Het ibm systeem/360 model 65 in delft



Dovnload 25.3 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte25.3 Kb.
HET IBM SYSTEEM/360 MODEL 65 IN DELFT
door ir T. Schipper, adjunct directeur Wiskundige Dienst Technische Hogeschool Delft
In 1960 werd door de 'Commissie Rekenmachines' van de Technische Hogeschool te Delft een boekje uitgegeven, getiteld: 'Rekenmachines in Delft'. Men vindt daarin o.a. een overzicht van de computers waarover de TH Delft in 1960 beschikte: een zestal meest kleine analoge machines en een digitale machine, genaamd ZEBRA. Deze ZEBRA   een afkorting van 'zeer eenvoudige binaire rekenautomaat'   werd oorspronkelijk op het Dr Neher Laboratorium van de P.T.T. ontworpen en door de Standard Telephone en Cables verder ontwikkeld. Het was een trommelmachine met een geheugencapaciteit van 8192 woorden en een woordlengte van 33 bits. Een optelling van twee binaire getallen van 32 bits plus teken kostte 'slechts' 312p sec. De Delftse ZEBRA stond opgesteld in het toenmalige Instituut voor Toegepaste Wiskunde. Daar werden de rekenproblemen van de TH door ongeveer tien programmeurs omgezet in simple code, de autocode van ZEBRA. Het aantal programmeurs buiten het Instituut was zeer beperkt en studenten maakten nauwelijks van de machine gebruik.
In 1962 werd het zich uitbreidende Instituut voor Toegepaste Wiskunde in verband met haar dienstverlenend karakter omgedoopt in 'Wiskundige Dienst'. De vervanging van de ZEBRA door de Telefunken machine TR 4 in het najaar van 1963 betekende een enorme versnelling in de ontwikkeling van het toepassingsgebied van computers in Delft. Niet alleen omdat de komst van de TR 4 een vergroting van de productiecapaciteit met een factor 100 betekende, maar ook en vooral, omdat het toen mogelijk werd programma's te schrijven in een probleemgerichte taal: ALGOL '60. Reeds enkele maanden na de installatie van de TR-4 werden er per dag gemiddeld 90 ALGOL programma's aangeboden en dit aantal zou zich daarna om de twee jaar verdubbelen. Deze toename ontstond, omdat steeds meer stafleden en studenten rechtstreeks van de machine gebruik gingen maken. De programmering geschiedde in 'open shop', de bediening van de machine in 'closed shop'.
Daarmee veranderde de aard van het werk van de Wiskundige Dienst radicaal. Nog steeds werden programma's door de Wiskundige Dienst voor de gebruikers geschreven, maar dat betrof dan meestal programmering in de assembleertaal van de TR 4, omdat ALGOL in dergelijke gevallen tekort schoot. Een enkele keer kwam het voor dat een compleet toepassingsprogramma door de Wiskundige Dienst voor een bepaalde afdeling werd geschreven. Zo werden bijvoorbeeld programma's ontwikkeld ten behoeve van de personeelsadministratie van de Technische Hogeschool.
Het accent van het werk kwam echter veel meer te liggen op de bouw van systeemprogramma's, het ontwerpen van subroutines op het gebied van numerieke analyse en het geven van cursussen en voorlichting.
Zo werd een eigen monitorsysteem ontwikkeld om een aan het programma aanbod aangepast efficiënt bedrijfssysteem te verkrijgen. Ten einde simulatie­problemen te kunnen verwerken werd een GPSS 111 vertaler ontwikkeld. Onderzoek werd gedaan om tot de bouw van een vertaler te komen voor een subset van PL/l. Voor de assembleertaal van de hypothetische machine 'SERA', behandeld in het college 'Elektronische Rekenapparaten', werd een interpretator geschreven.
Studenten leerden programmeren in ALGOL '60 door cursussen bij de Wiskundige Dienst te volgen of colleges en practica op het gebied van numerieke analyse of technisch rekenen.
Jaarlijks volgden ongeveer 200 studenten de cursussen bij de Wiskundige Dienst. Door de Onderafdeling der Wiskunde werd in 1967 een

machine aangeschaft speciaal voor de verwer­king van practicum programma's. Het aantal practicanten gedurende het cursusjaar 1968­1969 bedroeg ongeveer 600. Verwacht wordt, dat het aantal de komende jaren nog verder zal stijgen. Daardoor konden bijvoorbeeld in 1967 en 1968 ongeveer 500 studenten, voornamelijk vierde  en vijfdejaars, voor hun werk rechtstreeks van de TR 4 gebruik maken.


Naast de centraal bij de Wiskundige Dienst opgestelde TR 4 installatie en de computer van de Onderafdeling der Wiskunde werd nog een aantal voor speciale doeleinden aange­schafte digitale machines bij diverse afdelingen geïnstalleerd, waaronder een IBM 1130.

In het klimaat van zich ontplooiende activiteiten op het gebied van toepassingen van digitale rekenautomaten ontstond in de laatste jaren de behoefte aan meer geavanceerde en meer uitge­breide centrale faciliteiten. De TR 4 was bijna zeven dagen per week in bedrijf. De productie varieerde van 300 tot 400 ALGOL programma's per dag. Uiteraard leidde dit tot vertragingen. De rondlooptijd, dat is de tijd, die verloopt tus­sen het aanbieden van een programma en het kunnen afhalen van de resultaten, werd alge­meen als een belemmerende factor op het ont­wikkelen van programma's beschouwd. De Delftse TR 4 installatie, voorzien van vijf mag­neetbandeenheden, een afdrukmachine en pons­band in  en uitvoerapparatuur had nog kunnen worden uitgebreid met een schijfgeheugen en ponskaartapparatuur.

In verband met de geavanceerde mogelijk­heden van meer moderne apparatuur, bijvoor­beeld op het gebied van conversationeel gebruik van computers, werd echter besloten de TR 4 installatie niet verder uit te bouwen en over te gaan op een nieuwe machine.

Daarom werd bij IBM een Systeem/360 Model 65 besteld, dat in januari 1969 werd afgeleverd en op 10 maart in gebruik werd genomen. Gezien de mogelijke overgangsmoeilijkheden werd be­sloten de TR 4 nog gedurende ten minste een jaar in bedrijf te houden.

Tot zover de ontwikkelingen op digitaal gebied. Op het gebied van analoog en hybried rekenen beschikte de TH tot voor kort niet over cen­trale faciliteiten. Enkele afdelingen kregen voor speciale toepassingen eigen apparatuur. Er ontstond echter behoefte om ook centraal te kunnen gebruikmaken van een geavanceerde hybride machine.

Dit resulteerde in de bestelling van een hybride systeem bestaande uit een AD 4 van Applied Dynamics en een IBM 1800. Beide machines werden in de afgelopen maanden bij de Wiskun­dige Dienst geïnstalleerd.


HET SYSTEEM/360 MODEL 65
Het IBM Systeem/360 Model 65 dat in Delft is geïnstalleerd bestaat uit de volgende compo­nenten.

Een centraal verwerkingsorgaan met een 'snel' kernengeheugen ter grootte van 262.144 bytes (256 K). De cyclustijd hiervan bedraagt 750 nanoseconden.

Een 'langzaam' massakernengeheugen ter grootte van 1.048.576 bytes (1024 K). Hiervan bedraagt de cyclustijd 8 microseconden. Het vormt qua adresseerbaarheid één geheel met het snelle geheugen.

Twee selectorkanalen, waarvan op het ene een 2303 trommelgeheugen is aangesloten. De capaciteit hiervan bedraagt 3,9 miljoen bytes. De gemiddelde toegangstijd is 8,6 milliseconden en de overdrachtssnelheid 312.500 bytes per seconde. Op het andere selectorkanaal is een 2314 schijfgeheugen aangesloten. Dit bezit acht toegangsmechanismen. De totale capaciteit be­draagt 233 miljoen bytes. De gemiddelde toe­gangstijd is ongeveer 85 milliseconden en de

overdrachtssnelheid bedraagt 312.000 bytes per seconde. De schijvenpakketten zijn verwissel­baar. Dit geheugen wordt onder meer gebruikt voor het bewaren van gebruikersprogramma's, verzameld in programmabibliotheken.

Een multiplex kanaal, waaraan behalve een schrijfmachinetoetsenbord, twee afdrukmachi­nes, een ponsmachine, twee ponskaartlezers en een ponsbandlezer en  ponser zijn gekoppeld. Bovendien zijn op dit multiplex kanaal twee 2260 'character displays', een 2701 aanpassings­eenheid en een 2702 transmissiebesturings­eenheid aangesloten ten behoeve van de koppe­ling met de PDP van het Laboratorium voor Elektrische Energieoverdracht. Met de 2702 zijn via vaste telefoonlijnen 21 in  en uitvoerstations van het type 2741 en twee stations van het type 1050 verbonden. Ten slotte is ook een trommel­plotter van Calcomp (type 663) op het multiplex kanaal aangesloten.

Aan het multiplex kanaal is een subselector­kanaal gekoppeld waarop drie magneetbandeen­heden en een 2250'visual display', voorzien van een lichtpen, zijn aangesloten. In tegenstelling tot de 2260 kunnen op de 2250 zowel teksten als lijnen worden afgebeeld.
Van het totale kernengeheugen van 1280K bytes wordt ongeveer 80K continu in beslag genomen door de kern van het bedrijfssysteem. Er wordt momenteel gebruik gemaakt van de MFT II versie van het Operating System. Dit wil zeggen, dat in multiprogrammering een 'fixed number of tasks' wordt verwerkt. Daarbij wordt het resterende geheugen van 1200 K verdeeld in een, door de operateur te bepalen, aantal stukken, zogenaamde partities, van waaruit een even groot aantal programma's afwisselend wordt uitgevoerd.
Overdag wordt meestal met 11 partities gewerkt. 's Avonds is dit een kleiner aantal, zodat dan voldoende ruimte beschikbaar is voor zeer grote gebruikersprogramma's. Van de 11 partities zijn er 6 bestemd voor programma's, die speciale systeemfuncties vervullen, zoals het inlezen en voorbewerken van programma's en het afdruk­ken van programmaresultaten. Deze 6 partities nemen totaal ongeveer 180 K aan kernenge­heugen in beslag. De resterende partities zijn bestemd voor de verwerking van: batch programma's, het conversationele programmeringssysteem CPS de verwerking van programma's, die gebruik maken van de 2250 en 2260.
BATCH PROGRAMMA'S VOOR GEBRUIKERS
Batch programma's zijn gebruikersprogram­ma's, die of centraal via de kaartenlezers worden ingelezen of via CPS worden aangeboden. Het systeem zet ze op een wachtlijst, volgens welke ze één voor één worden vertaald en verwerkt. Programma's, waarvan is opgegeven dat de ver­taaltijd plus de rekentijd kleiner is dan 1 minuut, hebben daarbij voorrang.

Er wordt gebruik gemaakt van de programmeer­talen ALGOL, PL/1 en FORTRAN. Een ver­taald programma kan worden opgeslagen in een programmabibliotheek op het 2314 schijfge­heugen, waardoor een reeds bestaand program­ma gemakkelijk opnieuw kan worden uitge­voerd. Zo bestaat er ook een uitgebreide bibliotheek van subprogramma's op het gebied van numerieke analyse, samengesteld uit routi­nes van IBM en van de Wiskundige Dienst. Naast de algemene programmeertalen kan men ook gebruik maken van talen, die gericht zijn op speciale probleemgebieden, zoals lineaire programmering (MPS), verwerken van grote matrices (MATLAN), simulatie van discrete systemen (GPSS 111) en simulatie van continu systemen (CSMP).


CONVERSATIONEEL PROGRAMMERINGSSYSTEEM
Het conversationele programmeringssysteem CPS is een systeem, dat de supervisie heeft over de 21 in  en uitvoerstations van het type 2741 en de 2 stations van het type 1050. Van deze stations, terminals genoemd, zijn er 11 opgesteld bij diverse afdelingen van de Technische Hogeschool, 1 bij het Centraal Reken Instituut van de Rijksuniversiteit te Leiden en de overige 9 bij de Wiskundige Dienst. Deze laatste zijn deels voor eigen werk, deels ten behoeve van gebruikers, die nog niet over een eigen terminal beschikken. Een 2741 terminal lijkt veel op een gewone schrijfmachine. Nadat men zich door het intypen van zijn rekening­nummer bekend heeft gemaakt aan CPS, kan men kiezen uit drie mogelijkheden:
Men kan een programma intypen, dat is ge­schreven in een beperkte subset van PL/l. Dat kan daarna direct op interpretatieve wijze wor­den uitgevoerd. De resultaten worden recht­streeks via de terminal afgedrukt. Merkt men halverwege de uitvoering, dat er iets aan het programma moet worden veranderd, dan kan men de uitvoering stoppen, de correctie aan­brengen, de berekening laten herhalen of voort­zetten. Het is mogelijk in het programma in­structies op te nemen, die de gebruiker vragen bepaalde gegevens via de terminal in te typen. Hierdoor ontstaat een interactie tussen program­ma en programmeur. De ruimte in het kernen­geheugen, die aan een gebruiker wordt toebe­deeld, bedraagt maximaal 16K bytes. De omvang van het ingetypte PL/1 programma is daarom beperkt tot 400 á 450 instructies of in bepaalde gevallen tot ongeveer 100 instructies. Het is mogelijk om programma's en data in programmabibliotheken op te slaan, zodat men niet telkens opnieuw zijn programma behoeft

in te typen. Er is ook een programmabibliotheek met routines voor algemeen gebruik aanwezig.

Deze methode leent zich daarom bijzonder goed voor het snel laten uitvoeren van eenvoudige programma's, het testen van stukken PL/1­programma en het spelenderwijs verkrijgen van inzicht bij het zoeken naar bepaalde oplossings 

methoden.

Een tweede mogelijkheid is in plaats van de subset van PL/1 gebruik te maken van de con­versationele taal BASIC. Men heeft daarbij dezelfde faciliteiten als hierboven genoemd.

Ten slotte kan men een willekeurig stuk tekst via de terminal intypen en deze door CPS onder een bepaalde naam laten opslaan in een biblio­theek op het 2314 schijfgeheugen. Later kan men deze tekst weer oproepen en eventueel veranderingen erin aanbrengen door de te ver­beteren regels opnieuw in te typen en de gewij­zigde tekst weer te laten opbergen.

Op deze manier kan men ook een, in een wille­keurige taal geschreven, programma via de terminal intypen en in de brontaal bewaren. Nu biedt CPS de mogelijkheid van 'remote job entry', waardoor kan worden opgegeven, dat een onder een bepaalde naam opgeborgen programma moet worden verwerkt als batch­programma. Uitvoering vindt dan dus op een later tijdstip plaats. Er zijn mogelijkheden om de resultaten later via een terminal op te vragen. Meestal worden ze echter centraal afgedrukt.

Om tijdverlies ten gevolge van programmeer­fouten te voorkomen is door de Wiskundige Dienst een zg. ALGOLCHECKER gebouwd, die door IBM in CPS is opgenomen. Hierdoor kan men aan CPS opdragen de ingetypte ALGOL tekst op syntactische fouten te onder­zoeken. Eventuele fouten worden dan na enkele seconden aan de programmeur gemeld.

De directe interactie tussen CPS en de gebrui­kers komt tot stand, omdat CPS als program­ma een hoge prioriteit heeft en voor de diverse
gebruikers telkens na elkaar een kleine hoeveel­heid werk verricht. Men noemt dit ook wel 'work sharing'. De programmeur krijgt daar­door het gevoel over een eigen machine te beschikken. Centraal moet men, door bijvoor­beeld ingebouwde controles, voorkomen dat het systeem op verkeerde wijze door de program­meurs op afstand wordt gebruikt.

De degradatie in de verwerking van batch­programma's tengevolge van de aanwezigheid van CPS is bij 20 actieve terminals beperkt tot ongeveer 10%. CPS neemt vrij veel ruimte in beslag: CPS zelf heeft een ruimte nodig van 190K bytes en de benodigde werkruimte be­draagt maximaal 19K bytes per gebruiker.


PROGRAMMA'S VOOR HET 2250 BEELDBUISSTATION
Een programma, dat de beschikking heeft over het 2250 beeldbuisstation, kan daarop bijvoor­beeld figuren afbeelden. Het kan de gebruiker die achter de beeldbuis zit door middel van het functietoetsenbord laten kiezen uit verschillende mogelijkheden om het programma te vervolgen. Ook kan het de gebruiker vragen bepaalde gege­vens in te typen via het toetsenbord of met de lichtpen informatie op de beeldbuis aan te wijzen. Hierdoor ontstaat een conversatie tussen het programma en de gebruiker.

Deze methode van werken leent zich bijzonder goed voor het maken van ontwerpen. Men kan bijvoorbeeld met behulp van de beeldbuis een constructie ontwerpen en er daarna sterkte­berekeningen op laten uitvoeren. Op grond van de resultaten kan het ontwerp worden gewijzigd, waarna opnieuw berekeningen kunnen worden uitgevoerd. Een beeld van het definitieve ont­werp kan met behulp van de plotter in teke­ningen worden omgezet.

Men kan zijn programma zelf schrijven, en men kan ook gebruik maken van speciale applicatieprogramma's, zoals bijvoorbeeld ECAP, een programma, waarniee elektrische schakelingen kunnen worden ontworpen.
VERWACHTINGEN VOOR DE TOEKOMST
In verband met het feit, dat het Systeem/360 Model 65 nog maar kort bij de Wiskundige Dienst in bedrijf is, kunnen wat het gebruik ervan betreft slechts voorlopige conclusies worden getrokken.

Per dag werden tot 1 juli 1969 ongeveer 250 batch programma's aangeboden, waarvan onge­veer 80 via de terminals. Het merendeel van deze programma's was in ALGOL geschreven. Rekening houdende met de vakantieperiode en het feit, dat de TR4 dikwijls gedurende 3 shifts per dag in gebruik was, mag een snelle stijging van het aantal programma's worden verwacht. Tot nu toe werd door 187 personen gebruik gemaakt van CPS. Ook hier wordt een stijging van het gebruik verwacht. Een remmende factor is waarschijnlijk het beperkte aantal terminals. Het ligt daarom in de bedoeling het aantal ter­minals na verloop van een jaar uit te breiden tot 50 á 60.



De belangstelling voor diverse applicatiepro­gramma's van IBM neemt sterk toe. De Wis­kundige Dienst experimenteert daarom met diverse van deze programma's. Ook zal worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn van de MVT versie van het Operating Systern en zal er worden geëxperimenteerd met andere conver­sationele systemen.

De configuratie van het Systeem/360 Model 65, zoals dat staat opgesteld bij de Wiskundige Dienst van de Technische Hogeschool te Delft, biedt met zijn uitgebreide programmatuur enor­me mogelijkheden voor onderwijs en research aan dit instituut voor hoger wetenschappelijk onderwijs.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina