Het kind (de kinderen) l’enfant beschermen tegen protéger de/contre het geweld la violence op



Dovnload 28.82 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte28.82 Kb.
TAALNET II : Derde journaal
9.
verschillende différents

de omroep la radio télévision

het bedrijf la firme

het kind (de kinderen) l’enfant

beschermen tegen protéger de/contre

het geweld la violence

op televisie à la télévision

openbaar public

‘uitnodigen inviter

‘deelnemen aan participer à

de bespreking = de discussie

hierover à propos de ceci

het besluit = de beslissing la décision

besluiten = beslissen

‘opstellen rédiger

‘uitzenden (zond uit, zonden uit, uitgezonden) émettre, diffuser

de uitzending l’émission

de uitzender l’émetteur

de uitzendtijd le temps de diffusion

geschikt zijn voor convenir à

de jeugd la jeunesse

jeugdig jeune, pour les jeunes

jong jeune (adj)

jongere le jeune

de kijker le spectateur

zou(den)+inf = conditionnel

in dat geval (het geval) dans ce cas

bepalen déterminer

bepaald déterminé, certain

de leeftijd l’âge

welk(e) quel(le(s))

het programma

de bedoeling l’intention/la signification



het plan

snel = vlug vite, rapide

(on)mogelijk (im)possible

zo snel mogelijk aussi vite que possible

‘voorleggen soumettre à

de politicus (de politici) le(s) politicien(s)

over een paar maanden dans quelques mois

de Tweede Kamer = de Senaat

de wet la loi

wettelijk légal

de maatregel la mesure

10.
laatste jaars de dernière année, en terminale

de leerling l’élève

de scholier l’écolier

het middelbaar onderwijs l’enseignement secondaire

binnenkort sous peu

het keuzedossier le dossier de choix, d’options

het werkboek le livre de travail (exc.)

‘voorbereiden op préparer à

verantwoord réfléchi, raisonnable, fondé

hoog (hoger(e) haut, élevé (plus)

de opleiding la formation

‘opleiden former

het beroep le métier

kiezen (koos, kozen, gekozen) choisir

de keus/keuze le choix

de helft la moitié

zakken échouer

het ligt aan c’est dû à

zelden = niet vaak rarement

bewust conscient

uit …… blijkt dat de …. il ressort que

kennen connaître

(ge)makkelijk >< moeilijk facile

de richting le sens, la direction /option

vandaar de là

het is geen gok (de gok) ce n’est pas un coup de chance/au pif(le pari)

verre van loin de là

11.
de winnaar le gagnant

winnen (won,wonnen,gewonnen) gagner (jeu)

verdienen gagner (salaire)/mériter

tot nog toe = tot nu toe = tot zover jusqu’à présent

vinden (vond, vonden, gevonden) trouver

onvindbaar introuvable

‘invullen compléter, remplir

gelukkig heureux

de gelukkige le chanceux

het getal le nombre

zich melden = zich bekend maken se faire connaître

volgens selon

‘voorkomen (kwam voor, kwamen voor, voorgekomen) se produire, se passer

na après


‘opdagen se manifester, pointer le bout du nez, se pointer

‘uitsluiten (sloot uit, sloten uit, uitgesloten) exclure

kersvers tout frais

het bedrag le montant

te wachten liggen être en train d’attendre

afgelopen = vorig = verleden

hoeven + niet +te+inf ne pas devoir (absence d’obligation = pas nécessaire)

een jaar lang toute une année, une année entière

zich haasten se dépêcher

aangezien étant donné

zo lang aussi longtemps

‘opeisen exiger

opeisbaar exigible
12.
bij lors de

het alcohol

stomdronken ivre mort

dronken ivre, saoul

drinken (dronk, dronken, gedronken) boire

de dronkenschap l’ivresse

het bewijs la preuve

rijden (reed, reden, gereden) rouler, conduire

het rijbewijs le permis de conduire

‘kwijtraken = verliezen perdre

erg = zeer, heel

ontgoocheld déçu

ontgoochelen décevoir

verzekeren assurer

merken remarquer

genoeg assez

de zeep le savon

eten (at, aten, gegeten) manger

hevig terrible(ment)

zien ‘afkomen voir venir

de bestuurder = de chauffeur le chauffeur

besturen conduire

het stuur le volant

het stuk le morceau

als comme

het gevolg la conséquence

volgen suivre

het schuim la mousse

de lip(pen) la (les) lèvre(s)

staan (stond,stonden,gestaan) se trouver

‘aanraden conseiller

de dronkaard le pochard

de melk le lait

toch quand même
TAALNET II : Vierde journaal

13.
winkelen = boodschappen doen faire des courses, les magasins

de winkel le magasin

de terugkomst le retour

‘terugkomen (kwam terug, kwamen terug,teruggekomen) revenir

‘vaststellen constater

‘volladen met charger de

tot z’n grote verbazing à son grand étonnement

verpakken emballer

de verpakking l’emballage

Sinterklaas Saint Nicolas

de schoorsteen la cheminée

danken remercier

natuurlijk évidemment

de wortel la carotte

de ezel l’âne

bellen sonner

blijken (bleek, bleken, gebleken) sembler

het toeval le hasard

dezelfde le même

de kleur la couleur

de sleutel la clé

passen aller, convenir

dicht bij elkaar près l’un de l’autre

de straat la rue

daardoor à cause de cela, ainsi

per ongeluk par accident, accidentellement

verkeerd faux, mauvais

leggen mettre, déposer

alles tout

‘teruggeven (gaf terug,gaven terug, teruggegeven) rendre

geloven croire

niet meer plus (négation)

uiteraard certes

niemand neemt het hem kwalijk personne ne lui en veut, ne le lui reproche
14.
doodgewaande prétendu / que l’on croyait mort

wanen croire

de mijn la mine

de mijnwerker le mineur

ruim plus de

de diepte la profondeur

diep profond

‘insluiten (sloot in, sloten in , ingesloten) enfermer

redden sauver

de redder le sauveteur

de redding le sauvetage

het reddingswerk le travail de sauvetage (le sauvetage)

pogen = proberen tenter

de poging la tentative

de reddingspoging la tentative de sauvetage

de hoop l’espoir

hopen espérer

‘opgeven (gaf op, gaven op, opgegeven) abandonner

levend en vie

slagen in + te + inf réussir à

contact leggen met établir le contact avec

‘aflopen (liep af, liepen af, afgelopen) se dérouler

‘afdalen in descendre dans

bedelven (bedolf,bedolven, bedolven) ensevelir

de grondverzakking l’effondrement/affaissement de terrain

de kans la chance

achten estimer

15.
tot en met (t.e.m.) jusque et y compris

roken fumer

de jongen le garçon

het meisje la fille

daarvoor pour cela

op twaalfjarige leeftijd à 12 ans

het contract

ondertekenen signer

de handtekening la signature

landelijk national

het fonds le fonds

minstens = minimum au moins

‘volhouden (hield vol, hielden vol, volgehouden) tenir bon, persévérer

de deelnemer (>’deelnemen cfr supra) le participant

stiekem en cachette, en secret

af en toe de temps en temps

‘opsteken (stak op,staken op, opgestoken) allumer

de stichter le fondateur

stichten fonder

de blaastest le test de souffle (?)

blazen (blies, bliezen, geblazen) souffler

laten ‘uitvoeren faire exécuter

de adem l’haleine

weten (wist, wisten, geweten) savoir

16.
de mist le brouillard

glad glissant

de gladheid état glissant des routes

hard = snel (ici)

veroorzaken provoquer, occasionner

de kettingbotsing la collision en chaîne

naar schatting selon les estimations

de schatting l’estimation

schatten estimer

betrokken zijn bij être impliqué dans

gewond raken être blessé

de gewonde le blessé

ontstaan naître, avoir lieu

rond = omstreeks aux alentours de

dicht épais

zeker certainement

op elkaar rijden entrer en collision

het knooppunt = de verkeerswisselaar l’échangeur

kop-staart tête-à-queue

zich ‘voordoen (deed zich voor, deden zich voor, heeft zich voorgedaan) se produire

de aanrijding = de botsing la collision

‘aanrijden entrer en collision

onder parmi

het slachtoffer la victime

‘overbrengen (bracht over, brachten over, overgebracht) transporter

het ziekenhuis l’hôpital



de onderkoeling état d’hypothermie

het verschijnsel le fénomène




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina