Het bijbelse kernwoord olie/ zalfolie + zalven/ zalving1 I. Het oude testament



Dovnload 55.07 Kb.
Datum14.08.2016
Grootte55.07 Kb.

HET BIJBELSE KERNWOORD OLIE/ ZALFOLIE + ZALVEN/ ZALVING1

I. HET OUDE TESTAMENT

I. A. Het Hebreeuwse woord sjèmèn = vet/ olie (van ww. sjaman I)

I.A.a. Betekenis van de tekstgegevens




De teksten waarin dit Hebr.woord voorkomt in de betekenis van vet, slaan we over. Onderstaande gegevens van teksten waarin het woord in de betekenis van olie voorkomt, zijn verzameld uit Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915 en Abr. Trommius, Nederlandse Concordantie, s.v. elaion. Het spreekt vanzelf, dat wij slechts een selectie van het veelvoorkomende woord olie kunnen geven.

Het woord komt in het OT voor in de volgende betekenissen (vertaling Statenvertaling):




  • Olie als rijkdom van Kanaän; olierijke bomen (Deut. 8:8; Hos. 2:7); 9. Olieachtige bomen (Neh. 8:16; Jes. 41:19); olieachtig hout (1 Kon. 6:23, 31, 32); als handelswaar (Ez. 27:17; Hos. 12:2);

  • Verse olie (Ps. 92:11); voortreffelijkste olie (Amos 6:6); goede olie (Pred. 7:1)

vgl. Pred. 10:1); beste olie (2 Kon.20:13);



  • Zalfolie als parfum/ welriekende olie (ook meervoud): 2 Sam. 14:2; Ps. 23:5; Hoogl. 1:3: 4:10; Jes. 57:9; vreugdeolie (Ps. 45:8; Jes. 61:3); Spr. 21:17; 27:9;

  • Wijdingsolie; een steen (Gen. 28:18; 35:14); een koning (1 Sam.10:1; 16:1; 1 Kon. 1:39; 2 Kon. 9:1, 3, 6); een priester (Ps. 89:21; 133:2); een profeet (1 Kon.19:16);

  • Bakolie (= olijfolie) (1 Kon.17:12vv);
  • Gestoten olie voor de lamp/ kandelaar (Ex.27:20; 35:14)

  • Olie als geneesmiddel (Jes. 1:6)

  • Olie ontbrak nooit op het gewone spijsoffer (Lev. 2:1, 4, 15; 14:10; 8:26).



I. B Het Hebreeuwse werkwoord I. masjach = zalven en het Hebreeuwse zelfstandig naamwoord misjcha = zalving

De teksten waarin het Hebr werkwoord masjach voorkomt in de betekenis van ‘bestrijken’ slaan we over. Onderstaande gegevens van teksten waarin het werkwoord in de betekenis van ‘met olie begieten, zalven, wijden’ voorkomt, zijn verzameld uit Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915 en Abr. Trommius, Nederlandse Concordantie, s.v. elaion. Deze gegevens zijn uiteraard een selectie.



I.B.a. Betekenis van de tekstgegevens
Het werkwoord masjach komt in het OT voor in de volgende betekenissen (vertaling Statenvertaling):

1. Met olie begieten/ zalven, wijden (Amos 6:6: zich zalven met de voortreffelijkste olie bij een feestelijke gelegenheid);



  • Een gedenksteen (Gen. 28:18; 31:13)

  • Het heiligdom en zijn gereedschap (Ex.30:26; 40:9-11; Lev.8:10v; Num.7:1 (vgl. Dan.9:24)

  • Een koning (1 Sam.16:3, 12v; 1 Kon.1:34, 39; 2 Kon. 11:12; 23:30; Richt.9:8; 2 Sam.3:39; tot koning zalven: Richt.9:15; 1 Sam.9:16; 15:1; 2 Sam.2:4, 7; 5:3, 17; 1 Kon. 1:45; 5:15; 19:6, 15; 1 Kron. 11:3;

  • Met God als subj. (de Heere die zalft tot koning): 1 Sam.10:1; 15:17; 2 Sam. 12:7; 2 Kon.9:3; 6, 12; 2 Kron. 22:7;

  • Met God als subj: Ps. 2:6; 45:8; 89: 21

  • Een hogepriester/ priester: Ex. 29:7, 36; 40:13; Lev. 8:12; 16:32; Num. 18:8; 35:25; Ex. 28:41; 29:29; 30:30; 40:15; Lev. 7:35v; Num. 3:3;

  • Een profeet: 1 Kon.19;16; met God als subject: Jes. 61:1

2. Gezalfd worden (niph’al): Lev. 16:13; Num. 7:10, 84, 88; 1 Kron. 14:8.


Het zelfstandig naamwoord misjcha = zalving (met zalfolie) is in het OT te vinden in Ex. 25:6; 29:7, 21; 35:8, 15, 28; 37:29; 39:38; 40:9, 15; Lev. 7:35; 8:2, 10, 12; 30; 21:10; Num. 4:16; 18:8.
Met heilige zalfolie: o.a. Ex.30:25, 31. Vgl. Lev. 10:7; 21:12.

I.C. Samenvatting + toepassing

1. In dit hoofdstuk rubriceren en bundelen we de gegevens die we verzameld hebben in hoofdstuk I.A en I.B

2. De Hebreeuwse naam voor olie (olijfolie) =שמן, shemen; de Griekse naam is ελαιον, elaion. In de Bijbel is vrijwel altijd dit woord gebruikt voor olijfolie. Olie won men in Israël uit olijven (Lev. 24:2) Olie hoorde met melk, wijn en kleren bij de eerste levensbehoeften (vgl. Jer. 31:12; Joël 2:19).
3. De beste olijfolie bleef gewoonlijk niet langer dan 2 tot 3 jaar goed. Soms is er sprake van geparfumeerde cosmetische olie/ heilige olie. Deze werd bereid uit mirre, aloë, enz…Zie Esth. 2:12. Men maakte geurige olie door olijfolie te vermengen met allerlei plantaardige stoffen die hars en olie bevatten en uit het buitenland ingevoerd werden (vgl. 1 Kon. 10:10 en Ez. 27:22). Volgens Jes. 39:2 had koning Hizkia in Jeruzalem een grote voorraad van deze geurige olie; bovendien had hij oliemagazijnen (2 Kron. 32:28). Het maken van samengestelde zalven vereiste veel vaardigheid; de zalfbereiders vormden een aparte stand (Pred. 10:1; 1 Sam. 8:13; Luc. 23:56; Neh. 3:8). Hun producten werden gebruikt voor godsdienstige doeleinden, om de gezondheid te bevorderen, en bij het begraven van de doden (Gen. 50:2v; 2 Kron. 16:14; 50.2; 2 Kron. 16.14; Mark. 14:8; 16:1).

4. Olijfolie werd bereid door de olijven in een pers uit te persen. De olijven beginnen te vallen van de bomen in September, maar de grote oogst komt eerst na de eerste regens in November. De olijven die niet vanzelf of door een storm van de bomen zijn gevallen, worden (voordat zij geheel rijp zijn geworden) met een lange stok van de bomen geslagen, daarna van de grond geraapt, verzameld in manden en op de hoofden van de vrouwen of op ezels naar de huizen gedragen (om te eten) of naar de oliepersen waar ze met de voeten worden getreden (Micha 6:15). Of wel in een handmolen of stenen mortier uitgeperst tot ‘frisse olie’ (Deut. 24:20; Jes. 17:6; 24:13). Deze werd ook gebrukt voor de zevenarmige kandelaar in het heiligdom (Ex 27:20).


5. Er was bij de oude Hebreeën onderscheid tussen een zalving met olie a) in private zin (o.a. voor het opmaken van zijn toilet) (סוּך, sukh), en b) zalving in religieuze riten (משׁח, mashah).
A) ZALVING IN PRIVATE ZIN

A. a. Als een cosmetisch middel


Van de vroegste tijden af werd olie gebruikt als een cosmetisch middel, speciaal om benen en hoofd te oliën. Vooral op reis door droge woestijnen waar geen gelegenheid is om in bad te gaan. Ook werd deze cosmetica als vreugdeolie gebruikt ter voorbereiding op een feest (Pred. 9:8; Ps. 23:5). Daar werd een gast eer bewezen door zijn hoofd met olie te zalven (Ps. 23:5; Luk. 7:46); een bijzondere en opvallender manier was om zijn voeten te zalven (Luk. 7:38). Homerus, Plinius en andere vroege schrijvers vermelden het gebruik voor uitwendige applicatie. Vele bijbelse verwijzingen duiden op het gebruik van olie als een cosmetisch iets (Ex. 25:6; Deut. 28:40; Ruth 3:3; 2 Sam. 12:20; 14:2; Est.2:12; Ps. 23:5; 92:10; 104:15; 141:5; Ez. 16:9; Mi..6:15; Luk. 7:46).

Wat betreft het opmaken van het dagelijks toilet (met pure olijfolie of geparfumeerd): de zeer armen reserveerden deze natuurlijk voor speciale gelegenheden. (Ruth 3:3). De hevige langdurige hitte en bijtende kalkachtig stof van Palestina maakten de olie erg verzachtend voor de huid; deze werd veelvuldig gebruikt voor daaraan blootgestelde delen van het lichaam, speciaal van het gezicht (Ps. 104:15).

Deze praktijk was in trek voor Davids tijd en sporen ervan kunnen worden gevonden door heel het OT heen (Deut. 28:40; Ruth 3:3; 2 Sam. 12:20; 14:2; 2 Kron. 28:15; Ez. 16:9; Mi. 6:15; Dan. 10:3) en in het NT (Matth.6:17, etc.). Het schijnt inderdaad een deel van het dagelijks toilet geweest te zijn door heel het Oude Oosten heen..

In onze tijd is het gebruik van olie vervangen door zeep, in Palestina gemaakt van olijfolie


A.b..Als een medicijn.

Zie ook de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (olie vermengd met wijn) om de wonden te verbinden. (Mark. 6:13; Luk. 10:34.)


A.c.. Bij het bereiden van maaltijden

Olijfolie vervangt boter in veel opzichten bij de maaltijden van de volken in de landen rondom de Middellandse zee. In bijbelse landen wordt voedsel gebakken in olie, toegevoegd bij het stoven en gegoten over gekookte groenten, bonen, peen, enz. Een cake wordt bereid van gewoon brooddeeg, besmeerd met olie en besprenkeld met kruiden voordat men die bakt (Lev. 2:4). Voor bijbelse verwijzingen naar het gebruik van oilie als voeding, zie Num. 11:8; Deut. 7:13; 14:23; 32:13; 1 Kon. 17:12, 14; 17:16; 2 Kon. 4:2, 6,:7; 1 Kron. 12:40; 2 Kron. 2:10,15; Ezra 3:7; Spr. 21:17; Ez. 16:13; 16:18; Hos. 2:5, 8, 22; Hag. 2:12; Openb. 6:6.


A.d.. Voor verlichtingen

Olijfolie wordt ook gebruikt voor lampen, bijv. de luchter/ kandelaar van de tempel.

Zie Ex. 25:6; 27:20; 35:8, 14, 28; 39:37; Matth. 25:3, 4, 8).

De kandelaar zoals beschreven onder andere in Exodus 25:31vv had zeven armen waarop zeven olieschaaltjes. De hoge-priester moest steeds de brandende pitten reinigen - elke dag opnieuw - en de olieschaaltjes van olie voorzien (zie ook Ex. 27,20; Lev. 24:1vv). In Gods nabijheid is het licht, altijd licht.


In het vierde nachtgezicht van Zacharia wordt ons ook de gouden kandelaar getoond met een oliekruikje daarboven die via zeven pijpen verbonden zijn met de zeven lampen. Rechts en links van het oliekruikje staan twee olijfbomen die daarin olie laten neervloeien. Symbolen van priester Jozua en vorst Zerubbabel die bezield zijn met de Geest des Heeren. Het is door hen en door de Geest des Heeren, niet door kracht noch door geweld, dat het zal geschieden. De tempel komt er weer. Gods werk gaat door. Vgl. Openb. 11:4 (ook hier geldt, dat het getuigenis van het Godswoord in het laatst der dagen ondanks alle druk en vervolging doorgaat).
Hoe bemoedigend, ook voor ons. Maar door Mijn Geest zal het geschieden. Het is door de olie van de Geest van de Heere, dat wij bevloeid worden, wederom geboren. Het is door de Geest van de Heere, dat wij een lichtende kandelaar (candel-light) worden. Dan, als Gods genade ons te sterk wordt. Dan, als de liefde van Christus in ons hart wordt uitgestort. Want de Geest werkt niet ‘gewelddadig’, maar stil en onweerstaanbaar neigt Hij het hart tot de vrees van Gods Naam. Dan kan het allemaal toch niet op een laag pitje staan in de gemeente. Ook niet in ons persoonlijk leven.
Candel-light. Door het stille wonder van de Geest van Christus die ons de armen om onze geliefde Zaligmaker leert slaan. Het is daardoor, dat wij een gerechtigheid verkrijgen, waarmee we bestaan kunnen voor God. Hij mijn zonde, ik Zijn gerechtigheid. Er hoeft geen nagelschrap van ons meer bij. Want alles, alles is voldaan. ‘Genade, genade.’

B. ZALVING IN RELIGIEUZE RITEN (משׁח, MASHAH).

De oorspronkelijke betekenis van mashah in het Hebreeuws, wat voortkomt uit het Arabisch, schijnt te zijn geweest: bestrijken of smeren. Het is gebruikt van het beschilderen van een plafond (opperzaal) (Jer. 22:14), of van een schild (Jes. 21:5), en is overeenkomstig steeds toegepast op heilig gereedschap zoals het altaar, in Ex. 29:36 en Dan. 9:24, en op de heilige steen in Gen. 31:13 ( “waar u het opgerichte teken gezalfd hebt).”


Voor wijding van heilige dingen (de tabernakel en zijn gereedschap), die daardoor de Heere werden gewijd, zie Gen. 28:18; Gen. 35:14; Ex. 29:7:21ff ; Lev. 2:1ff; Num. 4:9ff ; 1 Sam. 10:1 ; 16:1, 13; 2 Sam. 1:21; 1 Kon. 1:39; 2 Kon. 9:1, 3; Ps. 89:20). De heilige zalfolie waarmee de tabernakel en zijn gereedschap, maar ook Aäron en zijn zonen moesten worden gezalfd, werd gemaakt van de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, specerijkaneel en specerijkalmus, kassie en olijfolie in bepaalde gewichtsverhoudingen (naar apothekerswerk). Niemand mocht deze zalf namaken. Zie Ex. 30:22vv. De traditie van de rabbijnen stelt terecht dat men door koken de essence uit de specerijen trok en deze met de olie vermengd op het vuur zette, totdat alle waterdelen uit de overigens vloeibaar blijvende zalf verdampt waren.

B.a. Wijding van offers.

Bij oud-Israël werd olie gebruikt in meeloffers, wijdingsoffers, reinigingsoffers (van melaatsheid), enz. Ex. 29:2; 40:9ff; Lev. 2:2ff; 14:15vv; Num. 4:9ff; Deut. 18:4; 1 Kron.9:29; 2 Kron.31:5; Neh. 10:37; 39; 13:5, 12; Ez. 16:18, 19, 45, 46; Mi. 6:7).

B.b..Zalving van koning, hogepriester, priester en profeet.

De oudste toepassing van zalving (mashah) op personen en de meest gewijde was naar het schijnt: de zalving van de koning door het uitgieten van olie op zijn hoofd bij zijn kroning, een ceremonie die vanaf de vroegste tijden beschouwd is als heilig en van religieuze betekenis, niet alleen in Israël, maar in Egypte en elders (zie Richt.9:8, 15; 1Sam.9:16; 10:1; 2 Sam.9:10; 1 Kon.1:39, 45; 2 Kon. 9:3, 6; 2 Kon.11:12). Zo’n zalving schijnt inderdaad exclusief te zijn gereserveerd voor de koning in de vroegste tijden, wat een verklaring is voor het feit, dat ‘Gods gezalfde’’ een synoniem werd voor ‘koning’ (zie: 1 Sam. 12:3, 5; 26:11; 2 Sam. 1:14; Ps. 20:6). Tell el-Amarna Letters 37 vermeldt de zalving van een koning.

De zorg over de heilige olie was bij gevolg toevertrouwd aan Eleasar (Num. 4:16); in later tijden schijnt het te zijn geprepareerd door de zonen van de priesters (1Kron. 9:30). Er is een figuurlijke toespeling op de olie op Aärons hoofd in Psalm 133:2.

Ongetwijfeld heeft deze zalving in de Bijbel de betekenis van: aanstelling en het bekwaam maken tot het koningschap door Gods heilige Geest, van Wie de zalfolie het teken was. Het gaat hier dus om een speciale begiftiging van de Geest van de Heere (vgl. 1 Sam.16:13; Jes. 61:1). Vandaar het diepe respect voor de koning als een heilig persoon “de gezalfde” (Hebrew, meshıah YHWH) later overgegaan in onze taal via het Griekse Christos als “Christus”.

‘De beloofde Verlosser wordt twee keer genoemd: de Gezalfde of Messias (Ps 2:2; Dan. 9:25v), omdat Hij is gezalfd met de heilige Geest (Jes. 61:1). Zie verder: Joh. 1:41; Hand. 9:22; 17:2,3; 18:5, 28).’ Aldus Easten Bible Dictionary in Bible Works.


Ook de hogepriester heette “gezalfde” (Ex. 29:7; Lev. 4:3; 8:12), en ook wel andere priesters (Ex.30:30; 40:13-15). Tenslotte: Elia kreeg de opdracht om Eliza, de zoon van Safat, van Abel - mehólah te zalven tot profeet (1Kon. 19:16; 1 Kron. 16:22; Ps. 105:15).

EXCURS I



Zalving algemeen

Een overvloed van olie was een beeld van algehele voorspoed (Deut. 32:13; 33:24; 2 Kon. 18:32; Job 29:6; Joël 2:19, 24). Het ontbreken van de olie betekende een algehele hongersnood (Joel 1:10; Hag. 1:11). Vreugde is beschreven als de olie der vreugde (Jes. 61:3), of de olie van blijdschap (Ps. 45:7; Hebr. 1:9). Ezechiël profeteert, dat de rivieren zullen stromen als olie, d.i. slijmerig worden (Ez. 32:14).

Woorden van misleiding zijn zachter dan olie (Ps. 55:21; Spr. 5:3). Hij (de boze) zij bekleed met de vloek, als met zijn kleed ……, even gemakkelijk als olie de beenderen doorweekt (Ps. 109:18). Excessief olie - gebruik wijst op verkwisting (Spr. 21:17), terwijl zuinig gebruik karakteristiek is voor de wijze. (Spr. 21:20). Olie werd geïmporteerd in Egypte, ofte wel: er was een handelsverdrag gemaakt met dat land (Hos.12:1).

Als men zich onthield van olie, was dat een teken van rouw (2 Sam. 14:2; vgl. Matth. 6:17), en er weer mee beginnen was een teken, dat de rouw was beëindigd (2 Sam.12:20; 14:2; Dan. 10:3. Het ging vaak vergezeld van het nemen van een bad (Ruth3:3; 2 Sam. 12:20; Ez.16:9).


II. HET NIEUWE TESTAMENT




A.a Tekstgegevens/ korte omschrijvingen (volgens Trommius)

De Griekse woorden die in het NT worden gebruikt voor olijfolie, zalven, -ing zijn resp. elaion (olijfolie); aleiphoo/ chrioo/ muridzoo (zalven); chrisma ( zalving)


Elaion (olijfolie)
Matth. 25:3v : De wijzen namen (geen) olie in haar vaten

25: 8 : Geeft ons van uw olie

Mark. 6:13 : En zalfden vele zieken met olie

Luk. 7:46 : Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd

10:34 : Gietende daarin olie en wijn

16: 6 : En hij zeide: Honderd vaten olie

Hebr. 1: 9 : Gezalfd met olie der vreugde

Jak. 5:14 : Hem zalvende met olie in de naam des Heeren

Openb. 6: 6 : Beschadig de oogst en de wijn niet
Aleiphoo/ chrioo/ muridzoo (zalven)
Matth. 6:17 : Als gij vast, zalf uw hoofd

Mark. 6:13 : En zalfden vele kranken met olie

14: 8 : Zij is voorgekomen om Mijn lichaam te zalven

16: 1 : Opdat zij kwamen en Hem zalfden

Luk. 4: 18 : Daarom heeft Hij Mij gezalfd

7: 38 : Kuste Zijn voeten en zalfde ze

7: 46 : Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd

Joh. 11: 2 : Die de Heere gezalfd heeft met zalf

12: 3 : Maria heeft de voeten van Jezus gezalfd

Hand. 4: 27 : Heilig Kind Jezus, welke Gij gezalfd hebt….

10: 38 : God Hem gezalfd heeft met de h.Geest

2 Kor. 1: 21 : Die ons gezalfd heeft, is God

Hebr. 1: 9 : Daarom heeft U, Uw God gezalfd

Jak. 5: 14 : Hem zalvende met olie in de Naam des Heeren

Openb. 3:18: Zalf uw ogen met ogenzalf
Chrisma (zalving)
1 Joh. 2:20, 27

A.b Samenvatting + toepassing


1. Naarmate de maatschappij meer geciviliseerd werd, werden meer geparfumeerde zalvingen gebruikt.

2. Jezus’ 12 discipelen werden er op uitgezonden door hun Meester om overal; te prediken, dat men zich zou bekeren; zij wierpen ook duivelen uit en zalfden vele zieken met olie en maakten hen gezond (Mark. 6:13). Blijkbaar was er aan het zalven met olie genezende kracht verbonden. Vgl. Luk. 10:34. De olie was voor de zieke het tastbaar teken, dat de heilige Geest aan het werk was. Zo ook, als Jezus slijk maakte en een blinde daarmee bestreek. Zie ook Jes. 1:6; Luk. 10:34; Joh. 9:6, 11. Deze genezingswonderen zijn de wereld niet uit, ook niet in onze dagen. Jezus heeft het hen die geloven beloofd, dat zij in Zijn kracht ‘zieken de handen zullen opleggen en dat die gezond zullen worden’ (Mark. 16:18b).

3. Van bijzondere betekenis is Jak. 5:14v. Jakobus zegt hier, dat een zieke de ouderlingen van de gemeente bij zich mag roepen, dat dezen voor de zieke zullen bidden en hem zullen zalven met olie in de Naam des Heeren. En het gebed des geloofs zal de zieke behouden, hem oprichten en als hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden.

Mag er hoop op zijn, dat zo iets vandaag nog gebeurt? Vraag het na in een naburige gemeente van de schrijver dezes waar op een avond in een gebedskring krachtig gebeden werd voor een jonge vrouw die al jaren in een rolstoel zat. En toen gebeurde het. Zij voelde de kracht van Gods Geest door haar lichaam stromen, stapte uit haar rolstoel, liep naar haar vader en kuste hem.

Is dit een automatisme? Gaat het zo altijd? Of kan het ook gaan zoals het ging in het ziekenhuisje Bethesda in Jeruzalem in de dagen van Jezus? Zie Joh.5:1-15. Er lag een grote menigte van zieken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de beroering van het water door een engel uit de hemel. Iedere zieke die dan als eerste in het water kwam, werd genezen, van welke ziekte ook. En toen kwam Jezus binnen. Hij zag een zieke die daar al 38 jaar gelegen had. Nooit had iemand deze stakker voorrang verleend. Maar Jezus kwam bij hem staan en zei: Sta op en wandel. En meteen stond hij op en ging naar de tempel, daar vlakbij. Daar ontmoette hij zijn Redder. En wat zei Deze tegen hem: Zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede. Wat we hieruit leren?

a. Dat er ‘geneesmiddelen zijn’ waar we, als God ze zegent, veel van verwachten mogen. Gebruik de middelen.

b. Dat God ook het onmogelijke doen kan. Ziekenzalving kan er een teken van zijn, dat Gods Geest je lichaam op het gebed doorstroomt en je geneest, ook zonder geneesmiddelen.

c. Dat dit alles geen automatisme is en dat wij uiterst behoedzaam moeten zijn om dit te willen organiseren en dat zeker niet met de nodige publiciteit daarbij. Dat schept altijd bij een zieke verkeerde verwachtingen en psychische beschadiging. Soms heeft de Heere wat beters voor ons achter de hand dan gezondheid. Bid om altijd eenswillend met God te mogen zijn.

d. Dat wij er goed aan doen om na te gaan, of er ook (bepaalde) onvergeven zonden zijn die eerst uit de weg moeten. God kan ons straffen met iets dat erger is dan 38 jaar ziek-zijn. Vgl. 1 Kor.11:30.

4. Vaak was het zalven van het hoofd van gasten die genodigd waren voor een maaltijd, een teken van gastvrijheid (Luk. 7:46) en een teken van bijzondere eer (vgl. Amos 6:6; Micha 6:15; Luk. 7:46).

Verder was het vasten een teken van verootmoediging, maar Jezus gaf daarbij de ernstige raad om dat te doen met een gezalfd hoofd .2

5. Ter voorbereiding van een begrafenis zalfde (balsemde) men de overledene vaak met dure nardus. Zo ook ter voorbereiding van de graflegging van Jezus (Matth. 26:12; Mark. 14:3-8; 16:1, 8; Luk. 23:56; Joh. 12:3-8; Joh. 19:39v).

6. Herhaaldelijk wordt in de Evangeliën gesproken over de zalving van de Heere Jezus.

a) Door een zondares (Luk. 7:38, 46); zij zalft Jezus’ voeten om Hem als Gast en Weldoener welkom te heten in het huis van een Farizeeër. Maar Jezus is ook gezalfd door Maria van Bethanië met een zalf van onvervalste, zeer kostelijke nardus (Joh. 11:2; 12:1vv); ter waarde van een jaarloon van een dagarbeider. 3Wanneer men iemand de voeten zalfde, was dat een hoge onderscheiding. Maar Jezus ziet dit als een voorbereiding door haar voor Zijn begrafenis. Vgl. Mark. 14:3-9.

b) Door de Vader in de hemel; Zijn doop in de Jordaan (figuurlijk gebruik van het Griekse woord chrioo) heeft betrekking op de komst van de heilige Geest op iemand; Luk. 4:18v; Hand. 4:27; 10:38). De kerngedachte van de zalving van Jezus Christus met olie der vreugde (Hebr. 1:9) is: Zijn aanstelling en kwalificering voor de speciale bekwaamheid, functie en privilege van Zijn drievuldig ambt van koning, hogepriester en profeet. Zie hierover ook onder OT: B.b..Zalving van koning, hogepriester, priester en profeet.

7. Het is God Zelf die in deze betekenis ook de Zijnen zalft (Joh. 1:41m; Hand. 4:27; 10:38; 2 Kor. 1:21; vgl. Ps. 2:2; Dan. 9:25). De zalving met de Geest is de begiftiging met de Geest als een onderpand. Evenals zout kon dus zalf een beeld worden van de Heilige Geest.


Men vertelt, dat men in Laodicéa een speciaal soort medicijn voor oogziekten had uitgedacht. Het was zelfs een exportartikel. Nu, Christus heeft een beter geneesmiddel. Hij geeft zelfs blinden het lief’lijk licht. Hij spreekt slechts één woord: ‘Effatha’ en terstond worden we ziende (Mark. 7:34). Christus geeft ook ogenzalf. Hij zalft met de zalf van de Heilige Geest. Het is daardoor, dat u Christus ziet in Zijn schoonheid. En als u Hem zo hebt gezien, raakt u nooit meer op Hem uitgekeken. Dan ‘weten we van de dingen die ons van God geschonken zijn’ (1 Kor. 2:12). Vgl. 1 Joh. 2:20, 27; Openb. 3:18; 22:17. Het is een grote zegen, als wij door Gods Geest de vruchten van die Geest in het genadewerk in onze harten en levens mogen zien en die ter verzekering van ons geloof mogen beleven.

Van een christen wordt in het NT beleden, dat hij mag delen in dit drievuldig ambt van Christus Waarom wordt u een christen genoemd? Deze vraag komt u tegen in de Heidelbergse Catechismus (zondag 12,, vraag 32). En het antwoord op die vraag is: Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijn zalving deelachtig ben….

Zoals de heilige zalfolie met de krachtige werking van de heilige Geest vloeide over het hoofd van Christus in Zijn doop in de Jordaan, zo stroomt ook dezelfde zalfolie door de heilige Geest in de doop en in het geloof op mijn hoofd. En daarmee ben ik dan een aan God gewijde en geroepene:

a) om Zijn Naam te belijden (als profeet), b) om mijzelf tot een levend dankoffer Hem op te offeren (als priester) en c) om met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en de duivel te strijden en hiernamaals in eeuwigheid over alle schepselen te regeren (als koning).

De heilige Geest verbindt ons met de hemelse Christus, de Koning, Priester en Profeet. Dat levert niet alleen Geest - doorademde leiders op in kerk en staat die tezamen zorgdragen voor een leefbare samenleving waarin liefde en gerechtigheid de boventoon voeren. Maar in feite mag ook elke gelovige afzonderlijk een Geest - doorademd, met de Geest van Christus gezalfd mensenkind zijn met een koninklijk, priesterlijk en profetisch ambt. Om te zijn als kaarsjes brandend in de nacht.

Als er maar voldoende olie voor de lamp van het geloof is, mogen wij met de meisjes die op de bruidegom wachten (Matth. 25:3, 8), tot het einde toe volhardend uitzien naar Zijn komst.


Zo verging het ook de Waldenzen van de Gottische Alpen in de donkere Middeleeuwen (Italië). Zij studeerden in de Bijbel, leerden hele stukken van het Nieuwe Testament uit het hoofd. En als ze eenmaal geschoold waren, trokken ze erop uit om overal onder de Roomse bevolking te getuigen van het licht dat schijnt in de duisternis (‘lux lucet in tenebris’). Om niet meteen gegrepen te worden door de inquisitie trokken zij dan als koopman door het land, klopten aan bij de edelen van de kastelen. En als zij hun juwelen aan de dames verkocht hadden, zeiden zij: ’Nu hebben we nog wat anders: mooier en kostbaarder juwelen dan die we zojuist aan u verkochten. Beloof ons, dat u ons niet zult verraden’. En dan spraken zij van de parel van grote waarde, zo schitterend, dat haar licht een ieder God doet kennen. En ook nog een andere, waarvan de fonkelende glans de liefde Gods doet ontvlammen in ieder die haar bezit.

EXCURS II

Hoewel het in Rom. 11:17-24 niet direct gaat over zalving met olijfolie, is het wellicht toch zinvol ook iets te zeggen over wat Paulus in deze perikoop schrijft over de vettigheid van de olijfboom (Gr.elaia)



Het gaat in dit gedeelte over de olijfboom. Goed geworteld. Wijdvertakt. En op zijn tijd met vruchten beladen. De tuinman hakt er wel eens wat takken tussenuit. Dood hout. Onvruchtbaar uitspruitsel. Maar daarmee is de olijfboom nog niet met wortel en tak uitgeroeid. Daar is geen denken aan. De boom is goed. Slechts dat dode hout moet eruit. En soms ent die tuinman ook andere takken in in die boom. Tussen alle andere takken in.
Takken van een wilde olijfboom. Die trekken dan de voedingrijke sappen uit de vette wortel van de goede olijfboom, groeien, bloeien, dragen vrucht. Dank zij die goede olijfboom met zijn vette wortel (vettigheid = olie). Israël is het volk van Gods verbond, de olijfboom met zijn vette wortel. En God denkt er niet aan om die met wortel en tak uit te roeien. Wel zijn er enige (let erop, dat Paulus hier over enige spreekt) der takken afgehouwen (vs. 17). Wie in ongeloof volhardt, wie de Christus der Schriften verwerpt, wie geen vruchten van geloof en bekering voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Al stamt hij uit Israël. Al is hij tak van een goede olijfboom. Johannes de Doper had aan de Jordaan, vóór de komst van Jezus als Messias, ook al zoiets gezegd.
Takken worden afgehouwen. Maar de boom blijft staan. God gaat door met Israël. Hoe? Wel, Hij neemt u, Christen te Rome die uit het heidendom stamt. Paulus gebruikt hier de tweede persoon enkelvoud; hij spreekt heel persoonlijk dus. Hij neemt u, hoewel u een tak bent van een wilde olijfboom en uw vruchten dus niet te genieten zijn. Hij neemt u weg uit uw levensverband, hakt u uit uw heidense levensstam en zet u, tegen uw natuur in, in de goede olijfboom. Daar mag u dan sappen trekken uit de vette wortel van de goede olijfboom en goede vruchten gaan dragen. Tussen al die andere takken in. Welk een wonder. Laat het tegen alle natuurwetten indruisen. Een wilde tak brengt Gode vruchten voort, goede vruchten. Maar als dat niet gebeurt, dan moet u vooral niet denken, dat u er niet voor in aanmerking kan komen om uitgehouwen te worden. Als zelfs de natuurlijke takken die geen vrucht dragen, niet gespaard worden, zou u dan wel gespaard worden?

1 In deze voordracht is gebruik gemaakt van 1. Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915; de Hebr. woorden olie/ zalfolie + zalven/ zalving. 2. Trommius’ concordantie, s.v. olie/ zalving; 3. Dr. Chr. Fahner, Synopsis van de vier Evangeliën; Utrecht, 2e herz.dr.; 1998 4. Robertson’s Word Pictures in Bible Works en Easten Bible Dictionary in Bible Works; 5. Woordenboek (ISBE = Internat. Standard Bible Encyclopedie) in E-sword; 6. Online – Bijbels wooordenboek in Online Bijbel (ed. 1.41); 7. Dictionary of Jesus and the Gospels; InterVarsity 1992; s.v. anointing (J. B.Green/ H. F. Hearon), blz.11vv.





2 M.Henri schrijft bij Matth.6:17: ‘The primitive Christians were much in it, see Act. 13:3; Act.14:23. Private fasting is supposed, 1Co 7:5. It is an act of self-denial, and mortification of the flesh, a holy revenge upon ourselves, and humiliation under the hand of God. The most grown Christians must hereby own, they are so far from having any thing to be proud of, that they are unworthy of their daily bread. It is a means to curb the flesh and the desires of it, and to make us more lively in religious exercises, as fulness of bread is apt to make us drowsy. Paul was in fastings often, and so he kept under this body, and brought it into subjection.

3 In het OT komt de nardus alleen voor in het boek Hooglied als beeld van de liefelijke Sulamith Vgl. Hoogl. 1:12; 4:13v.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina