Het Koninkrijk van God



Dovnload 84.89 Kb.
Pagina1/7
Datum17.08.2016
Grootte84.89 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7
Het Koninkrijk van God

(Over het Koninkrijk van God in de verschijning van Jezus Christus) 1


1. Inleiding - 2. Het Koningschap van God onder Israël -3. Het Koningschap van Christus (de Evangeliën) - 4. De prediking van het Koninkrijk van God (Handelingen/Brieven) -5. Het Koninkrijk en de Kerk -.6. Tussen `reeds nu' en `nog niet'
1. INLEIDING
Toen Jezus door de stadhouder Pontius Pilatus verhoord werd, stelde deze Hem de vraag: `Zijt Gij de Koning der Joden?' Daarop antwoordde Jezus: `Gij zegt het' (Mark. 15:2). Het is duidelijk, dat Pilatus niet zonder oorzaak deze vraag aan Jezus stelde. Blijkbaar hadden Jezus' tegenstanders hem ingelicht. Volgens hem moest Jezus zich zo hebben opgesteld. De Messiaskoning der Joden, de Koning van Israël.

Was daarmee metterdaad niet een kwalificatie gegeven van de Persoon en het werk van Jezus die helemaal overeenkwam met Zijn Zending door God de Vader? Heeft Hij zelf ooit anders willen zijn dan de Koning van Israël in Wie de oude profetische woorden met betrekking tot de Messias, uit het zaad van David werden vervuld?



Koning der Joden ofte wel Koning van Israël. Deze namen die blijkens de Evangeliën door omstanders aan Jezus worden toegekend, hebben een Messiaanse klank. De Wijzen uit het Oosten noemen Hem zo (Matth. 2:2).2 De schare die Hem binnenhaalt in Jeruzalem bejubelt Hem als zodanig, begroet in Hem de komst van het Koninkrijk van vader David (Mark. 11:10). Kajafas vraagt Jezus uitdrukkelijk naar Zijn Messiaanse pretenties (Luk. 22:67vv). En de soldaten die Jezus geselen in het rechthuis van Pilatus behandelen Hem evenzeer - zij het spottend - als een Koning (Joh. 18:33vv; 19:lvv).
Als de Koning der Joden heeft Jezus aan het kruis gehangen. `Jezus, de Nazarener, de Koning der Joden.' En dat was niet maar een beschuldiging. Zijn optreden had ervan getuigd. Zijn Woorden met macht. Zijn daden van duivelenuitwerping. Ja werkelijk, Hij was het. `Gods Zoon, geworden uit het zaad van David, naar het vlees' (Rom. 1:3vv; vgl. Jes. 29:18v; 35:6v; 61:lvv).
Over dit Messiaanse Koningschap van Jezus gaat het in dit hoofdstuk. Maar om daar recht zicht op te krijgen, moeten we eerst de brede verbanden nagaan, waarin in de Schrift gesproken wordt over het Koningschap van God. Het is immers tegen de achtergrond daarvan, dat we het Messiaanse Koningschap van Jezus moeten verstaan.
2. HET KONINGSCHAP VAN GOD ONDER ISRAËL
Wanneer wij in een concordantie nagaan, waar in het Oude Testament het woord koning (Hebr. 'mèlèk') voorkomt, valt het op, dat dat woord meestal wordt gebruikt voor een aardse vorst. Hoeveel koningen heeft Israël niet gehad? Koningen van het Noordelijk Rijk en koningen van het Zuidelijk Rijk. Trouwens, welk volk had oudtijds niet een koning?

Theocratie in Israël


Maar nu is er met dat koningschap onder Israël iets merkwaardigs aan de hand. Het is er oorspronkelijk helemaal niet geweest. Het volk Israël vormde een sacraal stamverband met een heiligdom van waaruit de Heere dat volk in alle dingen koninklijk leiding gaf. Er waren wel leiders als Mozes en Jozua. En later waren er richters, zoals Gideon. Er waren priesters, verbonden aan het heiligdom. Of profeten, zoals Samuël. Maar geen van die allen matigden zich de koningstitel aan. `Ik zal over u niet heersen', zei Gideon; `ook zal mijn zoon over u niet heersen; de Heere zal over u heersen' (Richt. 8:22). Was hij bevreesd om God van Zijn eer te beroven?
Inderdaad, de Heere was immers de Koning van Israël. En Israël liep gevaar om net als de volken rondom een aardse koning te hebben, die de plaats van God ging innemen en in zekere zin Gods `concurrent' zou worden. Hij zou zich althans, zoals zo vaak in het Oude Oosten goddelijke aanbidding en eer kunnen laten welgevallen.
Kortom, als Israël al een koning zou hebben, zou deze in elk geval nooit meer dan een gewoon mens zijn. `Van vergoddelijking van de koning, die in Babylonië en Egypte de kern van de hofstijl was, weet het Oude Testament niet' (G. von Rad in Kittels Theol. Wórterbuch zum NT).
Bekend is de vergoddelijking van de heersende vorsten in Babylonië en Egypte. Later onder invloed van de vergoddelijking van aardse vorsten in het Oosten, kwam ook de vergoddelijking van koningen of keizers in het Westen in zwang. Zo bij Alexander de Grote. En - zij het niet steeds - bij Romeinse keizers. Keizer Augustus bijvoorbeeld die zich de titel 'divus' (goddelijke) liet welgevallen.

Een koning per gratie


Het is dan ook bepaald niet naar Gods oorspronkelijke bedoeling, dat Israël tenslotte toch een koning kreeg. Toen Samuël oud was geworden en niemand hem kon opvolgen. Israël smeekte: `Zet nu een koning over ons om ons te richten, gelijk al de volken hebben.' '... Doch de Heere zeide tot Samuël: Hoor naar de stem des volks in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn' (1 Sam. 8:6v; Hosea 13:10v). Uit deze teksten blijkt, dat het Godsvolk Israël vanouds een volk is geweest, dat de theocratie hoog in het vaandel had geschreven. De psalmen zijn er vol van. Uw God is Koning (vgl. o.a. Ps. 47, 93, 97, 99, 103, 145). Israël moest genoeg hebben aan zijn profeten en priesters, die het in Gods Naam de weg wezen.

Davids huis - Gods gunstbewijs


Toch is er naast dit alles nog iets dat opvalt in de geschiedenissen omtrent het koningschap onder Israël. Al had Israël zijn eerste koning Saul dan slechts `per gratie' van de Heere gekregen en al waren Israëls koningen metterdaad vaak ook een extra last voor het volk (1 Sam. 8:llvv), toch mag het koningschap onder Israël ook als een gave van God worden gezien. De Heere heeft er Israël ook mee gezegend. Daarbij moeten we denken aan het Judese koningschap dat met David inzette. De ideaal-koning, in wie de Godsregering onder Israël mocht uitblinken: `Uw God is Koning.'
In Zijn verkiezende genade heeft de Heere aan David en zijn huis bij monde van de profeet Nathan een blijvende zegen toegezegd: `Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid. Ik zal hem tot een Vader en hij zal Mij zijn tot een zoon ...' (2 Sam. 7:13v; Ps. 89:36vv; Ps. 132:1lvv).
Deze lijn van het Davidische koningschap waarin het koningschap van God weerspiegeld wordt, loopt door heel Israëls historie heen. Israël heeft ten diepste nooit meer dan één Koning gehad. Niemand minder dan de Heere zelf (1 Kron. 29:11; Ps. 22:29). Het is dan ook de samenvatting van Israëls geloofsbelijdenis en tegelijk het toppunt van Israëls stille aanbidding, als Jesaja uitroept: `Mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen gezien' (Jes. 6:5). Eén Koning: de God van de ganse aarde. En één volk dat Hij heeft verlost, waaraan Hij Zijn Naam heeft geopenbaard en waaraan Hij de grondwet van Zijn Koninkrijk, Zijn heilige wet heeft gegeven. Israël, Zijn koninklijk volk.

  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina