingen.Van de 41 keren dat Jezus in de Evangeliën ‘didaskalos’ (leraar, rabbi) wordt genoemd, gebeurt dat 29 maal als aanspraaktitel. Waaruit de conclusie mag worden getrokken, dat Hij bij het volk inderdaad overkwam als een rabbi.4

Mede daarom wordt nogal eens de volgende redenering gevolgd: Jezus heeft niet meer willen zijn dan een gewone Joodse rabbi die de wet leerde; hij deed dat radicaal en vaak ingaande tegen de gebruikelijke uitleg (‘Er is door de ouden gezegd, maar Ik zeg u…’). Het beeld van de historische Jezus echter, dat schuilgaat achter de Evangeliën, is zeker niet dat wat een latere gemeentetheologie ervan heeft gemaakt en dat in de thans voor ons liggende tekst van de Evangeliën is heen geweven, namelijk het beeld van een plaatsvervangend lijdende, opgestane en ten hemel gevaren Messias. Aldus de redenering.

Wij kunnen deze bewering niet voor onze rekening nemen. In de eerste plaats, omdat zij uitgaat van een met vele vooronderstellingen voorziene historisch-kritische benadering van het Schriftgetuigenis. In de tweede plaats, omdat de tekst van de Evangeliën zoals deze ons is overgeleverd en waarvan de historiciteit van het daarin verhaalde door ons niet betwijfeld dient te worden, volop duidelijk maakt, dat er ingrijpende verschillen waren tussen Jezus en de Joodse rabbijnen van Zijn da­gen.

In het bijzonder in het Evangelie naar Mattheüs (zie o.a. Mat­th. 23:8) is de titel ‘didaskalos’ die Jezus hier krijgt, nogal eens een christologische 'hoogheidstitel' waarmee Mattheüs aanduidt, dat Jezus een Leraar is, Die (ook na Zijn dood) blij­vende autoriteit bezit. Hij is niet maar een leraar, maar de Leraar en Profeet die in Gods Naam spreekt. Een Joodse rabbi als Nicodémus heeft daar kennelijk reeds meteen een indruk van gehad (Joh. 3: 2). Jezus’ leer verschilde van die van de Schriftgeleer­den, omdat ze er één was met macht (Gr. ‘exousia’). Vgl. Mark. 1:22. Ze kwam over bij Zijn hoorders als nieuw (Matth. 7:28; Matth. 22:33; Mark. 1:22, Mark. 1:27; Luk. 4:32).


Op een heel unieke wijze was Zijn Woord verbonden met Zijn daden, de tekenen (Gr. ‘sèmeia’) die Hij deed. En in Zijn woorden en daden liet Hij zien, dat het oud-profetisch Woord met betrekking tot de komst van de Messias in Hem was vervuld. Bovendien was Jezus' Woord verbonden met die beslissende daad waarover Mark. 10:45 spreekt. Zou Hij niet Zijn leven geven tot een losprijs voor velen? Daarom kan ook Zijn wetsonderricht (o.a. in de Bergrede) niet wor­den losgemaakt van Zijn prediking van het Evangelie van het Koninkrijk, waarin Hij zichzelf als de lijdende en stervende Messias heeft verkondigd. Met andere woorden: het leren van deze Leraar van Israël stond in het kader van Zijn prediking van het Koninkrijk Gods, waarvan Hij zelf de inhoud was. Jezus’ leer was een ‘verkondigen’ van het in Hem gekomen Godsrijk.

De grondbetekenis van de Griekse woorden voor ‘verkondigen' in het Nieuwe Testament (‘an-, di-, ap-, ex- en kat-angellein') is: mensen door de (evangelisatorisch gerichte) boodschap van het in Jezus Christus verschenen heil van God voor vol­dongen heilsfeiten stellen met de dringende oproep tot geloof en bekering. De grondbetekenis van het Griekse woord dat vaak vertaald wordt met ‘prediken’ (Gr. ‘kèrussein’) is: als een heraut die voor de komst van een ko­ning uitgaat en die op gezag van die koning alarmerend het ge­richt en jubelend het heil aankondigt.

Verder moet worden gezegd, dat de leer die Jezus bracht in alle opzichten te maken had met het gewone leven en met de praktijk van een handel en wandel in de geboden van de Heere. In dat opzicht deed Jezus niet onder voor de Joodse rabbi’s van Zijn dagen. Integendeel, Hij ging daarin veel verder. Hij ging tot de wortel. Hij radicaliseerde het gebod van God tot op de bodem van de liefde. En zo was Zijn leer dan verkondiging en wegwijzing in één adem. Het horen van Jezus' woorden moest leiden tot een gehoorzamen aan Hem, tot een erkennen van Hem, tot het. volgen van Hem en tot het belijden van Hem (Joh. 8:2 o.a). Jezus’ onderwijs richtte zich op de totaliteit van het leven.

In 13 gevallen waar in de Evangeliën zonder meer voor het leren van Jezus het Griekse werkwoord ‘didaskein’ wordt gebruikt, is daarmee het geheel van de verkondiging van Jezus aangeduid (Matth. 4:23; 9: 35; 11:1; Mark. 2:13; 6:6; 10:1; 12:35; 14:49; Luk. 4:15; 13:2, 26; 19 :47). Maar in an­dere plaatsen (Matth. 5:2; 21:23; Mark. 1:21v; 4:1v; 8: 31; 11:17; Luk.5:3, 17; 6:6; 13:10 o.a.). wordt hetzelfde Griekse woord gebruikt voor het leren van Jezus in de zin van het geven van: concreet onderwijs voor concrete situaties. Dat wijst erop, dat Jezus’ leer niet een theorie was, in abstracte formuleringen of in speculaties onder woorden gebracht, maar proclamatie. Geen wetscasuïstiek, maar prediking van een ‘gerechtigheid die overvloediger was dan die van de Joodse wetgeleerden’ (Matth. 5:20). ‘Alle dingen dan die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten (Matth. 7:12). In één woord: in de navolging van Jezus is geen plaats voor wetteloosheid. In het onderwijs van Jezus is er de ‘twee-eenheid’ van Woord en daad, van horen en doen. ‘Die Zijn Woorden hoort en ze doet’, is de wij­ze bouwer die zijn huis op de steenrots grondvest (Matth. 7:24vv).

Dat het onderwijs van Jezus een zeer praktische en concrete spits had, komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in Matth. 17:24vv waar Je­zus zichzelf en de Zijnen stelt onder de verplichting om de tempelbelasting te betalen. In niet mindere mate dan dat het geval was bij de rabbijnen van Zijn dagen, ging het er Jezus om de wet van God te vertalen in concrete aanwijzingen voor het leven van de enkeling en van alledag.

Aan alles wat we tot toe schreven over het onderwijs van Jezus, moet tenslotte nog iets worden toegevoegd. Het mag ons namelijk wel opvallen, dat bij dat onderricht ook telkens de kinderen betrokken worden. Zij zijn het die steeds de aan­dacht van deze Meester krijgen. Zij mogen niet verhinderd worden tot Hem te komen. Hij legt hun de handen op en zegent hen (Matth. 19:13v; Mark. 10:13vv; Luk. 18:15vv).

Joachim Jeremias heeft verondersteld, dat deze zegening van kinderen door Je­zus heeft plaatsgevonden op een avond waarop ook alle andere rabbi’s van Israël de kinderen zegenden en voor hen baden, namelijk de avond van de Grote Verzoendag. Hoe dit ook zij, kinderen zijn het ook die straks bij Jezus’ intocht in Jeruzalem roe­pen: ’Hosannah, de Zoon van David’ (Matth. 21: 15vv). En dan vraagt Jezus aan de Joodse leidslieden die Hem hierom bestraffen: ‘Hebt gij nooit gelezen: Uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid?’ Natuurlijk hadden zij dat gelezen. En als zij dat woord uit Psalm 8 lazen, dachten zij dan niet steeds aan de uittocht uit Egypte, toen na de doortocht door de Rode Zee zelfs zuigelingen aan de borsten van hun moeders God loofden om Zijn verlossende daden? En zouden die kinderen dan nu zwijgen, nu Jezus op het punt stond een nog grotere verlossing (Exodus) te bewerkstelligen? 5

In de leerschool van de apostelen

Tegen de achtergrond van dit alles nu is het niet vreemd, dat Jezus bij Zijn heengaan uit deze wereld aan Zijn volgelingen de opdracht geeft om Hem te blijven gedenken, Zijn woorden te bewaren en die over te dragen aan anderen. ‘In Zijn Naam moet gepredikt worden: bekering en vergeving van zonden’ (Luk.24:47). ‘Gaat dan heen, onderwijst al de volken..., lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb’ (Matth. 28:19). De grote heilsdaden van de Vader in Zijn Zoon Jezus Christus moeten worden verkondigd; ze moeten worden gevierd in een steeds weerkerende gedachtenismaaltijd; ze moeten ook worden doorverteld. Zou de Heilige Geest door Zijn indachtig makende genade Christus' apostelen Zijn Woorden niet te binnen brengen (Joh. 14:26)? Kenden de gelovigen door de Geest van Pinksteren niet alle dingen, gezalfd als zij waren door de zalving van de Geest (1 Joh. 2:27; 1 Joh. 3:24)? 6

En zo staan dan de ‘twaalve’ gereed om met het Evangelie de wereld in te gaan. Israël zal licht der volken (Hebr. ‘gojim’) worden. Ze beginnen bij Jeruzalem. Daarna gaat het naar Samaria, ja tot aan de einden der aarde. Aangedaan met kracht uit de hoge, gaan de getuigen van Christus’ opstanding aan het werk. Zij verkondigen de Heere Jezus, Zijn woorden, Zijn daden, Zijn opstanding uit de doden vooral. In Zijn Naam. Wat zij doen, is ‘verkondigen’ (Gr.’katangellein’ - Hand. 4:2).

Het is 'evangeliseren' (Gr.‘euangelizomai’ - Hand. 15:35). En het is tegelijk een leren van het volk. De termen ‘leren’ en ‘verkondigen’ worden in het boek Handelingen in één zin genoemd (5:42; 4:2; 15:35; 20:20; 28:31).

Verkondigen is: een appèl doen op het hart van de mensen om tot geloof te komen. En leren is: een appèl doen op heel het leven van de mensen om tot gehoorzaamheid te komen. En de apostelen doen dat dan allemaal door het getuigenis van wet en profeten te laten klinken in het licht van kruis en opstanding. Ze doen het in de tempel. Ze doen het in de huizen. En zo zijn dan door dat apostolisch getuigenis de eerste christengemeenten ontstaan, waarvan wij lezen, dat zij volhardden in de leer (Gr. ‘didachè’) der apostelen (Hand. 2:42; 4:2; 5:42; 15:35; 20:20; 28:31). Die eerste christengemeenten werden gedragen door een hartelijke gemeenschap met de verhoogde Christus en met elkaar (vgl. Hand. 4:32v).

Het beeld dat ons door het boek Handelingen geschetst wordt van het onderricht, door de leerjongeren van Christus gegeven, is niet anders dan het beeld dat we uit de Evangeliën krijgen met betrekking tot het onderwijs van Christus zelf. Het verkondi­gen van de grote heilsdaden van God ging hand in hand met het uitleggen van de wil van God en het geven van aanwijzingzen voor het dagelijkse leven in de concrete situatie waarin de eerste christenen leefden. Daarbij zijn de woorden van Christus die in de harten van de discipelen waren achtergebleven de basis en grondslag geweest. Met andere woorden: het onder­richt van de apostelen droeg ook meteen het karakter van een overlevering en conserveren van de traditie (vgl. Luk. 1:1vv). En zo zijn dan verkondigen en vieren, de christelijke levenswandel en het bewaren van het overgeleverde geloofsgoed (de traditie) vier kanten van dezelfde zaak.

Het Griekse woord ‘didachè’ (leer) dat het zelfstandig naamwoord is van ‘didaskein’ (leren) komt 30 keer voor in het Nieuwe Testament. Daarvan 13 maal in de synoptische Evangeliën en Handelingen. De leer van de apostelen (Hand. 2:42; 5:28) heet ook wel: leer des Heeren (Hand. 13:12). Ze is, kort gezegd, de samenvatting van de oer-christelijke prediking omtrent de gekruisigde en opgestane Jezus. Met een prak­tische toespitsing op het dagelijkse leven. De traditie wordt in spiritualiteit en vindingrijkheid bewaard. Niet Farizees en ook niet op een Griekse wijze als in een fi­losofenschool; buiten de werkelijkheid van het dagelijkse leven. Geen formalistische dode orthodoxie. Geen grenzenloze nieuwlichterij. Vgl. 1 Kor. 4:17; Ef. 4:21; Kol. 2:7; 2 Thess. 2:15).

De International Standaard Bible Encyclopedie vermeldt, dat met het woord didachè is aangegeven:



a.De acte van onderwijzen (Mark. 4:2; Hand. 2:42);

b.Wat is onderwezen (Joh. 7:16, Joh. 7:17; Openb. 2:14; 2:15; 2:24).

In de Brief aan Diognetus, een oud-christelijk geschrift uit het eind van de 2e eeuw n.Chr. lezen we: ‘Christenen trouwen als ieder ander. Ze krijgen kinderen, maar ze leggen hun nageslacht niet te vondeling. Ze delen hun tafel, maar niet hun bed. Ze leven in het vlees, maar niet naar het vlees. Ze vertoeven op aarde, maar ze zijn thuis in de hemel’.

De overdracht van de apostolische leer

Als gevolmachtigde ambassadeurs van Christus zijn de apos­telen van Jezus Christus er voorts op uitgetrokken om overal in de heidenwereld getuigen van Zijn opstanding te zijn (Hand. 1:8). En het is door dat apostolisch getuigenis, dat er onder de volkeren gemeenten zijn ontstaan (1 Kor. 15:1vv) die ‘gebouwd werden op het fundament van apostelen en profeten, met Jezus Christus als uiterste Hoeksteen’ (Ef. 2:20). De apostelen hebben dus als eersten de gemeenten ook grondig onderwezen en geleerd.Vandaar dat zij zich zelf in hun brie­ven soms ook wel aanduiden als leraar (Jak. 3:1; 1 Tim. 2 : 7; 2 Tim. 1:11).

De christelijke gemeenten moesten echter ook, na het soms zeer kortstondige verblijf van de apostelen in hun midden, nader worden gevormd en toegerust. En dat was de opdracht van profeten, evangelisten, herders en leraars (Ef. 4:11vv). Zij wa­ren de ‘charismata’, de genadegaven uit de hand van de ver­hoogde Christus, uit het hart van de gemeente opgeroepen door de Geest van Pinksteren.

Door deze ‘charismata’ werd aan het gemeentelijk leven van de eerste christenen leiding gegeven. Niet in het minst ook, doordat de apostolische leer hierdoor kon worden overgedragen en bewaard. In het bijzonder zullen het de leraars zijn geweest, die de Schriften van het Oude Testament uitlegden. Zij plaatsten Wet en profeten in het licht van de grote Profeet en Leraar Jezus Christus. Zij verklaarden de betekenis van dit alles voor het geloofsleven van de gemeente (vgl. Hand. 13:1; l Kor. 12:28v; Ef. 4:11; Jak.3 : 1).

In dit verband mag ook gewezen worden op wat we zouden wil­len noemen de eerste sporen van een catechetisch onder­richt in de eerste christen- gemeenten. Zo nu en dan komen we in. in het Nieuwe Testament ook het Griekse werkwoord ‘katèchein’ (‘catechiseren’) tegen. En dat zou erop kunnen wijzen, dat er al vroeg onderwijs in geloofszaken is gegeven aan de leden van de gemeente, in het bijzonder door de leraren van de gemeente.7

Het Griekse werkwoord ‘katèchein’ (zie boven) betekent in de Griekse wereld van oorsprong: iets van boven naar beneden la­ten klinken (bijv. een dichter of toneelspeler vanaf een podium). Het werkwoord komt in totaal 4 keer voor in het Nieuwe Testament (bij Paulus en bij Lukas). Vgl. Luk. 1:4; Hand. 18:25; 1 Kor. 14:19 en Gal. 6:6). Uit de laatstgenoemde tekst waar­in de Galaten worden opgeroepen voor hun catechiseermeesters te zorgen, kan de voorzichtige conclusie worden getrokken, dat het catechiseren in de eerste christengemeente aan bepaalde (wellicht daartoe vrijgestelde personen geheel of gedeeltelijk was toervertrouwd.

Het woord leraar (Gr. ’didaskalos’) in Ef. 4:11 wordt meestal in één adem gelezen met het woord herder (in de grondtekst is er één gezamenlijk lidwoord voor ‘herders en leraars’). Toch mag verondersteld worden, dat er in de eerste christengemeenten ook leidinggevenden waren die een speciale taak hadden in het onderwijs. J. Calvijn - in zijn commentaar op Efeze – ziet in de leraar die in hoofdstuk 4:11 samen met de herder genoemd wordt, ook een aparte gave. Hoewel het leren in het algemeen ook een taak was van de herders, is het niet onmogelijk, dat in de praktijk van het gemeentelijk leven sommigen er hun bijzonder werk van maakten om te leren. Calvijn kent overigens naast de onder ons bekende ‘ambten’ ook het ambt van ‘doctor ecclesiae’ (leraren die betrokken zijn bij de theologische vorming van de dienaren des Woords).

Men vergelijke ook Rom. 12:7 waar het leren als een afzonderlijke gave naast alle andere genoemd wordt. In Hand. 13:1 worden de leraars der gemeente in één adem met de profeten genoemd. Evenzo in 1 Kor.12: 28 waar de opsomming van de reeks ‘charismata’ begint met: apostelen, profeten en leraars. Deze laatste teksten maken duidelijk, dat de gaven van de profetie en van het leren, hoe nauw ook aan elkaar verbonden, toch te onderscheiden zijn. Bij het leren zal in sterke mate de na­druk gevallen zijn op wat Christus eenmaal had gebo­den: ‘Lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb’ (Matth. 28:19). ‘Wellicht mogen de genoemde leraars der gemeente ook geïdentificeerd worden met de ouderlingen van Hand. 14:23 en 20:17 die in 20:28 herders en opzieners (bisschoppen) heten’ (F.J.Pop).



Het leerproces in de opbouw van de gemeente

Aan alles wat gezegd is, moet nog iets worden toegevoegd. Namelijk dat het regeren en leren van de leidinggevenden in de eerste christengemeenten ook sterk gericht zal zijn geweest op de onderlinge stichting en opbouw. Efeze 4 spreekt daar heel uit­drukkelijk over. Het leidinggeven aan de gemeente is hier immers toegespitst op het ‘dienstbetoon’, de toerusting van de heiligen. Leidinggevenden in de gemeenten zijn er kennelijk niet om alle andere ‘charismata’ dood te drukken of monddood te maken. Het is veeleer omgekeerd. Ze zijn er om de gemeente mondig te maken.Vele andere gaven van de Geest, sluimerend in de gemeente (vgl. Rom. 12:3vv; 1 Kor. 12 en 14) moeten erdoor geactiveerd worden. En zo moet de gemeente verder ingroeien in de gemeenschap met Christus, weerbaar worden tegenover dwaalleer en wervend zijn naar de buitenwacht toe. Zo zal zij niet meer een kind zijn, dat zich gemakkelijk op sleeptouw laat nemen door verleiders, maar een man in Christus. En zo kunnen en mogen Christus’ gelovigen ook zijn: ‘een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een ver­kregen volk; opdat zij zouden verkondigen de deugden van Hem die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht’ (1 Petr. 2:9); ’mensen Gods, tot alle goed werk volmaakt toegerust’ (Kol. 1:28; 2 Tim .3:17).

De grondnotie van het woord voor ‘waarheid’ in de Bijbel (Hebr. ‘èmèt’; Grieks ‘alètheia’) is: het onwankelbare, volstrekt betrouwbare: God zelf, Jezus Christus, het Woord (belofte en bevel). De waarheid is een Persoon en tegelijk een leer (in de zin van wat over de lippen van die Per­soon is gekomen). Het ‘kennen’ (Hebr. ‘jada’; Gr. ‘gnosis’) van de waarheid is vrucht van ‘ontmoeting’ met de God van de waarheid. Het is: het hebben van een relatie met Hem en tegelijk het betrouwen op het Woord van Zijn waarheid. En tenslotte is waarheid ook iets waarin men (in navolging) wandelen moet.

Dat alles heeft te maken met wat God onder Israël en in Jezus Christus van zichzelf kenbaar heeft gemaakt in de geschiedenis. Om de waarheid op het spoor te komen, dient men ter catechisatie te gaan, niet naar een Griek­se filosofenschool, waar men achter de schijn van de aardse werkelijkheid (door de rede en via extase) boventijdelijke en bovenaardse ideeën aan de weet zoekt te komen.

Dat alles wijst erop, dat er in de eerste christengemeenten een sterke participatie van de gehele gemeente in het leerproces is geweest. Niet genoeg kan benadrukt worden, dat het onderwijs, evenals trouwens ook het pastoraat, het diaconaat en de evangelisatie onder de eerste christenen als een geza­menlijke roeping werd gezien en dat men op deze terreinen vooral ook onderling actief was.

Bij dit onderling dienstbetoon waren ook vrouwen betrokken, voluit bedeeld als ook zij waren met gaven van de Geest. Tegelijk echter moet worden gezegd, dat deze participatie van de gehele gemeente in het opbouwwerk geschiedde onder lei­ding van hen die als leiders der gemeente zich een bijzonde­re taak toebedeeld wisten in het regeren en leren. En voor deze bijzondere taak werd niet aan ieder, ook niet aan de vrouw een opdracht toegekend.

Het Griekse woord ‘didaskein’ - leren is in het Nieuwe Testament ener­zijds een gevolmachtigd apostolisch leren (2 Thess. 2:15; Kol. 2:7; Ef.4 : 21), anderzijds een bezigheid van christe­nen onderling in de gemeente (l Kor. 14:19; Gal. 6:6; Kol. 3:16 o.a.). Johannes schrijft: ‘Doch gij hebt de zalving van de Heilige en gij weet alle dingen’ (1 Joh.2 : 20). En: ‘Gïj hebt niet van node, dat iemand u lere…’ (1 Joh.2:27).

De International Standaard Bible Encyclopedie zegt, dat met het woord didaskalia is aangegeven:

(a) de acte van het onderwijzen (1Tim. 4:13, 1Tim. 4:16; 1Tim. 5:17; 2Tim. 3:10, 2Tim. 3:16);

(b) wat is onderwezen (Matth.15:9; 2Tim. 4:3).


Een tweede punt van belang is, dat in dit leerproces vooral ook het christelijk gezin een duidelijke functie had. Het is vooral in het gezin, dat moeders een voorname taak vervulden (1 Tim. 2:15). Oude vrouwen moesten leraressen van het goede zijn en in het bijzonder de jonge moeders leren haar kinderen voor te gaan in de vreze des Heeren (Tit. 2:3v). Weduwen moesten leren aan hun eigen huis godzaligheid te oefenen (1 Tim. 5:4). Maar ook de vaders speelden in de overdracht van de dingen van het geloof een grote rol. Zo was het onder oud-Israël (vgl. Deut. 11:19; Ex. 14:14). Zo ook in de christelijke gemeente. Zij worden opgewekt om hun kinderen op te voeden in de ‘lering en vermaning des Heeren’ (Ef. 6:4). En de kinderen worden opgewekt om hun ouders gehoorzaam te zijn in de Heere.

In één woord: het is niet mogelijk de waarde van dit christe­lijk onderricht onder de eerste christenen in de huiselijke kring te overschatten. Ook de slaven die immers behoorden bij het gezin, hebben daarvan de zegenrijke vruchten geplukt (vgl. de brief van Paulus aan Filemon).

De doelstelling van de opvoeding (Gr. ‘paideia’) in het Nieuwe Testament is anders dan in de Griekse wereld. Bij de Grieken ging het immers om de ontwikkeling en vorming van de mense­lijke persoonlijkheid. Daartoe moest men de natuurlij­ke aanleg via de ‘paideia' (opvoeding der mensen) evolueren. Bijvoorbeeld door gymnastiek en muziek. De staat kon en moest dat volgens Aristoteles bevorderen. Socrates ging in feite ook uit van dat opvoedingsideaal. Hij meende, dat de waarheid sluimerde op de bodem van ieder mensenhart en dat deze er door vragen te stellen uit tevoor­schijn zou komen. De Stoa wilde de mensen opgevoed heb­ben tot nuchterheid, mannelijkheid, rechtvaardigheid en heldhaftigheid tegenover het lot.

Tenslotte moet ook nog iets worden gezegd over de aard van het onderricht. Het moet opvoedend zijn. Maar opvoeden is ook ‘tuchtigen’ (Ps. 38:2; Spr. 13 :24). Het geschiedt ook in de stijl van ‘de vermaning des Heeren’ (Ef.6:4). Ongehoorzaamheid roept om toorn en straf. Dat houdt niet in, dat er in de christelijke ‘paideia’ (opvoeding) sprake is van machtsusurpatie, van een onbe-Heer-st erop losslaan. Het gaat hier ernaar toe als bij de Heere en Meester Zelf. Van Hem geldt immers, dat ‘Hij kastijdt die Hij liefheeft’ (Hebr. 12:4vv; Openb. 3:19). Tuchtigen is tenslotte: ‘tij­gen’, dat is: trekken. Hier is dus geen sprake van een wettisch beginsel. De christen - pedagoog is niet de Griekse ‘paidagogos’, de man met de karwats (vgl. Gal. 3:24vv).



Bewaren en 'traderen'

Ter afronding van onze uiteenzettingen over wat ‘geloofsoverdracht’ heet in de Bijbel, willen we tenslotte nog op één heel belangrijk punt wijzen. Het valt namelijk op, dat de a­postel Paulus in zijn brieven sterk de nadruk legt op het bewaren en bewaken van de leer en het betrachten van een vrome levenswandel. De apostel wordt niet moe om grenzen te trekken en allerlei dwaalleer (in leer en leven) af te wijzen. Dwaalleer die Judaïstisch, dualistisch, soms libertinistisch van aard is. Met het oog daarop komen er (vaak in het slot van Paulus brieven) zgn. ‘huistafels’ voor waarin de lezers opgewekt worden om christelijke ‘deugden’ in acht te nemen. Zie o.a. Kol. 3:18-4:1.8


In Hebr. 6:2; 13:19 en in Tim. en Tit. is de leer de heilswaarheid die een verplichtend karakter heeft voor alle rechte christenen. De gezonde leer (1 Tim. 1:10; 2 Tim. 4:3; Tit. 1:9; 2:1) staat daar tegenover een andere leer (1 Tim. 1:3; 6:3). Het is duidelijk, dat hier het dogma als inhoud van de leer reeds binnen het gezichtsveld komt, te bewaren en te verdedigen (tegen dwaalleer) als een pand en depositum.

Paulus benadrukt dit heel sterk niet alleen in de zogenaamde Pastorale Brieven waarin zijn medewerkers op het hart gebonden wordt om ‘de gezonde woorden van de Heere Jezus’ niet in te ruilen voor iets anders, maar die als een ‘pand’ te bewaren (1 Tim 6:20). In feite is er evenwel geen brief van Paulus waarin hij ooit anders doet. Eigenlijk is elke brief een leerbrief waarin tevens gewaarschuwd wordt tegen insluipers die het levende geloof van de gemeente bedreigen.

Dat bij de verdere ontwikkeling van het leven van de eerste christengemeenten in de geloofsoverdracht een sterker accent kwam te liggen op dit bewaren en bewaken van de leer of wel het hooghouden van de traditie moet niet als een ach­teruitgang worden gezien. Het ligt immers voor de hand, dat de jonge christengemeenten die in de verkondiging en viering van de heilsdaden van God in Christus het hart van hun gemeente - zijn beleefden en in het onderwijs dat zij kregen, concrete aanwijzingen ontvingen voor hun vaak uiterst moeilijke levensomstandigheden, ook steeds sterker gewapend moesten worden tegen dreigende gevaren van buitenaf en van binnenuit. Daarom moesten zij gedurig worden opgewekt om het hun overgeleverde geloofsgoed ongeschonden te bewaren. In de Pastorale en algemene brieven komt dan ook de nadruk vooral te liggen op heldere en gezonde leer (1Tim. 1:10; 1Tim. 6:3; 2Tim. 1:13; 2Tim. 4:3; Tit. 1:9; Tit. 2:1).

Trouwens reeds in één van zijn vroegste brieven (2 Thess. 2:15) wekt de apostel Paulus zijn gemeente al op: ‘Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onze zendbrief’. Het is dan ook niet zo wonderlijk, dat in de latere brieven van Paulus waartoe wij ook de zogenaamde Pastorale Brieven rekenen, niet alleen de actualisering van de woorden van Christus en van de apostelen, maar ook het getrouw bewaren van het overgeleverde geloofsgoed, de traditie sterk beklemtoond worden.De leer is als een pand (Gr. ‘parathèkè’) te bewaren (vgl. 1 Tim. 6:20; 2 Tim. 1:12, 14). De door Paulus in zijn brieven geciteerde geloofsuitspraken die blijkbaar in de gemeenten leefden, laten verder ook zien, dat het oudste christendom van meet af ook zekere ‘dogmata’ kende. Deze zijn overigens in sterke mate door de apostel zelf gevormd. Eén en andermaal wekt hij dus in zijn brieven op om de door hem verkondigde christelijke leerinhouden over te leveren (Gr. ‘paradidoomi’) (vgl. Rom. 6:17; 1 Kor. 11:2, 23; 15:3).

Onjuist is de bewering van K. Wegenast in ’Theologisches Begriffslexicon zum NT’ (s.v. ‘didaskein’), namelijk dat in de zogenaamde Deutero-Paulinische geschriften waartoe hij ook 2 Thessalonicensen rekent, ‘leren niet meer betekent: in een concrete situatie de boodschap horen, maar: het overgeleverde goed in ontvangst nemen en bewaren’. Hij schrijft, dat ‘geleidelijk aan zich het charismatische christendom ontwikkelde tot een haar overlevering veilig stellende kerk’.

Paulus heeft echter steeds zijn gemeenten geplaatst in de heilige traditie van de oudtestamentische vaderen, van Christus en van wat hij zelf van het begin af ge­leerd had. ‘Tradere’ (een latijns werkwoord waarvan ons woord traditie is afgeleid) kan vertaald worden met: ‘overleveren’, ook met ‘verraden’. Wanneer christenen in hartelijke verbondenheid met de Heere en Zijn Woord in de lijn van de traditie willen staan, zijn ze niet per definitie verraders, maar ‘wachters op Sions muren’.



Samenvatting

Een samenvatting van het bovenstaande brengt ons tenslotte tot de volgende hoofdlijnen:



1.De inhoud van de bijbelse geloofsoverdracht:

  • is overdracht van de Woorden van Israëls God, gesproken tot het volk van Zijn verbond en neergelegd in het boek van Zijn verbond, de getuigenissen van wet, profeten en geschriften, gericht op de toekomst van het Koninkrijk van God in de verschijning van de Messias Jezus Christus;

  • is in het verlengde daarvan: overdracht van de woorden van de grote Leraar van Israël Jezus Christus, in Wie de God van Israël Zich heel uniek heeft geopenbaard en van de Woorden van Zijn apostelen.

2.Het karakteristieke van deze woorden is, dat zij heenwijzen naar:

  • de grote heilsdaden van Israëls God in de menigvuldige uit­reddingen van Zijn volk, waarvan het centrale is de exodus uit Egypte. Ze zijn de woorden van het Koninkrijk van God dat geopenbaard is in Jezus Christus. Daarin staat centraal: het kruis en de opstanding (Zijn exodus).Geloofsoverdracht is: getuige zijn van Zijn opstanding;

  • naar het volle leven. Het zijn woorden ‘voor onderweg’. Er zijn beloften en bevelen die radicaal, concreet en kritisch ingaan op het mensenbestaan van alledag. Het gaat God om de heiliging van een volk en daardoor om de heiliging van Zijn Naam op de gehele aarde. Daarom moet het gehele mensenbestaan onder en naar die beloften en bevelen van de Heere worden gericht. Het Evangelie heft de wet niet op. De Thora (de 10 woorden van de Thora centraal) geeft de ‘toonhoogte’ van het leven aan;

  • naar de toekomst des Heeren. Heel de openbaring van God onder Israël was gericht op de Messiaanse heilstijd. En de vervulling daarvan in Christus Jezus roept op zijn beurt weer om de volle openbaring van het kindschap van God in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid wonen zal.

3.De wijze waarop de geloofsoverdracht geschiedt, is een zaak van: vierend gedenken, van verkondigend getuigen, van lerend vertellen, van wegwijzend onderrichten en van staan in de heilige traditie van de overdracht van het geloofsgoed. Het één is niet los van het ander;

  • vierend gedenken: in de viering van feesten die gerelateerd zijn aan de heilsfeiten komt Gods gemeente de levende God op het spoor. Gedenken is: zich hartelijk inleven, er existentieel bij betrokken worden;

  • verkondigend getuigen: in prediking en pastoraat, in catechese en diaconaat, in evangelisatie en zending getuigt Christus' gemeente van haar levende Heere;

  • lerend vertellen en wegwijzend onderrichten: dogmatisch, want het ‘loflied van het dogma’ is de ruggengraat van de gemeente. Ethisch, want in haar ‘way of life’ wandelt de gemeente in de waarheid, in de stijl van Christus. Woord en daad zijn twee kanten van dezelfde zaak;

  • staan in de heilige traditie: midden in de wereld en toch niet van de wereld, op doortocht naar het land van de rust, georiënteerd op verleden, heden en toekomst, blijft Gods ge­meente verbonden met al de heiligen.

4.De aard van de geloofsoverdracht is die van de Geest Die in al de waarheid leidt.

  • van de Geest Die komt ‘per verbum’ (door het Woord). Daarom wor­den in de gemeente alle door Gods Geest geschonken gaven aangekweekt en aangemoedigd om mee te arbeiden;

  • Van de Geest Die komt ‘cum verbo’ (samen met het Woord). Op geen enkele wijze wordt in het christelijk getuigenis verondersteld, dat de waarheid sluimert op de bodem van ieder mensenhart. De mens moet ervoor ‘ingewonnen worden’. En hoezeer dat ook geschiedt op de wijze der zachtmoedigheid, het gaat toch niet buiten tucht en kastijding om.

5.Het doel van geloofsoverdracht is: werving, verdieping en weerbaarmaking

  • werving, want de boodschap moet voortgedragen worden tot aan de einden der aarde. De Naam moet worden voortgeplant van kind tot kind. De christelijke leer is geen geheimleer;

  • verdieping,want het onmondige kind moet een man in Christus worden;

  • weerbaarmaking, want er is velerhande wind van leer waarte­gen de gemeente gewapend dient te zijn.

horen en doen


vieren en verkondigen


overleveren wegwijzen

In de afbeelding van drie concentrische cirkels is aangegeven, hoe de geloofsoverdracht plaatsvindt:



  • in de binnenste kern: door vieren en verkondigen

  • in een cirkel daaromheen: door overleveren en wegwijzen

  • in de buitenste cirkel: door horen en doen.


Enige literatuur

1. L. Coenen, Theologisches Begriffslexikon zum Neuen Testament. Wuppertal 1969.

2. G. Kittel, Theologisch Wörterbuch zum Neuen Testament. Stuttgart 1933

3. F. J. Pop, Bijbe1se woorden en hun geheim. 's Gravenhage 1964

4. Het woordenboek Easten Bible Dictionary in Bible Works.

5. Robertson’s Word Pictures in Bible Works, ad Matth.28:20 (teaching)

6. Dictionary of Jesus and the Gospels (ed. Joel B. Green, Scot McKnight, .Howard

Marshall; Leicester 1992; s.v. Teacher

7. Dictionary of Paul and his letters (ed. Gerald F. Hawthorne/ Ralph P. Martin); Leicester

1993; s.v. Teaching/ Paraenesis

8. H. Ridderbos, De komst van het Koninkrijk, Kampen 1950.

9. H. Ridderbos, Paulus. Kampen 1986



10. Th.C.Vriezen, Hoofdlijnen der theologie van het Oude Testament. Wageningen z.j.

1 ‘Het grensloos allegoriseren van Jezus’ gelijkenissen door vroegere generaties van uitleggers was zonder twijfel een misverstand’. Zo R. Riesner, a.w.blz.809.

2 Easten Bible Dictionary in Bible Works geeft van het woord rabbi de volgende omschrijving: ‘Rabbi = my master, a title of dignity given by the Jews to their doctors of the law and their distinguished teachers. It is sometimes applied to Christ (Matth. 23:7, 8; Mark. 9:5 ) (R.V.); Joh 1:38,49; 3:2; 6:25) etc.; also to John (Joh 3:26).



3 R. Riesner (zie lit.lijst) noemt dit: ‘ eschatological validity (Matth.7:26-29; 24:35; Mark. 8:38 par.).’

4 ‘Lukas reserveert het gebruik van ‘didaskalos’ als een aanspraaktitel voor Jezus door buitenstaanders. Vgl. Luk.7:40; 9:38; 10:25; 11:45; 12:13; 18:18; 19:39; 20:21, 28, 39; 21:7. Jezus was dus niet alleen voor Zijn discipelen, maar ook voor anderen zo’n leraar’. In het Markus-evangelie zijn het zowel discipelen van Jezus als buitenstaanders die Jezus aanspreken met ‘didaskalos’. In Johannes zijn het volgelingen die ‘didaskalos’ zeggen en discipelen die Hem rabbi noemen. Ook Ignatius en Justinus en Josephus gebruikten de titel ‘didaskalos’ voor Jezus. Aldus R. Riesner in Dictionary of Jesus and the Gospels a.w., s.v. teacher.

5 Overigens zal Jezus gewoonlijk vooral Aramees, in sommige gevallen ook wel Grieks gesproken hebben.

6 Teaching them (didaskonte autou). Christians have been slow to realize the full value of what we now call religious education. The work of teaching belongs to the home, to the church (sermon, Sunday school, young people's work, prayer-meeting, study classes, mission classes), to the school (not mixing of church and state, but moral instruction if not the reading of the Bible), good books which should be in every home, reading of the Bible itself. Some react too far and actually put education in the place of conversion or regeneration. That is to miss the mark. But teaching is part, a weighty part, of the work of Christians.’ Aldus Robertson’s Word Pictures in Bible Works, s.v. teaching them (Matth. 28:20).



7 De catechisatie, naar een ets van Prof. Dr. C. L. Dake uit het boek van C. F. van Koetsveld, Schetsen uit de Pastorie te Mastland

8 Zie hierover M. B. Thompson s.v. teaching/ paraenesis, blz.922v in Dictionary of Paul and his letters (ed. Gerald F. Hawthorne/ Ralph P. Martin); Leicester 1993.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina