Het bijbelse kernwoord pottenbakker



Dovnload 38.9 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte38.9 Kb.

Het bijbelse kernwoord pottenbakker




I. HET OUDE TESTAMENT


Nevenstaande en onderstaande gegevens zijn verzameld uit Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915, en Abr. Trommius, Nederlandse Concordantie (6e herz.dr.), s.v. jootseerיצר
I.A.b. Betekenis van de tekstgegevens
Het Hebreeuwse woord (+ aanverwante woorden) in het OT is gebruikt voor pottenbakker in de volgende teksten:

  • Pottenbakker: 1 Kron. 4:23; Jes. 41:25; 64:8; Jer. 18:2,3,4.6; Klaagl.. 4:2; Zach. 11:13.

  • Aarden vaten: 2 Sam. 17:28:

  • Pottenbakkersvat/ kruik: Ps. 2:9; Jes. 29:16; 30:14 + Jer. 19:1, 11;

  • Pottenbakkersleem: Dan.2:41.



I.A.b Samenvatting + toepassing

1. De encyclopedie in E-sword (ISBE) s.v. potter/ pottery vermeldt een groot aantal interessante archeologische bijzonderheden m.b.t. de pottenbakkerij (uit de prehistorische tijd; uit de Babylonische en Egyptische tijd).


2. Over de pottenbakkerij in Palestina lezen we: Het maken van vaatwerk in het land dat later het thuisland van de kinderen van Israël werd, bestond reeds lang voordat dit volk het land bezat en zelfs voordat de Phoeniciërs van de steden aan de kust hun handel hadden uitgebreid naar het binnenland en de aardewerken vaten van de Tyrische en Sidonische pottenbakkers landinwaarts brachten. Vgl. ook Job. 2:8; Ps. 22:16; Spr. 26:23; Jes. 45:9.1
3. Evenals in Egypte en Babylonië waren de eerste exemplaren met de hand gemaakt zonder de hulp van het pottenbakkerswiel.
4. Het is waarschijnlijk, dat Joodse pottenbakkers hun kunst (vak) van de Phoeniciërs leerden. Zij kopieerden op zijn minst Phoenicisch en Myceneense vormen…
5. Aardewerken kruiken werden in antieke tijden gebruikt om vloeistoffen op te slaan zoals wijn of olie, vruchten, granen, enz. In 2 Sam. 17:28 wordt ons bijv. verteld, dat dagelijks voedsel ook wel aan iemand (David) overhandigd werd in een aarden vat (vgl. 2 Sam.17:28).
6. De zwarte bodems van potten uit de Joodse periode laten zien, dat deze werden gebruikt om te koken. Zo moest ook t.d.v. de cultische reinheid kleding gekookt worden in vuurbestendig vaatwerk (Lev. 6:28;11:33; 14:5, 50). 2
7. Ook in de tempel waren er pottenbakkers te vinden. In Zach. 11:13 immers lezen we van een ‘prachtbedrag’ dat voor de voeten van die pottenbakkers moest worden geworpen, uitgekeerd als betaling voor ‘de goede diensten’ van Israëls leidslieden. Welk een schande. Israël waardeert blijkbaar het werk van zijn Godsgezanten minimaal. Ze hebben er niet meer voor over dan wat men op tafel legt om het verlies door doodslag van een slaaf te compenseren: 30 zilverlingen (Ex.21:32). Zacharia schrijft: Ga naar de tempel en gooi dat geld voor de voeten van de pottenbakker (een van de laagste tempelbeambten die zorgt voor het vervaardigen van aardewerk).3

8. Verder kon in een aarden vat ook een koopakte worden bewaard (Jer. 2:14) en was het niet ongebruikelijk om heilige boekrollen te bewaren in zulk vaatwerk, zoals de vondsten in de grotten van Qumran (1947) laten zien (zie de afbeelding).


9. In Jer. 18:2,3,4.6 lezen we van het bezoek aan het pottenbakkershuis door de profeet Jeremia op bevel van de Heere. 4 Daar ziet Jeremia, hoe de pottenbakker een werk maakt op de schijven. En wat doet die pottenbakker? Hij knijpt het vat dat hij gemaakt heeft in elkaar tot leem en vormt het om tot een ander vat dat er in zijn ogen goed (beter) uitziet.
Jeremia moet dit gebeuren zien als een prediking. De Heere geeft Zelf de toepassing. Als leem in de hand van een pottenbakker, zo is het huis van Israël in de handen van de Heere. In een oogwenk en met een enkel woord zal Hij een volk, een koninkrijk uitrukken, afbreken en verdoen. Ook zal de Heere in een ogenblik en met een enkel woord een volk, een koninkrijk bouwen en planten. Kan dan het leem met zijn Formeerder twisten en zeggen: Wat maakt gij (vgl. Jes. 45:9). Die prediking moet Jeremia de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem op het hart binden. De ondergang dreigt, als zij nog langer blijven wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.
En wat gaat er dan gebeuren? Jeremia moet die aanstaande ondergang van Israël en Jeruzalem uitbeelden door een pottenbakkerskruik die hij gekocht heeft in het huis van de pottenbakker (Jer. 19:2vv), voor de ogen van de mannen die bij hem zijn, onherstelbaar te verbreken, zoals een pottenbakker dat doet met een stuk vaatwerk dat hij gemaakt heeft (Jer. 19:10v). Vgl. Ps. 2:9; Jes. 30:14; Dan.2:41a. Dan zal Jeruzalem gelijk worden als Tophet in het dal des Zoons van Hinnom - de vuilnisbelt ten zuiden van Jeruzalem - de plaats waar kinderoffers waren gebracht, derhalve een plaats van afschuwelijke onreinheid en afgoderij. Vgl. Jer. 19:12vv.
Hoe droevig klinkt dan de gedurige klaagzang: De kostelijke kinderen Sions, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flessen, het werk van de handen van een pottenbakker (Klaagl. 4:2).
10. Als wij deze onheilspellende woorden lezen en ermee tot onszelf inkeren, hebben wij dan niet te vrezen? De onheilsprofetieën van Jeremia zijn ook op ons van toepassing, op de wereld waarin wij leven met al haar gruwelijke zonden, op ons Nederlandse volk dat koploper is in al dat kwaad, op onze eigen gezinnen, onze kinderen die in dat kwaad, niet altijd tegen wil en dank meegesleurd worden. Dat verdriet ons tot diep in ons hart. En wij hebben ons gewillig te buigen onder de verdiende oordelen van God. Wij moeten het niet beter willen weten dan onze Maker, maar het met Hem eens worden, ook in Zijn oordelen. Ingewonnen door Zijn liefde, uitgestort in ons hart en onze liefde tot al Gods deugden. 5
M.Henri schrijft, dat God een onbetwistbare autoriteit en een onweerstaanbare bevoegdheid heeft om koninkrijken en naties te vormen en te modelleren zoals dat Hem behaagt en zoals dat aan Zijn doeleinden dienstbaar is. ‘Zal ik u niet kunnen doen zoals deze pottenbakker? Vgl. Job 12:23; 34:29; Jes.40:15; 41:25; 45:9. Zij die geen toonbeelden zullen zijn van genade, zullen toonbeelden zijn van gerechtigheid.
En toch…, hoe geweldig. Mogen wij niet onder Gods slaande hand ook roepen tot de Heere met de profeet Jesaja: ‘Doch nu, Heere! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk.’ (Jes. 64:8). Zou die God Die ons gemaakt heeft en als Zijn volk heeft afgezonderd tot Zijn eigendom, niet met ontferming bewogen zijn over het werk van Zijn handen? Tot roem van Zijn Naam die heerlijk is en tot verwondering van de Zijnen.

II. HET NIEUWE TESTAMENT



II.A Het Griekse woord voor pottenbakker in het NT is: κεράμeus
II.A.a Tekstgegevens/ korte omschrijvingen (o.a.volgens Trommius)


  • Zij (de overpriesters) kochten daarmee de akker van de pottenbakker, tot een begrafenis voor de vreemdelingen (Matth.27:7,10)

  • Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelve klomp te maken, het ene vat ter ere en het andere vat ter onere (Rom. 9:21)

  • Maar wij hebben deze schat in aarden vaten (2 Kor.4:7)

  • Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten en sommige ter ere, maar sommige ter onere (2 Tim. 2:20).

  • Zij (de heidenen) zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden (Openb. 2:27)



II.A.b Samenvatting + toepassing

1. De akker van de pottenbakker (Matth.27:7, 10) was vermoedelijk een terrein in de heilige stad nabij een pottenbakkerij waarop potscherven waren uitgestrooid en dat daardoor onbruikbaar was voor bebouwing. De pottenbakker gebruikte dat stuk land ook wel als een plaats waarop hij zijn potten voor de tempeldienst kon drogen, voor ze aan het vuur bloot te stellen.


De Joodse leidslieden/ overpriesters rapen het geld (30 zilverlingen) op, dat Judas voor hun voeten in de tempel heeft neergesmeten en kopen daarmee genoemde akker van de pottenbakker (tot begrafenis voor de vreemdelingen); een ‘akker des bloeds’ (zie Hand. 1:19). 6 Mattheus (in Matth.27:9v) verwijst hierbij naar Zach.11:13 (zie het boven behandelde bij deze tekst onder OT). Een schandalig bedrag (men koopt er op zijn best een slaaf mee vrij) is dat geld dat de ‘verkoop van Jezus’ oplevert. Zo weinig waard is onze dierbare Zaligmaker in de ogen van een onbekeerd mens.
2. Majestueus en onnavolgbaar schrijft de apostel Paulus in Rom. 9:21 over Gods vrijmachtig werk met de volgende woorden: Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelve klomp te maken, het ene vat ter ere en het ander vat ter onere?!
De apostel Paulus betuigt in dit hoofdstuk, hoe Gods gerechtigheid (het grote thema van de brief aan de Romeinen) naar Zijn vrijmachtig welbehagen tot stand komt op de aarde. Het komt openbaar in de weg van Gods vrijmachtig welbehagen. God is ons niets verschuldigd. Hij kan ons uit grondeloos, onverdiend welbehagen barmhartigheid bewijzen, tot roem van Zijn glorierijke Naam. Hij kan ons ook ‘laten in de val waarin wij onszelf geworpen hebben' (Dordtse Leerregels). Spurgeon heeft eens gezegd, dat hij, toen hij tot bekering kwam, het helemaal niet vreemd zou hebben gevonden, als God de ganse wereld had aangenomen en hem alleen had verstoten. In het doopformulier voor de doop van kinderen wordt aan het adres van de ouders betuigd, ‘dat onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn en daarom aan allerhande ellende, ja aan de verdoemenis onderworpen zijn, maar dat zij ook in Christus geheiligd zijn en als lidmaten van Zijn gemeente gedoopt.Dat is toch een wonder.
Eeuwig omkomen is ons verdiende loon. En elk kind van God leert dat te billijken. Eeuwig behouden worden is slechts te danken aan Gods verkiezend welbehagen. En het is Zijn heilig recht om naar Zjjn vrijmacht te handelen met ons zoals Hij wil.
In de verzen 21-23 van Rom.9 gebruikt de apostel dan het beeld van de pottenbakker die een klomp klei (leem) hanteert en er in het ene geval een prachtige sierlijke pot van maakt en in het andere geval een stuk vaatwerk waar niets fraais aan is en dat voor afval wordt gebruikt. 7
Zo ziet ook Gods vrijmacht/ soevereiniteit eruit. Paulus schrijft: Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp te maken het ene vat ter ere en het andere vat ter onere? (vs. 21). Wie mag daar iets tegen inbrengen? God is geducht in Zijn toorn en toont Zijn macht. Als een mens als Farao steeds sterker kiest voor zijn eigen ondergang als een briesend paard, blijkt daaruit, dat hij vat des toorns’ is, tot het verderf toebereid. Aan zo iemand kan men zien, hoe geducht God toornen kan.
Maar anderzijds ook: hoe geweldig rijk is het om een mens te zijn die als een eervol vat Gods glorie mag uitstralen. Toonbeeld te zijn van Gods ondoorgrondelijke barmhartigheid en zich gekend, bemind en voorbeschikt te weten van eeuwigheid om Gods grote Naam te verheerlijken. Aanbiddelijk is het toch – een zaak van gedurige verwondering - om zo’n toonbeeld van Gods reddende gerechtigheid te zijn. Ofte wel: een vat dat Zijn barmhartigheid mag uitstralen. Hoe bestaat het, dat God aan mij in ontferming heeft gedacht? Ik was toch niet beter dan anderen? 8 In die weg leren wij het, dat de HEERE Heere geen lust heeft in de dood van de goddeloze, maar daarin, dat de goddeloze zich van zijn weg bekeert en leeft..Waarom zou u sterven, o huis Iraëls?! (Ezech.33:11).

Ieder die deze woorden leest, krijgt een pleitgrond in handen om tot God te roepen om genade. Er heeft een kruis op Golgotha gestaan. Schuil achter de Gekruisigde en doe een beroep op Zijn volbrachte werk.


Daar mag dan ook bijkomen, dat iemand die een vat mag zijn, dat Gods barmhartigheid uitstraalt, ook een mens mag zijn, dat een vat ter ere is in die zin dat hij/ zij een geheiligd leven leidt. Dat kunnen we ook lezen in 2 Tim. 2:20v waar Paulus schrijft over gouden en zilveren, maar ook houten en aarden vaten, waarvan sommige ter ere, maar sommige ter onere zijn. En bij het vat ter ere gaat het hier dan over de mens die geheiligd en bekwaam is tot gebruik van de Heere, tot alle goed werk toebereid. Verkiezing uit genade leidt immers tot een leven in heiligmaking. 9
3. En dan is daar nog dat andere zo bekende woord uit 2 Kor.4:7. Hier vergelijkt Paulus zichzelf in heel bijzondere zin met een aarden vat in de woorden: Maar wij hebben deze schat in aarden vaten. De schat van het Evangelie is ons toevertrouwd, maar kan op geen andere wijze dan in een aarden vat worden overhandigd. 10
Onder OT (boven) hebben we gezien, dat in de Joodse wereld kostbare zaken (olie, water, maar ook belangrijke documenten als een koopakte en handschriften/ boekrollen van de Bijbel) in vaatwerk werden bewaard. 11. Zo is het ook met het kostbare Evangelie van Gods wondere genade. Het ligt opgeslagen in een mens die van zichzelf zegt, dat hij de minste van al de heiligen en de grootste der zondaren is. Bovendien een zwak en nietig mensenkind, aan alle kanten verdrukt, twijfelmoedig, vervolgd, nedergeworpen…Lees 2 Kor. 4:8vv. In één woord een aarden vat dat breekbaar en broos is. 12.
Er is een typisch Joodse uitspraak over het bewaren van de woorden van de Thora die als volgt luidt: 'Net zo min als wijn bewaard kan worden in gouden of zilveren vaten, maar slechts in een vat dat het geringste is onder de vaten, nl. in een aarden vat, zo kunnen de woorden van de Thora slechts goed bewaard worden in iemand die zichzelf vernedert'. 13.
Zo is het ook met de schat van het Evangelie. Slechts in de kruisgestalte van de kruisgezant gaat zij de wereld rond. Ieder die in de verkondiging van dit Evangelie wil dienen, moet nooit meer willen zijn dan een aarden vat. Hoeveel te heerlijker kan de pracht van de boodschap schitteren.14

1 ‘..Zwar handelt es sich um eine Doppelscheibe: die untere Scheibe wird mit den Füszen in kreisende bewegung versetzt, auf der oberen Scheibe wird der weichen Ton mit der hand modelliert. Solche Töpferwerkstätten gaf es in Jerusalem sicherlich in groszer Zahl; noch heute zeugt die unübersehbare Menge von Tonscherben, die man bei Ausgrabungen zutage fordert, davon, welche Verbreitung dieses leider fast völlig ausgestorbene Handwerk, das in die früheste Kulturgeschichte der Menschheit zurüchreicht, besasz (vgl. Sir 38,29).’ Zo Helmut Lamparter, Prophet wider Willen (der Prophet Jeremia) (Die Botchaft des Alten Testaments; Band 20); Stuttgart 1964; blz. 170.


2 Deze dingen zijn genoemd in earthen vessels/ ostraca in E-sword/ ISBE.

3 Zo dr. A.H.Edelkoort, De profeet Zacharia (een uitlegkundige studie); Baarn 1945; blz.130, noot 39.

4 Ad Jer. 18 uit de in noot 1 genoemde bijdrage: De pottenbakkerswielen die gebruikt werden in Palestina en Syrië vandaag de dag verschillen vermoedelijk in geen opzicht van die gebruikt werden in het pottenbakkershuis dat bezocht werd door Jeremia.

5 In Jes. 29:16 brengt de profeet Jesaja het onverstand van Israël ter sprake, dat het altijd beter weet dan de Heere; men vertrouwt meer op hun bedrieglijk verbond met Egypte dan op hun God. Men is als een stuk leem dat tegen de pottenbakker zegt, dat hij er niets van begrijpt; ‘zij schrijven zichzelf schranderheid toe, maar in de praktijk verloochenen zij de Heere, alsof het maaksel (de pot) zou zeggen tegen de pottenmaker die het heeft gevormd, dat Hij het niet heeft doorgrondt.’

6 Akeldama = bloedakker, want gekocht met bloedgeld (van Judas). Dat stuk grond ging men gebruiken om Joden van buiten Palestina te begraven. Vgl. Jer.18:2; 19:2.

7 Bij 'vat ter onere' moet in Rom. 9 - als tegenstelling tot het eervolle vat - aan iets oneervols, schandelijks worden gedacht. Bij het beeld kan men denken aan vaatwerk dat voor het bewaren van vuil (vuilnisvat) wordt gebruikt. De vertaling 'vat voor alledaags gebruik' (N.V.) is onjuist, omdat hierin de tegenstelling eervol-oneervol niet goed tot uitdrukking komt. In Bible Works (Word Pictures ad Rom. 9:21) lezen we:: ‘Paul thus claims clearly God's sovereign right (exousia, power, right, authority, from exesti) to use men (already sinners) for his own purpose.’



8 In Rom. 9:13 brengt Paulus het vrijmachtig handelen van God tot uitdrukking met de woorden: ‘Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat.’ Men kan deze woorden collectief opvatten als: Ik heb Israël bemind (Israël is en blijft het volk van Gods eerste keus) en de nakomelingen van Ezau terzijde gesteld.Maar het is zeker ook Paulus’ bedoeling met deze woorden Gods welbehagen in persoonlijke zin (denk aan het noemen van Farao) tot uitdrukking te brengen. Zo ziet het handelen van God eruit. Intussen is met dit alles geen fatalistisch Godsbeeld getekend, alsof het heilshandelen van God volstrekt willekeurig zou zijn en de mens slechts speelbal van het lot.

9 Calvijn schrijft, dat wat betreft het verschil tussen uitverkorenen en verworpenen 'onze geest hierin moet berusten, dat het aldus Gode goedgedacht heeft sommigen ter zaligheid te verlichten, anderen ten dode te verblinden en geen hogere oorzaak daarvoor te zoeken dan Zijn wil'. Van hen die buiten de lichtkring van het Evangelie zijn (heidenen) zegt de Schrift, dat zij als pottenbakkersvaten vermorzeld zullen worden (Openb. 2:27).

10 In Robertson’s Word Picture (Bible Wolks) lezen we: ‘Wij zijn slechts aarden kruiken, gebruikt door God voor Zijn doeleinden (Rom.9:20vv) en zo fragiel.’

11 De Griekse woorden 'ostrakinos skeuos' = aarden vat (vgl. het woord 'ostrakon'- potscherf uit de wereld van de opgravingen).

12 O.i. ligt bij Paulus in het gebruik van dit beeld ook de nadruk op zowel het onaanzienlijke, minderwaardige als het broze en breekbare van het aarden vat in scherp contrast met de 'schat'.

13 Sifre Deut., par.48 (84a) op Deut.11:22. Zie hiervoor H.L. Strack-P.Billerbeck, Bnd III, S.516.

14 In deze voordracht is gebruik gemaakt van 1. Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915, s.v. Hebr. jootser; 2. Trommius’ concordantie, s.v. pottenbakker (Gr.’kerameus’) 3. ISBE/ E-sword, s.v. potter/ pottery en earthen vessels/ ostraca; 4. E-sword (comm.M.Henri/ Keil-Delitzsch; 5. Helmut Lamparter, Prophet wider Willen (der Prophet Jeremia) (Die Botchaft des Alten Testaments; Band 20); Stuttgart 1964; 6. dr. A. H. Edelkoort, De profeet Zacharia (een uitlegkun-dige studie); Baarn 1945; 7. Robertson’s Word Pictures in Bible Works ad teksten NT.









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina