Het geslacht van der zeeuw de afstammelingen van Frans Ariëns en Catharina Everts



Dovnload 390.3 Kb.
Pagina1/4
Datum16.08.2016
Grootte390.3 Kb.
  1   2   3   4

HET GESLACHT VAN DER ZEEUW
De afstammelingen van Frans Ariëns en Catharina Everts
INLEIDING

I DE NAAM 'VAN DER ZEEUW'


Ebeling (1) onderscheidt een aantal types achternamen, waaronder afstammings- en herkomstnamen. Een typische afstammingsnaam is bijvoorbeeld Janssen, wat oorspronkelijk Janszoon geweest is. Een typische herkomstnaam is Van Zeeland. De naam Van der Zeeuw kunnen we m.i. zien als een tussenvorm, een niet-specifie­ke afstammingsnaam: ­aan het begin van de keten staat iemand, die door zijn waarschijnlijk niet-Zeeuwse omgeving als 'Zeeuw' werd gekarakteriseerd. Waar deze niet-Zeeuwse omgeving was, is giswerk. De streek rond Rotterdam (ruim genomen) lijkt een goede kans te maken. Niet alleen vinden we daar de vroegste vermeldingen van de naam Van der Zeeuw, ook De Zeeuw komt zeer veelvuldig juist in dat gebied voor, met name op wat in die buurt 'de eilanden' heet. In deze beschouwingswijze is er maar een klein verschil in betekenis tussen beide namen: De Zeeuw 'is' een Zeeuw, Van der Zeeuw stamt af van een Zeeuw. Het is interes­sant, dat in het Hollandse spraakgebruik van de 17e eeuw de term 'Zeeuw' ook veel werd gebruikt voor Vlamingen: in één van de huidige families Van der Zeeuw gaat het verhaal, dat de stamvader uit Vlaanderen kwam ! Namen die op soortge­lijke wijze als Van der Zeeuw zijn opgebouwd uit 'van' + een (verbogen) lid­woord, worden door Ebeling apart behandeld (1, p. 121). Hij merkt daarbij op, dat al heel vroeg de grammaticale betekenis van het verbogen lidwoord verdwijnt, en het geslacht van het basis­woord in de naam (hier dus Zeeuw, eenduidig mannelijk) niet meer bepalend is voor de verbuigingsvorm van het lidwoord. Zo kan hier zonder problemen het vrouwelijke 'der' optreden. Dat het geen 'den' is geworden (mannelijke 3e naamval), zou een kwestie van welluidendheid of uit­spreekbaar­heid kunnen zijn geweest. Hoewel het een vrij 'grote' naam is, komt 'Van der Zeeuw' vergele­ken bij 'De Zeeuw' als achternaam relatief zelden voor. De 17e-eeuwse autori­teiten maakten tussen 'de' en 'van der' geen ver­schil, getuige de hieronder aangehaal­de onder­trouwin­schrij­ving van Claes Fransz van der Zeeu, waarin zijn broer Ary Fransz de Zeeu als getuige voorkwam.
II VROEGE VERMELDINGEN
In Rotterdam werd op dinsdag 21 augustus 1668 Lysbeth gedoopt, dochter van Baertirel Caspert van der Seeu en zijn vrouw Trintgen Dirckx van der Seeu. In de klapper 'Gereformeerd, rest' in Rotterdam is op 7 november 1688 de doop te vinden van Johannes, zoon van Jacobus van der Zeeuw en Gerritje van Machteloo. Het betreft hier twee zeer vroege vermel­dingen, wat aangeeft dat de naam dus toen al werd gebruikt. Van enige familierela­tie met 'ons' is overigens niets bekend: verdere vermeldin­gen van deze echtparen of hun kind(eren) zijn niet gevonden.
III TWEE GOUDSE PIJPMAKERS IN LEIDEN
Op 19 december 1693 onder­trouwde in Leiden Ary Franse de Seeu, afkomstig uit Gouda, pijpmaker in de Cathalijnesteeg, met Mary Lambert­se. Op 6 augustus 1694 onder­trouwde eveneens in Leiden zekere 'Claes Fransz van der Zeeu, pijpma­ker, jongman van Leyden in de Catalynesteeg' met Marytje van der Horst, waarbij de bruidegom werd geassisteerd door 'Ary Fransz de Zeeu, sijn broeder mede aldaer'. Zoals later zal blijken, zijn beide broers geboren in Gouda, en op een onbekend moment, mogelijk met hun ouders, naar Leiden verhuisd.
Het waarschijnlijk nu nauwelijks meer te vinden boekje over de Leidse pijpma­kers in de 17e en 18e eeuw (2) bevat een interessante beschrijving van de opkomst en ondergang van het ambacht en het Gilde. Uit het onderzoek van de auteurs is komen vast te staan, dat het Leidse Pijpma­kersgilde in 1693/94 al niet meer bestond, en dat het ambacht in feite op sterven na dood was. Een van de oorzaken daarvan was, dat de Goudse pijpmakers kans hadden gezien, het recht van eerste keuze uit de aangevoerde pijpaarde te verwerven, waardoor Leiden (en andere Hollandse plaatsen) in feite alleen maar tweede kwaliteit pijpen konden leveren. In een (onvolledige) lijst van Leidse pijpmakers, opgemaakt aan de hand van beroepen die genoemd worden in de onder­trouwgegevens, worden als laatste en voorlaatste genoemd Claes Franse van der Zeeuw en Ary Franse de Seeu, beiden in de Cathalijnesteeg. Waarschijnlijk behoorden beide broers tot de laatste pijpmakers in de stad, en het is bepaald niet zeker dat zij hun vak ook actief hebben uitgeoe­fend. Claes verdween na zijn huwelijk al spoedig uit Leiden om in zijn geboorte­stad Gouda weer op te duiken, en Ary wordt bij verschillende gelegenheden later als sjouwer of opperman vermeld. De vraag doet zich voor, waarom twee pijpmakende broers uit Gouda, waar het vak sterk in opkomst was, uitgerekend naar Leiden verhuisden, waar hun een zeer onzekere toekomst wachtte. Een afdoend antwoord hierop is niet mogelijk. Het is echter interessant, dat in 1671 in Leiden een pijpmaker Hendrik de Seeu overman (bestuurslid; deze werden jaarlijks gekozen) van het Gilde was (2). Van hem is verder niets bekend, behalve (wel­licht) zijn begrafenis: een Hendrik de Seeu werd tussen 10 en 17 april 1697 in Leiden begraven. Zou Hendrik misschien een familielid (oom ?) van de broers zijn geweest, wiens nering door hen zou worden overgenomen?
IV HET VOORGESLACHT VAN ARY FRANSE DE SEEU EN CLAES FRANSZ VAN DER ZEEU
1. Hun ouders.
T.t.v. mijn eerste publicatie in 1986 was de herkomst van de broers nog onduide­lijk. Volgens de Leidse ondertrouwboeken was Ary afkomstig uit Gouda, maar onderzoek daar leverde in eerste instantie niets op. Hij bleek niet te vinden in de (gereformeerde) doopboeken van de Sint-Jan, noch in de katholie­ke registers. Ook omtrent zijn ouders was aanvankelijk niets bekend. De enige aanwijzing was het optreden van ene Kathalijntgen Everts als doopgetuige bij de doop van twee van Ary's kinderen, Aaltgen en Frans, in Leiden. De eventuele familiere­latie tussen Ary en zijn doopgetuige was onduidelijk, maar gezien haar aanwezig­heid bij de doop van de kennelijk vernoemde Frans postuleerde ik voor mijzelf dat zij Ary's moeder zou kunnen zijn. Jaren later, en veel ervaring in genealogisch onderzoek rijker, vond ik Ary en zijn broer Claes in de Goudse remonstrantse doopregisters: Gouda was in hun tijd een remonstrants bolwerk, wat ik me niet had gereali­seerd. Beiden bleken kinderen te zijn van Frans Aryens en Cataryna Eve... (onlees­baar), resp. Catalintgen (zonder achternaam of patro­niem). Ary was gedoopt op 27 oktober 1665, Claes op 8 december 1673. Het eerste kind dat van dit paar is gevonden was een Evert (gedoopt 23-9-1662), het jaar dat de remon­strantse doopregisters beginnen, en het is dus zeker mogelijk dat er daarvoor ook nog een of meer kinderen zijn geweest. Ook de eerste Evert is trouwens niet oud geworden: op 16-3-1672 werd de tweede Evert gedoopt. Het huwelijk van Frans Aryens en Cataryna Eve... is niet gevonden. Verdere gegevens over het ouderpaar van Ary Franse zijn in Gouda nauwelijks te vinden. Wel woont bij de registratie voor het familiegeld in 1674 een 'Frans Aryens met vrou ende twee kinde­ren, onvermogend' aan de Nieuwe haven Zuijtsijde. Indien dit hetzelfde paar is, wat gezien de zeldzaam­heid van deze combinatie van voornaam en patro­niem in het Gouda van die tijd wel waar­schijn­lijk is, betekent dit dat ook de tweede Evert overleden was (Claes was immers in leven). Het feit dat Frans Aryens niet zelf getuigde bij de doop van zijn vernoemde klein­zoon doet vermoe­den, dat hij toen (10 augustus 1698) reeds overleden was. Zijn begrafenis (eventueel als Frans de Seeu o.i.d.) is in Gouda niet gevonden. Dit geeft enige grond aan de veronder­stelling, dat het gehele gezin (om welke reden dan ook) naar Leiden was 'geëmi­greerd'. Inderdaad blijkt tussen 21 en 28 maart 1693 in Leiden een 'Frans Arisz' te zijn begraven, bovendien de enige man met een dergelijke naam die in de ruim genomen periode tussen 1677 en 1710 in de begraafboeken te vinden is. Cathari­na Everts moet in 1698 nog geleefd hebben, en in overeenstem­ming hiermee vinden wij in Leiden de begrafenis van een Cathalina Everts tussen 27-9 en 4-10-1710; zij was tevens de enige vrouw met een dergelij­ke naam die begraven is tussen 1698 en 1720. Duidelijk moet worden gesteld dat hetgeen in deze alinea naar voren is gebracht hooguit een aanwijzing is, zeker geen solide bewijs, voor de emigratie van het hele gezin van Frans Aryens naar Leiden. Wanneer we niettemin aannemen dat deze verhuizing heeft plaatsgevonden, blijft de reden daarvan duister. Wel is het duidelijk, dat verhuizing van een Goudse pijpmaker(sfamilie) naar Leiden op het eind van de 17e eeuw niet voor de hand lag, zie hiervoor Sectie III van dit verslag.
Wat kunnen we nu nog zeggen over de verdere afstamming van Ary Franse de Seeu ?

Het is nuttig op dit moment duidelijk te stellen dat deze kwestie waarschijnlijk niet geheel op te lossen is. Daarvoor is een aantal redenen, hieronder in willekeurige volgorde behandeld. Ten eerste weten we niet, of Ary's ouders en grootouders al geboren Gouwenaars waren. Indien dat wel het geval was, en Ary's grootouders, dus de ouders van vader Frans Aryens, waren remonstrants, is de zaak hopeloos wegens het ontbreken van archiefgege­vens. Waren zij niet remon­strants maar 'gewoon' gereformeerd of katholiek dan is er een kans, die echter zeer wordt verkleind door de volgende reden: in de eerste helft van de zeven­tiende eeuw werden patroniemen en 'achter­namen' nogal wille­keurig en door elkaar gebruikt en er is geen enkele aanwijzing t.a.v. het patroniem van Frans Aryens' vader. Vervolgens hebben we te maken met een arbei­dersfamilie die niet tot de aanzienlijken of welgestel­den behoorde, waardoor bijvoorbeeld in notariële archieven weinig of niets omtrent hen te vinden is. Ten slotte ontbreekt in Gouda bij alle kerkelij­ke denomina­ties vrijwel altijd vermelding van onder­trouw­getuigen, die juist bij onderzoek naar familie­relaties vaak bij uitstek nuttig zijn. Niettemin wordt hieron­der een moge­lijkhei­d nader onderzocht. Als werkhypo­these heb ik gebruikt, dat Ary's vader en wellicht grootvader van vaders kant eveneens pijpmakers kunnen zijn geweest, omdat ambachten vaak overerf­den. Dan duikt de naam op van de Goudse pijpmaker Aryen de Seeu.


2. Aryen Tobiasz de Seeu, metselaar en pijpmaker in Gouda.
Op 24 juni 1636 bewijst zekere Aryen de Seeu, tabacxpijpmaker te Gouda, aan zijn 3 minderjarige dochters Leentgen, Pietertgen en Jannetgen het erfdeel (6 Carolusguldens elk) van hun kort tevoren (vermoedelijk op 8 of 9 maart 1636) overleden moeder Neeltge Wouters (3). Een dergelijke verklaring wijst in de regel op een aanstaand volgend huwelijk van de overlevende echtge­noot. Gezien het oorspronkelijke beroep van Ary Franse de Seeu is het verleide­lijk om in diens vader Frans Aryens een kind uit zo'n volgend huwelijk van Aryen de Seeu te zien: 'dynastie'-vorming. De vraag is nu of dit te bewijzen of in elk geval aannemelijk te maken is. Wie waren Aryen de Seeu en Neeltgen Wouters ? Onder de ingang De Seeu o.i.d. of via voor de hand liggende patroniemen als Aryens, Fransz en Claesz is hun huwelijk niet te vinden. Wel vinden we onder de ingang Neelke Wouters een huwelijk tussen 'Aryaan Tobiasz, jongman van Vlissingen (!!), woonende in de Noot­godtsteech' en 'Neelke Wouters, jongedochter van Haestrecht woonende op de Haven'. De ondertrouw vond plaats in de toen al gereformeerde Sint Jan op 18 februari 1623. Bij de verdere identificatie bood het register van het Hoofdgeld 1622 uit­komst. Daaruit blijkt dat een Neeltgen Wouters, van Haast­recht, deel uitmaakte van het huishouden van Lysbeth Wouters, van Haast­recht en Wouter Cornelisz op de Oostzijde van de Haven (4). De familie­relaties in dit huishou­den worden niet duidelijk; mogelijk betreft het een vader met twee dochters. Nog interes­santer is de aanwezigheid van Aryen de Seeu, 'slaper' (kostganger) in een huishou­den in de Noodtgodtsteech (5). De enige andere Aryen die op dat moment in de Noodtgodts­teech woonde was een Aryen Claesz, die echter gezinshoofd was. We kunnen dus gevoeglijk aannemen dat de uit Vlissingen afkomstige Aryaan Tobiasz te identifi­ceren valt met de tabakspijpma­ker Aryen de Seeu. Dit is ook goed te rijmen met het feit dat Aryaan Tobiasz voor zijn huwelijk als kostgan­ger in andermans huis leefde. Verder vinden we nog steun in de gerefor­meerde doopgege­vens die van twee van de kinderen van Neeltge Wouters bekend zijn (er waren er zeker meer, zie ref. 3 !):
28-03-1629 Geertjen, d.v. Arien de Seeu en Neeltgen Wouters, getuige Grietjen

Ariens.


21-07-1634 Jannetgen, d. v. Aerien Tobiassz en Neeltge Wouters. Geen getuigen.
Vervolgens kunnen we ook nog 'Aryen de Seeu, metselaer', wiens kind op 28 mei 1623 werd begraven, identiek verklaren met de pijpmaker Aryen de Seeu: er is een schuldbekentenis bekend van 'Arien Thobiasz, metselaer' dd. 9 oktober 1626 (6).

Het is interessant op te merken, dat we hier de 'geboorte' van een geslachts­naam zien: een directe verwijzing naar de Zeeuwse afkomst. De pijpmaker Aryen de Seeu was dus eerder in zijn leven ook metse­laar, en het begraven kind was kennelijk de eerstgeborene uit zijn huwelijk met Neeltge Wouters. Op 28 juni 1636 (dus 4 dagen nadat 'Aryen de Seeu' zijn dochters hun moeders erf­deel had bewezen) vinden we in de ondertrouwregisters:

'Adriaen Tobiasz wed(uwenaer) van der Goude woonende in de Peperstraat

met


'Grietge Jans j(onge)d(ochter) van der Goude woonende op de Haven'
Uit dit huwelijk zijn de volgende gereformeerd gedoopte kinderen gevonden :
22-10-1638 Maritgen d.v. Ariaen Tobiasz en Grietjen Jansdr. Getuigen Neeltgen

Jansdr. en Leentgen Jansdr.

25-10-1641 Neeltge, d.v. Arien Tobias en Grietge Jans. Get. Joris Bosbeek en

Annichin Jans.

25-12-1643 Tobias z.v. Adriaen Tobiasz en Grietge Jans. Get. Jan Joosten en Lijntge Jans.

28-01-1646 Helena, d.v. Arien Tobiasz en Grietgen Jans. Get. Jan Joosten en

Mees Cornelisz.

08-02-1647 Aeltgen, d.v. Arien Tobiasz en Grietgen Jans. Get. Neeltgen

Heyndricx.
Een Frans vinden we hier niet bij. Gezien de doopda­tum van zijn eerstbekende, maar mogelijk niet eerste, kind Evert (23-9-1662) zou Frans geboren kunnen zijn rond 1636/37, maar waarschijn­lijk niet later dan 1642. Wanneer men de onder­trouwda­tum van Arien Tobiasz en Grietgen Jans en de doopda­tum van Maritgen vergelijkt, en zich bovendien realiseert dat bij huwelijken in de kringen waaruit Arien Tobiasz voortkwam, de bruid in zeer veel gevallen al in verwach­ting was, is het niet onwaarschijnlijk dat voor Maritgen nog een kind is geboren. Een Frans zou daar keurig passen, maar aangezien hij niet gevonden is, moeten we concluderen dat een relatie tussen Ary Franse de Zeeu en Aryen Tobiasz de Seeu niet te bewijzen valt, en dus ook niet in de genealogie mag doorklinken. Arien de Seeu werd op 10 augustus 1648 begraven in een eigen graf bij de Sint Jan in Gouda.
V CLAES FRANSZ VAN DER ZEEU EN ZIJN MOGELIJKE NAKOMELINGEN
Hoewel de thans levende naamdragers voor zover na te gaan valt alle afstammen van het echtpaar Ary Franse de Seeu/Mary Lamberts, heeft er wellicht wel een tak bestaan die afstamde van Ary's jongere broer Claes. Na zijn ondertrouw in Leiden met Marytje van der Horst op 6 augustus 1694 verdwijnt Claes Franse van der Zeeu met zijn gezin geheel uit de Leidse papie­ren. In het Goudse Weeskamerboek komt een stuk voor (7), waarvan de essentie hieronder wordt weergegeven.
Claes Fransz van der Zeeuw

Op huyden den 20en October anno xvii honderd en twee compareerden ter Weeskamer Claes Fransz van der Zeeuw, wed(uwnaa)r wijlen Marritje Jans van Rozendael ter ene, Joost van der Put en Cornelis Ton als vooghden over Catarina Claes van der Zeeuw, oud 5 jaren, naergelaten weeskind van de voorschreve Marritje Jans van Rozendael zaliger, bij de voornoemde Claes Fransz van der Zeeuw geprocreert, ter andere zijde:



Ende heeft d'eerste Comparant, met consent ende ten overstaen van de voorschreve vooghden sijn voornoemde weeskind - bewesen voor der selver Moederlijcke erffenisse de somme van eene gulden elfs stuiver, acht penn(ingen) tot veertigh grooten den gulden gerekent.... enz.
Op 22 oktober 1702 ondertrouwden 'Claas Franse van der Zeem (!), weduwnaar van Maria Jans van Rosendaal in de Hoofdsteegh' en 'Geertruyd Willems, weduwe van Claas van der Smalle'. Maria Jans van Rosendaal ('Marritje Jans, huisvrouw van Claes Jans Zeem (!)') was kort tevoren op 4 juli 1702 overleden. De combinatie van voornaam, patroniem en toch zeldzame achternaam maakt het zeker dat Claes Fransz van der Zeeu (Leiden) en Claes Fransz van der Zeeuw (Gouda) één en dezelfde persoon zijn. De voornaam Catarina van zijn dochter zou een vernoeming naar de moeder van Ary en Claes kunnen zijn. Minder duidelijk is een verband tussen Marytje van der Horst (Leiden) en Marritje Jans van Rozendael (Gouda). Marytje werd bij haar ondertrouw met Claes in Leiden bijgestaan door een bekende, een zeker teken dat haar naaste bloedverwanten hetzij waren overleden, hetzij elders woonden. Dat Marytje 'van Leyden' was, zegt niets. Zij zou zeer wel uit Gouda afkomstig kunnen zijn (Rozendaal was een buurtschap bij Gouda). Claes was immers ook 'van Leyden', maar kwam in werkelijkheid ook uit Gouda. Marytje van der Horst en Marritje Jans van Rozendael zouden zeker dezelfde kunnen zijn. Een ernstig nadeel bij het vinden van de oplossing is het feit dat het ouderlijk gezin van Claes en Ary remon­strants was. Attestaties (bewijzen van goed gedrag, die lidmaten van een kerk bij verhuizing meekregen om in hun nieuwe woonplaats aan het Avondmaal te kunnen deelnemen) zijn van de remonstrantse kerken in Gouda en Leiden niet overgeleverd, en er is dus geen registratie aanwezig van de verhuizing Gouda ---> Leiden, en evenmin van de terugkeer van Claes en zijn gezin naar Gouda. Uit het huwelijk van Claes Fransz van der Zeeuw en Geertruyd Willems is een zoon bekend. Op 1 juli 1703 werd 'Jacobus, zoon van Nicolaes Frans en Geertruyt Willems' in Gouda gedoopt. Verder zijn zowel Claes, als zijn vrouw en zoon spoorloos. Interessante gegevens die op Jacobus betrek­king ZOUDEN KUNNEN hebben, zijn te vinden in het Archief in Rotterdam. Alvorens hierop in te gaan, moet ik opmerken dat door de interpretatiemoeilijkheden van oud schrift in de Rotterdam­se klappers op de Doop-, Trouw- en Begraafboeken veelvuldig verwisseling is opgetreden tussen De Leeuw en De Zeeuw, zelfs in die mate, dat in de klappers daarvoor wordt gewaarschuwd. Deze verwisseling heb ik ook geconsta­teerd voor het geval Van der Leeuw/Van der Zeeuw. De in de nu volgende alinea vermelde gegevens zijn daarom met uiterste zorgvuldig­heid op spelling in de oorspronke­lijke stukken gecontroleerd.
Op 10 november 1722 ondertrouwden in Rotterdam Jacobus van der Leeuw en Johanna Niesbet. Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
naam doopdatum (NG) ouders
Adrianus 21-10-1723 Jacobus van der Leeuw, Johanna Niesbeth

Adrianus en Geertie 15-11-1725 Jacobus van der Leeuw, Johanna Niesbet

Willemijna 22-02-1728 Jacobus van der Zeeuw, Johanna Niesbit

Maria 16-04-1730 Jacob van dr Seeuw, Johanna Niesbet

Wilhellemis 26-10-1732 Jacobus van der Zeeuw, Johanna Niesbet

Jacob 30-05-1735 Jacob van der Leeuw, Johanna Niesbit

Johannis 19-11-1737 Jacobus van der Leeuw, Johanna Niesbit
Van dit gezin zijn nog de volgende gegevens gevonden:
- Anna Niesbet, vrouw van Jacob van der Leeuw, stierf op 8 mei 1741 en liet 5

minderjarige kinderen na.

- Maritje van der Zeeuw stierf op 28 december 1764 in het Armhuis.
Als laatste opmerking m.b.t. de afstamming van Jacobus van der Z/Leeuw moet nog geconstateerd worden, dat de naam Claes onder zijn kinderen opvallend afwezig is ('Geertie' zou op Geertruyd Willems terug te voeren zijn). Een relatie Claes Fransz van der Zeeuw/Jacobus van der Z/Leeuw is dus op zijn best 'niet bewezen'.
VI ARY FRANSE DE ZEEU EN ZIJN NAGESLACHT.
1. Ary Franse en zijn gezin.
Het Leidse Kerkelijke Ondertrouwregister bevat op 19 december 1693 de volgende inschrijving (de gebruikelijke afkortingen uitgeschreven, interpunctie van mij):
Ary Franse de Zeeu pijpm(aker), jongm(an) van Gouda, wonend in de Cathalij­- nesteegh, &glt (= vergeselschapt) met Jan Centeur sijn bekende mede aldaer

ende


Mary Lamberts jonged(ochter) van Leyde, wonend als boven, &glt met Angeniet

Jans haer suster (= hier waarschijnlijk schoonzuster) in de Zionsteegh.


Het was gebruikelijk, dat bruid en bruidegom indien mogelijk bij hun ondertrouw bijgestaan werden door naaste familieleden. Voor de bruidegom was dat in het algemeen zijn vader. Dat dit hier niet gebeurde, kan de in Sectie IV-1 gegeven hypothese steunen: 'Frans Arisz' was 9 maanden voor het huwelijk van Ary Franse de Zeeu begraven. Het echtpaar kreeg 6 kinderen: Fytje, Aaltje, Frans, Helena, Lambert en Ary. Fytje en Helena zijn in verdere stukken niet terug te vinden, en zijn waar­schijnlijk jong gestorven. Aaltje trouwde tweemaal, en stierf in 1748. Hoe het de drie jongens verging, wordt hieronder behandeld. Hierboven is al opgemerkt, dat het onzeker is of Ary zijn vak van pijpmaker werkelijk heeft uitgeoefend. Wel kan hij het 'part time' hebben gedaan, wat regelmatig voorkwam (2). In latere stukken is hij in elk geval niet als pijpma­ker vermeld. Zo wordt hij, als in 1717 na het overlijden van Mary Lamberts haar beide broers Lambert en Jan als voogden over haar nagelaten minderjarige kinderen Frans, Lambert en Ary* worden aangesteld, in de desbetreffende akte (8) aangeduid als 'opperman'. Na de dood van Mary hertrouwde Ary in 1718 met Maria de Vos, een weduwe. Ary Franse de Zeeu stierf in 1745 en werd tussen 26 juni en 3 juli van dat jaar als 'Ary de Seeuw' op het Bolwerk begraven. Hij was bijna 80 jaar oud, een zeer respectabele ouderdom voor die tijd.
2. De volgende generaties.
2.1 Frans (IIIa).

Frans trouwde in 1722 met Catharina Kuylen. Haar naam vinden we bij verschillen­de andere gelegenheden ook gespeld als Kuylingh, Keulen, van Keulen en zelfs een keer als Schuyl. Het is niet duidelijk hoeveel kinderen dit paar heeft gekregen. In de doopboeken zijn alleen Arie en Hendrik terug te vinden. Vermoedelijk is er ook nog een Lambert geweest, die in 1749 is overle­den. Met zekerheid heeft er ook nog een Sibilla bestaan. Zij trad (als 'Cibelle­tje') samen met haar broer Hendrik op als getuige bij de doop van vijf van de kinderen van Arie. Zij overleed in 1810 in het Hofje op de Papengracht op 78-jarige leeftijd, en moet dus rond 1732 zijn geboren. Het ligt voor de hand dat tussen Arie en Sibilla nog meerdere kinderen zijn geweest. Gezien de in die tijd strak gehanteerde vernoe­mingsschema's zou men zeker nog een Mary of Maria hebben verwacht (naar groot­moeder Mary Lambertse). Als men de onzekerheid m.b.t. het kindertal van dit echtpaar vergelijkt met de volledigheid van de gegevens die omtrent de kinderen van Ary (IIIb, zie verderop) beschikbaar zijn, zou men kunnen concluderen dat Frans en Catharina wellicht wat 'slordig' zijn geweest bij de registratie van hun kinderen (doop was niet verplicht, en werd vaak nagelaten of uitgesteld vanwege de kosten van doopmaal enz.). Een andere mogelijkheid is, dat zij gedurende een aantal jaren elders hebben gewoond. Voor het verdere wedervaren van het geslacht Van der Zeeuw is dit overigens niet van belang. Alleen Arie en Hendrik zouden kinderen krijgen, en zo de stamvaders worden van de twee hoofd­takken. Van beide takken zijn nakomelingen in leven, waarbij die van Arie het tal­rijkst zijn.


2.2 Lambert (IIa-5).
Deze middelste zoon van het stamouderpaar is ongehuwd gebleven. Hij stierf in 1770. Zijn enige met zekerheid bekende officiële optreden is als getuige bij het huwelijk van zijn oomzegger Ary (IVc).
2.3 Ary (IIIb) en zijn zoon Ary (IVc).
De jongste zoon van het stamouderpaar tenslotte was een droevig lot beschoren. Hij overleefde zijn eerste en derde vrouw, en scheidde na een kort huwelijk van de tweede (die de in dit verband merkwaardige naam Jannetje Vileyn droeg). Van de in totaal 12 kinderen die hij van zijn eerste en derde vrouw kreeg is er maar één, Ary jr. (IVc), volwassen geworden. Van één meisje, Maria (IIIb-8), is het lot onbekend. Alle andere kinderen stierven zeer jong. Vermoedelijk is vader Ary tegen zoveel ellende niet opgewassen geweest. Toen Ary jr. in 1762 wilde trouwen, moest hij daarvoor namelijk toestemming vragen aan het Gerecht. Uit de desbe­treffende akte (9) blijkt, dat Ary sr. in het voorjaar van 1762 op de boot naar Oost-Indië was gestapt. Zijn verder lot wordt te bestemder plaatse beschreven.
* Meerderjarigheid werd in die tijd in de regel op 25-jarige leeftijd of door huwelijk bereikt. Aaltje was door haar huwelijk (ondertrouw 17-10-1715) met Simon van Ree formeel meerderja­rig geworden, waarmee de laatste tevens automatisch haar voogd was (vrouwen kwamen bij huwelijk onder voogdij van hun man). Voogden van minderjarige kinderen kwamen altijd uit de familie van de overleden ouder.

Bij het huwelijk van Ary jr (IVc) met Maria van Ree trad oom Lambert (IIa-5) op als getuige. Het jonge paar kreeg in Leiden 2 kinderen, Sophia (naar Ary's moeder Fytje Godenius) en Ary (IVc-2, 1764). Op 4-7-1761 verhuisde Maria van Ree alleen naar Haarlem. Zou zij genoeg hebben gehad van haar man en kinderen ? Op 21-4-1766 vertrokken Ary en zijn beide kinderen ook naar Haarlem, wat kennelijk tot een gezinshereniging leidde, en op 15-12-1766 werd in Haarlem hun derde kind Pieter gedoopt. Er is in Haarlem ook een 'Acte van Indemniteyt' bewaard gebleven (10), waarin 'Meester en Regenten van Huysar­men tot Leyden' beloven 'Ary van der Zee en zijn twee kinderen Sophia en Ary' weer in Leiden op te nemen, mochten zij in Haarlem tot armoede vervallen. Ary (IVc) overleed op 28 februari 1767, pas 30 jaar oud, drie dagen later gevolgd door zijn zoon Pieter. In de Doodboeken van Haarlem (waarin de betaalde begrafenissen werden opgetekend) vinden we hen niet terug. In de Haarlemse 'Puiboekjes' echter worden zij wel, met leeftijd en al, vermeld als 'Ary de Zeeuw' en 'kind van Ary de Zeeuw'. Waarschijnlijk betekent dat, dat zij 'pro deo', van de armen, begraven zijn*. Na het overlijden van Ary en Pieter ont­breekt elk spoor van Maria van Ree en haar kinderen Arie en Sophia van der Zeeuw. Vrijwel zeker is deze tak uitgestorven.


VII SOCIALE STATUS, BEROEPEN, MOBILITEIT
De eerste generaties van het geslacht waren overwegend werkzaam in de toen nog belangrijke Leidse textielindustrie, en men vindt beroepen als 'lakenwerker', 'baaywerker', 'spinder', 'vagteplotersknegt' en (voor vrouwen) 'dubbelaarster'. In de eerste helft van de 19e eeuw vonden veel naamgenoten een bestaan in de tuinderij als 'warmoeziersknegt'. Vrijwel iedereen was werkzaam in over het algemeen vrij laag in aanzien staande dienstbetrekkingen. Eén van de eerste uitzonderingen op die regel was Jan (Vd), die een zelfstan­dig bestaan opbouwde als 'ruimer': hij hield zich bezig met het tegen vergoeding (meestal door een executeur-testamentair of notaris betaald) leegruimen en ordenen van de boedels van overledenen. Soms assisteerde hij dan ook bij het veilen van zulke boedels. Zo ontving hij bijvoorbeeld op 15 juli 1817 van notaris Hubrecht voor ruimers­werk 4 gulden 12 stuivers en voor 'het schikken der meubelen en oppassen tijde van het sien derselve' f. 18,- (11). Zelf kocht hij op zo'n veiling ook wel eens iets. Zo schafte hij zich in 1812 (N.B. de Franse tijd) 'agt stoelen' aan voor 4 franc 20 centimes, zijnde 2 gulden. Op middelbare leeftijd kon hij zich op bescheiden schaal met huisjesmelkerij bezighouden, en na zijn overlijden in 1827 was er zoveel te verdelen, dat er een akte van erfgenaamschap moest worden opgemaakt. In een familieraad werd Jans broer Hendrik (Ve) benoemd tot toeziend voogd over de minderjarige kinderen (12). De betrekkelijke welvaart van Jan deelde zich overigens niet mee aan zijn kinderen (behalve uiteraard de erfenis). Allen bleven werkzaam in beroepen als sjouwer, metselaar, e.d.
Dat men soms in onze ogen ongebruikelijke stappen nam om zijn gezin te onderhou­den, blijkt uit het verhaal van Arie (VIc). Op 31 december 1813 sloot hij een remplaçantencontract met een zekere Louis Cornet. Deze was in dienst van de rijke Leidse zeepfabrikant Van Bommel, wie het kennelijk wel wat waard was zijn werknemer uit de dienst te houden. Volgens het contract ontving Arie voor zijn handtekening f. 50,-. Indien Louis Cornet zou inloten (wat dus zou betekenen dat Arie in zijn plaats in dienst zou moeten), zou Cornet (lees: Van Bommel) zijn plaatsvervanger een bedrag van 4 gulden 12 stuivers betalen per week werkelijke diensttijd. Bij definitief ontslag uit de dienst zou Arie, of indien hij in diensttijd overleed zijn weduwe, nogmaals f. 50,- ontvangen (13).
Gedurende de 18e eeuw bleven verreweg de meeste afstamme­lingen van Ary Franse en Mary in Leiden wonen, met als belangrijkste uitzondering Ary (IVc), die in de vorige Sectie is behandeld. Verder valt nog op te merken dat achter-achterklein­-
* In de Puiboekjes komen zij zelfs tweemaal voor, nl. op 28 februari en 28 maart 1767. Dat het hier een dubbele vermelding betreft, blijkt ook uit het feit dat zij in beide vermeldingen dezelfde 'collega' hadden, nl. een zekere Kors Mulder.
dochter Maria (Va-2, geboren in 1767) op 14 mei 1786 met attestatie van de

Gereformeerde kerk naar Amsterdam vertrok. Daar trouwde zij in 1795 met de

weduwnaar Ludovicus Roelands. Zij stierf in Amsterdam in 1809. In de 19e eeuw

werd men wat mobieler, en zochten sommige naamgenoten hun heil buiten Leiden. Zo zijn in de loop der tijd ontstaan:


Een tak Tiel, met verdere vertakkingen naar Rotterdam en Schiedam, afstammende van Ary (IVa).

Een tak-Rotterdam, met verdere vertakking naar o.a. Utrecht, afstammende van Hendrik (IVb).

Een vijftal takken Den Haag, w.v. twee afstammende van Ary (IVa) en drie afstammende van Hendrik (IVb).

Een tak Gouda-Boskoop-Groningen, afstammende van Hendrik (IVb).

Een tak Amsterdam, afstammende van Ary (IVa).

Een uitgestorven 'zwerverstak', afstammende van Hendrik (IVb).


Enkele leden van de Tielse tak waren werkzaam als sigarenmaker, en verwerkten de inheemse tabak, die tot na de Tweede Wereldoorlog op vrij uitgebreide schaal op de Gelderse zandgronden werd geteeld. Enkele anderen waren 'forceur', d.w.z. dat zij in de in Tiel (toen nog) gevestigde tinindustrie tinnen voorwerpen uit plaattin persten.
VIII ENIGE NIET-PLAATSBARE NAAMGENOTEN
- In Sectie II is al gewezen op de echtparen Baertirel Caspert van der Seeu/

Trintgen Dirckx van der Seeu en Jacobus van der Zeeuw/Gerritje van Machteloo.


- In september 1725 vestigde zich in Gouda Krijntje Jans van der Zeeuw, huis­- vrouw van Willem van der Star, met attestatie uit Zwammerdam. In het origine­le trouwboek van Zwammerdam (Rijksarchief in Zuid-Holland) vinden we op 16 maart 1725:

Willem van der Star, weduwenaer van Maria Leenderts de Jong, met Krijntje

Jans van der Zeeuw, weduwe van Gerrit Jansz Nieuwerkerk, beyde wonende tot

Swammerdam.'

Het vermoeden bestaat echter, dat het hier iemand betreft met de naam De Zeeuw.
- Op 11 april 1819 vestigde zich in Gouda Elisabeth van der Zeuw (!) met attestatie uit Rotterdam. Daar is zij niet te vinden (onder de naam Van der Leeuw zijn er in die tijd in Rotterdam verschillende Elisabeths).
- Op 29 maart 1816 overleed in Rotterdam Jacoba van der Zeeuw, 26 j., ongehuwd,

geboren in Rotterdam als dochter van Johannes van der Zeeuw, kuipersknecht, geboren in Rotterdam en overleden in Haarlem, en Jacoba van der Tongen, overleden in Rotterdam. Jacoba's doop of geboorte is in Rotterdam niet gevonden. Jacoba's vader en moeder zijn zowel in Haarlem als in Rotterdam onvindbaar.


- Bij de volkstelling van 1846 woonde in Leiden een Christiaan van der Zeeuw, student in de godgeleerdheid, geboren 20 augustus 1825 in Rotterdam. Hij is daar noch als Van der Zeeuw, noch als Van der Leeuw te vinden.
IX REFERENTIES
1. R.A. Ebeling, 'Voor- en familienamen in Nederland', Uitgave 1993 Centraal Bureau voor Genealogie. ISBN 90-70324-66-0.

2. J. van der Meulen en H. Tupan, 'De Leidse tabakspijp­makers in de 17e en 18e eeuw', Uitgeverij Stubeg Hoogezand 1980, ISBN 90 6523 0017.

3. Gouda, Streekarchief Hollands Midden (SAHM), Weeskamer­boek 7/90.

4. SAHM, Hoofdgeld 1622, folio 9.

5. SAHM, Hoofdgeld 1622, folio 21v.

6. SAHM, Notarieel Archief 128/83v.

7. SAHM, Weeskamerboek, Register van Bewijzen, 18/139 v.

8. Gemeentearchief Leiden (GAL), weeskamerboek M 121.

9. GAL, Geregtsdagboek begonnen 12-3-1760, folio 389.

10. Gemeentearchief Haarlem, reg. 13/147, folio 149.

11. GAL, Notarieel Archief (NA) Hubrecht, nr. 187, folio 98.

12. GAL, NA Barkey 1832, no. 2, folio's 20, 205, 206.

13. GAL, NA Van Hemeren 1813, no. 158, folio 801).

14. Algemeen Rijksar­chief, Stamboeken van Militairen.


A.J. van der Zeeuw, Uithoorn 1996
GENEALOGIE VAN DER ZEEUW
Indien niet anders vermeld, hebben de beschreven gebeurtenissen plaatsgevonden in Leiden. Leiden is echter wel vermeld als misverstand mogelijk zou zijn, vaak als eerste vermelding na een gebeurtenis die elders plaatsvond. Dopen zijn, tenzij anders vermeld, volgens de NG rite. Geboortes hebben, tenzij anders vermeld, plaatsgevonden in de plaats van huwelijk van de ouders.


  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina