Het gele behang Charlotte Perkins Gilman Feministiese uitgeverij De Bonte Was Amsterdam



Dovnload 84.11 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte84.11 Kb.



Het

gele behang

Charlotte

Perkins Gilman
Feministiese uitgeverij De Bonte Was

Amsterdam

Copyright © The Feminist Press, 1973

Copyright © nawoord Elaine R. Hedges, 1973

Copyright © Nederlandse vertaling Feministiese

Uitgeverij De Bonte Was, 1977
omslag Annet Planten
Het komt erg weinig voor dat zulke gewone mensen als John en ikzelf een oud landgoed achter de hand hebben om de zomer door te brengen.

Een koloniaal herenhuis, een geërfde buitenplaats, ik zou willen zeggen een spookhuis, om het nog romantieser te maken, maar dat zou teveel gevraagd zijn van het lot!

Maar toch kan ik met trots en nadrukkelijk zeggen dat er iets raars mee is.

Want waarom zou het anders zo goedkoop verhuurd zijn? En waarom zo lang leeg gestaan hebben?

John lacht me uit, natuurlijk, maar dat verwacht je in een huwelijk.

John is uiterst prakties. Hij heeft geen geduld met het geloof, hij heeft een intense afkeer van bijgeloof en hij spot openlijk met alle praat over dingen die je niet kunt voelen en zien en in cijfers weergeven.

John is dokter en misschien - (ik zou het geen levende ziel zeggen, natuurlijk, maar dit is dood papier en een grote opluchting voor me) – misschien is dat één reden dat ik niet sneller beter word.

Weet je, hij gelooft niet dat ik ziek ben!

En wat kun je daaraan doen?

Als een dokter met een goede naam, die tegelijk je eigen echtgenoot is, vrienden en familieleden verzekert dat er echt niets aan de hand is met je dan een tijdelijke nerveuze depressie - een enigszins hysteriese aanleg - wat kun je dan doen?

Mijn broer is ook dokter, hij heeft ook een goede naam, en hij zegt hetzelfde.

Ik neem dus fosfaten en fosfieten in, hoe ze ook heten, en tonicums, ik maak reizen, krijg frisse lucht en lichaamsbeweging en het is me absoluut verboden te 'werken' tot het weer goed met me gaat.

Persoonlijk ben ik het niet eens met hun ideeën.

Persoonlijk geloof ik dat prettig werk, opwindend en afwisselend, me goed zou doen.

Maar wat moet je doen?

Huns ondanks heb ik een tijdje geschreven; maar het put me echt nogal uit omdat ik er zo stiekem over moet doen, of anders hevige tegenwerking krijg.

Soms stel ik me wel eens voor dat ik in mijn toestand als ik minder tegenwerking had en meer mensen om me heen en meer stimulans... maar John zegt dat het slechtste wat ik kan doen nadenken over mijn toestand is, en ik moet bekennen dat ik me er altijd naar van ga voelen.

Dus ik zal er mee ophouden en over het huis praten.

Het is een prachtige plek! Het staat helemaal alleen, een flink eind van de weg, wel vijf kilometer van het dorp. Het doet me denken aan de Engelse buitenplaatsen waarover je leest, want er zijn heggen en muren en hekken die op slot kunnen, en een heleboel aparte kleine huisjes voor tuinlui en zo.

Er is een verrukkelijke tuin! Ik heb nog nooit zo'n tuin gezien - groot en schaduwrijk, vol paden die zijn omzoomd met buxushagen en palmboompjes waarlangs hoge, met wingerd begroeide priëlen staan met zitjes erin.

Er zijn broeikassen geweest, maar die zijn nu allemaal afgebroken.

Er waren wat juridiese problemen, geloof ik, over erfgenamen en mede-erfgenamen; in elk geval heeft het huis jarenlang leeg gestaan.

Dit bederft de spookachtigheid, vrees ik, maar dat kan me niet schelen - er is iets vreemds met het huis, ik kan het voelen.

Ik heb dat zelfs op een avond met maanlicht tegen John gezegd, maar hij zei dat wat ik voelde tocht was en deed het raam dicht.

Soms word ik onredelijk boos op John. Ik weet zeker dat ik nog nooit zo overgevoelig ben geweest.

Ik denk dat het door m'n nerveuze toestand komt.

Maar John zegt dat als ik me zo voel, ik niet genoeg mijn best zal doen om de vereiste zelfbeheersing op te brengen; dus doe ik de grootste moeite mezelf te beheersen - als hij er bij is, tenminste, en dat maakt me erg moe.

Ik vind onze kamer helemaal niet prettig. Ik wilde er één beneden die uitkwam op de veranda en waarvan het raam helemaal begroeid was met rozen - en zulke; leuke ouderwetse chintz-gordijnen!

maar John wou er niet van horen.

Hij zei dat er maar één raam was en niet genoeg plaats voor twee bedden, en geen kamer in de buurt voor hem als hij een andere kamer zou nemen.

Hij is erg zorgzaam en teder. Hij laat me nauwelijks een beweging maken zonder speciaal voorschrift. Ik heb een voorschriftenlijst van uur tot uur; hij neemt alle zorg van me af, en dus voel ik me echt ondankbaar dat ik dat niet méér waardeer.

Hij heeft gezegd dat we hier alleen maar zijn gekomen om mij, dat ik volledige rust moest hebben en alle frisse lucht die ik maar kon krijgen. 'Je lichaamsbeweging hangt af van hoe sterk je bent, lieveling', zei hij, 'En wat je eet hangt enigszins af van je eetlust; maar frisse lucht kun je te allen tijde tot je nemen'. Dus namen we de kinderkamer bovenin het huis:

Het is een grote luchtige kamer, die bijna de hele verdieping beslaat, met ramen die naar alle kanten uitkijken, en lucht en zonlicht in overvloed. Het was eerst kinderkamer en daarna speelkamer en gymnastiekkamer, zou ik zeggen; want de ramen zijn getralied voor kleine kinderen en er zitten ringen en dergelijke in de muur.

De verf en het behang zien eruit of ze door een jongensschool zijn gebruikt. Het is eraf gescheurd - het behang - in grote stukken, aan alle kanten om het hoofdeinde van mijn bed, ongeveer zo ver als ik kan reiken, en in een groot plakaat aan de andere kant van de kamer, laag onderaan. Nooit in mijn leven heb ik akeliger behang gezien.

Een van die dartele flamboyante patronen, die alle artistieke zonden tegelijk begaan.

Het is saai genoeg om het oog dat het patroon volgt in de war te brengen, het is uitgesproken genoeg om onafgebroken te irriteren en tot bestudering te provoceren, en als je de kreupele, onzekere curven een eindje volgt dan plegen ze plotseling zelfmoord - storten ze zich alle kanten op in verschrikkelijke bochten, vernietigen zichzelf in de meest ongelofelijke tegenstrijdigheden.

De kleur is stuitend, bijna walgelijk, een walmend vies geel, vreemd verschoten in het langzaam ronddraaiende zonlicht.

Het is een dof maar toch luguber oranje op sommige plaatsen en op andere van een ziekelijke zwavelkleur.

Geen wonder dat de kinderen er een hekel aan hadden! Ik zou het zelf gaan haten als ik lang in deze kamer zou moeten wonen.

Daar komt John, en ik moet dit wegstoppen, hij wil beslist niet dat ik een letter op papier zet.


We zijn hier nu twee weken en ik heb verder nog geen behoefte aan schrijven gehad, sinds die eerste dag.

Ik zit nu bij het raam, boven in deze afgrijselijke kinderkamer, en er is niets dat me kan beletten zoveel te schrijven als ik wil, behalve zwakte.

John is de hele dag weg, en soms zelfs 's nachts, als hij ernstige gevallen heeft.

Ik ben blij dat mijn geval niet ernstig is!

Maar deze nerveuze moeilijkheden zijn wel vreselijk deprimerend. .

John weet niet hoeveel ik werkelijk lijd. Hij weet dat er geen reden is te lijden, en dat is voor hem voldoende.

Natuurlijk is het alleen nervositeit. Het bedrukt me zo, dat ik tekort schiet in al mijn plichten!

Ik wilde John zo goed helpen, zo'n echte steun en toeverlaat voor hem zijn, en nu ben ik hem al behoorlijk tot last.

Niemand zou willen geloven wat een inspanning het is om het kleine beetje te doen wat ik doe - me aankleden, ontvangen en opdrachten geven.
Het is een geluk dat Mary zo goed is met de baby, zo'n lief kind!

En toch kan ik niet bij hem zijn, het maakt me zo zenuwachtig!

Ik neem aan dat John nooit in zijn leven zenuwachtig is geweest. Hij lacht me zo uit om dat behang.

Eerst wilde hij de kamer wel opnieuw laten behangen, maar later zei hij dat ik me erdoor liet meeslepen en dat niets slechter was voor een nerveuze patiënt dan aan zulke verzinsels toe te geven.

Hij zei dat, als er iets aan het behang zou worden gedaan, dat het daarna het zware ledikant zou zijn, en dan de getraliede ramen, en dan het hek bovenaan de trap, en zo voort.

'Weet je het doet je goed hier te zijn', zei hij, 'en ik heb er echt geen zin in het huis op te knappen nu we het maar voor drie maanden gehuurd hebben'.

'Laten we dan naar beneden gaan', zei ik, 'daar zijn zulke leuke kamers! '

Maar hij nam me in zijn armen en noemde me een lief kuikentje en zei dat hij wel naar de kelder zou willen verhuizen, als ik dat wou, en hem laten witten op de koop toe.

Maar hij heeft gewoon gelijk over de bedden en de ramen en zo.

De kamer is zo fris en geriefelijk als je maar kunt wensen en natuurlijk ben ik niet zo flauw hem om een gril last te bezorgen.

Ik begin echt dol op die grote kamer te worden, afgezien van dat afschuwelijke behang.

Vanuit één raam kan ik de tuin zien, die geheimzinnige priëlen in de diepe schaduw, de ouderwetse bloemenpracht en struiken en knoestige bomen.

Vanuit een ander heb ik een prachtig uitzicht op de baai en een kleine privé-aanlegplaats die bij het landgoed hoort. Er is een mooie beschaduwde laan die vanaf het huis daar naartoe loopt. Ik stel me altijd voor dat er mensen wandelen langs die vele paden en priëlen, maar John heeft me gewaarschuwd absoluut niet toe te geven aan fantasieën.

Hij zegt dat met mijn verbeeldingskracht en mijn gewoonte om verhaaltjes te verzinnen een nerveuze zwakte als de mijne zeker zal leiden tot allerlei opgewonden fantasieën, en dat ik mijn wil en gezond verstand hoor te gebruiken om deze neiging af te remmen. Dat probeer ik dus.

Soms denk ik dat als ik me goed genoeg voelde om wat te schrijven, dat de druk in mijn hoofd zou verlichten en me rust zou geven.

Maar ik merk dat ik tamelijk moe word als ik het probeer.

Het is zo ontmoedigend om helemaal geen advies of gezelligheid te hebben bij mijn werk. Als ik echt beter ben zegt John dat we neef Henry en Julia zullen vragen een tijd te komen logeren, maar hij zegt dat hij nog eerder vuurwerk in m'n kussensloop zou doen dan die drukke mensen nu bij me te laten.

Ik wou dat ik sneller beter werd.

Maar daar moet ik niet aan denken. Dit behang ziet er volgens mij uit alsof het weet wat een kwade invloed het op me heeft.

Er is een steeds terugkerende plek waar het patroon bungelt als een gebroken nek en twee uitpuilende ogen je onderste boven aanstaren.

Ik word beslist nog eens kwaad omdat het zo brutaal is en omdat het steeds maar doorgaat. Naar boven en naar beneden en opzij kruipen ze, en die idiote starende ogen zijn overal. Er is één plaats waar twee banen niet aansluiten, en de ogen staan daar helemaal scheef, de één wat hoger dan de ander.

Ik heb nog nooit eerder zóveel uitdrukking gezien in een levenloos ding, en we weten allemaal hoe veel uitdrukking die hebben! Als kind lag ik vaak wakker en haalde dan meer plezier en verschrikking uit witte muren en eenvoudige meubels dan de meeste kinderen in een speelgoedwinkel zouden kunnen vinden.

Ik weet nog goed wat een vriendelijke knipoog de knoppen van ons grote oude bureau altijd gaven, en er was één stoel die er uitzag als een sterke vriend.

Ik had het gevoel dat als één van de andere voorwerpen er te woest uitzag, ik altijd in die stoel kon wippen en dan veilig zou zijn.

Met de meubels in deze kamer is niet meer aan de hand dat dat ze niet bij elkaar passen, want we moesten ze allemaal van beneden halen. Ik denk dat toen deze kamer werd gebruikt als speelkamer, ze er de kinderkamerdingen uit hebben gezet en geen wonder! Ik heb nog nooit zo'n ravage gezien als de kinderen hier gemaakt hebben.

Het behang is, zoals ik al zei, op bepaalde plaatsen van de muren getrokken, terwijl het zich vaster klampt dan een broer - ze moeten behalve haat ook uithoudingsvermogen gehad hebben.

De vloer is gekrast en gekerfd en versplinterd, de pleisterkalk is er hier en daar af en dit grote zware bed, alles wat we in de kamer hebben gevonden, ziet er uit of het oorlogen heeft overleefd.

Maar dat kan me allemaal niets schelen - alleen het behang.

Johns zuster komt eraan. Zo'n lief meisje, en zo zorgzaam voor me! Ik moet zorgen dat ze me niet schrijvend aantreft.

Ze is een volmaakte en enthousiaste huishoudster en ze vindt dat het mooiste beroep wat er is. Ik geloof echt dat ze denkt dat schrijven me ziek maakt!

Maar ik kan schrijven als ze uit is en kan haar al van verre zien aankomen vanuit deze ramen.

Er is er één dat over de weg uitkijkt, een prachtig beschaduwd kronkelend pad, en één dat over de velden uitkijkt. De velden zijn ook prachtig, met veel hoge iepen en fluwelige weiden.

Dat behang heeft een soort onderpatroon in een andere tint, een bijzonder irriterend patroon, want je kunt het alleen zien bij een bepaalde belichting, en dan nog niet duidelijk.

Maar op plaatsen waar het niet is verbleekt en waar de zon er juist zo op schijnt - ik kan een vreemd, uitdagend, vormeloos soort figuur zien, dat lijkt rond te sluipen achter dat rare en opvallende hoofdpatroon.

Johns zuster op de trap!
Zo, 4 juli is voorbij! Iedereen is weg en ik ben doodmoe. John dacht dat wat mensen om me heen me goed zou doen, dus moeder en Nellie en de kinderen zijn een week geweest.

Natuurlijk deed ik helemaal niets. Jennie zorgt nu voor alles.

Maar ik werd er toch doodmoe van.

John zegt dat als ik niet wat sneller opknap hij me in de herfst naar Weir Mitchell zal sturen.

Maar daar wil ik helemaal niet heen. Een vriendin van me is eens bij hem onder handen geweest, en zij zegt dat hij precies zo is als John en zijn broer, alleen nog erger!

Afgezien daarvan, het is een hele onderneming zo ver weg te gaan.

Ik heb niet het gevoel dat het de moeite waard is om me ergens voor in te spannen en ik word verschrikkelijk kribbig en ruzieachtig.

Ik huil om niks en ik huil het grootste deel van de dag.

Natuurlijk doe ik het niet als John er is, of iemand anders, maar als ik alleen ben.

En ik ben juist nu veel alleen. John wordt vaak in de stad vastgehouden door ernstige gevallen, en Jennie is zoet en laat me alleen als ik dat wil.

Ik wandel dus wat in de tuin of langs die beeldige laan, zit op de veranda onder de rozen en lig een groot deel van de dag hier op bed.

Ik raak erg gesteld op de kamer ondanks het behang. Misschien wel vanwege het behang.

Het houdt me zo bezig!

Ik lig hier op dit grote onbeweegbare bed - het is geloof ik vastgespijkerd - en volg het patroon urenlang. Dat is zo goed als gymnastiek, dat kan ik je verzekeren. Ik begin bijvoorbeeld onderaan, in de hoek waar het nog intact is, en ik neem me voor de duizendste keer voor dat ik dat onsamenhangende patroon zal volgen tot een bepaald eindpunt.Ik weet iets van de beginselen van dit ontwerp en ik weet dat dit niet is geordend volgens de regels van uitwaaiering, of verwisseling, of herhaling of symmetrie of iets waarvan ik ooit gehoord heb.

Het wordt natuurlijk herhaald in de banen maar niet op een andere manier.

Als je er op een bepaalde manier naar kijkt staat elke baan alleen, de gezwollen kronkels en krullen - een soort door delirium tremens 'gedegenereerd Romaans' - waggelen op en neer als losse pilaren van idiotie.

Maar anders bezien staan ze diagonaalsgewijs in verbinding en de spartelende contouren zwermen uit in grote hellende golven van zinsbegoocheling, als een bundel voortgejaagd wentelend zeewier.Het hele geval loopt ook horizontaal, tenminste, dat lijkt zo, en ik maak mezelf doodmoe met uit te proberen de lijn van de beweging in die richting te volgen en dat levert een prachtige bijdrage aan de chaos.

Aan één kant van de kamer is het bijna intakt en daar kan ik, als het dwarse licht verdwijnt en de lage zon er direkt op schijnt, eindelijk bijna een vorm van uitwaaiering zien - de eindeloze arabesken schijnen zich rond een gemeenschappelijk punt te vormen. Ze gaan er hals over kop vandoor in sprongen van gelijke afstand.

Het maakt me moe het te volgen; ik ga geloof ik maar een uurtje slapen.

Ik weet niet waarom ik dit opschrijf.

Ik wil het niet.

Ik voel me er niet toe in staat.

En ik weet dat John het absurd zou vinden. Maar ik moet op één of andere manier zeggen wat ik voel en denk - dat is zo'n opluchting!

Maar de inspanning begint groter te worden dan de opluchting.

De helft van de tijd ben ik nu vreselijk loom en ik lig dus navenant steeds meer in bed.

John zegt dat ik niet moet verzwakken en laat me levertraan en massa's tonicums en andere dingen innemen, om nog maar te zwijgen van bier en wijn en rood vlees.

Lieve John! Hij houdt vreselijk veel van me en haat het dat ik ziek ben. Ik heb pas geprobeerd een echt ernstig en redelijk gesprek met hem te hebben, en hem te vertellen hoe graag ik wil dat hij me laat gaan om neef Henry en Julia op te zoeken.

Maar hij zei dat ik niet in staat was te gaan, noch in staat het uit te houden als ik eenmaal bij hen zou zijn; en ik hield geen erg goed pleidooi voor mezelf, want ik huilde al voor ik was uitgepraat.

Het kost me steeds meer moeite gewoon te denken.

Dat zal wel van die nerveuze zwakte komen denk ik. En die lieve John nam me in zijn armen en droeg me gewoon naar boven en legde me op bed, en bleef bij me zitten en las me voor tot ik er moe in m'n hoofd van werd.

Hij zei dat ik zijn liefje was en zijn troost en alles wat hij had en dat ik daarom goed voor mezelf moest zorgen en gezond moest blijven.

Hij zei dat niemand me eruit kan helpen behalve ikzelf, en dat ik mijn wil en, zelfbeheersing moet gebruiken en geen rare verzinsels met me op de loop moet laten gaan.

Er is één troost, de baby groeit en bloeit en hoeft niet in deze kinderkamer met dat akelige behang.

Als wij hem niet in gebruik hadden genomen had dat arme kind erin gemoeten! Gelukkig dat hij eraan is ontsnapt. Ik zou werkelijk niet willen dat een kind van mij, zo'n voor indrukken gevoelig wezentje, ooit in zo'n kamer zou moeten leven.

Ik heb hieraan nooit eerder gedacht, maar achteraf is het een geluk dat John me hier heeft gehouden, ik kan er zoveel beter tegen dan een baby, begrijp je.

Natuurlijk praat ik er nooit meer over tegen hem - daarvoor ben ik veel te verstandig - maar ik houd het tegelijkertijd in de gaten.

Er zijn dingen in dat behang waarvan niemand behalve ik iets weet, of ooit zal weten.

Achter dat buitenste patroon worden de vage vormen elke dag duidelijker.

Het is steeds dezelfde vorm, maar hij komt ontelbaar vaak voor.

En het lijkt op een vrouw, neergebogen en rondkruipend achter het patroon. Ik vind dat helemaal niet prettig. Ik vraag me af - ik begin te denken, ik wou dat John me hier weg haalde!

Het is zo moeilijk met John over mijn geval te praten, want hij is zo verstandig en hij houdt zo van me.

Maar vannacht heb ik het geprobeerd.

Het was een maannacht. De maan schijnt van alle kanten naar binnen, net als de zon.

Soms haat ik het de maan te zien, ze schuift zo langzaam en kijkt altijd naar binnen, door het ene of door het andere raam.

John sliep en ik wilde hem beslist niet wakker maken, dus ik lag stil en keek naar het maanlicht op dat golvende behang tot ik er eng van was.

De vage figuur erachter leek aan het patroon te schudden, net alsof ze eruit wou.

Ik stond zachtjes op om te voelen en kijken of het papier echt bewoog, en toen ik weer in bed ging was John wakker.

'Wat is er, kleintje?!' zei hij. 'Niet zo rondwande len, dan vat je kou'.

Ik dacht dat dit een goed moment was om te praten, dus ik vertelde hem dat ik hier echt niet beter werd en dat ik wou dat hij me hier weghaalde.

'Waarom liefje?' zei hij, 'onze huur loopt over drie weken af en ik zie niet voor me hoe we eerder zouden kunnen vertrekken. De reparaties thuis zijn nog niet klaar en ik kan juist nu onmogelijk weg uit de stad. Als je in gevaar was zou ik het natuurlijk kunnen en willen, maar je bent echt al veel beter, liefje, of je het zelf nu vindt of niet. Ik ben dokter, schat, en ik weet het. Je wordt dikker en je krijgt meer kleur, je eet beter, ik voel me echt veel geruster over je'.

'Ik weeg niets meer', zei ik, 'en ook niet evenveel; en m'n eetlust mag dan 's avonds beter zijn, als je hier bent, maar die is 's morgens slechter, als jij weg bent!'

'Mijn kleine liefje', zei hij, terwijl hij me tegen zich aandrukte, 'Ze mag zo ziek zijn als ze zelf wil! Maar zullen we nu gaan slapen, want morgen is het weer vroeg dag. En er morgen verder over praten? '

'En ga je dan niet weg?' vroeg ik somber.

'Hoezo, hoe kan ik dat doen, schat? Nog maar drie weken en dan gaan we een paar dagen een leuk reisje maken terwijl Jennie het huis in orde maakt. Je bent echt beter liefje! '

'Lichamelijk misschien...' begon ik, maar ik hield meteen op. Want hij ging rechtop zitten en keek me met zo'n strenge, verwijtende blik aan dat ik geen woord meer kon uitbrengen.

'Lieveling', zei hij, 'wil je alsjeblieft, voor mijzelf en voor de baby, en ook voor jouzelf, dat idee onmiddellijk uit je hoofd zetten? Niets is zo gevaarlijk, zo fascinerend voor een temperament als dat van jou. Het is een onjuiste en dwaze gril. Kun je me als dokter niet vertrouwen als ik je dat zeg? '

Natuurlijk ging ik niet verder in op dat onderwerp en al gauw hierna gingen we slapen. Hij dacht dat ik het eerst in slaap was maar dat was ik niet. Ik lag nog uren wakker en probeerde steeds maar te beslissen of het voorste patroon en het achterste inderdaad samen bewogen of apart.
Een patroon als dit heeft bij daglicht een gebrek aan logika, een verzet tegen de regels, dat een voortdurende ergernis is voor de normale geest.

De kleur is afschuwelijk genoeg, en onberekenbaar genoeg, en tartend genoeg, maar het patroon is ronduit martelend.

Je denkt dat je het de baas bent, maar net als je goed bezig bent het te volgen, maakt het een achterwaartse salto en ben je weer even ver. Het geeft je een klap in je gezicht, slaat je neer en stampt je de grond in. Het is een boze droom.

Het buitenste patroon is een opzichtige arabeske die je doet denken aan een zwam. Als je je een samengestelde paddestoel kunt voorstellen, een oneindige reeks paddestoelen, uitbottend en uitpuilend, in eindeloze verstrengelingen - ja, zo ziet het er ongeveer uit.

Dat wil zeggen: soms!

Er is één duidelijke eigenaardigheid met dit behang, iets wat niemand schijnt op te merken behalve ikzelf, en dat is dat het verandert als het licht verandert.

Als de zon binnenschiet door het oostelijke raam - ik wacht altijd op die eerste lange rechte straal - verandert het zo vlug dat ik het nooit helemaal kan geloven.

Daarom kijk ik er altijd naar.

Bij maanlicht - de maan schijnt de hele nacht naar binnen als er maan is - zou ik niet kunnen zeggen dat het hetzelfde behang is.

's Nachts, bij elk soort licht, schemerig licht, kaarslicht, lamplicht en het ergst van alles bij maanlicht, dan worden het tralies! Het buitenste patroon bedoel ik, en de vrouw erachter is zo duidelijk als maar kan.

Ik realiseerde me lange tijd niet wat het ding was dat je erachter kunt zien, dat vage onderpatroon, maar nu weet ik heel zeker dat het een vrouw is.

Overdag is ze ingetogen, rustig. Ik verbeeld me dat het het patroon is dat haar zo stil houdt. Het is raadselachtig. Het houdt me urenlang rustig.


Ik lig steeds meer in bed. John zegt dat het goed voor me is, en dat ik zoveel moet slapen als ik kan.

Hij is trouwens met die gewoonte begonnen door me na elke maaltijd een uur te laten rusten.

Dat is naar mijn overtuiging een slechte gewoonte, want ik slaap niet, begrijp je wel.

En dat kultiveert het bedrog, want ik vertel hem niet dat ik wakker ben - o nee!

Eerlijk gezegd begin ik een beetje bang voor John te worden.

Hij ziet er erg raar uit, soms, en zelfs Jennie heeft een onverklaarbare blik in haar ogen.

Af en toe bekruipt me de gedachte, bij wijze van wetenschappelijke hypothese - dat het misschien het behang is!

Ik heb naar John gekeken terwijl hij niet wist dat ik keek, en ben plotseling de kamer binnen gekomen met de meest onnozele smoesjes, en toen heb ik hem er herhaaldelijk op betrapt dat hij naar het behang keek! En Jennie ook. Ik heb Jennie een keer betrapt met haar hand op het behang.

Ze wist niet dat ik in de kamer was en toen ik haar met kalme, zeer kalme stem, mezelf maximaal in bedwang houdend, vroeg wat ze deed met haar hand op het behang - toen draaide ze zich om alsof ze op stelen betrapt was en keek erg boos - vroeg me waarom ik haar zo aan het schrikken maakte!

Toen zei ze dat het behang afgaf op alles wat ermee in aanraking kwam, dat ze op al mijn kleren en die van John gele vlekken had gevonden en dat ze wou dat we voorzichtiger waren.

Klinkt dat niet onschuldig? Maar ik weet dat ze het patroon bestudeerde en ik ben vastbesloten dat niemand behalve ikzelf het geheim ervan zal ont-dekken!
Het leven is nu veel opwindender dan vroeger.

Ik heb iets meer te verwachten, begrijp je, om naar uit te zien, begrijp je, om in de gaten te houden. Ik eet echt beter en ben rustiger dan ik was.

John vindt het zo fijn me beter te zien worden!

Hij lachte gisteren een beetje en zei dat ik scheen op te bloeien ondanks mijn behang.

Ik wimpelde het lachend af. Het was mijn bedoeling niet hem te vertellen dat ik opknap vanwege het behang - hij zou me maar uitlachen. Hij mocht me er zelfs eens willen weghalen.

Ik wil er nu niet weg tot ik het heb uitgevonden.

Nog een week, en ik denk dat dat genoeg zal zijn.
Ik voel me zo veel beter! 's Nachts slaap ik niet veel, want het is zo interessant de ontwikkelingen te volgen, maar ik slaap veel overdag.

Overdag is het vermoeiend en verwarrend.

Er zijn altijd nieuwe loten aan de zwam en nieuwe tinten van geel overal doorheen. Ik raak de tel kwijt, hoewel ik heel precies heb geprobeerd ze te tellen.

Het is het vreemdsoortigste geel, dat behang! Het doet me denken aan alle gele dingen die ik ooit gezien heb - geen mooie dingen zoals boterbloemen, maar oude, vieze, smerig-gele dingen.

Maar er is nog iets anders met dat behang – de lucht! Ik merkte die op meteen toen we de kamer binnenstapten, maar met zoveel frisse lucht en zon was het niet erg. Nu hebben we een week regen en mist gehad en of de ramen nu open zijn of niet, de geur is er.

Hij kruipt het hele huis door.

Hij hangt in de eetkamer, hij sluipt in de zitkamer, hij verbergt zich in de hal, hij ligt me op te wachten op de trap.

Hij gaat in m'n haar zitten.

Zelfs als ik een ritje ga maken en als ik dan m'n hoofd plotseling omdraai en hem verras - dan is de geur er!

En ook zo'n speciale geur! Ik heb er uren aan besteed te proberen hem te analyseren, uit te vinden waarnaar hij ruikt.

Het is geen akelige geur - in het begin, en erg zacht, maar beslist de subtielste, vasthoudendste geur die ik ooit ben tegengekomen.

Met dit vochtige weer is het vreselijk. Als ik 's nachts wakker word voel ik hem over me heen hangen.

In het begin raakte ik er overstuur van. Ik dacht er serieus over om het huis in brand te steken – om die lucht kwijt te raken.

Maar nu ben ik eraan gewend. Het enige wat ik kan verzinnen is dat de geur zo is als de kleur van het behang! De geur geel.

Er is een erg gek spoor op deze muur, dichtbij de vloer, bij de plint. Een streep die de kamer doorloopt, hij gaat achter elk meubelstuk langs, behalve het bed, lang, recht, zelfs glad, alsof iemand hem steeds opnieuw heeft gewreven.

Ik vraag me af hoe dat is gedaan en wie het heeft gedaan. En waarom ze het hebben gedaan. Rond en rond en rond - rond en rond en rond - ik word er draaierig van!

Eindelijk heb ik echt iets ontdekt.

Door 's nachts zoveel te kijken, als het zo verandert, heb ik het eindelijk uitgevonden.

Het buitenste patroon beweegt echt - en geen wonder! De vrouw erachter schudt eraan!

Soms denk ik dat er een groot aantal vrouwen achter zit, en soms maar één, en die kruipt snel rond, en haar gekruip doet het overal schudden.

Dan, op de erg lichte plekken, houdt ze stil, en precies op de beschaduwde plaatsen pakt ze de tralies gewoon vast en schudt er hard aan.

En ze probeert de hele tijd er doorheen te klimmen. Maar niemand zou door dat patroon kunnen klimmen - het wurgt. Ik denk dat het daarom zoveel hoofden heeft.

Ze komen erdoor en dan wurgt het patroon ze en draait ze onderste boven en maakt hun ogen wit!

Als die hoofden waren bedekt of weggehaald zou het half zo erg niet zijn.

Ik denk dat de vrouw er overdag uit gaat!

En ik kan - onder geheimhouding – vertellen waarom: ik heb haar gezien!

Het is dezelfde vrouw, dat weet ik want ze kruipt altijd, en de meeste vrouwen kruipen niet overdag.

Ik zie haar op die lange laan onder de bomen, kruipend, en als er een rijtuig komt verbergt ze zich onder de zwarte-bessenstruiken.

Ik neem haar dat helemaal niet kwalijk. Het moet erg vernederend zijn om overdag kruipend te worden aangetroffen!

Ik sluit de deur altijd als ik overdag kruip. Ik kan het 's nachts niet doen, want ik weet dat John meteen iets zou vermoeden.

En John doet nu zo raar dat ik hem niet wil irriteren. Ik wou dat hij een andere kamer nam!

Bovendien, ik wil niet dat iemand behalve ikzelf die vrouw er 's nachts uitlaat.

Ik vraag me vaak af of ik haar uit alle ramen tegelijk zou kunnen zien. Maar, hoe snel ik me ook omdraai, ik kan maar uit één raam tegelijk kijken.

En hoewel ik haar altijd zie, zou ze sneller kunnen kruipen dan ik me kan omdraaien!

Ik heb haar soms ver weg gezien in het open veld, zo snel kruipend als de schaduw van een wolk bij harde wind.
Als alleen dat boven patroon maar van het onderpatroon zou kunnen worden afgehaald! Ik ben van plan het te proberen, stukje bij beetje.

Ik heb iets anders raars ontdekt, maar dit keer vertel ik het niet! Het is onverstandig de mensen te veel te vertrouwen.

Er zijn nog maar twee dagen om het behang eraf te krijgen, en ik geloof dat John het begint te merken.

Ik heb het niet op de blik in zijn ogen.

Ik hoorde hem Jennie een boel beroepsvragen over mij stellen. Zij kon een heel goed rapport uitbrengen.

Ze zei dat ik veel sliep overdag.

John weet dat ik 's nachts niet erg goed slaap, ook al ben ik nog zo rustig!

Hij vroeg mij ook allerlei dingen en deed erg liefhebbend en vriendelijk.

Alsof ik hem niet zou kunnen doorzien!

Maar ja, het verbaast me niets dat hij zo doet, gezien het feit dat hij drie maanden onder dat behang heeft geslapen.

Het gele behang gaat alleen mij aan, maar ik ben er zeker van dat John en Jennie er zonder dat ze het weten door zijn aangetast.

Hoera! Dit is de laatste dag, maar dat is genoeg.

John blijft vannacht in de stad en komt niet vóór vanavond thuis.

Jennie wou bij me slapen - het sluwe kind – maar ik zei haar dat ik ongetwijfeld meer zou uitrusten van een nacht helemaal in m'n eentje.

Dat was heel slim, want in werkelijkheid was ik helemaal niet alleen! Zodra het maanlicht kwam en dat arme mens begon te kruipen en aan het patroon te schudden, stond ik op en ging vlug naar haar toe om haar te helpen.

Ik trok en zij schudde, ik schudde en zij trok en vóór het morgen was hadden we meters papier van de muur.

Een strook tot ooghoogte en de helft van de kamer rond.

En toen, toen de zon kwam en dat verschrikkelijke patroon me begon uit te lachen, toen nam ik me voor dat ik het vandaag af zou maken!

We gaan morgen weg, en dan slepen ze al m'n meubels weer naar beneden om alles achter te laten zoals het eerst was.

Jennie keek stomverbaasd naar de muur, maar ik vertelde haar vrolijk dat ik dat had gedaan uit pure rancune over dat lelijke spul.

Ze lachte en zei dat ze er zelf ook best zin in zou hebben, maar dat ik me niet moe moest maken.

Wat verraadde ze zichzelf op dat moment.

Maar ik ben hier en niemand raakt dat behang aan behalve ik - niet levend!

Ze probeerde me uit de kamer te krijgen - het lag er te dik op! Maar ik zei dat het er nu zo rustig en leeg en schoon was dat ik erover dacht om weer wat te gaan liggen en zoveel te slapen als ik zou kunnen; en dat ze me zelfs niet voor het eten moest wekken - ik zou wel roepen als ik wakker was.

Nu is ze dus weg, en de bedienden zijn weg, en de meubels zijn weg, en er is niets meer dan dat grote vastgespijkerde bed met het canvasmatras dat we erop vonden.
We zullen vannacht beneden slapen en morgen de boot naar huis nemen.

Ik ben bepaald blij met de kamer, nu hij weer leeg is.

Wat hebben die kinderen het hier vernield!

Het bed is behoorlijk afgekloven.

Maar ik moet aan het werk.

Ik heb de deur op slot gedaan en de sleutel uit het raam op de oprijlaan gegooid.

Ik wil er niet uit, en ik wil er niemand in tot John komt.

Ik wil hem uit z'n voegen hebben.

Ik heb hier boven een touw dat zelfs Jennie niet heeft gevonden. Als die vrouw eruit komt en er vandoor probeert te gaan, dan kan ik haar vastbinden!

Maar ik vergat dat ik niet bij de bovenkant kan als ik niets heb om op te staan!

Dit bed is niet in beweging te krijgen.

Ik probeerde het op te tillen en te duwen tot ik lam was en toen werd ik zo boos dat ik een klein stukje van een hoek heb afgebeten maar het deed zeer aan mijn tanden.

Toen scheurde ik al het papier eraf waar ik bij kon terwijl ik op de vloer stond. Het kleeft vreselijk en het patroon heeft daar plezier in! Al die gewurgde hoofden en uitpuilende ogen en waggelende zwamgroeisels gillen van het lachen!

Ik word boos genoeg om iets wanhopigs te doen.


Uit het raam springen zou een bewonderenswaardige vorm van lichaamsbeweging zijn, maar de tralies zijn te sterk om het zelfs maar te proberen.

Ik zou het trouwens toch niet doen. Natuurlijk niet. Ik weet heel goed dat zo'n stap onfatsoenlijk is en verkeerd uitgelegd kan worden.

Ik heb zelfs geen zin uit het raam te kijken – er zijn zoveel van die kruipende vrouwen, en ze kruipen zo snel.

Ik vraag me af of ze allemaal uit het behang komen, zoals ik?

Maar ik ben nu veilig vastgebonden met mijn zo goed verstopte touw - je krijgt mij niet op de weg daar!

Ik neem aan dat ik vannacht terug moet naar achter het patroon, en dat is wreed!

Het is zo prettig eruit te zijn in deze grote kamer en rond te kruipen zoals ik het zelf prettig vind.
Ik wil niet naar buiten. Ik ga niet, zelfs niet als Jennie het me vraagt.

Want buiten moet je op de grond kruipen, en alles is er groen in plaats van geel!

Maar hier kan ik makkelijk over de grond kruipen, en mijn schouder past precies in die lange groef rondom langs de muur, dus ik kan niet verdwalen.

Hé, daar is John aan de deur!

Het heeft geen zin, jongeman, je kunt hem niet open krijgen!

Wat roept en bonst hij!

Nu schreeuwt hij om een bijl.

Het zou zonde zijn die mooie deur in te slaan!

'Lieve John', zei ik met mijn liefste stem, 'de sleutel ligt beneden bij de stoep, onder een weegbreeblad! '

Dat hield hem een paar minuten rustig.

Toen zei hij - erg rustig: 'Doe de deur open, liefje!'

'Dat kan ik niet!' zei ik, 'de sleutel ligt bij de voordeur onder een weegbreeblad!'

En toen zei ik het nog eens, herhaalde het, erg lief en langzaam, en ik zei het zo vaak dat hij wel moest gaan kijken, en hij vond hem natuurlijk, en kwam binnen. Hij bleef stokstijf staan bij de deur.

'Wat is er?' riep hij, 'Wat doe je in godsnaam?'

Ik ging gewoon door met kruipen, maar ik keek naar hem over mijn schouder.

'Eindelijk ben ik eruit', zei ik, 'ondanks jou en Jane. En ik heb het grootste deel van het behang eraf getrokken, zodat je me er niet meer achter kunt krijgen!'

Waarom zou die man eigenlijk zijn flauwgevallen?

In elk geval viel hij flauw, en precies dwars over mijn weg bij de muur, zodat ik elke keer over hem heen moest kruipen.

Nawoord*
Charlotte Perkins, schrijfster van Het gele behang, werd in 1860 geboren in de Verenigde Staten, in de staat Connecticut. Ze groeide op in het puriteinse New England. Haar moeder kreeg drie kinderen in drie jaar, waarvan er een overleed. Na de geboorte van het derde kind liet de vader het gezin in de steek. Charlotte zegt hierover in haar levensbeschrijving The Living of Charlotte Perkins Gilman (1935): of 'de dokters uitspraak dat nog een kind de dood van mijn moeder zou zijn, de reden was van mijn vaders vertrek of maar één van de redenen, weet ik niet.'

Haar moeder, vier jaar daarvoor nog een populair meisje met veel aanbidders, reageerde op haar nieuwe situatie van verlaten vrouw met twee peuters door zich volledig in zichzelf te verschansen en elk kontakt af te wijzen.


Toen Charlotte zestien jaar was, beschreef ze zichzelf als iemand met 'mijn moeders diep religieuze aanleg; mijn vaders intellektuele drang; een goed ontwikkelde wilskracht, afkomstig van beiden; een eigen passie voor wetenschap, voor kennis van de werkelijke wetten waaraan het leven onderhevig is; een onverzadigbare drang tot perfektie in alles.'

Toen ze zeventien was schreef ze: 'Ik ga deze winter m'n uiterste best doen om te proberen of ik niet van mezelf kan houden, zoals andere mensen doen.'

In dezelfde periode kreeg ze oog voor 'de onrechtvaardigheden waaronder vrouwen lijden.'

Na een teleurstelling in de liefde trouwde ze met Charles Stetson, een kunstenaar. Ze realiseerde zich dat ze daarmee voor een belangrijk vrouwenprobleem kwam te staan: 'een vrouw zou in staat moeten kunnen zijn te trouwen en kinderen te hebben, en ook haar werk in de wereld te doen.'

Ze zegt over haar man dat hij teder en toegewijd was, met het huishouden hielp en dat ze voor hem 'de natuurlijke seksuele aantrekkingskracht' voelde.

Niettemin 'ging er vanaf het begin iets mis': ze voelde een soort grijze wolk van binnen, 'een wolk die groter en donkerder werd.' Ze werd depressief.

Na een jaar kreeg ze een dochter en een maand na de bevalling was ze 'een geestelijk wrak'.
Ze kwam terecht bij de beroemdste 'zenuwspecialist' uit die tijd: S. Weir Mitchell in Philadelphia.

Hij kon haar niet plaatsen in een van de twee kategorieën waarin hij de slachtoffers van wat toen zenuwzwakte werd genoemd, indeelde: de kategorie zakenmannen, uitgeput van te veel werk, en de kategorie society-vrouwen, uitgeput van te veel plezier. Hij schreef Charlotte voor om zich aan haar huishoudelijk werk en haar kind te wijden, en zichzelf hoogstens twee uur per dag met intellektueel werk bezig te houden en 'uw hele leven nooit een pen of potlood aan te raken'.

Charlotte bleef een maand in Mitchells sanatorium.

Ze werd er bijna gek, schreef ze: 'ik kroop in afgelegen wc's en onder bedden om me te verbergen voor de uitmergelende druk van die diepe ellende'.

Vier jaar nadat ze getrouwd was besloten Charlotte en haar man tot echtscheiding. Dit bleek nodig. Als Charlotte bij hem weg was - ze had een reis naar Californië gemaakt, na haar ontslag uit de inrichting - voelde ze zich gezond en fit. Als ze in haar gezin was voelde ze zich depressief en moe.

Haar hele verdere leven bleef ze de gevolgen van haar instorting voelen. Uit haar eigen levensbeschrijving komt ze naar voren als een vrouw met een ijzeren wil, maar ook als iemand die steeds last had van vermoeidheid en totale futloosheid waartegen ze permanent vocht. Juist in de eerste jaren na haar huwelijk heeft ze enorm veel geschreven, gereisd en lezingen gehouden. We mogen dus aannemen dat ze haar voortdurend aangevreten energie heel efficiënt besteedde.

In 1890 ging ze naar Californië waar ze in de strijd om als vrouw-alleen ekonomies het hoofd boven water te houden, lezingen ging geven over de positie van de vrouw. De periode 1890-1894 was de moeilijkste van haar leven, vindt ze zelf. Ze moest dwars in tegen de publieke opinie, tegen regelrechte vijandigheid, als ze lezingen hield over socialisme en vrijheid voor vrouwen. Ze gaf les op scholen, ze was pensionhoudster, werkte bij kranten en hield zich tegelijkertijd bezig met schrijven en lezingen.

Ze accepteerde het dat haar ex-man met haar beste vriendin trouwde, aan wie zij de zorg voor haar kind overliet. Dit was natuurlijk koren op de molen van de publieke vijandigheid.

Midden in deze moeilijkste periode schreef ze Het gele behang. Hoewel het verhaal verzonnen is vertoont de situatie van de hoofdpersoon natuurlijk overeenkomst met de crisissituatie die Charlotte zelf had beleefd. Maar, anders dan de hoofdpersoon, ging Charlotte niet kapot maar ontworstelde ze zich aan het voor vrouwen weggelegde bestaan. Tussen 1890 en 1920 was ze een veel gevraagd spreekster in de Verenigde Staten en in het buitenland. Haar boeken werden ook in Europa veel gelezen, vooral Women and Economics, dat in zeven talen is vertaald, nog in 1966 in de Verenigde Staten werd herdrukt en dat in de jaren twintig als collegetekst aan universiteiten werd gebruikt.

Het boek is een bijtend-satiriese aanval op het sociaal-ekonomiese systeem dat vrouwen tot slaven maakt en vernedert. Ze vergelijkt vrouwen met paarden: van beide wordt de werkkracht door mannen uitgebuit. Ze vergelijkt vrouwen met koeien: De wilde koe 'heeft gezonde kalveren en melk genoeg voor hen. Dat is alle vrouwelijkheid die ze nodig heeft. In elk ander opzicht is ze meer een rund dan een vrouw. Ze is een licht, sterk, snel, spierkrachtig wezen, in staat tot rennen, springen en vechten als het moet. Wij hebben om ekonomiese redenen haar natuurlijke capaciteiten kunstmatig ontwikkeld tot melkproduktie. Ze is een wandelende melkmachine geworden, daartoe speciaal gevoerd en afgericht. Haar waarde wordt gemeten in liters'.

Charlotte viel vooral de positie-thuis van de vrouw aan. Uit Women and Economics: mannen en vrouwen hebben 'dezelfde menselijke krachten en menselijke wensen en verlangens in zich. Maar al wat zíj zou willen wensen, al wat zíj zou willen doen, moet zij door één enkel kanaal en één enkele keuze bereiken. Rijkdom, macht, sociale status, een goede naam - en niet alleen dit maar ook een thuis en geluk, respekt, ontspanning en plezier, en haar brood en boter - alles moet zij bereiken met een smalle gouden ring.' 'Door haar ekonomies onafhankelijke positie in de man-vrouw-relatie, is het sekseverschil niet alleen een middel om een man aan te trekken, zoals het dat bij alle levende wezens is, maar een middel om in haar levensonderhoud te voorzien; en dat is bij geen ander wezen op aarde het geval'.

Charlotte Gilman was niet tegen een huiselijk bestaan of tegen huishoudelijk werk. Ze vond integendeel dat in een huiselijk bestaan eigenschappen ontstonden die onmisbaar zijn voor de ontwikkeling van het menselijk ras, zoals vriendelijkheid en zorg. Maar ze vond dat de ontwikkeling van het gezin was achtergebleven bij die van andere instellingen in de samenleving. Vrouwen en kinderen beschouwde ze als gevangenen in afzonderlijke huizen, waar de vrouwen geen ekonomiese onafhankelijkheid hadden en de kinderen vaak leden.

Uit de situatie van een dominerende vader, een min of meer onderworpen moeder en een uiterst afhankelijk kind, kan alleen onrecht voortkomen. Die kans is althans veel groter dan die op rechtvaardigheid.

Tot haar voorstellen om aan deze situatie een eind te maken behoorden gemeenschappelijke keukens en crèches om moeder en kind te verlossen van de tirannie van het gezin.

Charlotte Gilman vond dat werk moest worden gerespekteerd en dat vrouwen op basis van gelijkheid aan mannen in de wereld moesten kunnen werken.

Huishoudelijk werk moet worden gerespekteerd en vrouwen moeten vrij zijn om ook ander werk te doen.

Charlotte Gilman geloofde in vooruitgang. Ze schreef een toekomstroman, Moving the Mountain, waarin vrouwen werkelijke gelijkwaardigheid met mannen hebben bereikt. Ze zag de situatie van de vrouw in de 19de eeuw als een tegenkracht tegen de vooruitgang, tegen de ontwikkeling van de

vrouw. Dat sommige mensen werden geclassificeerd als paarden of koeien of seksobjekten was niet alleen een uitholling van henzelf maar van de samenleving als geheel.

Charlotte Gilman zelf weigerde op een zijspoor te worden gezet. In 1900 trouwde zij met haar neef, George Houghton Gilman en ze ging door met werken tot de dag waarop ze haar eigen dood koos. Ze leed aan borstkanker en besloot anderen daarmee niet tot last te zijn. Ze nam chloroform en stierf, haar laatste eigen keus.
Het gele behang is een uniek werk in Charlotte Perkins' oeuvre. Hoewel ze meer verhalen schreef, en ook romans en gedichten, is geen van haar werken zo kort en krachtig, zo rijk aan verbeelding én echtheid. Ze schreef trouwens veel meer beschouwingen, die door de feministiese strijdbaarheid en de haast waarmee ze het vaak moest doen – ze werkte veel voor kranten en andere bladen - dikwijls wat dor en droog zijn. Ze schreef ontzaglijk veel. Ze gaf zeven jaar lang een eigen tijdschrift uit: The Forerunner (De voorbode). Hiervoor schreef ze de meeste artikelen zelf. Ze schatte dat dit zo'n 21.000 woorden per maand waren. Dat staat gelijk aan 28 boeken in zeven jaar.

Door haar strijdvaardige geschriften en lezingen wordt ze wel beschouwd als de belangrijkste Amerikaanse feministe van rond de eeuwwisseling.



Het gele behang werd in haar tijd niet gezien als een feministies boek, maar meer als een briljant griezelverhaal. Het kostte haar veel moeite om het gepubliceerd te krijgen. Ze stuurde het naar iemand die het doorzond naar de uitgever van The Atlantic Monthly, toen het voornaamste tijdschrift in de Verenigde Staten. Deze schreef haar het volgende briefje:
Geachte mevrouw,

Mr. Howels heeft mij uw verhaal doorgezonden.

Ik zou het mezelf niet kunnen vergeven als ik anderen even beroerd maakte als ik mezelf heb gedaan!

Hoogachtend,

H.E.Scudder
In 1892 werd Het gele behang in een ander tijdschrift gepubliceerd. Het trok veel aandacht maar riep gemengde reakties op. Een dokter waarschuwde dat zulke verhalen 'gevaarlijk spul' waren en niet mochten worden gedrukt vanwege de bedreiging die ze vormden voor de familieleden van zulke gestoorde mensen. Hij beschreef de ziekte van de hoofdpersoon uit het verhaal als erfelijk.

Mensen die het verhaal positief waardeerden beschouwden het als een 'gedetailleerd verslag van krankzinnigheid in het beginstadium'. Het heeft tot 1972 geduurd voor iemand Het gele behang in verband bracht met de strijd van vrouwen tegen hun onderdrukking.



Er is een merkwaardigheid aan Het gele behang . Aan het eind zegt de hoofdpersoon: 'Eindelijk ben ik eruit ondanks jou en Jane'. Iemand met de naam Jane komt in het verhaal niet voor. Misschien is dit een drukfout; de namen Julia en Jennie komen wel voor. Misschien bedoelt de hoofdpersoon zichzelf. In dat geval zou bedoeld kunnen zijn dat zij uit zichzelf is gekomen, dat wil zeggen aan haar door huwelijk en maatschappij bepaalde rol is ontsnapt, op de in die tijd door gebrek aan alternatieven meest voorkomende manier.

* Dit nawoord, van Elaine R. Hedges, is bij de vertaling verkort.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina