Het internet



Dovnload 44.46 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte44.46 Kb.



HET INTERNET

Yolande Berbers, Bart De Decker

Departement computerwetenschappen, KULeuven

1Inleiding


Het Internet zal in de 21ste eeuw onze samenleving grondig veranderen. Toepassingen zoals electronic commerce en tele-working zullen een niet te onderschatten impact hebben op bedrijven, de distributie-sector en de maatschappij in haar geheel.

Toch zijn we nog niet zover. Het zal zeker nog enkele jaren duren voor deze nieuwe toepassingen universeel beschikbaar zijn. Vandaag wordt het Internet vooral gebruikt voor enkele "traditionele" diensten, zoals het versturen en ontvangen van elektronische post, en het "surfen" op het Internet.

Dit artikel gaat niet in op de toekomstige uitdagingen, maar wil wel een overzicht geven van de voornaamste toepassingen die vandaag beschikbaar zijn. Op een eenvoudige manier worden de vele "buzz words" uitgelegd. We staan even stil bij de werking van het Internet en bespreken de voornaamste toepassingen (e-mail, ftp, news, www, irc) op een eerder hoog niveau. Voor hen die weinig of geen ervaring hebben met het Internet-gebeuren kan deze tekst een aanzet zijn om het Internet te gaan exploreren. Maar ook de jongere generatie, die vaak groot gebracht is met het Internet, kent meestal niet haar ontstaansgeschiedenis en vereenzelvigt ten onrechte het World Wide Web (WWW) met het Internet. Dit wordt in de hand gewerkt door een aantal populaire Web-browsers die verschillende toepassingen via een uniforme interface ondersteunen.

2Achtergrond


De geschiedenis van het Internet begint eind jaren 60 bij het ARPAnet (Advanced Research Projects Agency), een experimenteel netwerk dat ontworpen werd ten behoeve van militair onderzoek in de Verenigde Staten. Het netwerk moest gedecentraliseerd zijn zodat het uitvallen van een knooppunt niet zou leiden tot het platliggen van het volledige netwerk. De gebruikers van ARPAnet, diverse Amerikaanse universiteiten en onderzoeksinstellingen, kregen via dit netwerk toegang tot grote computerbestanden, verspreid over het land.

In het begin van de jaren zeventig werd al snel duidelijk dat onderzoekers meer met het netwerk deden dan waar het oorspronkelijk voor was ontworpen. Via elektronische berichten (e-mail) ontstond een levendige briefwisseling over de meest uiteenlopende onderwerpen. De mogelijkheid om een boodschap over het hele netwerk te distribueren leidde tot een rijkdom aan gedachtenuitwisseling, van strikt wetenschappelijke nieuwtjes tot en met discussies over sociale en culturele aangelegenheden.

Meer en meer lokale netwerken werden aan het ARPAnet gehangen, voornamelijk universitaire netwerken. In het algemeen liep dit niet van een leien dakje, want de verschillende soorten netwerken en de computers die op die netwerken actief waren, spraken niet altijd hetzelfde protocol (taal waarmee computers communiceren): netwerken van bepaalde constructeurs hadden zo hun eigen protocol, zoals bv DECnet, SNA van IBM, Appletalk, enz. Het TCP/IP netwerkprotocol (Transmission Control Protocol/Internet Protocol) op het ARPAnet gebruikt, werd uiteindelijk een de facto standaard.

Begin van de jaren 80 werden de militaire activiteiten naar een ander netwerk overgebracht, en werd ARPAnet uitsluitend een netwerk voor wetenschappelijke doeleinden.

De Amerikaanse stichting voor wetenschappen NSF (National Science Foundation) gaf een nieuwe impuls aan het gebeuren door vijf van zijn supercomputers via TCP/IP te verbinden. Van in het begin werd het debiet van een verbinding aangepast aan de kracht van de supercomputers. Andere wetenschappelijke netwerken werden toegelaten en kregen toegang tot de supersnelle machines. Het was echter duidelijk dat het financieel niet haalbaar was om iedere universiteit direct aan te sluiten op een supercomputercentrum. Daarom werd er gekozen voor regionale netwerken. In iedere regio werd elke universiteit verbonden met de dichtstbijzijnde andere universiteit. Elk van die ketens was op één plaats verbonden met een supercomputercentrum, en de centra waren aan elkaar gekoppeld. Zo kon elke computer communiceren met elke andere computer doordat zijn boodschappen via en aantal tussenstappen naar de plaats van bestemming werden verstuurd. Op deze manier creëerde het NSF het (con)federale model van Internet: een geheel van regionale en universitaire netwerken, verbonden via een stevige backbone (de ruggengraat).

Het Internet wordt vaak vergeleken met een wegennet. Deze metafoor gaat inderdaad op: wanneer een bericht uit een lokale computer wordt verstuurd, dan gebeurt dit in eerste instantie meestal via kleinere, lokale 'wegen'. Maar op drukke knooppunten stoten deze kleinere 'wegen' op 'snelwegen' waarop veel meer informatie met hogere snelheid kan 'rijden'. In het engels spreekt men van de ‘information highway’. Maar zoals er files zijn op het wegennet, zo kunnen er ook flessenhalzen ontstaan op sommige verbindingen van het Internet. Het is niet omdat een computer een hoge-snelheidsverbinding heeft met het dichtstbijzijnde knooppunt, dat alle informatie met hoge snelheid bij die computer toekomt. Andere verbindingen van het Internet kunnen namelijk strop zitten.

Begin van de jaren 90 werd de vraag van de bedrijfswereld om ook te mogen aansluiten op het Internet zo groot dat NFS besloot om het netwerk langzaam uit handen te geven aan de privé-sector en vanaf dan konden ook bedrijven hun computers aan het Internet hangen. Het aantal aangesloten computers is sinds dat moment heel sterk gestegen. Figuur 1 toont de evolutie van het aantal aangesloten computers tussen 1991 en 1997.

De ontwikkeling van het Internet wordt wel eens vergeleken met de ontwikkeling van een taal. Ook daar is er niet één instantie die eigenaar is van die taal, die bepaalt welke woorden wel of niet gesproken kunnen worden. Het zijn de gebruikers van een taal die ervoor zorgen dat deze evolueert door zelf nieuwe termen, woorden of regels aan te dragen. Worden deze in brede kring aanvaard, dan groeit een taal verder. Deze vergelijking gaat ook op voor de ontwikkeling van het Internet. Gebruikers van het netwerk bedachten zelf vaak slimme nieuwe toepassingen en plaatsten die op het net, ter goedkeuring van de gemeenschap die deze vervolgens wel of niet ging gebruiken.

Deze ontwikkeling duurt tot op de dag van vandaag voort. Het zijn dan ook nog steeds niet de grote softwarehuizen die originele oplossingen aandragen om het Internet bruikbaarder te maken. Veelal zijn het universiteiten, individuele studenten en kleine bedrijfjes die op non profit basis met handige en vaak gratis beschikbare softwarewerktuigen komen, die het gebruik van het Internet vereenvoudigen of verbeteren.

Een voorbeeld is het programma Gopher, een handig werktuig om snel op het hele Internet naar informatie te zoeken, dat ontwikkeld werd aan de Universiteit van Minnesota. Het mooiste voorbeeld is echter het World Wide Web (WWW), een zoek en bekijk systeem met tekst, figuren, foto's, video en geluid, dat ontwikkeld werd binnen de Zwitserse onderzoeksinstelling CERN.






Figuur 1: evolutie van aangesloten computers tussen 1991 en 1997

3Werking van het INTERNET


Het is niet de bedoeling om hier de werking van het Internet in alle details uit de doeken te doen. Toch willen we iets vertellen over wat er achter de schermen gebeurt.

Het basisconcept van Internet is dat van het pakketje. Het is een kleine hoeveelheid informatie die als een pakje over het netwerk wordt vervoerd. Dit pakketje (enkele honderden tot duizenden bytes) bevat o.a. informatie over de bestemmeling en de eigenlijke gegevens. Wanneer men een groot bestand verstuurt, wordt het eerst verdeeld in verschillende kleinere pakketjes. Deze datapakketten worden één voor één door het net gestuurd naar de dichtstbijzijnde router (vergelijkbaar met een telefooncentrale). Die analyseert hun bestemming en verstuurt de pakketten op zijn beurt door de volgende bestemmeling in zogenaamde routing-tabellen te kiezen. Dat gaat zo verder tot de pakketjes hun eindbestemming bereiken. In tegenstelling tot de telefoon, is er dus nooit een rechtstreekse verbinding tussen de zender en de ontvanger.

Pakketten zijn onafhankelijk van elkaar. In functie van de lokale belasting van het netwerk dat ze doorkruisen, kunnen ze verschillende trajecten volgen. Ze worden niet gecontroleerd of hervormd door de systemen waar ze doorgaan. Dat is de taak van het communicatieprogramma op de eindbestemming. Dit programma moet de pakketjes in de juiste volgorde plaatsen, wachten tot alles is toegekomen, fouten opsporen en eventueel vragen dat bepaalde pakketjes opnieuw worden verstuurd. Het IP-protocol bepaalt de regels voor het pakket-verkeer, het TCP-protocol verdeelt grotere hoeveelheden informatie in kleine pakketjes langs de kant van de verzender, en stelt de informatie weer samen aan de kant van de bestemmeling.

Elk van de op Internet aangesloten netwerken en elk van de op die netwerken aangesloten computers heeft een eigen specifiek nummer, het zogenaamde IP-adres. Dit IP-adres wordt voorgesteld door vier groepen getallen, gescheiden door een punt, zoals bijvoorbeeld 134.58.39.97. Aan de hand van het IP-adres kan een router weten naar welke computer een pakketje moet worden verstuurd. Meestal is het zo dat de eerste twee getallen van het IP-adres het netwerk identificeren en de laatste twee het nummer van de computer.

Computers werken gemakkelijk met cijfers, maar mensen niet. Daarom werd een systeem bedacht om computers ook namen te geven: DNS (Domain Name System). Een DNS-naam lees je van rechts naar links. De DNS-naam van het departement computerwetenschappen van de KULeuven is cs.kuleuven.ac.be. Het uiterst rechtse gedeelte is het hoofddomein, in dit voorbeeld is dat ‘be’ en het duidt op België. Naast aanduidingen van landen zijn er ook generieke hoofddomeinen zoals ‘com’ voor commerciële organisaties, en ‘net’ voor netwerkexploitanten, en ook enkele hoofddomeinen voor de Verenigde Staten (waar Internet uiteindelijk werd gecreëerd): ‘gov’ voor overheidsinstellingen en ‘edu’ voor educatieve instellingen. Naast het hoofddomein bevat de DNS-naam nog een aantal subdomeinen. In ons voorbeeld staat 'ac' voor academic, 'kuleuven' uiteraard voor de Katholieke Universiteit Leuven, en 'cs' voor computer science. De DNS-namen worden omgezet in IP-adressen door DNS-servers.

Het toekennen van DNS-namen gebeurt door erkende instellingen. In België gebeurt dit (momenteel nog) op het Departement Computerwetenschappen van de K.U.Leuven, omdat zij in België koplopers waren bij het gebruik van Internet.


4Organisatie van het Internet


Wil men aansluiten op het internet dan moet men een verbinding hebben met een ander knooppunt dat aan het internet hangt. Een Internetaanbieder (in het engels Internet Access Provider) is een commerciële firma die Internetdiensten aanbiedt. In ons land zijn meerdere Internetaanbieders actief, zij bieden een waaier van diensten aan, gaande van eenvoudige diensten voor privé-gebruikers tot uitgebreide dienstenpakketten voor bedrijven. De meeste Internetaanbieders vragen een maandelijkse abonnementsprijs waarin een bepaald aantal uren Internetverbinding begrepen is. Boven dit plafond betaalt men een tarief per tijdseenheid.

Om een verbinding te leggen met een Internetaanbieder gebruikt men als privé-gebruiker een modem. Verder moet men over communicatie software beschikken die TCP/IP ondersteunt, en over toepassingssoftware. Van de Internetaanbieder krijgt men een IP-adres en een e-mail-adres om elektronische berichten te kunnen sturen en ontvangen. Bedrijven geven vaak de voorkeur aan een vaste verbinding, waarbij een vaste lijn gehuurd wordt van een telecom operator.



Belnet is een dienst van de Belgische overheid die in het leven geroepen werd om de communicatienoden van de onderzoeksinstellingen in België te ondersteunen. Momenteel biedt Belnet ook Internetdiensten aan alle openbare instellingen.

5Enkele eenvoudige toepassingen


De door het grote publiek meest gebruikte toepassing van Internet, tegelijk ook de toepassing die mede aan de basis lag van de doorbraak van Internet, is het World Wide Web (afgekort WWW). Voor vele leken is het Internet synoniem met WWW. Maar het Internet is meer dan het World Wide Web. In dit deel bespreken we enkele toepassingen van het Internet, en we starten met WWW.

5.1Het World Wide Web


Via WWW krijg je toegang tot een schat aan informatie. Deze informatie heeft betrekking op allerlei onderwerpen, van universitair onderzoek tot beursindexen, van telefoonnummers tot voetbaluitslagen. Je kan het zo gek niet bedenken of je zal er wel ergens informatie over kunnen vinden op het Web.

Ook bedrijven en leveranciers hebben het Internet ontdekt. Velen hebben een Web-site, waarop informatie over het bedrijf, de producten, enz. gevonden kan worden. Bovendien kan je dikwijls via deze weg goederen bestellen (en eventueel elektronisch betalen).

Het Web is vrij toegankelijk voor iedereen. Je hebt geen speciale toestemming nodig om het te gebruiken. Je hebt wel een computer en bepaalde software nodig en een aansluitpunt op het Internet.

Het World Wide Web bestaat uit pagina’s (documenten) die allerhande informatie bevatten (met tekst, geluid, video-beelden, grafieken, enz.). De informatie is echter gestructureerd als een hypertekst. In een hypertekst kan je verwijzingen (links in het Engels) naar andere pagina’s of naar andere plaatsen in dezelfde pagina zetten.

Om naar een Web-pagina te verwijzen gebruikt men een URL (Uniform Resource Location). Dit is een beschrijving van de plaats waar een pagina gevonden kan worden. Een voorbeeld van URL is http://www.vlaanderen.be/ned/sites/nieuws-f.htm. Het eerste deel van de URL duidt het gebruikte protocol aan; voor het WWW is dit normaal http (HyperText Transfer Protocol). Dit wordt gevolgd door een dubbel punt en een dubbele schuine streep. Daarna volgt de DNS-naam van de computer waar de pagina bewaard wordt (de zogenaamde Web-site). Deze wordt dan eventueel gevolgd door de naam van het bestand dat gezocht wordt, en dit kan een volledige padnaam zijn die mappen bevat.

Indien je gewoon verwijzigingen volgt hoef je je geen zorgen te maken over URLs; je hebt alleen een URL nodig indien je de plaats van een Web-pagina aan iemand anders wil doorgeven, of indien iemand jou een URL heeft gegeven van een pagina die je wil consulteren.

Om een Web-pagina te kunnen bekijken, heb je een speciaal programma nodig: een blader-programma of Web-browser. Dit is een programma dat in staat is Web-pagina’s op te halen op het adres aangegeven door de URL en deze te tonen op je computer. Enkele populaire browsers zijn Netscape communicator en Microsoft Internet Explorer.

De browser zal de verwijzingen (URLs) die in een hypertekst pagina voorkomen op een andere wijze voorstellen dan de normale tekst: de verwijzingen kunnen bijvoorbeeld onderlijnd zijn of in een andere kleur weergegeven worden. Indien je klikt op zo’n verwijzing, zal de browser de URL gebruiken om de nieuwe pagina op te halen. Op figuur 2 zie je de hoofdpagina van het KVIV, gevisualiseerd door de browser Netscape communicator. De kolom links bevat verwijzingen, ook onderaan zie je een aantal onderstreepte verwijzingen.



Figuur 2: De hoofdpagina van het KVIV gevisualiseerd door een browser

WWW-pagina’s worden bijgehouden op een Web-Server, die ze opstuurt wanneer cliënten (browsers of andere Web-servers) daarom vragen. De server houdt zich niet bezig met de visualisatie van de pagina’s, dat doet de browser.

Het formaat van een Web-pagina ligt niet vast. In principe kan om het even welk bestand dienst doen als Web-pagina: een gewoon tekstbestand (bestaande uit ascii-tekens), een Word-document, een rekenblad, zelfs een bestand dat een foto bevat, enz. De Web-browser moet echter het formaat wel kennen om de pagina in zijn venster te kunnen tonen. Daarom werd een soort standaard-formaat afgesproken dat door alle Web-browsers begrepen wordt: het HTML-formaat (Hypertext Markup Language). Krijgt een browser een andere formaat, dan gebruikt hij hulp-programma’s of
plug-ins”. Sommige hulp-programma’s of plug-ins zijn vrij te verkrijgen, andere moet je aankopen.

Wil je iets specifieks opzoeken in het Internet dan is het niet zo eenvoudig direct de pagina te vinden die je nodig hebt. De kans is groot dat je verdwaalt of dat je overladen wordt met informatie waardoor je tussen de bomen het bos niet meer ziet. Door gebruik te maken van Web-indexen of zoek-machines, kan je je zoektocht heel wat inkorten.



Web-indexen ordenen de verschillende onderwerpen in een hiërarchische structuur. De meest bekende Web-index is Yahoo!, die het web in vierentwintig hoofdonderwerpen onderverdeelt, zoals Kunst (Arts), Computers, Internet, Ontspanning (Entertainment) en Wetenschappen (Science). Onder deze hoofdonderwerpen vind je een verzameling subtopics, die weer onderverdeeld zijn in verdere specialisaties. Door te navigeren in deze hiërarchie van onderwerpen, kan je je zoektocht herleiden tot een heel smal domein. Web-indexen zijn erg nuttig wanneer je op zoek bent naar Web-sites die pagina’s bevatten over een bepaald onderwerp.

Een zoek-machine is eigenlijk een gegevensbank van het Web die je kan ondervragen. Ze levert een lijst met pagina’s af die een woord of een combinatie van woorden bevatten. Bijvoorbeeld, je zou zo’n zoek-machine kunnen vragen naar alle pagina’s die de woorden HTML en HTTP bevatten. De gebruikte gegevensbanken worden samengesteld door zoekrobots. Zij lopen systematisch hele Web-sites af en analyseren alle pagina’s op zoek naar interessante woorden, die dan aan de gegevensbank worden toegevoegd. Enkele van de betere zoek-machines zijn Alta Vista, Webcrawler, en HotBot.


5.2E-mail


E-mail staat voor electronic mail, dus elektronische post. Het is een zeer veel gebruikte toepassing op het Internet. Je kan via e-mail niet minder dan 30 miljoen mensen bereiken. Als je daarbij bedenkt dat het vrijwel gratis is, enorm snel gaat, toelaat boodschappen te beantwoorden en verder te sturen naar anderen, kun je begrijpen dat dit een heel krachtig hulpmiddel is.

Met de elektronische post is het mogelijk een boodschap naar een correspondent te versturen, waar die zich ook ter wereld bevindt. Hij hoeft zelfs niet aangesloten te zijn op het ogenblik dat je de boodschap verstuurt. Het volstaat dat de bestemmeling over een elektronisch adres beschikt. Dit betekent dat er een computer is die aan het Internet hangt en die de post voor die gebruiker bijhoudt. Eens de boodschap is opgesteld wordt hij via het netwerk naar de computer van de correspondent verstuurd. Wanneer deze in zijn 'brievenbus' kijkt, vindt hij daar de boodschap. Post opvragen en doornemen kan op het moment dat het meest geschikt is voor de ontvanger.

Een e-mail boodschap bestaat uit twee delen: een briefhoofd (header in het Engels) en de eigenlijke boodschap. Het briefhoofd bevat verschillende administratieve gegevens (zender, ontvanger, onderwerp, …).

Er bestaan nogal wat e-mailprogramma's met behulp waarvan elektronische post verstuurd en gelezen kan worden. Hoewel deze programma's in een aantal opzichten van elkaar kunnen verschillen, bieden ze je basismogelijkheden die min of meer overal gelijk zijn:



  • het lezen van binnengekomen berichten

  • het opstellen en verzenden van berichten

  • het beantwoorden van binnengekomen berichten

  • het doorversturen van binnengekomen berichten

  • het organiseren van de berichten die je ontvangt

  • het bijhouden van e-mail adressen.

Voor het organiseren van berichten wordt meer en meer gewerkt met een boomstructuur van mappen en berichten, analoog aan een bestandensysteem.

Bekende e-mailprogramma's zijn pine, Netscape, Eudora, Pegasus mail, elm, Exchange.

Figuur 3 toont de interface van Netscape voor e-mail. Het venster is verdeeld in drie zones: links boven is een lijst met mappen met berichten, rechts de berichten in de geselecteerde map, en beneden de inhoud van het geselecteerde bericht. Er is altijd een Inbox (of iets met een analoge naam) waar de binnengekomen berichten in staan. Men kan ze daar laten staan of ze verplaatsen naar andere mappen. Men kan berichten natuurlijk ook verwijderen. Bovenaan in het venster zie je ook een aantal knoppen met dewelke je de meest gebruikte taken kunt doen.




Figuur 3: Netscape-interface voor het lezen van mail

Wanneer je een nieuw bericht wil aanmaken dan moet de hoofding voor dat bericht ingevuld worden: de bestemmeling, de titel van het bericht (deze titel komt dan ook in het overzicht bij de bestemmeling), en eventueel adressen van mensen aan wie je een kopie wilt sturen. Het bericht zelf is normaal gewone tekst (ascii). Wil je toch iets anders opsturen, bv een foto of een Word-document, dan kun je dat doen via een bijvoegsel (attachment in het Engels). Dit bijvoegsel wordt dan gecodeerd om niets verloren te laten gaan over het netwerk. Niet-tekst-bestanden bevatten namelijk speciale karakters die niet in het gewone alfabet voorkomen, en deze speciale tekens worden als men geen voorzorgen neemt, niet correct over het netwerk verzonden.


5.3Nieuws


Nieuws functioneert als een openbaar, elektronisch platform waar iedereen kan discussiëren over de meest uiteenlopende onderwerpen. Het is een verzameling van virtuele vergaderzalen waar duizenden discussiegroepen (men spreekt ook wel van nieuwsgroepen) gesprekken houden over wetenschappelijke onderwerpen, hobby's, politiek, kunst, enz. Het discussiëren verloopt via het sturen van berichten. Iedere deelnemer van een discussiegroep kan een bericht plaatsen. Dat kan een mededeling zijn, een bijdrage aan de discussie, of een vraag. Op zo een bericht kunnen anderen dan weer reageren. Op die manier kan binnen een actieve discussiegroep heel snel een grote hoeveelheid informatie worden opgebouwd.

Nieuws is als een reusachtig elektronisch mededelingenbord. Sommige discussiegroepen bestaan momenteel al uit meer dan één miljoen deelnemers.

De discussiegroepen zijn enigszins hiërarchisch gestructureerd, en dat is te zien aan de namen van de discussiegroepen. Om te beginnen worden er een aantal hoofdgroepen onderscheiden. Het linkergedeelte van de naam van de discussiegroep verwijst naar de hoofdgroep waartoe een bepaalde discussiegroep behoort. Na de hoofdgroepidentificatie volgen er enkele meer specifieke termen die zo duidelijk mogelijk proberen aan te geven in welke subgroep de discussiegroep zich bevindt en wat het thema is. In de onderstaande tabel vind je de meest bezochte nieuwshoofdgroepen.

comp: computer hardware en software, protocols

news: berichten over nieuwsgroepen, software om nieuws te lezen, enz.

rec.: hobby's en ontspanning (spelletjes, muziek, sport, enz.)

sci: wetenschappelijke onderwerpen (wiskunde, psychologie, …)

soc: sociale, culturele en maatschappelijke thema's

talk: discussies rond actuele thema's zoals politiek, milieu, religie

misc: andere onderwerpen

Zoals voor elektronische post zijn er meerdere programma's waarmee je nieuws kunt lezen. Deze programma's verschillen in de manier waarop ze de berichten laten zien en organiseren, en de manier waarop je door de berichten van een discussiegroep kunt lopen.

5.4FTP


FTP (File Transfer Protocol) is een protocol (reeks van regels en afspraken) om op een foutloze manier bestanden tussen computers te transporteren. Het werd reeds in 1971 geïntroduceerd en groeide uit tot een standaard. FTP is gemakkelijk om mee te werken. Zoals voor elektronische post en nieuws zijn er meerdere programma's die FTP aanbieden.

Toegepast op Internet is FTP een manier om gegevens die zich ergens ter wereld in een 'gast-' of hostcomputer bevinden, op te vragen en naar je eigen computer over te hevelen. Dit proces noemt men soms ook 'downloaden'.

Voordat je een FTP-sessie kunt opstarten moet je eerst een connectie maken met de gastcomputer waarvan je bestanden wilt halen. Hiervoor moet je de DNS-naam van de gastcomputer opgeven. De gastcomputer zal je ook een identificatie en een wachtwoord vragen. Op een groot aantal gastcomputer waar Jan-en-alleman bestanden mogen komen ophalen kun je als identificatie 'anonymous' opgeven, en als wachtwoord geef je dan je e-mail-adres op.

Figuur 4 toont de interface van het programma WS_FTP, nadat reeds een connectie gemaakt werd met een andere computer. Het venster is verdeeld in een linker deel voor je eigen computer (Local system) en een rechter deel voor de computer waarvan je graag bestanden overhaalt (Remote system). Zowel links als rechts zie je een bestandensysteem waardoor je kunt wandelen. Zo kun je bv in de eigen computer naar de map gaan waarin je de bestanden wilt plaatsen, en in het rechter gedeelte wandel je naar de map van waaruit je bestanden wilt downloaden. Nu kun je de bestanden die je wilt overhalen selecteren met de linker muisknop, en daarna kun je op één van de twee pijlen in het midden klikken om het overbrengen te starten. De pijlen geven aan in welke richting het verkeer gaat. Bestanden overbrengen van je eigen computer naar een andere gaat dus ook.






Figuur 4: interface van een FTP-programma

5.5IRC


IRC (Internet Relay Chat) is één van de bekendste systemen om te ‘praten’ via het Internet. Via dit programma kun je gesprekken voeren met meer dan twee personen. Je legt contact met een andere gebruiker of met meerdere gebruikers tegelijkertijd en je tikt via het toetsenbord in wat je wil zeggen. De persoon of personen aan de andere kant kunnen jouw tekst lezen en onmiddellijk een antwoord terugsturen. Nadat hun antwoord dan op jouw computerscherm is verschenen kan je opnieuw reageren. Op die manier kunnen hele gesprekken of discussies ontstaan.

Het IRC is ingedeeld in kanalen (channels in het Engels) met namen zoals #disney, #netsoft, #linux, #dutch, #vlaanderen. Kanalen zijn eigenlijk verzamelplaatsen waar gesproken wordt over een bepaald onderwerp. De gebruiker kan onder een echte of fictieve naam (nickname) toetreden tot een bepaald gesprekskanaal.


6Besluit


Het Internet is nog geen dertig jaar oud, maar heeft reeds een enorme evolutie doorgemaakt. In dit artikel hebben we de voornaamste toepassingen die vandaag op het Internet gebruikt worden op een eenvoudige wijze uitgelegd. Een van die toepassingen, WWW, ligt aan de basis van het grote succes van het Internet. Ongetwijfeld zullen er nieuwe toepassingen bijkomen. We denken aan electronic commerce, tele-working, video-on-demand, en vele anderen. Sommigen zullen een Internet-standaard worden, en daardoor algemeen beschikbaar zijn; anderen zullen een stille dood sterven.

Mocht men alles overdoen, dan zouden waarschijnlijk heel wat zaken anders gedaan worden. In de beginjaren van het Internet was "beveiliging" niet echt belangrijk. Heel wat standaard-protocols hebben bijgevolg geen voorzieningen hiervoor, en ze aanpassen is zeker geen sinecure: miljoenen implementaties van deze toepassingen zouden moeten aangepast worden! Een ander probleem, heeft te maken met de Internet-adressen (IP-nummers). Niemand kon in de beginjaren van het Internet voorzien dat er ooit zoveel computers op het Internet aangesloten zouden worden (de PC bestond nog niet!). IP-nummers worden op dit ogenblik nauwgezet beheerd, om uitputting te voorkomen. Nog een probleem zijn de URL’s. Momenteel maakt de fysische plaats waar een pagina bewaard worden deel uit van de URL, zodat als de pagina bv in een andere map wordt geplaatst de URL wijzigt. Maar andere pagina’s die nog wijzen naar de oude URL kunnen niet automatisch aangepast worden zodat men in het WWW vaak op links stuit die niet meer juist zijn. Er zijn dus nog heel wat uitdagingen voor de toekomst, die in dit artikel echter niet aan bod gekomen zijn.


Referenties

  1. Benoit Lips, Wegwijs in Internet, Ced.Samson Diegem, 1996

  2. Dirk De Grooff, Willem Hesling, Jan Sluyts, Luc Van de Bosche, Geert Verstaen, David Verstraete, Internet voor leerlingen, Davindsfonds/Leuven, 1996, ISBN 90-6152-950-6

  3. Galen A Grimes, 10 minuten gids Internet voor Windows 95, Academic service Schoonhoven, 1996

  4. Timo van der Eng, Wilke de Jonge, Marianne Spermon, Internet in de praktijk, Teleac Utrecht, 1996

  5. Rob Ainsley, Alles wat je altijd al wilde weten over internet, Krikke Leiden, 1996

  6. Mark Torben Rudolph, Internet makkie. Internet beginnersboek, Easy computing Brussel, 1996, ISBN 90-5167-104-0

  7. Stefan Arts, Internet in 20 stappen, Sybex Soest, 1996, ISBN 90-5160-999-X









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina