Het bijbelse kernwoord Liefde Liefhebben – Geliefde



Dovnload 38.71 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte38.71 Kb.

Het bijbelse kernwoord Liefde - Liefhebben – Geliefde



A.. OUDE TESTAMENT
Het Hebreeuwse woord voor liefhebben (‘ahab’), liefde (‘ahabah’) wordt op allerlei wijzen gebruikt. Het valt op, dat in de Bijbel bijna nergens een loflied op de liefde op zich wordt aangeheven (uitzondering wellicht Pred. 3:8; 9:1,6). De bijbelse liefde is concrete liefde. Liefde van God tot/voor Zijn volk, tot Zijn recht, Zijn huis en tot de berg Sion. Ook liefde tussen mensen onderling in huwelijk en gezin en liefde jegens God en de naaste. Daar willen wij dan nu achtereenvolgens iets over zeggen:


1) de liefde van God voor zijn volk;

2) de liefde van God tot het recht

3) de liefde van bruid en bruidegom/man en

vrouw;

4) de liefde van ouders tegenover hun kinderen;



5) de liefde jegens God en Zijn gerechtigheid…

6) de liefde tot de naaste, enz.

1) De liefde van God voor Zijn volk Israël is buiten kijf en wordt heel vaak in de Bijbel betuigd. Het is niet goed mogelijk om alle citaten op te sommen. Tekenend voor deze liefde (verkiezend en reddend; vgl. Deut. 10: 14, 15) is wat Jeremia zegt: ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid’ (Jer. 31:3). God droeg vanouds Zijn volk als op arendsvleugelen. Zie verder o.a. Deut. 4:37; 2 Kron. 2:11; 9:8; Ps. 45; Jes. 43:4; 63:9; Hosea 11:1, 4; 14:5; Zef. 3:17; Mal. 1:2.
Deze verkiezende liefde van God is ondoorgrondelijk. God ‘nam redenen uit Zichzelf’ (Deut. 7:7v.; 4:32-34; 23:5). Het lijkt raadselachtig, maar is veeleer een compleet wonder, dat de profeet Hosea op Gods bevel gehuwd moet zijn en blijven met een overspelige vrouw (Hos. 3:1; 11:8, 9). Zie ook Jer. 2: 2-5, 31-32. Zo verregaand is Gods liefde jegens Zijn overspelig volk.
De liefde van de Heere voor Zijn volk is een collectieve liefde. Maar het is steeds voor een enkeling in Israël een zeer troostrijke gedachte persoonlijk daarin begrepen te zijn en daarin ook bemind door God. Vgl. 2 Sam. 12:24 (Salomo).
2) Alom wordt in het OT verklaard, dat God ook het recht/ de gerechtigheid en de rechtvaardigen liefheeft. Ik noem alleen Ps. 37:28; Spr. 15:9; 146:8.
3) Over de onderlinge liefde van bruid en bruidegom gaat het in vele uitspraken van het boek Hooglied (hoofdstukken 1-8). De bruid geeft hoog op van haar Liefste (Salomo, de Jedidja). Tevens wordt er in dit Bijbelboek zo innemend en onnavolgbaar over deze liefde gesproken, dat we daarin meteen ook herinnerd worden aan de liefde van de hemelse Bruidegom (God/ Jezus) tegenover Zijn aardse bruid (Israël/ de gemeente). Die liefde is sterk(er) als/ dan de dood. Zie Hoogl. 8:6.
Een uitvloeisel van die liefde is de liefdesverhouding van man en vrouw (de huisvrouw van uw jeugd). Vgl. o.a. Gen. 24:67; 29:32; 1 Sam. 1:5; Spr. 5:118v; Pred. 9:9; Jer. 2:2. Gedurende geruime tijd (t.t.v. de aartsvaders o.a.) was monogamie niet ongebruikelijk. Maar lang niet altijd bleven de verhoudingen gezond. Denken we slechts aan Sara en Hagar. Ook aan wat we lezen in Gen. 29:31 over de vrouwen van Jacob van wie Rachel de voorkeur van Jakob had (Gen. 29:18), maar Lea duidelijk op de tweede plaats stond en achtergesteld werd bij haar (zij heet ‘de gehate). Intussen waarschuwt Deut. 21:15-17 ertegen om de beminde voor te trekken en te bevoordelen.

Over polygamie gesproken: Salomo’s liefde voor vreemde vrouwen (1 Kon. 11:2) wordt hem door God geenszins in dank afgenomen.


Geheel in tegenstelling tot de zuivere liefde van een man tot zijn vrouw staat de liefde van een kind van God (Dina; Gen.34:3) tot een heidense man en van een man als Simson jegens een heidense vrouw (Delila; Richt.14:16; 16:15). Laat staan de liefde tot een hoer. Vgl. Spr.7:18; Ezech.16:33, 36vv; Hosea 9:1.
4) En dan de liefde van ouders tegenover hun kinderen en wederkerig. Vgl. Gen. 22:2; 25:28; 37:4; 44:20; 2 Sam. 12:24; Ruth.4:15.
5) De liefde van de Heere tot Zijn volk heeft ook steeds wederliefde opgewekt bij Israël. Hier gaat het dus over de liefde tot God en Zijn gerechtigheid. Dat wordt ook wel genoemd: de liefde uwer ondertrouw; uw eerste liefde die er al was vanaf de uittocht uit Egypte (Jer. 2:2). Zie ook Openb. 2:4.

Het is in één woord vreselijk, als Israël die liefde verlaat en de afgoden gaat dienen. Vgl. Deut. 13:1-4; Jer. 8:2. Dan dreigt de Heere Zijn volk voortaan niet meer lief te hebben (Hos. 9:15).


Over de wederliefde van Gods kinderen jegens God gaat het nu, zeer concreet over de liefde van Israël jegens de Heere en Zijn Naam. Tot 25 keer toe worden wij hieraan herinnerd en daartoe opgeroepen in het OT: Heb de Heere lief, dat is: wees Hem geheel toegedaan met uw ganse existentie (Ex. 20:5; Deut. 6:5; 10:12). Ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem, mijn smekingen (Ps. 116:1).
Dat houdt ook in, dat wij Zijn geboden doen (Deut. 10:13; 10 keer; zie ook Ps.119). Wij moeten gerechtigheid en weldadigheid beminnen. God heeft de heiligheid lief (Mal.2:11). Dit liefhebben, dat God van Israël vraagt, is niet maar een gezindheid als wel een activiteit. Het komt aan op de daad der liefde. In daden blijkt de gezindheid van het hart. Zo heeft een vriend dan ook te aller tijd lief (Spr. 17:17). Een liefde, die verborgen blijft, wordt in Israël niet op prijs gesteld (Spr. 27:5). Maar die liefde betracht, dekt daarmee alle overtredingen toe (Spr. 10:12; 17:9).

Verder horen we van:


- het liefhebben van de reinheid van het hart (Spr. 22:11)

- gerechtigheid/ weldadigheid liefhebben (Ps. 45:8); (Micha 6:8)

- de wijsheid/ wijze liefhebben (Spr. 4:6; 8:17; 9:8)

- de waarheid en vrede liefhebben (Zach. 8:19)

- de tucht liefhebben (Spr. 12:1; 13:24)

- zijn eigen ziel liefhebben (Spr. 19:8)

- een tijd om lief te hebben…(Pred. 3:8)

- Abraham, Mijn liefhebber (Jes. 41:8)


- het niet liefhebben van het gekijf (Spr. 17:19); van geld en overvloed (Pred. 5:9); van blijdschap, wijn en olie en gebrek (Gen. 27:4; Spr. 21:17); van geschenken (Jes. 1:23); van de slaap (Spr. 20:13; Jes. 56:10); van het kwade (Micha 3:2); van de valse eed (Zach. 8:17); van het geweld (Ps. 11:5 o.a.). Wie zich van dit alles niets aantrekt, heeft de dood lief (Spr. 8:36; 18:21). Maar wie lust heeft ten leven, die heeft ook dagen lief, om het goede te zien (Ps. 34:13)
6. De liefde tot de naaste wordt geboden in Lev. 19:18. U zult uw naaste liefhebben als uzelf. De naaste = de volksgenoot of broeder. De tegenstelling van dit liefhebben is „wrok jegens hem koesteren en zich op hem wreken" (Lev. 19:18). Het gaat om een positieve houding jegens de naaste; erop uit zijn om hem geen kwaad, maar goed te doen. De Israëliet mag zijn mede-Israëliet niet achterstellen bij zichzelf, maar moet hem gelijkstellen met zichzelf. Vgl. o.a. Ps. 109:4 ; zie ook 2 Sam. 19 :6.
De onovertroffen exegese van Lev. 19:18 staat in Matth. 7:12: wat u wilt, dat mensen met u doen, doet u zo ook. Dus niet: wat u niet wilt, dat u geschiedt… (negatief). Zie ook Luk. 10:25-37 (gelijkenis v.d. barmhartige Samaritaan). En ook al staat het niet woordelijk zo in het OT, de liefde tot de naaste kan zeker ook in de praktijk betekenen: liefde tot zijn vijand.
Over de liefde tot de vreemdeling (Lev. 19:33, 34; Deut. 10: 18,19) zie in mijn website ‘Het bijbelse kernwoord vreemdeling’
Opmerkelijk is het, dat en hoe de Bijbel spreekt over de liefde tussen vrienden als David en Jonathan (1 Sam. 18:3; 20:17; 2 Sam. 1:26). Zeer ten onrechte wordt deze liefdesverhouding in onze tijd soms uitgelegd als een homo verhouding.
Over de verkrachting van Thamar door haar halfbroer Amnon horen we, dat een zgn. liefde ook opeens kan omslaan in haat (2 Sam. 13 :15).

B.. GRIEKENLAND EN DE SEPTUAGINT 1
1. ‘Eroos’

In de Griekse taal speelt het woord liefde een grote rol. Het Griekse werkwoord voor liefhebben is: ‘erao’ = (zinnelijk) liefhebben en het zelfstandig naamwoord is ‘eroos’ = liefde. Plato gaf diepzinnige bespiegelingen over god ‘Eros’ in zijn Symposion (gastmaal) en stelt hem voor als de zoon van Penia (armoede) en Poros (overvloed). Bij de Romeinen wordt hij Amor en ook wel Cupido genoemd. Aldus Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal.


‘Plato's opvattingen over ‘Eroos’ (de liefde) vinden we in het Symposium….Volgens Plato is ‘Eroos’ onze reactie op schoonheid. Zodra wij schoonheid zien willen we het bezitten en er altijd bij in de buurt zijn. ‘Eroos’ kan zich richten op het niveau van de zintuiglijke waarnemingen, bijvoorbeeld mooie lichamen en mooie dingen….’Eroos’ kan zich echter ook richten op een hoger niveau; zo kunnen we ons ook richten op de schoonheid in het algemeen, de schoonheid van theorieën of de schoonheid van de geest. ‘Eroos’ richt zich dus op een steeds abstracter niveau en op een gegeven moment zal je in een flits van een seconde de Idee van schoonheid zelf schouwen. Deze liefde voor de intelligibele schoonheid is een grotere liefde dan de liefde voor de schoonheid van de sensibele dingen.’
De Septuagint gebruikt dit woord ‘eroos’ opvallend genoeg uitsluitend om daarmede de ontuchtige liefde der afgodendienaars weer te geven. Hoe zuiver hebben deze vertalers gevoeld, dat ‘eroos’ iets volkomen anders is dan wat in het O.T. liefde heet!
2. ‘Phileo’ – ‘philia’

In Griekenland en in de Septuaginta is ‘phileo’ het gewone woord voor het hartelijk liefhebben, veel houden van. Izak wil bijv. smakelijke spijzen opgediend zien ‘zoals ik ze gaarne heb’ = waar ik veel van houd (Gen. 27:4). Jakob heeft Jozef lief boven zijn broeders (Gen. 37:4). Vaak gebruikt de Septuagint het woord ‘philia’ voor de kus (bijv. Gen. 27:27).


Toch neemt dit woord in de Septuagint een kleine plaats in en slechts in weinig gevallen dient het als vertaling van het Hebreeuwse woord voor liefhebben. Voor het liefhebben van God wordt het nooit gebruikt. Voor de theologische betekenis van het woord liefhebben heeft het geen waarde.
3. ‘Agapao’ = liefhebben;’ agapè’ = liefde

In Griekenland wordt dit woord weinig gebruikt. De ‘philia’ (vriendschap) en de ‘eroos’ (sexuele drift, het opstuwend verlangen naar geluk en zelfbevrediging) beheersten het Griekse leven en denken vrijwel geheel.

De ‘agapè’ stond ergens in een vergeten hoekje, waar weinig mensen kwamen. Men kan het vertalen met: sympathie voor iemand hebben; hem liever hebben dan een ander. Een godheid kan bijv. een voorliefde voor iemand hebben. Dat heet dan ‘agapè’.
De vertalers van de Septuaginta hebben dit woord uit zijn vergeten hoekje gehaald. Want juist het element van verkiezing, dat zo'n beetje aan dit woord hing, konden zij gebruiken om het grote, verkiezende liefhebben van Israëls God duidelijk te doen uitkomen. Het wordt het woord voor de bijbelse liefde.
C.. NIEUWE TESTAMENT
1. De woorden

‘Erao’ en ‘eroos’ komen in het N.T. niet voor. ‘Phileo’ vinden we slechts 21 keer, waarvan het bij uitzondering een enkele maal de bijbelse liefde uitdrukt (nl. in Joh. 5:20; 16:27; 20:2; 1 Kor. 16:22; Tit. 3:4, 15). Het woord ‘philia’ vinden wij alleen in Jak. 4:4 in de betekenis van vriendschap (met de wereld). ‘Agapáo’ - liefhebben komt 63 keer en ‘agapè’ – liefde 9 keer voor in de Evangeliën. Paulus gebruikt het woord ‘agapè’ 75 keer, ‘agapaoo’ 34 keer en agapètos 27 keer. Het woord voor kus is ‘philèma’ agapès’ (1 Petr. 5:14). Gods kinderen worden in het NT vaak aangesproken als geliefden (‘agapètoi’); 15 keer in de Evangeliën. Het Johannes-evangelie heeft het wel 57 keer (het meest van alle Evangeliën) over liefhebben/ liefde.

"Agapaoo’ is een zaak van weloverwogen keuze; ‘phileoo’ is meer: gehechtheid en speciale persoonlijke genegenheid (Trench) 2
2. Gods liefde tot en in Christus Jezus

a. In de Evangeliën komen wij de liefde Gods tegen in de uitdrukking: geliefde Zoon/ Mijn Zoon Mijn Geliefde (Matth. 3:17; Mark. 1:11; Luk. 3:22/ Matth. 17:5; Mark. 9:7; Luk. 9:35). Vgl. Mark. 12:6; Luk. 20:13.

Ook Johannes spreekt in zijn geschriften in steeds nieuwe wendingen van de liefde van de Vader voor de Zoon (Joh. 3:35; 5:20; 10:17; 15:9; 17:23-26). Het woord ‘agapè’ beheerst deze geschriften vrijwel geheel, maar steeds is het de ‘agapè’ van de Vader voor de Zoon. Ook van de Zoon tot de Vader (Joh.14:31). Daarom legt Johannes alle nadruk erop, dat geen mens de liefde van de Vader deelachtig kan worden buiten Jezus Christus om. Slechts wie Jezus ziet, ziet de Vader (Joh. 14:9) en niemand komt tot de Vader dan door Hem (Joh. 14:6). In Jezus is de liefde Gods tot de wereld gekomen (Joh. 3:16; 1 Joh. 4:9v) en wordt het openbaar, dat de Vader Zelf de Zijnen liefheeft (Joh. 16:27).
Aan het eind van de eerste eeuw was het de discipel Johannes die langdurig in Efeze heeft gewoond en gewerkt. Van hem wordt verteld, dat hij onophoudelijk tot de christelijke gemeente daar sprak over het liefhebben. Zo zelfs, dat de mensen tenslotte vroegen, of hij niet meer wist dan dat. ‘Nee’, zei hij (aldus een oud verhaal), ‘niet meer want aldus heeft onze Meester het ons geboden.’ Vgl. 1 Joh. 4:8, 16.

De kerntekst van het hele Johannes-evangelie is Joh. 3:16: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve ( verloren gaat), maar het eeuwige leven heeft.’…. Dat is het toppunt van Gods liefde, liefde tot het einde (Joh. 13:1). Wie heeft ooit zijn eniggeboren zoon tot de dood overgegeven om een wereld die in het boze ligt, te redden?! Zie Joh. 15:13.


Hoe groot is de liefde van de Vader. Hij zond Zijn Zoon. Maar ook: wij zijn in Hem door het geloof kinderen van God geworden (1 Joh. 3:1).
b. Paulus kent en predikt de liefde Gods in haar alles overwinnende heerlijkheid. Zij is een overweldigende werkelijkheid, waar hij en de gehele gemeente midden in staan en waarvan zij nooit meer gescheiden kunnen worden; het is een grote liefde, die de kennis te boven gaat (Rom. 8:39; Ef. 2:4; 3:19).

De liefde Gods is die liefde, die is ‘in Christus Jezus onze Heere’ (Rom. 8:39). Een andere liefde Gods dan deze kent Paulus niet. Hij ziet haar geheel en uitsluitend geopenbaard in Jezus Christus. Het liefhebben Gods is een daad Gods, die geschied is in het offer van zijn Zoon (Rom. 8:32; 5:8). De openbaring van deze liefde was dus niet slechts een onthulling, maar vooral een daad. God heeft ‘Zijn Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven’ (Rom. 8:32; Tit. 3:4). En die ‘liefde is ook in onze harten uitgestort’ (Rom. 5:5). Wie zal er ons van scheiden? (Rom. 8:35, 39).


Als God zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard heeft uit liefde voor de wereld, hoe zou er dan nog een hinderpaal kunnen zijn, waar deze liefde niet overheen zou kunnen komen? Het heil staat daarom ten volle vast. Want God kwam in Christus voor ons op (Rom. 8:31). Toen wij nog zondaars waren (Rom. 5:8b). ‘Die ons/ mij heeft liefgehad (Rom. 8:37; Gal. 2:20). Hoe bestaat het?!
Evenals in het O.T. is deze liefde volkomen onbegrijpelijk. Men zou kunnen vragen: Wat bezielt God toch, dat Hij naar zulke lieden omziet? Die vraag krijgt geen antwoord. De zondaar staat voor een wonder, dat hij niet vatten kan. Maar dit wonder is werkelijkheid; geen sprookje of een illusie, doch een ware geschiedenis in Jezus Christus. God heeft de goddelozen lief. Zijn liefde is liefde voor Zijn vijanden. Daarom kan zij de vijand geen vijand laten blijven, maar is zij uit op zijn verzoening en maakt zij van hem een kind van God. Zij zoekt het behoud van de zondaar en daarom bevrijdt zij hem van de dood en van alle machten, die hem binden in een uitzichtloze slavernij. En Jezus Christus is voor dit alles de prijs. Dat offer had de liefde ervoor over.
Zoals in het O.T. is het liefhebben van God tegelijk kiezen. Hij heeft lief, die Hij wil (Rom. 9:13-16, 18, 21vv). Zijn geliefden = zijn verkorenen (Joh. 16:27; Ef. 1:4v; Kol. 3:12). …..Tegen de achtergrond van zijn geliefde gemeente in Korinthe staat de rest van de stad, die buiten het heil gebleven is (2 Kor. 4:3v.). Het evangelie werkt in de wereld ten leven èn ten dode (2 Kor. 2:15, 16).
Ook getuigt het NT herhaaldelijk van Jezus’ liefde voor de Zijnen, bijvoorbeeld tot Zijn vrienden als Lazarus, Maria en Martha van Bethanië (Joh.11:3, 5; 36), tot Zijn discipel Johannes (Joh. 13:23; 19:26; 20:2; 21:7, 20) en tot al Zijn discipelen (Joh. 15:9). 3 Zijn liefde is als die van de Vader (Joh.15:9). Vgl. Mark. 10:21v.

3. Onze liefde tot God en tot Jezus Christus


Op vele plaatsen in het NT (te veel om op te sommen) worden wij opgeroepen om de Heere onze God lief te hebben, onder meer in de korte samenvatting van de wet en de profeten in Matth. 22:37 (zie ook Mark. 12:30vv; Luk. 10:27; Rom. 8:28; 1 Kor.2:9). Zelfs als God Zijn kinderen kastijdt, moeten zij Hem ook daarin beminnen (Hebr.12:6; Openb. 3:19).

Niet te vergeten is, dat onze liefde tot God en tot Zijn Zoon vooral gestalte krijgt in het bewaren van hun Woord en geboden (Joh. 14:15, 21, 23; 15:12; 1 Joh. 5:3; 2 Joh.: 6). Wie dat doet, in hem is de liefde Gods volmaakt (1 Joh. 2:5; 4:12, 17v). Hij leeft niet inhalig en troost zich met de wetenschap, dat God de blijmoedige gever liefheeft (2 Kor. 9:7). Hij is bereid om te gaan in het spoor van Jezus Die de voeten van Zijn discipelen waste. Hij is onze identificatiefiguur.4


Liefde tot God, maar nooit los van de liefde tot Zijn Zoon. Het wordt ons steeds op het hart gebonden om Jezus lief te hebben (Joh. 14:28; 16:27; 21:15-17 (Petrus). Hij scheldt ons onze schuld kwijt (Luk. 7:42, 47). Paulus schrijft aan zijn jonge vriend Timotheüs over allen die Zijn verschijning liefhebben (2 Tim. 4:8).
Ook komt het erop aan, dat wij Jezus liefhebben boven vader/ moeder, zoon of dochter (Matth.10:37), ja ook boven eigen leven (Joh.12:25) en al kost het ook de eer van mensen (Joh. 12:43)

4. Naastenliefde en broederliefde


Op vele plaatsen in het NT worden wij opgeroepen om onze naaste lief te hebben (zie o.a. Matth. 5:43; Mark. 12:33; Luk. 7:5; Jak.2:8, enz.), als ook onze vijand (Matth. 5:44; Luk. 6:27, 35). Naastenliefde is in principe liefde tot alle mensen. Maar in het bijzonder is de wet van de liefde toepasbaar op het leven in huwelijk en gezin (Ef. 5:25-28; Kol. 3:19; Tit. 2:4).
Het is opvallend hoeveel aandacht en nadruk de liefde van christenen tot hun naasten en broeders in het N.T. krijgen. Het is ondoenlijk de teksten aan te halen, die daarvan getuigen, die ertoe aansporen. Vgl. Rom. 12:10; 1 Kor. 13; Ef. 5:2. Soms gaat het in deze teksten om de liefde van de apostel tot de gemeente (2 Kor.2:4), ook wel over de liefde van Christus die hem dringt (2 Kor.5:14). Maar in andere tekstgegevens over de liefde als grond en wortel van alle activiteiten in de gemeente (Ef. 3:17; 4:16; Hebr. 10:24).

Het is vooral ook Johannes die in zijn Evangelie en brieven voortdurend opwekt om blijvend lief te hebben. Zie o.a. Joh. 13:1vv, 35.


Deze ‘agapè’ vindt haar oorsprong in God. De liefde is uit God (1 Joh. 4:7). God is liefde (2 Kor. 13:11; 1 Joh. 4:8, 16). Zij komt niet uit de mensen op. Hij heeft ons eerst liefgehad (1 Joh. 4:19). De liefde is een gave van de Geest (Rom. 15:30; Gal. 5:22). Zij is daarom een reflex van het liefhebben Gods en vertoont hetzelfde kenmerk van offerbereidheid, verdraagzaamheid, eens-gezindheid, zelfverloochening en dienstvaardigheid. Zie o.a. Joh. 13:34; 15:12, 17; Fil. 2:2. Geloof en liefde gaan bij Paulus vaak samen op. Tegelijk is het zo, dat het geloof werkt door de liefde (Gal.5:6). En deze liefde handelt even wonderlijk als de liefde Gods; ze is o.a. vergevingsgezind en bedekt menigten van zonden (1Petr. 4:8). De liefde zoekt zichzelf niet (1 Kor. 13) en kan vijanden inwinnen door voor hen te bidden (Matth. 5:44; Luk. 6:27, 35). De liefde is ‘de wet van Christus’ (Gal. 6:2).
Van de naastenliefde is de broederlijke liefde ofte wel de broederliefde een specifieke vorm (Gal. 6:10; 1 Thess. 4:9; 1 Petr. 2:17; 2 Petr. 1:7; 1 Joh. 3:14; 4:21). Deze wordt in het bijzonder betracht in de liefdemaaltijden der christenen (zie Jud.:12); het woord ‘agapè’ dient zelfs als naam voor die liefdemaaltijd. In die maaltijd des Heeren krijgt de liefde tot al de heiligen haar uitdrukking (Ef. 1:15; Kol. 1:4). Zij heten in de brieven van het NT ‘agapètoi’ – geliefden (Gods)/ beminden/ geliefde kinderen en broeders. Zie o.a. Rom. 1:7; 2 Kor. 12:19; Ef. 5:1; 1 Petr. 4:12; 1 Joh.3:2; Jud.:20.
Kortom, van de meeste gaven van de Geest (ook van geloof en hoop) geldt, dat zij een keer ophouden. Maar de liefde vergaat nimmermeer (1 Kor. 13:8). Daarom mogen wij ook opgewekt worden om overvloedig te zijn in de liefde (1 Thess. 3:12), tot oprechte/ ongeveinsde en vurige liefde (Rom. 12:9; 2 Kor. 8:8; 1 Petr. 4:8), tot liefde uit een rein hart(1 Tim. 1:5). Helaas, in het laatst der dagen zal de liefde van velen verkillen (Matth. 24:12).


1 Het navolgende is voor een deel ontleend aan ds. F. J. Pop, Bijbelse woorden en hun geheim. De passage over Plato's Eros-leer is uit een Internetsite .



2 Zo het woordenboek Easten Bible Dictionary in Bible Works, sub, sub love.

3 ‘Jesus loved not because he found attractive qualities in those he loved.’ Aldus L. Morris in Dictionary of Jesus and the Gospels (ed. Joel B. Green, Scot McKnight, .Howard Marshall; Leicester 1992; s.v. Love, 492vv). Zie ook Dictionary of Paul and his letters (ed. Gerald F. Hawthorne/ Ralph P. Martin); Leicester 1993; s.v. Love (R. Mohrlang); blz. 575vv. Mohrlang schrijft (blz. 577): ‘Loving others is not simply a matter of doing, it is also a matter of being (cf.1 Cor.13:3..)’.

4 Er is ook een grens aan de liefde. ‘When the doctrine of God’s grace is at stake, love does not seem to be of greater importance than faith (cf.1 Cor.13:13).’ (Mohrlang, blz.578).







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina