Het huwelijk tussen Brugge en toerisme



Dovnload 54.09 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte54.09 Kb.
Het huwelijk tussen Brugge en toerisme
Brugge wordt dagelijks overspoeld door duizenden toeristen. Ze wanen zich in een openluchtmuseum. Een stad ingedommeld na de Middeleeuwen en wakkergekust in de 19de eeuw met de ontdekking van het toerisme.
Reeds van bij de toeristische ontwikkeling werd Brugge bestempeld met clichés die vandaag nog steeds onder druk van het toerisme hardnekkig overleven. Leopold II sprak in 1877 al van Brugge als openluchtmuseum. De omschrijving ‘Brugge, Venetië van het Noorden’ werd in de 19de eeuw herontdekt en veelvuldig gehanteerd als verwijzing naar het glorieuze economische verleden van de stad en de stadskanalen die beide steden sieren. De metafoor duikt net als ‘Brugge die Scone’ reeds vroeg in de 19de-eeuwse reisliteratuur op en blijkt meer dan een eeuw later nog steeds immens populair. Geen tekst over Brugge of je vindt er een verwijzing naar één van deze dooddoeners.
Daarom een onderzoek naar het ontstaan van het Brugse toerisme, om de onder invloed van het toerisme ontstane beeldvorming van de stad beter te kunnen kaderen.

Brugge in de 19de eeuw
In tegenstelling tot andere Belgische steden was de industrialisatie grotendeels aan Brugge voorbijgegaan. De stad kwam de crisissen van 1848 en 1873 amper te boven en het faillissement van de bank Dujardin in 1874 betekende de doodsteek voor verschillende ondernemingen.
Door het ontbreken van grote industrie bleef de stadskern gespaard van grootschalige fabriekscomplexen en het gebrek aan middelen voor nieuwe stadsontwikkelingen zorgde ervoor dat de structuur van de historische binnenstad nagenoeg intact bleef en vele oude panden aan de sloophamer ontsnapten.
Om uit de economische impasse te geraken, besloot Brugge eind 19de eeuw zijn hoop te richten op twee initiatieven die de uitstraling en economische slagkracht van de stad moesten versterken: de uitbouw van de haven en het toerisme.

Brugge-Zeehaven
In 1880 werd de kring ‘Brugge-Zeehaven’ opgericht en 15 jaar later gingen de werken van start met het graven van het Boudewijnkanaal. In aanwezigheid van koning Leopold II werd de nieuwe zeehaven in 1907 feestelijk ingehuldigd. De haven werd niet enkel economisch interessant, maar bracht ook extra reizigers naar Brugge en het verleggen van de industrie naar de handelskom en de haven had als voordeel dat de oude stad ongemoeid werd gelaten.


Toerisme



Naast de haven werd gekozen voor toerisme als bron van economische heropleving. Met zijn vele middeleeuwse kunstschatten en zijn goed bewaarde architecturale patrimonium, had de stad alle troeven in handen om een toeristisch succes te worden. Brugge kon bovendien mee profiteren van het opkomende kusttoerisme en de verhoogde mobiliteit. Aanvankelijk bezochten vooral Engelsen de stad, maar hun voorbeeld werd al snel gevolgd door de andere nationaliteiten.
De droom om van Brugge een openluchtmuseum te maken en dit toeristisch uit te bouwen, werd in 1877 extra aangemoedigd door Leopold II: “Je voudrais voir restaurer ses anciens et beaux monuments, afin que Bruges devienne une autre Nürenberg. Que la ville toute entière ne soit qu’un vaste et splendide musée et pas un étranger ne visitera la Belgique sans aller le voir.”

English spoken
Het toerisme is een Engelse uitvinding. De industriële revolutie bood de rijke klasse de mogelijkheid de industriële stedelijke centra te ontvluchten om toe te geven aan de romantische drang ‘terug naar de natuur’ en te genieten van de curatieve ontspanningsmogelijkheden aan zee. De uitbouw van het spoorwegnet verhoogde de mobiliteit en het inleggen van de lijn Dover-Oostende in 1846 vergemakkelijkte de oversteek naar het Europese vasteland.
Als bedevaartsoord lokte het slagveld van Waterloo (1815) heel wat Engelsen naar Vlaanderen die op hun weg halt hielden in het pittoreske, verstilde Brugge. De historische stad vormde voor de Engelsen een aantrekkelijke reisbestemming door de gunstige ligging vlakbij de kust en op een boogscheut van Parijs, Keulen en Amsterdam, de vlotte treinverbinding op de lijn Oostende-Keulen, de aanwezigheid van een Engels garnizoen en vooral door de lage prijzen. Veel Engelsen verbleven hier met het hele gezin voor langere tijd in pensions of huurhuizen. Hun aantal werd rond 1869 geschat op 1200 zodat we van een echte Engelse kolonie kunnen spreken. De Engelsen profileerden en organiseerden zich en hun aanwezigheid bracht een groot aanbod aan Engelse faciliteiten met zich mee. Zo richtten ze eigen scholen op, had je Engelse tea-rooms, hotels, winkels, literaire verenigingen en voetbalclubs.
De Engelsen speelden bovendien een niet geringe rol in de ontwikkeling en promotie van Brugge als toeristische trekpleister. De Brit en pleitbezorger van de neogotiek James Weale die zich in 1856 in Brugge vestigde, stelde verschillende museum- en tentoonstellingscatalogi op en publiceerde in 1862 de stadsgids Bruges et ses environs. Ook Octave Delepierre, consul in London, promootte met zijn Album pittoresque de Bruges (1837) en Guide dans Bruges (1840) de stad onder de Engelsen.

Reisgidsen
De aanzet gegeven door de Britten werd overgenomen door de Bruggelingen. Op individueel initiatief verschenen talrijke reisgidsen en toeristische publicaties, zoals de handige gids Bruges en trois jours. Promenades dans la Venise du Nord die Adolf Duclos in 1883 uitbracht. Als eerste liet hij de toerist met de stad kennismaken aan de hand van wandelingen. In 1847 drukte Daveluy een Carte-Guide de Bruges, een soort toeristische plooifolder en in 1855 verscheen Bruges, ses monuments et ses tableaux. De reisgidsen droegen bij tot het promoten van de stad als toeristische bestemming en vormden een handig instrument om de stad te verkennen.

Bruges-la-Morte
Ook de literatuur speelde een belangrijke rol in het verspreiden van het beeld van Brugge als intact bewaarde middeleewse stad. Vooral de roman Bruges-la-Morte (1892) van Georges Rodenbach droeg bij tot de internationale bekendheid van Brugge en resulteerde in een duidelijke toename van het aantal Franse bezoekers. Romantici, symbolisten en mystici cultiveerden het eenzijdige en niet met de werkelijkheid strokende melancholische beeld van een ingeslapen, verlaten, mistroostige en in nevels gehulde stad die we zo treffend in de tekeningen van Fernand Khnopff terugvinden.

Kunstige Herstellingen
In de schoot van diezelfde romantische beweging ontstond begin 19de eeuw de nostalgie naar het verleden en de middeleeuwse cultuur. De gotiek werd als kunstvorm verkozen boven de andere stijlen omdat ze rechtstreeks verwees naar het roemrijke verleden. Brugge werd door de aanwezigheid van sleutelfiguren als James Weale en Jean Baptiste de Bethune beschouwd als een belangrijk neogotisch centrum waar architectuur- en restauratieopvattingen gestalte kregen in de vele eind 19de- begin 20ste-eeuwse realisaties. Het katholieke bestuur propageerde de neogotiek als ‘officiële Brugse stijl’ en de stadsarchitecten Louis Delacenserie (1870-1892) en Charles De Wulf (1892-1904) drukten met hun talrijke restauraties en nieuwbouwprojecten een duidelijke neogotische stempel op het Brugse stadsbeeld. Hierbij schuwden ze de vieux-neuf-architectuur niet en durfden neogotische elementen aan oude gebouwen toe te voegen om het geheel middeleeuwser te doen lijken.
Om het gotische eenheidskarakter van de stad te handhaven, werd vanaf 1877 een subsidieregeling voor ‘Kunstige Herstellingen’ in het leven geroepen. De subsidie moest het verfraaien van oude gevels in neogotische stijl stimuleren en nieuwbouw aan stijlregels onderwerpen. Het bracht een ware restauratiegolf met zich mee, maar droeg ongewild ook bij tot het ‘vervalsen’ van het oorspronkelijke middeleeuwse stadsbeeld. Tot in de jaren ’50 van de 20ste eeuw werden niet-gotische oude panden schaamteloos neogotische gevels voorgezet. Gelukkig bleven daarbij vaak de middeleeuwse kernen van de huizen bewaard.
In 1904 werd de ‘Commissie voor Stedenschoon’ opgericht als reactie op een aantal ongelukkige bouwprojecten. De Commissie moest als democratisch adviesorgaan de esthetische controle op de restauraties veilig stellen en een al te subjectieve éénmansbeoordelingen vermijden.

Het Brugse toerisme in kinderschoenen
Tot 1880 was het toerisme in Brugge niet georganiseerd en ontstonden initiatieven hoofdzakelijk op individuele basis. De stad nam haar taak hierin onvoldoende op en zag het nut van extra investeringen niet in. De musea waren onvoldoende uitgebouwd en Brugge kende geen specifieke toeristische uitbatingen.
Vanaf de jaren ’80 ontstonden de eerste toeristische verenigingen die de leemte probeerden in te vullen. Ze brachten reisgidsen uit, organiseerden evenementen, richtten informatiepunten in en promootten Brugge in het buitenland. Onder impuls van deze toeristische kringen begon de stad langzamerhand het commerciële belang van het toerisme in te zien en haar coördinerende rol op te nemen.

Brugge-Nürenberg
Aangemoedigd door de woorden van Leopold II, werd in 1882 de kring ‘Brugge-Nürenberg’ op initiatief van het Willemsfonds en de Reizigerskring opgericht. De vereniging had tot doel het middeleeuwse uitzicht van de stad te vrijwaren en de Brugse kunstschatten te promoten. Hiertoe brachten ze een tweede versie van de plooifolder Carte-Guide de Bruges uit, organiseerden ze toeristische excursies en een kanttentoonstelling in de foyer van de Schouwburg. Na verloop van tijd begon het liberale imago van ‘Brugge-Nürenberg’ de kring echter parten te spelen in een stad met katholiek bestuur en doofde de werking langzamerhand uit.

Brugge-Voorwaarts
In 1900 nam ‘Brugge-Voorwaarts’ de rol van het Nürenbergcomité over. De vereniging wilde de mythe van Bruges-la-Morte doorbreken en de stad actief promoten door commercieel opgezette propagandacampagnes en evenementen die de plaatselijke handel ten goede kwamen. De kring erkende als eerste de noodzaak tot het voeren van publiciteit als stimulans voor het toerisme. Krantenadvertenties verschenen en folders, plakbrieven, kunstzegels en posters met zichten op Brugge werden over gans Europa verspreid. Daarnaast organiseerden ze allerlei groots opgezette evenementen en tentoonstellingen, en in het secretariaat - gevestigd in ‘La Civière D’Or’ op de Markt - werd in 1909 een bureau voor kostenloze inlichtingen ingericht. Hiermee werd voor het eerst het toeristisch onthaal te Brugge georganiseerd.
Systematich geboycot door het bestuur werd het liberale ‘Brugge-Voorwaarts’ in 1912 ontbonden. De katholiek geïnspireerde vereniging ‘Die Roya’ nam haar taak over en kreeg hierbij wel de volledige steun van de stad.

Die Roya
Op initiatief van Achilles Daled werd in 1908 ‘Die Roya – Maatschappij tot bevordering van het vreemdelingenverkeer’ opgericht. De naam refereerde aan de eerste Reye waarlangs Brugge werd gesticht. De doelstellingen van ‘Die Roya’ waren net zoals die van ‘Brugge-Voorwaarts’ gericht op het aantrekken van toeristen, al wilde ze de kunstnijverheid en het kunstkarakter van de stad extra in de verf zetten.
Die Roya’ bracht een Beknopten Geïllustreerde Gids voor Brugge uit (vertaald in het Frans, Duits en Engels), een praktische Indicateur à l’usage du touriste séjournant à Bruges en een strookboekje met inlichtingen en toegangstickets voor musea en bezienswaardigheden aan verminderde prijs. Deze gidsjes vielen erg in de smaak en werden, net zoals geïllustreerde prentbriefkaarten en posters royaal verspreid op (wereld)tentoonstellingen, bij de Belgische Staatsspoorwegen en in de badsteden. De toetreding bij de ‘Belgische propagandabond’ versterkte de publicitaire slagkracht van de vereniging en in 1910 volgde ‘Die Roya’ het voorbeeld van ‘Brugge-Voorwaarts’ met de plaatsing van een houten informatiekiosk voor toeristen aan de Sint-Salvatorskathedraal.

De trein is altijd een beetje reizen
De uitbouw van het spoorwegennet haalde Brugge uit haar isolement en bracht heel wat toeristen naar de stad. In 1838 werd de spoorlijn Gent-Oostende met halte te Brugge in gebruik genomen en in 1844 werd het eerste Brugse neoclassicistische stationsgebouw op ’t Zand ingehuldigd om in 1879 te worden vervangen door een megalomaan neogotisch station met de allures van een kathedraal. De inplanting van het stationsgebouw bracht een verschuiving van hotels, winkels en restaurants van de Vlamingstraat naar de Zuidzandstraat en de Steenstraat met zich mee en maakte van het station de uitvalsbasis voor een bezoek aan de stad. Niet alleen de koetsen vertrokken van hieruit, ook de verschillende reisgidsen lieten hun wandelparcours op deze plek starten.

Koetsen en bootjes
De toeristische rondritten per koets vonden hun oorsprong in het functionele koetsvervoer van de 19de eeuw. De koetsen stonden opgesteld aan het station en brachten reizigers en hun bagage naar hun hotel in de binnenstad. Ommetjes met de koets als kennismaking met de stad werden duidelijk gesmaakt en groeiden al snel uit tot de toeristische rondritten die we vandaag nog steeds kennen. Later kwamen op aanvraag van Die Roya eveneens vertrekplaatsen aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk, op de Markt, aan het Begijnhof en aan het Minnewater.
Ook de rondvaarten op de reitjes ontstonden eerder toevallig toen Bruggelingen die aan de waterkant woonden toeristen tegen betaling meenamen in hun bootjes en Brugge vanaf het water lieten bewonderen. In 1905 werd een eerste vergunningsaanvraag gedaan door de Brusselaar Jules Vander Schueren voor een “dienst van gondels op de vaarten van de stad”. Al snel volgden ook de Bruggelingen. Aanvankelijk werden vooral roeiboten ingezet, maar kort daarop deden ook motorboten hun intrede. De maximumsnelheid van deze laatste werd vastgelegd op 6 km per uur.

Evenementen
In de loop van de 19de en begin 20ste eeuw werden onder impuls van de verschillende toeristische verenigingen verscheidene evenementen ter vermaak van de Bruggelingen en de toeristen ingericht, gaande van inhuldigingen, koninklijke bezoeken, kunst- en nijverheidstentoonstellingen, hofbouwtentoonstellingen, Venetiaanse feesten, ridderfeesten, steekspelen, historische stoeten, processies, muziekfestivals en Vlaamse kermissen. Ze werden hoofdzakelijk in de zomermaanden gepland om zoveel mogelijk toeristen te lokken. De groots opgezette tentoonstellingen ‘De Vlaamse Primitieven’ (1902) en ‘Het Gulden Vlies’ (1907) slaagden hier moeiteloos in met bezoekersaantallen van 35.000 en 100.000. Ook de Heilig-Bloedprocessie (sinds 1819) was een internationale publiekstrekker.
Geliefd bij toeristen waren eveneens de beiaardconcerten. In alle reisgidsen werd hiervoor reclame gemaakt en het marktplein met zijn vele cafés aangeprezen als ideale plek om te genieten van de hemelse klanken.

Fotografie en postkaarten
Brugge kende in de 19de een groot aantal druk- en lithografiebedrijven, waarvan de firma Daveluy veruit de bekendste was. Deze drukkerijen droegen bij tot de toeristische ontplooiing van de stad door de verspreiding van gravures, porseleinkaarten, reclame voor hotels, restaurants en winkels, reisgidsen, devotieprentjes, foto’s en postkaarten.
Het versturen van postkaarten met daarop een zicht van de vakantieplek naar het thuisfront werd op het einde van de 19de eeuw populair. Ook Brugge profiteerde mee van deze trend en verkocht postkaarten met daarop stadgezichten, monumenten, kunstschatten of handelszaken en hotels. Porselein- en postkaarten werden onder andere verkocht in fotowinkels, krantenwinkels, winkels met rookartikelen, cafés en hotels.
De reproduceerbaarheid van de fotografie droeg sterk bij tot de bekendheid van het Brugse culturele erfgoed bij een breed publiek en de beeldvorming van de stad. Zowel de kunstschatten uit de musea als de monumenten en stadspanorama’s werden nauwkeurig op gevoelige plaat vastgelegd. In de keuze van de plekken en de wijze van in beeld brengen, stuurden de fotografen zo de lezing van de stad.

Souvenirs
De Brugse souvenirs vonden hun oorsprong in de interesse die de toeristen vertoonden voor Brugse artisanale producten uit de kleine ateliers die zich in de binnenstad bevonden. Aanvankelijk bestond dit aanbod vooral uit houtsnijwerk, kunstsmeedwerk, glasschilderingen, religieuze voorwerpen, Vlaams aardewerk, borduurwerk en natuurlijk kantwerk.
Kantklossen was in het 19de-eeuwse Brugge een belangrijke huisnijverheid, beoefend door vrouwen en jonge meisjes, binnenskamers of op de stoep. De kantklosters wekten de interesse van de door de stad flanerende toeristen, wat de vraag naar kant als souvenir deed ontstaan. Kant is van oorsprong nochtans geen typisch Brugs product. De in 1717 door de Zusters Apostolinnen te Brugge opgestarte kantopleiding en het succes van deze vorm van huisnijverheid in een van industrie verstoken stad, zorgden echter voor de bloei van deze ambacht en de verbondenheid met Brugge. De legende van Serena waarin de miraculeuze onstaansgeschiedenis van kant in Brugge wordt gesitueerd, droeg eveneens bij tot het succes van dit toeristisch product.
Toeristenwinkels groeiden vaak spontaan voort uit bestaande fotowinkels, rookwarenzaken of winkels waar kunstvoorwerpen of religieuze objecten werden verkocht. Vooral in de toeristisch druk bezochte straten popten souvenirwinkels uit de grond. Dat ze van de onwetendheid van de toerist durfden te profiteren en allerhande probeerden te slijten, werd hen reeds in 1912 verweten.


Het Brugse toerisme tijdens het interbellum

De eerste wereldoorlog bracht een cesuur aan in de toeristische activiteiten. Door de beperkte oorlogsschade konden deze na de oorlog echter al snel met hernieuwde kracht worden opgenomen. Er werd handig ingespeeld op het succes van het fronttoerisme en het toeristisch onthaal en promotie werden professioneel aangepakt en van stadswege georganiseerd. In 1919 werd door het ‘Stedelijk Berek voor Ruchtbaarheid’ een inlichtingskantoor in de Hallen (hoek Wollestraat en Markt) ingericht. Een kantoortje waar geld kon worden gewisseld en toeristen door één bediende te woord werden gestaan. In de huidige boekhandel De Reyghere op de Markt konden toeristen eveneens voor informatie terecht in het op privé-initiatief opgestarte reisbureau C.A.T.A. Tours, uitgebaat door de zoon van Achilles Daled. Door deze laatstse en Evarist Vanheulenbroeck was Brugge bovendien van bij de start in 1921 sterk betrokken bij de uitbouw van de ‘Vlaamse Toeristenbond’ (V.T.B.). Vanuit het Davidsfonds ontstond in 1925 de Gidsenbond. De vereniging leidde niet alleen gidsen op, ze verzorgde ook rondleidingen en gaf de uitgebreide reeks stadsgidsen Brugge, Kunststad in verschillende talen uit (Nederlands – Engels – Frans – Duits – Spaans – Italiaans). In datzelfde jaar werd eveneens de Brugse Hoteliersbond opgericht en twee jaar later het ‘Comité voor Propaganda van de Stad Brugge’, waarbij de nieuwe media radio en film handig werden benut voor publiciteitscampagnes.


Na de crisis van 1930, luidde het jaar 1936 met de goedkeuring van het betaald verlof (congé payé) de start van het massatoerisme in. Niet alleen de kust, maar ook Brugge profiteerde hiervan mee.

Dienst voor Toerisme
In datzelfde jaar (1936) werd de ‘Dienst voor Toerisme’ opgericht met als doel “alle initiatieven nemen en uitwerken om onze stad als toeristenstad en voornamelijk als toeristencentrum meer en meer te doen kennen en te doen bezoeken en op die wijze een rijke bron van inkomsten voor onze neringdoende medeburgers te scheppen.” De dienst was aanvankelijk een éénmanszaak, tot 1950 gehuisvest langs de Dijver. Voor de duur van een jaar vestigde het toerismebureau zich in het huis ‘De rode steen’ op het Jan van Eyckplein om daarna naar een kantoorruimte in het Rijksgebouw van het Ministerie van Bruggen en Wegen op de hoek van de Markt en de Philipstockstraat te verhuizen. Raf Dusauchoit volgde Julien Blontrock na diens pensionering op als diensthoofd en bouwde de toeristische dienst verder uit. In 1973 werden de koffers opnieuw gepakt en verhuisd naar de hoek van de Hallestraat en de Markt. Met het aantreden van Jean-Pierre Drubbel in 1986 werd de naam gewijzigd naar: ‘Toerisme Brugge’. De dienst groeide van een tiental medewerkers uit tot een meer geautomatiseerde dienstverlening met een dertigtal medewerkes. Vanaf 1988 konden de toeristen terecht in ’t Brugse Vrije en werden bijkantoren geopend in het Station en op de Zeedijk.

Westtoerisme & Commissariaat Generaal voor Toerisme
In 1936 werd eveneens ‘Westtoerisme’ opgericht die het toerismeverkeer in West-Vlaanderen moest bevorderen. Ze lieten films, fotoalbums, folders en affiches uitbrengen, verkregen persaandacht op radio en televisie, en waren vertegenwoordigd op beurzen (met een kantwerksterpop!) en op de wereldtentoonstelling van 1958. In 1985 werd de naam vervangen door ‘Westtoer’.
Het ‘Commissariaat Generaal voor Toerisme’ ontstond in 1939 binnen het Ministerie van Verkeerswezen, maar zou pas na W.O. II ten volle renderen en later doorgroeien tot ‘Toerisme Vlaanderen’.

Het Brugse toerisme na W.O. II
Pas vanaf de jaren 1950 kwam het toerisme in Brugge opnieuw op gang, mede door de promotie via radio, televisie en film. Zo lokte The Nun’s Story duizenden bezoekers naar Brugge. In 1963 kreeg de Gidsenbond er een broertje bij met De Gidsenkring en in 1965 werd op initiatief van de stad een raadgevend comité opgericht dat de technische aspecten van het toerisme moest onderzoeken en begeleiden. Hierbij werden ze ondersteund door de vele studies en enquêtes die Westtoerisme in samenwerking met het West-Vlaams Economisch Studiebureau (WES) opzette. Met de fusie van Brugge in 1970, werd het toeristische aanbod van Brugge uitgebreid met de regio rond de historische binnenstad en Zeebrugge Strand.

Komité voor Initiatief
In navolging van ‘Brugge-Voorwaarts’ werd in 1957 het ‘Komité voor Initiatief ‘opgericht dat het evenementsgehalte van de stad moest opschroeven. In 1958 ging de Gouden Boomstoet uit - vanaf dan een vijfjaarlijkse traditie – en in 1963 werden de Reiefeesten voor het eerst opgevoerd. De historische evocaties op en langs de reitjes waren een idee van de Brugse handelaar Florent Machiels en werden driejaarlijks ingericht. Net zoals de stoeten kon ook dit initiatief slechts overleven door de medewerking van honderden (Brugse) vrijwilligers.

De revitalisatie van Brugge in de jaren 1970 en 1980
Vanaf de jaren 1960 had de historische binnenstad erg te lijden onder de toegenomen verkeersdrukte, de vele autoparkings die belangrijke historische pleinen als de Markt en de Burg ontsierden, de druk van het massatoerisme op de leefbaarheid van de stad, de verloedering van het patrimonium, de verkrotting, de pollutie en de sterk vervuilde reitjes. De stad kende bovendien een grote stadsvlucht.
Vanaf de jaren 1970 werd onder impuls van burgemeester Michel Van Maele en schepen Andries Van den Abeele actief gewerkt aan stadskernvernieuwing. In 1971 zag de ‘Dienst voor Monumentenzorg en Stadsvernieuwing’ het daglicht met als taak alle architecturale en stedenbouwkundige projecten in de stad op te volgen. In 1972 gaf de stad de opdracht voor het opstellen van het Structuurplan voor de binnenstad. Het ontwerp werd toevertrouwd aan de Technische Dienst van de stad en aan het ontwerp- en studiebureau Groep Planning. Het zoomde in op de knelpunten en mogelijke strategieën, en bracht een golf van stadsvernieuwing, restauratie en sanering op gang. De reien werden gezuiverd, asfalt werd in de binnenstad vervangen door kasseien, er werd een nieuw verkeerscirculatieplan uitgetekend en parkings werden onder de grond gestopt (Zilverpand- en Biekorfparking). Er werd werk gemaakt van de sanering van verschillende wijken en sociale woningbouw moest het wonen in de stad opnieuw attractief maken. Het optrekken van de subsidies voor ‘Kunstige Herstellingen’ betekende een stimulans tot het restaureren van oude panden en historisch waardevolle gebouwen werden beschermd. Vanaf de jaren 1980 ging de aandacht vooral naar de heraanleg van de openbare ruimte en het verkeersplan. Brede trottoirs, autovrije pleinen en straten, nieuw straatmeubilair en meer groen moesten de stad opnieuw aantrekkelijk maken voor zowel toerist als inwoner. De stad genoot van een renaissance en het toerisme groeide exponentieel op deze vruchtbare voedingsbodem. De hotelcapaciteit en het aantal overnachtingen verdubbelde en het aantal dagtoeristen nam enorm toe.


S.O.S. Brugge

Begin jaren 1990 kreeg Brugge jaarlijks zo’n 2 miljoen ééndagstoeristen over de vloer die gemiddeld ongeveer vier uur in de stad spendeerden. De stad kreunde onder het massatoerisme en werd langzamerhand slachtoffer van haar eigen succes.


Reactie op de wildgroei van het toerisme kon niet uitblijven. In 1990 werd de actiegroep ‘SOS voor een leefbaar Brugge’ opgericht. Directe aanleiding hiertoe was de bouw van een internationaal hotelketen bovenop de funderingen van de Romaanse Sint-Donaaskerk. ‘SOS Brugge’ trok aan de alarmbel: de binnenstad was volgens hen met tweeduizend hotelkamers meer dan verzadigd. Grootschalige hotelprojecten hoorden niet thuis in de historische stadskern waarvan de leefbaarheid doorheen de jaren was aangetast. De vele SOS Brugge-vensteraffiches werden beschouwd als noodkreet tegen het allesoverheersende toerisme. Nochtans was het toerisme niet het belangrijkste strijdpunt van de actiegroep, maar eerder de bezorgdheid om de sloop van historische panden, onzorgvuldige restauraties en buitenschalige nieuwbouw.
Burgemeester Frank Van Acker reageerde met het Witboek van een beleid. De inzet voor een leefbaar en levend Brugge en nog in 1990 werd beslist het toeristisch beleid kritisch te evalueren. Er werd gekozen voor het concentratiemodel waarbij de’Gouden Driehoek’ (het stadsdeel tussen Minnewater, Zand en Burg) tot harde toeristische kernzone werd veroordeeld. Dit had als voordeel dat de rustige woonwijken in de binnenstad gespaard bleven van het toerisme, maar het verhoogde wel de druk op het toeristische hart. Bovendien bevestigde het de toeristen in hun eenzijdig beeldvorming op de stad als openluchtmuseum.
In 1992 volgde ‘Brugge word wakker!’ op initiatief van journalist Eric Van Hove. Een oproep tot het ontwikkelen van een globale visie op Brugge en het actief vormgeven van de stad. Er werden vragen gesteld bij de overlast van het consumptietoerisme op de leefbaarheid van de stad en met de idee voor een groots Europees cultureel project en een concertzaal voor Brugge, werd de aanzet naar Brugge 2002, Europese Culturele Hoofdstad reeds gegeven.
Midden jaren 1990 werden uiteindelijk een aantal maatregelen genomen om de ongecontroleerde groei van het massatoerisme een halt toe te roepen. Met het verkeerscirculatieplan van 1992 werden autocars de toegang tot de binnenstad verboden en verplicht te parkeren op de speciaal voor tourbussen aangelegde parkeerhaven achter het Minnewater. Deze nieuwe parking bracht een wijziging in het toeristisch circuit met zich mee en maakte van de Katelijnestraat een belangrijke toeristische ader. Het bracht een boom aan nieuwe toeristenwinkels met zich mee en maakte van de zuidelijke punt van de ‘Gouden Driehoek’ de uitvalsbasis voor een toeristisch blitzbezoek aan de stad.
Daar bovenop werd in 1996 de hotelstop van kracht die de bouw van nieuwe hotels in de Brugse binnenstad verbood en zo een bekommernis van ‘S.O.S. Brugge’ inloste.
De vele inspanningen die de stad leverde voor de zorg van haar patrimonium werden in 1998 gehonoreerd door de opname van het Brugse Begijnhof op de prestigieuze UNESCO-lijst van het Werelderfgoed. In 1999 volgde het Belfort en in 2000 werd de totale Brugse binnenstad als werelderfgoed erkend. De in 1999 nieuw aangestelde Vlaamse minister van Toerisme classificeerde zes kunst- en kuststeden, waaronder Brugge.

Brugge 2002
Dat de ambitie van Brugge verder reikte dan een toeristisch pretpark, bewees de kandatuurstelling van de stad in 1995 tot Europese Culturele Hoofdstad. De droom van burgemeester Patrick Moenaert werd werkelijkheid en Brugge kreeg de kans zichzelf tijdens het culturele jaar 2002 te profileren als 21ste-eeuwse stad. Monumenten als de Onze-Lieve-Vrouwekerk (torenspits), de gevels van het Brugse Vrije en de Stadsschouwburg werden gerestaureerd, hedendaagse architectuur nestelde zich met projecten als het Concertgebouw en het paviljoen van Toyo Ito in de historische binnenstad en een kwalitatief cultuuraanbod moest de bezoeker overtuigen van Brugges aspiraties tot cultuurtoeristische trekpleister. De stad wilde evolueren van een historische kijkdoos naar een actieve cultuurstad en stuurde aan op een perceptiewijziging, zowel bij de Bruggeling als bij de buitenstaander.
Brugge 2002 werd een kassucces. Meer dan 3 miljoen dagjesmensen bezochten de stad tijdens het culturele jaar en het verblijfstoerisme steeg met 9 %. De impact op het imago van de stad bleef beperkt, al verbreedde het perspectief op de stad beduidend en werd het actuele als complementair aan het kunsthistorische verleden onderkend.


In & Uit

Op vraag van de stad werkte het WES in 2004 een Strategisch Beleidsplan voor het Toerisme te Brugge uit. Voortbouwend op het elan van Brugge 2002 stelt het beleidsplan (2004-2010) een verdere uitbouw van een kwalitatief hoogstaand cultuurtoerisme voor met aandacht voor de leefbaarheid en de draagkracht van de stad en haar bewoners. Het concentratiemodel wordt aangehouden maar met geleidelijke ontwikkeling van een secundaire museumas richting Potterierei. Er wordt gewerkt aan een verdere beheersing van het logiesaanbod en extra inspanningen worden geleverd voor het verblijfstoerisme. Verder zou de stad eenduidiger gepromoot moeten worden als Werelderfgoedstad en is volgens het rapport een gemeenschappelijke informatie- en ticketingbalie voor cultuur en toerisme wenselijk.


Dit laatste actiepunt kreeg in 2005 gestalte met de opening van de In & Uit in het Concertgebouw. Als pionier in Vlaanderen bundelt deze balie toeristische en culturele informatie in een vrijetijdsonthaal.

Bezoekers worden er wegwijs gemaakt in het ruime vrijetijdsaanbod en kunnen er tegelijk ook reservaties maken voor toeristische of culturele activiteiten. Het perfecte huwelijk tussen cultuur en toerisme!




Kanttekening

Dat de stad sinds Brugge 2002 een aantal actuele injecties heeft gekregen, is duidelijk. Een alternatieve lezing van de stad behoort opnieuw tot de mogelijkheden en de goodwill leeft om een kwalitatief cultuur- en erfgoedtoersime verder uit te bouwen.


De strijd met de clichématige beeldvorming echter blijft. Grip op haar eigen mythe heeft de stad al lang niet meer. Ze leidt een eigen leven in beelden, woorden en hoofden. Moeilijk uit te wissen en in stand gehouden door de wijze waarop Brugge steeds opnieuw wordt aangeprezen in toeristische publicaties. Of moet een openingszin als “Brugge is een stad als een openluchtmuseum” op de site van Toersime Vlaanderen, toeristen van het tegendeel overtuigen?








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina