Het Goudblommeke in Papier / la fleur en papier doré



Dovnload 76.68 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte76.68 Kb.
Het Goudblommeke in Papier / la fleur en papier doré

(Arnout Wouters)
De Cellebroerstraat is één van de oudste straten van Brussel. Ze ontstond in de loop van de 14de eeuw, langsheen de Heergracht of Droogeheergracht, een walgracht van de eerste stads-omwalling welke tussen de Steenpoort en het kruispunt met de Stoof- en Priemstraat lag. Hiervan getuigen vandaag nog de Anneessenstoren op de Keizerslaan en de Villerswal aan de achterzijde van de Sint-Jorisschool.
In 1368 vestigde zich in de straat een klooster van de Cellebroeders (Alexianen) vanwaar de huidige naam. Van de oorspronkelijke straat blijft vandaag niet veel over, hooguit het hoogste deel van de onpare kant. De volledige pare kant werd in 1959 gesloopt om het indertijd zeer smalle straatje te verbreden en met de aanleg van de Keizerslaan verdwenen nog eens een twintigtal huisjes.
Het pand gelegen op de nummers 53 en 55 dateert hoogst waarschijnlijk van het midden van de 18de Eeuw. Het was eigendom van de Brusselse vestiging van de Zusters van Liefde van Saint-Vincent-de-Paul, die vanaf 1843 in de buurt woonden en het werd nog gerestaureerd door de architect Partoes (o.a. bekend van het huidige Pacheco instituut).
In oktober 1944 nam de Brusselse anarchistisch dichter Geert (Gerard) Van Bruaene, ook bekend onder de naam Le petit Gérard (en Gérard le Bistrot, le Colporteur, le Bookmaker, Zérar le Musicien, Zérar la Brocante, commerce du Petit Brol enz...), een artistiek cafe (Café des artistes) over gelegen in de Cellebroedersstraat 53-55. Van Bruaene gaf het cafe zijn huidige naam 'Het Goudblommeke van Papier – La Fleur en Papier Doré'.
Geert Van Bruaene – Gérard Van Bruaene (Kortrijk 1891- Brussel 1964)

Tout homme a droit à vingt-quatre heures de liberté par jour”


Geert Van Bruaene was een uitermate pittoresk personage, in de eerste plaats een dadaïstisch dichter, expressionistisch theatermaker, maar daarnaast ook kunsthandelaar (met de galerijen als 'Le Cabinet Malrodor' in 1921 in de Ravenstein1, 'Au Diable par la Queue' (1949), 'l'Agneau M
oustique', 'A la Vierge Poupine' (1925-1926), ...), verzamelaar van zeldzame boeken en cafebaas. Deze markante, avantgardist van het eerste uur was een jeugdvriend van Paul van Ostaijen met wie hij samen met Camille Goemans in oktober 1925 in de Naamsestraat te Brussel de galerij `A la Vierge poupine' opende dat in 1926 weer werd opgedoekt.2 In deze galerij organiseerden ze exposities van internationaal bekende schilders en beeldhouwers en gaf Van Ostaijen lezingen over moderne kunst en poëzie.


De kunstgalerij 'Le Cabinet Malrodor' is historisch gezien waarschijnlijk zijn mooiste prestatie.Van Bruaene miste in al zijn experimenten de onontbeerlijke 'nerf de la guerre' of zakelijk talent en daarom had hij zich weten te omringen door twee helpers, Michel de Ghelderode als dromerige zaakgelastigde of 'le chargé d'affaires' en een Hollandse verkoopster die geen woord Frans sprak, wat niet bevorderlijk was voor de gang van zaken. Maar hij bezat een ongeloofelijke neus voor het ontdekken van jong talent. Zo was hij één van de eerste in ons land om schilderijen van Duitse expressionisten als Paul Klee, Max Ernst, Otto Dix en Grosz te verhandelen3. Mogelijk heeft hij deze Duitse kunstenaars leren kennen tijdens zijn zelfverkozen ballingschap in Duitsland in de periode vlak na de Wapenstilstand van WO I4. Gedurende deze korte ballingschap leerde hij het Duits expressionisme.
Armand Henneuse5 schreef over die periode het volgende: <<...Geert Van Bruaene, je crois bien, fut un peu activiste dans sa prime jeunesse et fonda un Vlaamsche Volkstoneel (...) Ce devrait être pendant l'occupation 1914 -1918. Idéalisme sui generis. Mijn Vlaanderen heb ik hartelijk lief, etc. Candeur et connerie. Mais le brave jeune homme avait quelque chose d'autre dans le ventre: l'amour de la peinture et celui de la poésie française. Laethem Saint-Martin et Malrodor furent ses agents catalytiques.>>6
Le Cabinet Malrodor werd het zonderlinge uithangbord voor de kunsthandel in Brussel in een periode dat niet veel mensen afwisten van het bestaan van Lautréamont. Maar Lautréamont was iemand naar Van Bruaene's gading net en later werd hij voor zijn werk geroemd. Onder de auspiciën van het 'Cabinet Malrodor' lanceerde Van Bruaene zich ook kortstondig als pionier van de avant-gardefilm. Het heeft zich beperkt tot het afrollen, onder veel lawaai, van enkele surrealistische films. Eén van zijn toenmalige partners Maurice Widy gaf volgende verklaring voor het mislukken: <<Enfin, le cher Van Bruaene, au visage rubicond et et à la bedaine breughelienne, qui occupait la caisse, laissait toujours passer sans verser le moindre maravédis ses amis les peintres et tous les carrotiers roués et trompeurs de la bohème bruxellois.>> 7
In 1926 exposeerde hij in zijn nieuwe galerij La Vierge Poupine werk van surrealisten en abstracten, zoals een Hans Arp en “l'Histoire Naturelle” van Max Ernst. Mede hierdoor wist hij in Het Goudblommeke van Papier de Brusselse surrealistische scène (Paul Nougé, René Magritte, Marcel Lecomte, Robert Gofin) te verzamelen, waarvan hij deel ging uitmaken. Er hangt in het café een foto waar enkele van deze surrealististen voor zijn cafe poseren.
Van Bruaene moet na WOII tot het besef gekomen zijn dat het in België veiliger was om drank dan wel kunstwerken te verkopen en zo opent hij in 1944 in de Cellebroedersstraat een zaak met de naam “La Fleur en Papier Doré” en noemde het een 'estaminet'. Daar heeft hij geleefd tot aan zijn dood. Het was een half folkloristisch half surrealistisch cafeetje, gestofeerd met allerlei curioza, een soort decor voor een de Ghelderode, waarvan tenslotte de baas zelf het mooiste ornament was. Daar verkocht hij aan jong en oud zijn paradoxen en wijsheden. Eén van de pronkstukken in het cafe is de Leuvense stoof die afkomstig is van het kabaret ‘Le Diable au Corps’ (gelegen in de Koolstraat nabij de Nieuwstraat) dat regelmatig bezocht werd door de jonge Henri Michaux, Marc Eemans en Michel de Ghelderode.
Het was voor bezoekers niet altijd duidelijk wanneer hij ernstig was en wanneer hij 'zwanste'. Meer dan eens zond hij vlugschriften de wereld in welke de schijn hoog moesten houden om niets ernstig te nemen en vooral zichzelf niet. Een enkele maal publiceerde hij een brochuurtje van een 20-tal pagina's getiteld: “Six petites histoires banales de petit bistrot racontées par le petit Gérard et deux petits textes pour commencer et pour finir”. Onder de schalkse toon van dit geschrift dreef toch een soort weemoed: “Dans la vie, mon pauvre ami,

tu ne peux que mourir

Les froufrous tout autour

n'ont pas d'importance.”
Ook de kunstpolitiek van de musea liet hem niet onverschillig, net als de houding van verzamelaars en artisten: “Quelles sont les choses que vous détestez le plus? Les effets de l'orgeuil imbécile chez la victime de l'instruction obligatoire.”8 of ook: “Ik heb me genoeg dom en brutaal afgebeuld om, zoals ik dat noem, vooraanstaande artiesten, buiten hun eigen sfree, op de markt te helpen. Ik vraag er Isidore Ducasse beschaamd vergiffenis voor. Thans zijn deze vooraanstaande artiesten boze vijanden geworden omdat ik, hetgeen men kunst heet, niet serieus kan waarderen buiten het menselijk Niet. Daarom moet ik me verdedigen, en zelfs crapuleus weerstand bieden, met hand en tand gelijk Jan Breudel zoude zeggen, ter wille van het korstje brood dat men mij wil ontrukken”.
Armand Henneuse schreef: “ Van Bruaene était un poète, s'il écrivait peu (...) Il est à remarquer qu'il existe en Belgique de ces oiseaux rares, qui vivent en marge des lettres officielles, dont on ne parle pour ainsi dire jamais puisqu'ils sont anticonformistes, et qui ont plus de talent que tous nos académiciens réunis, passés, présent et futurs9
Tot slot wil ik eindigen met een genuanceerder oordeel van Marc Eemans: “Men heeft hem soms smalend een 'raté' genoemd, en dit was hij misschien ook, doch dan een 'raté magnifique' die doot het leven gegaan is als een wonderbare kerel, een mens vol grootse levenswijsheid die de kunst verstond, het kleinste greintje niets, tot poëzie om te toveren en het soms fantastische afmetingen te verlenen.”10

Wie was er kind aan huis?

Hier moeten we een onderscheid maken tussen de periode voor en na de Tweede Wereldoorlog. Voor de oorlog troffen Pierre Alechinsky en zijn vriend Paul Rouge in het Goudblommeke de grote surrealistische dichter Louis Scutenaire 'le conteur des nuits d’été' en maakten ze er ook kennis met Rene Magritte en Marcel Lecomte. Daarnaast frequenteerden ook Charles Plisnier, Paul Mariën, E.L.T. Mesens, Marc Eemans11 en Georges Rémi (Hergé) regelmatig het Blommeke. Van Bruaene heeft zeer vroeg het talent van Rene Magritte weten te herkennen en hij organiseerde in het Goudblommeke een tenstoonstelling van schilderijen en tekeningen, voor zijn talent internationaal erkent werd. Het was in Van Bruaene's de galerij Le Cabinet Malrodor dat Magritte in 1926 kennis maakte met Max Ernst's natuur-historische cyclus. De collages van de Duitse schilder waren een revelatie voor Magritte.12

Onder de sporen die Magritte nagelaten heeft mogen we het opschrift op de voordeur «Ceci n'est pas un musée (on consomme)», rekenen. De letters zijn kaligrafisch trouwens op een typisch ‘Margittiaanse’ wijze aangebracht (zonder daarom te stellen dat het bordje, noch het opschrift van zijn hand is, nvdr.).
Na de oorlog beleefde Geert Van Bruaene een tweede jeugd en wist hij zich te omringen met kunstenaars als; Christian Dotremont, de jonge Hugo Claus, Marcel Mariën, Paul Colinet en Jean Dubuffet (de vader van de 'Art Brut', die in december 1949 in Van Bruaene's galerij 'Au Diable par la Queue' exposeerde), Jan Walravens (Vlaams romancier, journalist, kunstcriticus en hoofdredacteur van het tijdschrift Tijd en Mens), Louis Paul Boon en Simon Vinkenoog,





foto van Van Loock in 1953 (voor het Goudblommeke in Papier): van l. naar r. Marcel Mariën, Camille

Goemans, Irène Hamoir, Georgette Magritte (vrouw van…), E.L.T. Mesens, Louis Scutenaire, René Magritte

en Paul Colinet. Op de stoel: Geert Van Bruaene, manusje van alles
Jan Walravens is belangrijk geweest voor de naoorlogse geschiedenis van het Goudblommeke. Hij besloot als hoofdredacteur van het tijdschrift Tijd en Mens om 'La Bécasse' in de Taborastraat achter de Beurs te verlaten voor een nieuwe Brusselse vergaderplaats. Op 10 december 1949 verzamelde de redactie zich voor het eerst in het cafe, waardoor Louis Paul Boon en Hugo Claus er de weg naar vonden13.

De plaats van de vergaderingen van de redactie van Tijd en Mens is een bescheiden, maar markant detail in onze literaire geschiedenis en met enig gevoel voor overdrijving kunnen we stellen dat het Goudblommeke de ideale omgeving vormde voor de ontwikkeling van een avant-gardetijdschrift.14

De band van de redactieleden met het café was zo groot dat Hugo Claus er op 31 mei 1955 ter ere van zijn huwelijk van met de redersdochter Elly Overzier (26 mei 1955) een feestje gaf. Jan Walravens hield er halfdronken een ironisch bedoelde grafrede, die later op deze wijze werd opgeschreven:

<<Feesten stemmen mij steeds droef en het huwelijk van Hugo Claus heeft daarop geen uitzondering gemaakt. Geert van Bruaene deed nochtans al wat hij kon om het vijftigtal genodigden te doen lachen, Raveel en Saverijs dansten heel spectaculair, Elly was buitengewoon lief en Guido Claus schonk om de tien minuten de glazen vol. Ik ben dan erg giftig geworden, ik heb mij in de gelakte schoenen van een kaal en korchend Academielid geschoven en een grafrede gehouden voor Claus.
‘Claus’, heb ik geroepen, ‘die wij vandaag allen bewenen, was een onzer gelukkigste schrijvers. Hij was schatrijk toen hij stierf, niet alleen lid van de Leopoldsorde zoals Louis Paul Boon, maar ook lid van de Kousenband. Hij won alle prijzen...’
‘Wat zijn schuld niet was!’, riep Simon Vinkenoog.
‘Neen, het was die van Teirlinck. Hij was een groot vriend geworden van Reimond Herreman, kende eerst een fantastische opgang, ging dan verschrikkelijk aan de drank, maar realiseerde omstreeks zijn veertigste jaar een werk, dat wreedheid met fantasie paarde. Hij stierf als lid van de Academie, ten zeerste geacht door de kunstenaars, die eens met hem gedebuteerd hadden. Onder hen is Karel Appel miljonair geworden; Corneille verdween in de woestijn; Marc Mendelson ontpopte zich als de grote vernieuwer van de Brusselse uithangborden; gezien zijn dogmatisch karakter is Simon Vinkenoog dominee geworden in Nederland waar hij in een geur van heiligheid gestorven is; Jan Cox werd een groot politiek schilder; Albert Bontridder - wellicht de zuiverste Vlaamse dichter van heel deze periode - is in grote armoede gestorven; Florent Welles is, dankzij zijn magere beeldjes, de uitvinder geworden van een nieuw soort telefoonpaal; Jan Walravens tenslotte, ging op zoek naar een nieuwe moraal en heeft daarvoor eerst het werk van schilders en schrijvers misbruikt om zijn moraal vervolgens bij de mollen, de nijlpaarden en de helikopters op te sporen.’
Venijnig riep Geert van Bruaene: ‘Dat is nu de eerste keer, Jan, dat ik u iets verstandigs hoor zeggen!’
En Elly Claus verzuchtte: ‘Assez de méchancetés’.
Enkele minuten hing er een onbehaaglijke stemming in het café. Dan trokken de gasten geleidelijk af. Is voor ons allen de tijd van de grote scheuringen gekomen?
(Walravens 1998: 59-60)>>15

Louis Paul Boon schreef ook een column over het trouwfeest. Let op de cynische toon:



<’>>.16

Louis Paul Boon werd door Walravens gevraagd om mee te doen, maar werd niet feitelijk betrokken bij de oprichting van het tijdschrift. Zijn eerste bijdrage verscheen in Tijd en Mens nr 2 en hij werd mederedacteur vanaf de vierde aflevering, ergens in het voorjaar van 195317. Achteraf heeft Boon zijn deelname als volgt gerelativeerd:



<<Het was een gelegenheid om eens samen te komen: we vergaderden bij Geert van Bruaene in La fleur au papier doré, we praatten en we dronken een pintje. Dat was zalig. Het tijdschrift zelf heeft weinig betekenis gehad en ik heb er weinig aan meegewerkt>>.

Van Bruaene beleefde via het Goudblommeke van dichtbij de oprichting van de Cobra beweging, zonder er zelf actief deel van uit te maken. Hij maakte er vrienden als Lucebert (Lubertus Swaanswijk), Karel Appel, Pierre Alechinsky en Jean Dubuffet. Deze laatste onderhield een levendige briefwisseling met Geert Van Bruaene in wiens galerij 'le Diable par la queue' Dubuffet exposeerde en bij wie hij een kameraadschappelijk klankbord vond18.

Er werd in Tijd en Mens nogal wat aandacht besteed aan de Cobra-beweging. Wanneer men opsomt wie met beide groepen in contact stond, is dat een nogal indrukwekkende lijst: Alechinsky, Bergen, Claus, Corneille, Cox, Dotremont, Jorn, Lam, Lucebert, Tajiri en Welles. Nog wat onbecommentarieerde feiten daartoe: Alechinsky, Cox, Corneille en Dotremont leverden ook teksten aan Tijd en Mens, van de 14 echte omslagillustraties zijn er acht afkomstig van mensen die aan Cobra gelieerd waren. Claus' aanvankelijk in Tijd en Mens gepubliceerde ‘Zonder vorm van proces’ verscheen als Cobra-uitgave, met tekeningen van Alechinsky, waarvan er ook in Tijd en Mens hadden gestaan. Tenslotte gebruikte Walravens Corneilles omslagtekening van Tijd en Mens 14 voor een bibliofiele uitgave van ‘Ambassadeurs van de stilte’, en illustreerde dezelfde kunstenaar Bontridders bundel Dood Hout (met de inleiding van Boon) met een twintigtal tekeningen.19

Toch kloeg een Christian Dotremont over het gebrek aan aandacht voor de Cobra beweging in België. Over de eerste Cobra-expositie in maart 1949 in Brussel schreef Dotremont:



<n België krijgen we nog nergens steun. Luc Haesaerts, de directeur van de kunstzaal, is met Geert van Bruaene de eerste die wat in ons ziet>>.

Citaten die de sfeer in de hoogdagen van het cafe beschrijven:
Louis Paul Boon << Veel zijn we samengekomen, de mannen van Tijd en Mens, in dat oud Brussels cafeetje, gelegen in de nauwe straatjes der nu voor een groot deel weggebroken wijk in het hart der stad. En de waard was Geert van Bruaene, een dichter, een zonderling. De gelagzaal zelf was een weerspiegeling van wat Van Bruaene voor iets was. Er stond een oude antieke kachel, met in de vloer zand gestrooid. Er hing een authentiek handschrift van Guido Gezelle, een gedicht, door Geert met alle mogelijke zorg ingelijst... En verder waren er de onmogelijkste dingen bijelkaar geraapt: een oud-Brussels ijzeren uithangbord, een pagaai van Indianen uit Zuid-Amerika, beelden uit Nieuw Guinea, en aan de wand teksten van Malrodor, van de surrealisten, en van Geert zelf.>> <Brussel gehouden werden bij Van Bruaene, in het donkere en met kunstzinnige voorwerpen opgepropte café De Goudpapieren Bloem. Wij anderen raakten op al deze snuisterijen, deze bizarre, surrealistische en vooral dadaïstische maaksels niet uitgekeken.20>>

Jan Walravens <<In ons land is Geert van Bruaene de eerste marchand geweest van Klee, Ernst, de Duitse expressionisten. Dat was vooraleer Schwarzenberg, André de Ridder en G. van Hecke Sélection openden. Steeds wist Geert zich te omringen door de beste, jonge kunstkenners van het ogenblik: Paul van Ostaijen, Michel de Ghelderode, Marc Eemans, na 1945 Christian Dotremont, de theoreticus van de Cobra-beweging. (...) Aan Van Bruaene hebben wij in 1949 de eerste Brusselse tentoonstelling van de schilderijen en tekeningen van Jean Dubuffet te danken (...) Allen hebben wij ontzaglijk van hem gehouden, en toen Hugo Claus zijn bruiloftsfeest in Het Goudblommeken hield, heeft iedereen van ons dat als een echte hulde aan de oude vriend van Paul van Ostaijen, een der allereerste verdedigers in Europa van Klee en Ernst, de gevallen en toch zo perfect-gebleven engel aangevoeld. Met zijn humor, met zijn liefde voor de echte, wezenlijke, naar de ribben tastende absurditeit, met zijn onverwoestbare vriendschap, met zijn fijne zin voor het waardevolle en authentieke, met zijn precieuze gevoeligheid was Geert van Bruaene voor ons een soort heilige, een ‘mythisch mannetje’ zou Lucebert gezegd hebben.>>

Marc Eemans <<A seize ans, je collaborais à une feuille d'avant-garde intitulée Sept Arts. Parmi les autres collaborateurs, il y avait le poète Pierre Bourgeois, le poète, peintre et dessinateur Pierre-Louis Flouquet, l'architecte Victor Bourgeois et mon futur beau-frère Paul Werrie. Mais l'abstrait ne m'attira pas longtemps.... C'est alors qu'un ancien acteur entra dans ma vie: Geert van Bruaene

Je l'avais déjà rencontré auparavant et il avait laissé des traces profondes dans mon imagination: il y tenait le rôle du zwansbaron,  du "Baron-Vadrouille". Mais quand je le revis à l'âge de quinze ans, il était devenu le directeur d'une petite galerie d'art, le "Cabinet Malrodor", où tous les avant-gardistes se réunissaient et où furent exposés les premiers expressionnistes allemands. C'est par l'intermédiaire de van Bruaene que je connus Paul van Ostaijen (3). Geert van Bruaene méditait Les Chants de Malrodor du soi-disant Comte de Lautréamont, l'un des principaux précurseurs du surréalisme. C'est ainsi que je devins surréaliste sans le savoir. Grâce, en fait, à van Bruaene. Je suis passé de l'art abstrait au Surréalisme lorsque mes images abstraites finirent par s'amalgamer à des objets figuratifs....Un autre auteur dont je devins l'ami fut le poète expressionniste flamand Paul van Ostaijen. Je fis sa connaissance par l'entremise de Geert van Bruaene.>>21

Simon Vinkenoog <<Ik zou hic & nunc willen eindigen met het Livre d'Or de La fleur en papier doré, mij in 1953 persoonlijk overhandigd door Gérard van Bruaene, Le petit Gérard, een markante persoonlijkheid, klein van gestalte, groot van gebaar, die in de ondertussen onder de vooruitgang verdwenen Rue des Alexiens nr 55 Le plus viel estaminet folklorique de Bruxelles beheerde, dada-keizer in eigen rijk. Le livre bestaat uit een uiteenvallende map met kaartjes en vouwblaadjes vol gedrukte teksten, hoofdtitel Ole Com Bove - c'est devant le miroir que l'on pense se connaître un peu de vue. Is er één van.>>22

Enkele publicaties van en over Geert Van Bruaene


  • DEBORD (G.- E.). - Hurlements en faveur de Sade. - Les Lèvres Nues, n°7, décembre 1955. Paul Nougé : introduction au cinéma. La chambre aux miroirs. G. Senecaut : les allusions déplacées. Marcel Mariën : un autre cinéma. G. van Bruaene : coup d'œil sur le monde. J. Fillon : description raisonnée de Paris. M. Bernstein : refus de discuter. Lettre de Karl Möller.

  • MARIEN (Marcel) - Le sillage - Les Lèvres nues, n°1, 1992. Bruxelles, Les Lèvres nues, 1992. 21 x 15 cm, 16 p., ill. n & b. En ff, non coupé. Textes de Marcel Mariën. Lettres de Gérard Van Bruaene à Jane Graverol. Ill. De Marcel Mariën et de Jane Graverol.

  • BRUAENE GERARD VAN - GEORGES THIRY - ANDRÉ BLAVIER. Promenades dans les Estaminets du Cabaretier VAN BRUANE, préface d'André Blavier. Bressoux, éditions Yellow Now, 1985, 53 pp: 3 petits tracts originaux par Gérard van Bruaene: 1954 Mars 30 Le Magritte de Léonce Rigot. par Gérard le Colporteur. Petites expériences de quarante années. par Geert van Bruaene. 1957 Octobre 1: La conscience claire efface la fine invention. par Gérard la Brocante.

  • Rik Sauwen. Geert Van Bruaene le petit homme du Rien. Frontispice de Jane Graverol. Verviers. Temps mêlés ; n° 105-106, 1970.

  • Jane Graverol. Par Paul Colinet, de Angelis, Irine, Marcel Lecomte, René Magritte, Marcel Mariën, Louis Scutenaire et Geert Van Bruaene.Verviers. Temps mêlés à Verviers. Exemplaire n° 5. Collation: 15, [1] p.

  • AVERMAETE, Roger; VERDWENEN FIGUREN, Brussel, Paleis der Academiën, 1968. Gebrocheerd onder papieromslag, 73pp., inhoud; François Franck, Henri van Straten, Arthur van Poeck, Walter Vaes, Amand de lattin, Paul Joostens, Geert van Bruaene, Floris Jespers, Emiel Creado, August Beayens. Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Klasse der Schone Kunsten - Jaargang XXX - 1968 - nr 2

  • Les Marées de la Nuit, 1991, 40 pp. Morlanwelz, Belgique. Textes et dessins : Gilles Brenta, Xavier Canonne, Paul Colinet, Fernand Dumont, Léo Dohmen, Claude Galand, Robert Goossens, Tom Gutt, Irine, Claudine Jamagne, Robert Kerger, Albert Ludé, Paul Magritte, Marcel Mariën, René Martin, Louis Scutenaire, Max Servais, Armand Simon, André Stas, Michel Thyrion, Geert Van Bruaene, Roger Van de Wouwer, Jean Wallenborn, Jacques Wergifosse, Robert Willems.

  • Van Bruaene, Gérard. Livre D'or De La Fleur En Papier Doré. Ole Com Bov. La Fleur En Papier Doré.




  • Catalogue d'une exposition collective de Baugniet, Flouquet, J.J. Gailliard, Jasinska, Servranckx et Xhrouet organisée par le groupe bruxellois de Paul Vanderborght. La Lanterne Sourde présente un groupe de peintres constructeurs. Bruxelles, Cabinet Malrodor [Geert Van Bruaene], 14-29/11/1925, in-8, Bruxelles.

  • DURAND-DESSERT, Liliane, « Gérard van Bruaene, le Cabinet Malrodor et la Fleur en Papier doré. Un temple ducassien à Bruxelles», pp. 253-260.

  • BOSMANS, André   Rhétorique Numéro 1 à 13   Tilleur-Liège , Mai 1961 à Février 1966   13 fascicules de formats divers ; nombreuses illustrations notamment de René Magritte. Très rare collection complète de cette revue surréaliste à la gloire du peintre René Magritte. Les principaux collaborateurs de "Rhétorique" furent André Bosmans , Gérard Van Bruaene, René et Paul Magritte, Louis Scutenaire, Achille Chavée, Marcel Béalu, Paul Colinet, etc...

  • La Cueille.Ouvrage collectif. Morlanwelz, Belgique, Les Marées de la Nuit, 1991, 40 pp., Textes et dessins : Gilles Brenta, Xavier Canonne, Paul Colinet, Fernand Dumont, Léo Dohmen, Claude Galand, Robert Goossens, Tom Gutt, Irine, Claudine Jamagne, Robert Kerger, Albert Ludé, Paul Magritte, Marcel Mariën, René Martin, Louis Scutenaire, Max Servais, Armand Simon, André Stas, Michel Thyrion, Geert Van Bruaene, Roger Van de Wouwer, Jean Wallenborn, Jacques Wergifosse, Robert Willems.

  • Sauwen, Rik.L'Esprit Dada en Belgique. 348 pp. thesis discussing the works of prominent Belgian artists involved with Dada, particularly Clement Pansaers, Paul Joostens, Michel Seuphor, and Geert van Bruaene, tracing the rise and fall of the movement and the impact of World War I, extensive scholarly notes, bibliography, appendices. Leuven (Katholieke Universiteit) 1969.

Sporen van contacten met andere kunstenaars:

  • Les hommes n'ont de grandiose que leur sexe et d'immuable que leur médiocrité originelle. Dieu a raté l'homme! Mais je ne sais pourquoi la Vie malgré tout est souveraine et belle. Il faut vivre mon cher l'existence minuscule. C'est la victoire! Lettre à Geert van Bruaene, datée du 1er janvier 1923, dans Correspondance de Michel de Ghelderode 1919-1927, tome I, établie et annotée par Roland Beyen, Labor, Bruxelles, 1991, lettre n° 64, pp. 84-85.

  • 1961. Einde Mei – begin Juni. Verschijning van het eerste nummer van Rhétorique, dit is het resultaat van een nauwe samenwerking tussen Andre Bosmans en Rene Magritte. De publikatie bevat teksten van Scutenaire, Achille Chavée, Paul Colinet en Geert Van Bruaene23.

  • Jef De Pauw (Schaerbeek, 1894 - Bruxelles, 1947) peintre, dessinateur, aquarelliste, graphiste. Avait une prédilection pour les portraits, figures, natures mortes, paysages et marines. Tendance expressionniste. A exposé au "Cabinet Malrodor" (Ravenstein) à Bruxelles en 1925. Cfr. Piron, Dictionnaire des artistes plasticiens de Belgique des XIXe et XXe siècles, I, p. 419.

  • Victor Leclercq peintre post-expressioniste, né le 13 octobre 1896 à Soignies,....De son vivant, nous ne connaissons que deux expositions: l' une en 1925 , rue Montagne de la Cour à Bruxelles, l'autre en 1927 à la Vierge Poupine. http://fr.wikipedia.org/wiki/Victor_Leclercq

  • MESENS, Edouard Louis Théodore. Bruxelles, 1903 – 1971. Poète, musicien et collagiste. ....Il donne des leçons de piano à Paul Magritte, le frère de René, et devient tour à tour assistant puis directeur de galeries d'art. Nous le retrouvons à La Vierge Poupine, à L'Epoque (1927-1930) et enfin au palais des beaux-arts de Bruxelles (1931-1938). Ses premiers collages datent de 1924 et se poursuivent jusqu'aux environs de 1945. Ils témoignent jusqu'en 1930-1931 d'une influence certaine de Max Ernst. Mesens est avec Magritte, avec qui il se lie dès 1919, le principal promoteur du mouvement surréaliste en Belgique.

  • DUBUFFET (Jean). Catalogue d’exposition. Bruxelles, Galerie Le Diable par la queue du 17 au 28 décembre 1949.Mémorial de la petite exposition de dessins et de peintures de Jean Dubuffet joyeusement organisée à Bruxelles en décembre 1949 par l’auteur et son ami Geert van Bruaene pour l’inauguration de sa nouvelle boutique: Le Diable par la queue.




  • Les surréalistes au quotidien. Christian Bussy. Impressions Nouvelles. 2007. Les Surréalistes de Bruxelles à l’exception de Paul Nougé devant « La Fleur en papier doré ». De gauche à droite : Marcel Mariën, Camille Goemans, Irène Hamoir, Gérard Van Bruaene, Georgette Magritte, E.L.T. Mesens, Louis Scutenaire, René Magritte, Paul Colinet. (1953) Photo Albert Van Loock.

INVENTORY OF THE E. L. T. MESENS PAPERS, 1917-1976 (bulk 1920-1971)24




  • Correspondence 1937. 28 items. Includes: Letters from P.G. van Hecke, Geert van Bruaene, Albert Verwey, Alfred Wickenburg and Prosper de Troyer.

  • Correspondence 1952. 23 items. Includes: Seventeen items relate to Geert Van Bruaene, including four postcards and two short letters.

  • Correspondence 1952. 34 items. Includes: Ten items from Geert van Bruaene include a poem by Guido Gezelle and a letter about statues from Nouvelle-Caledonie and Guinée.

  • Correspondence 1958. 32 items. Includes: Letters to Mr. Wittenborn, Simone Collinet, Ernst Schwitters (Mesens wrote an article about his father), J. G. Brunius, Emile Langui (Mesens announces that a publisher is going to present a compilation of his poems 1923-1958), Carroll Cartwright, Mr. Sweeney, Erik Losfeld, Fabrizio Mondadori, Mr. and Mrs. Stoclet, Pierre Janlet, Geert Van Bruaene.

  • Correspondence 1959. 25 items. Includes: Letters from Claire Mabille, André Bosmans, Richard Feigen, Gérard Van Bruaene, Stefanie Maison, Bernard Dorival, Theo Melville (City of Manchester Art Galleries), Gallery Raymond Cordier. Letters to Robert and Nina Lebel, and Max and Dorothée Ernst.

  • Correspondence 1965. 19 items. Includes: Letters to Pierre Janlet, Richard Gainsborough (Mesens talks about Geert Van Bruaene) and Albergo Manzoni.

  • Correspondence 75 oeuvres de demi-siècle exhibition, 1951. Letters from Mesens to Brancusi, van Bruaene, Giacometti, and letters to Mesens from Seligman, Louis Camu and Van Bruaene.



1Paul Hadermann. Het vuur in de verte. DBNL. p. 95.

2Paul Hadermann. Op cit. p. 110. 1925 brengt een keerpunt in Van Ostaijens leven. In oktober opent hij te Brussel met Geert van Bruaene de tentoonstellingszaal ‘La Vierge Poupine’

3Il dirige l'année suivante à Bruxelles avec Geert van Bruaene la galerie "La Vierge poupine" qui expose notamment "Histoire naturelle" de Max Ernst et rédige les commentaires d'un catalogue pour le marchand de fourrures Samuel, illustré par René Magritte.

4Roger Avermaete. Verdwenen Figuren. Brussel, 1968. p.43. Verwijst naar de vlucht van Van Bruaene naar Duitsland na de Wapenstilstand.

5Armand Henneuse was een uitgever.

6Roger Avermaete. Op Cit. p.44.

7R Avermaete. Op Cit p.45.

8R Avermaete. Op Cit p.46.

9Idem p.47.

10Idem p.47.

11Marc Eemans (°1907, Dendermonde) leert in het Brussels Cabaret 'Le diable au Corps' in de Koolstraat Rene Baert kennen met wie hij samen met Camille Goemans het tijdschrift Hermes opricht, dat zich bezig houdt met de comparatieve studie van mysticisme, poezie en filosofie. Op artistiek vlak is Eemans een van de grote surrealisten van ons land, die samen met Magritte onder contract is bij de galerij van Camille Goemans in Parijs (heeft ook Dali onder contract). De kunsthandel is een van de eerste branches die te lijden hebben onder de Wall Street Crash, en Goemans gaat failliet in het begin van de jaren dertig. Achter de schermen houdt hij zich nog bezig met de kunstgalerij van zijn toekomstige echtgenote, Lou Cosyn. Camille Goemans bezat eerder, in de jaren twintig, een galerij samen met Geert Van Bruaene welke laatste met Eemans later nog een andere kunstgalerij zal openen getiteld 'L'agneau Moustique'.

12XXIV Bienal de Sao Paulo. René Magritte. Http://www1.uol.com.br/bienal/24bienal/nuh/inuhmagritt02b.htm


13 Jos Joosten, Feit en tussenkomst. Geschiedenis en opvattingen van Tijd en Mens (1949 – 1955). 2005, DBNL.

14Het avantgarde-tijdschrift Tijd en Mens wordt eensgezind erkend als het keerpunt richting vernieuwing in de Vlaamse naoorlogse literatuur. Van 1949 tot 1955 leidt het een spraakmakend bestaan.

15Jos Joosten, Feit en tussenkomst. Geschiedenis en opvattingen van Tijd en Mens (1949-1955). 2005. DBNL, p 480.

16Boontje, ‘Een plechtigheid bij Van Bruaene: Als dichters trouwen’, in: Vooruit, 25 juni 1955.

17De telling van Boons bijdragen aan vijf jaargangen Tijd en Mens levert echter een twaalftal artikels op, waaronder fragmenten uit Zomer te Ter-Muren en Wapenbroeders, het 45 pagina's lange gedicht De kleine Eva uit de Kromme Bijlstraat en enkele niet onbelangrijke polemische stukken. Hoewel Boon pas officieel pas vanaf de vierde Tijd en Mens redacteur werd, nam hij al eerder het redactiesecretariaat op zich. Vanaf april 1953 vormde Boon tenslotte met Claus en Walravens de redactie van Tijd en Mens, die zonder overleg met de groep onder hun gedrieën (Boon net als Claus per brief) de laatste zeven nummers samenstelden. De voltallige groep kwam na 1953 nog maar één keer bijeen: toen Tijd en Mens op zaterdag 16 april 1955 ten huize van Boon in Erembodegem opgeheven werd.

18Michel Draguet. Jean Dubuffet et ses amitiés belges. Les Cahiers, du musée national d'art moderne. Nr 77, automne 2001. Centre Pompidou. pp. 61.

19Jos Joosten, Op Cit, p 301.

20 Jos Joosten.Uit Feit en tussenkomst. Op cit. p.241


21Entretien avec Marc Eemans, le dernier des surréalistesde l’école d’André Breton. Propos recueillis par Koenraad Logghe et Robert Steuckers.

22http://www.simonvinkenoog.nl/archief/december-2006.htm

23Revue surréaliste à la gloire du peintre René Magritte. On joint le tract annoncant la parution du premier numéro et six cartes postales éditées par André Bosmans dont celle comportant le fameux "Ceci continue à ne pas être une pipe". Les principaux collaborateurs de "Rhétorique" furent André Bosmans , Gérard Van Bruaene, René et Paul Magritte, Louis Scutenaire, Achille Chavée, Marcel Béalu, Paul Colinet, etc...

24OAC. Getty Research Institute. http://oac.cdlib.org/







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina