Het leven van Jezus. (F. Weinreb) Inhoud



Dovnload 322.3 Kb.
Pagina1/9
Datum25.08.2016
Grootte322.3 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9
Het leven van Jezus.

(F. Weinreb)




Inhoud.

I Waarheid en schijn. De geboorte.
1 De Schepper

De veruiterlijking als principiële zonde. 2

Elokiem – Wie of wat is God 2

Het innerlijke als de persoonlijke betrekking tot God. 3

De onuitsprekelijke naam, Tetragram, Howe 4

2 Het onmogelijke geboorteverhaal. 5

Namen als sleutel tot het innerlijke 6

De maagd als moeder 8

De zoon van David 9

3 De doodlopende weg van de historrisering 12

4 De Jood Jezus, Jehoeda, Judas 12

5 Israël 13

6 Bethlehem: huis van brood 14

7 Herder en kudde 16

8 De boodschap van de engel 17

9 Christus, Messias, Gezalfde 18

10 De besnijdenis 20
II Het verborgene en het openbare. Het leven van Jezus in de wereld.
11 De volmacht van de vissers 20

12 De verlokking van het tijdelijke 22

13 De verzoeking van Jezus 23

14 Wonderbare spijzigingen 25

15 Ontmoetingen met zieken 28

16 Melaatsen en melaatsheid 29

17 Bezetenheid en demonen 30

18 Over het water lopen 32

19 Farizeeën en schriftgeleerden 34

20 Instituties en gebruiken 36

21 Jodendom en christendom 37
III Van veelheid naar eenheid. Kruisiging – dood – opstanding.
22 Overgeleverd aan het onbegrip 39

23 Jeruzalem als het centrum van de wereld 40

24 Het geheim van het kruis 42

25 Woorden aan de grens van het aardse leven 43

26 De overgang van het Pascha en de zalving 44

27 De eeuwige lijdensgeschiedenis 45

28 Verraad en verkoop 46

29 In het teken van het lam 47

30 Brood en wijn 50

31 Gethsemane 51

32 Voor de hoge raad en voor Pilatus 53

33 Consequenties van het nieuwe Testament 55

34 Geneigd tot het kwade en het goede 56

I Waarheid en schijn. De geboorte.

1 De Schepper.

1 A Veruiterlijking als principiële zonde
Men kan de Bijbel lezen zoals een boek, brief of berichten, de woorden letterlijk opvatten zoals men ze algemeen kent. Zoals de sollicitant die men van buiten kent door al zijn adelbrieven te bestuderen denkt men de Thora te kennen. Men denkt daarbij volledig rechtvaardig te handelen. En toch, een passage uit het Nieuwe Testament, een mededeling vanuit het innerlijk zou men kunnen vergelijken met de verzwegen gedachten van de sollicitant. 'In den beginne was het woord en het woord was bij God, en God was het woord. Alle dingen zijn erdoor gemaakt en zonder dat is er niets. In het woord is het leven en het leven is het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis begreep het niet. Zo begint het Evangelie van Johannes, de eerste 4 verzen.

De mens kan niet gekend worden zolang men hem slechts beoordeelt op basis van zijn gedrag in gezin en maatschappij, in de kerk, vereniging, wetenschap…

Wat is dat woord? 'God is het woord.' (Het oneindige beperkt zich in het woord) Daardoor bestaat alles en zijn alle dingen gemaakt. Zonder dat woord zou niets gemaakt zijn wat nu is. In het woord IS het leven. De mens kan dat evenwel niet vatten zoals de duisternis het licht niet kan vatten en zoals de mens God niet kan vatten. Men begrijpt dat hier niet uitsluitend het uiterlijke van het woord wordt bedoeld zoals men dat kent in de maatschappij of in gesprek. Het woord staat hier dus voor meer dan wat men in een woordenboek terugvindt. Het beste psychiatrisch of astrologisch rapport kan geen uitspraak doen over de volheid, de veelzijdigheid, de ge­nuanceerdheid van ieder mens. Wat spreekt het woord of God dan ei­genlijk uit? Of anders: Wat 'weet' men eigenlijk van God?

Bepaalde kringen spreken van de Bijbel als 'Woord van God', als 'Gods Woord', 'Heilige Schrift', dat het door de 'Heilige Geest' werd geschreven en geïnspireerd.


Met 'zonde' bedoel ik dat er geen onderscheid wordt gemaakt tus­sen de levensloop van een persoon en zijn eeuwige leven of grotendeels verborgen innerlijk. Op eenzelfde wijze leest men de woorden van de Bijbel. De wortel der zonde is dat men het verschijnen­de, het uiterlijke beoordeelt naar goed of slecht, of men het kan gebruiken, moreel gerecht­vaardigd vindt, in overeenstemming is met ethische maatstaven enz... de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad dus, waarvan het genot door de slang zo nadruk­kelijk wordt aanbevolen. Juist daar ligt het voor velen onbegrijpelijke begin van de zonde. Beoordelen we de Bijbel op de gebruikelijke wijze, historisch, psychologisch, esthetisch, sociaal, filologisch, komen we niet ver­der dan de uiterlijke betekenis van de voorkomende verha­len. Maar als 'God' het woord is, als de Heilige Geest de woor­den spreekt en schrijft, zou men best eerst zoeken naar wat of wie God is.
1B Wie of wat is God?
Ik vertrek van 'God in ons en wij in God', de Here God die de mens levende adem in de neus blies, ook hier dus God in de mens want niemand denkt toch aan een anatomische, biologische adem?

De joodse traditie kent voor deze ingeblazen adem het begrip neshama, de goddelijke ziel, stam: neshem, adem. Met die adem gaf God ons zijn innerlijk: het woord, aan de mens in bewaring gegeven, zijn leven. Wat is dan dat innerlijke van ons, onze verborgenheid, ons ge­heim? Want er is toch niemand die meent dat we over God praten als we over ons innerlijke spreken?

God Hebr Elohiem, de mannelijke meervoudsvorm van het woord eleh, = 'deze'. Welke 'deze'? Welnu, alles waarvan men 'deze' kan zeggen. Dus niet slechts 'deze' voorwerpen, maar ook deze tijden, deze gedachten, deze dromen, deze utopieën, deze fantasieën, deze mensen, deze dieren, deze kristallen, sterren, wolken, zieken, verwachtingen, hoop, schepping… een eenheid dus van alle 'dezen'. Een eenheid van een onmetelijke, onvoorstelbare, ondefinieerbare veelheid. De eenheid van God die zich in deze wereld als de goddelijke veelheid laat kennen, en ook de innerlijke eenheid van de mens.

Elohiem is dan zowel God als Vader, als schepper van de we­reld, als oorsprong van al het leven, niet slechts als 'historische' oorsprong in de tijd, maar als de absolute oorsprong. Beschrijf ik God slechts bin­nen het tijdelijke, zou ik Hem tot een formule maken en wordt God 'formeel' vanuit het uiterlijke benaderd. We moeten het innerlijke, het verborgen geheim in rekening brengen binnen de omhulling van het uiterlijke.


Hoe kom ik tot het innerlijke van God? Zoals ge­zegd is dat nauw verwant aan het menselijke innerlijk. Het gaat om onze levensadem. En ook in mijn uitademen ben ik in God. Ik besta immers in Gods beeld en gelij­kenis, niet slechts lichamelijk, anatomisch, maar vooral door het woord, door mijn leven, door mijn gehele 'lijf'.

Mijn innerlijk, hoe kent ‘het woord’ dit? Elohiem is de mannelijke meervoudsvorm van eleh. 'Mannelijk' Hebr = zachar, ook 'herinnering', 'herinneren'. ‘Her-inneren' duidt al op iets innerlijk. Het zich herinneren is een verborgen aangele­genheid. Aan het uiterlijke kunnen we moeilijk innerlijke gedachten en gevoelens aflezen. Het is 'onbewust', want bewust zijn ons deze herinneringen niet of slechts zijdelings. We kennen ze niet. Zechoeth Hebr. 'verdienste' zoals in 'de verdienste der vaderen', is nauw verwant met dit herinneren, met dit mannelijke. 'Verdienste' be­tekent dat God 'zich herinnert'. Hij weet dat deze 'vaderen', net als 'Hijzelf' in het innerlijke van de 'kinderen' leven. Ons innerlijke is het mannelijke, de mannelijke kant van de mens. Ik ben een optelsom van vele persoonlijkhe­den, vele nuances.


1C Het innerlijke is onze persoonlijke betrekking tot God.
Ons leven is een zoektocht naar God en het geheim wie we werkelijk zijn. De wereld is mij een onoplosbaar raadsel. Ik heb er kritiek op en anderzijds verlang ik er ook naar, naar een ideaal voor mijzelf en de hele schepping. Met 'ik' bedoel ik alle mensen die ooit leefden, een miljardenvoudig leven met hun uiterlijke levensloop en hun talloze in­nerlijke nuances. Ieder mens kent zijn verlangen naar een ideaal leven en een eeuwig gelukkige schepping. Dat innerlijke is onze persoonlijke betrekking tot God.
Alles is on­derworpen aan een wetmatigheid behalve de neshama. Met de neshame komt iets volkomen nieuws: de vrijheid van de mens. Het Jo­dendom zegt dat de 'reine neshama voor Gods troon re­kenschap en verantwoording moet afleggen’. Voor de nefesh, de ziel door God aan ieder schepsel geschonken, geldt dit niet omdat deze aan het wetmatige is onderworpen. De neshama, de adem van God in de mens daarentegen draagt de verantwoordelijkheid voor het lot van de mens in deze wereld.

De persoonlijke betrekking tot God is wat de mens 'tot God trekt'. Het is de weg van de mens; het verlangen waarin hij God voelt 'trekken'. Ook geldt: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven.' Slechts deze weg kan ons innerlijk bewegen.

Onze relaties met God zijn zeer divers! Zij verschillen van mens tot mens en veranderen ook in de loop der tijd. We denken zeer uiteenlopend over de we­reld. De één verlangt naar haar ondergang, de ander het tegendeel. Voor de een is God als de duivel, voor de ander is God degene die de wereld het beste en mooiste wil geven.
Daarom zegt men over de betrekking tot God: ‘Wanneer ik als mens de wereld in alle eeuwigheden het heerlijkste gun, hoeveel meer, intenser, werkelijker wil God dit dan niet. En waar ik als mens mijn goede wensen niet kan realiseren, daar is Hij om dit te verwerkelijken en eeuwig te laten voortbestaan. Zo’n denkwijze voert ons naar de weg tot God. Enkel God die ons door en door kent, weet waar ieder van zijn mensenkinderen ronddoolt. Hij hoort hun kreten uit de diepte. Hij ziet hoe de mensen zoeken naar de verborgenheden, naar het innerlijke, net zoals Hijzelf de mensen in hun verborgenhe­den zoekt en hevig naar hen verlangt. We zijn immers geheel naar zijn beeld en zijn gelijkenis. Op deze wijze zouden we dus iets kunnen ervaren van dit innerlijke, van deze mannelijke kant van God en van de mens.
1D De onuitsprekelijke naam, ‘Here’.
Het woord van de Bijbel kent God ook als 'Here' en 'de Here onze God, de Here is één'. We spreken hier over een tweeheid. Zoals eerder gesteld is het innerlijke mannelijk. Het woord 'mannelijk' is hetzelfde als 'herinneren'. Dat doet vermoeden dat de andere naam voor God, 'Here', vrouwelijk is. Aangeduid met Here tav eleh, doet ook vermoeden dat deze naam voor God misschien wel de be­langrijkste is van de 2. Het zou God de Vader kunnen verdringen.
De Hebreeuwse Bijbel spreekt niet van Here maar Adonai omdat men het woord daar niet wil uitspreken, nl. het Tetragram, Jeho­va of Jahwe. Het Hebreeuws kent geen klinkers. In principe is de uitspraak vrij. De stam van het Tetragram is howe, altijddurende 'tegenwoordigheid', zowel in verleden, heden als toekomst. Tegenwoordigheid in de tijd. Het Hebreeuws voor 'eeuwig' is le-olam. Met de klinkers van het Tetragram e-o-a wordt het Jehova.

Het niet uitspreken heeft een betekenis. Men neemt aan dat bij elk teken van het Tetragram alle klinkers gebruikt zouden moeten worden, juist omdat het gaat om de naam van de alomtegenwoordige God. Uitspreken is in dat geval dus onmogelijk. De naam van God als Here is in de tijdelijke wereld dus helemaal niet uitspreekbaar, zodat men deze daarom ook niet uitspreekt.


Het woord howe bevat ook de wortel van het begrip 'zijn'. Als God in de Bijbel tegenover Mozes zijn naam noemt, bij de brandende maar niet-verterende braamstruik, spreekt ook het beslissende 'Ik ben die ik ben', de ik-vorm van 'zijn'. Het Tet­ragram is de 3° persoon, vertaald met 'Hij is’ (altijd tegenwoordig). Daarom vertaalde men in bepaalde joodse kringen het tetragram eenvoudig met 'Hij' en vaker nog met 'de Eeuwige'. Met de naam 'Here' komt de tijd als permanente tegenwoordigheid in de wereld.
Het begin van het 2° hoofdstuk van Genesis zegt dat 'het nog niet kon groeien'. Dat wat wij 'tijd' noemen laat ons groei zien. Het verschijnende 'groeit' in de tijd; het wezen, de Vader voert daar het Tetragram in en heet de 'Here God'. Vandaar de betekenis van 'De Here onze God, de Here is één'. Zoals ‘wezen en verschijning’ in de tijd een eenheid vormen, zo vormt de innerlijke mens én zijn verschijning één en dezelfde mens. De levensloop van de mens is zijn onuitspreekbare innerlijke dat de volheid van alles be­vat.
De naam 'Here' betreft een omzeilen van het onuitspreekbare Tetragram. Het gaat om het voortdurende zijn, een permanente tegen­woordigheid. In dit licht wordt duidelijk dat de Va­der, het mannelijke iets ontbreekt om vader te kunnen zijn van wat Hij uit zijn volheid benoemde voor zijn schepping, deze wereld. Zonder dat zou immers niets kunnen 'groeien'. En zo kwam bij het innerlijke, het mannelijke, datgene wat men in de wereld als het vrouwelijke kent.

'Vrouwelijk' Hebr nekewa, hol, een omhulling. 'De vrouw omringt de man' vermeldt Jeremia. Dus wat in de tijd verschijnt kent zijn innerlijkheid en omhult en be­schermt het ook. Het Tetragram is vrouwelijk. De naam 'Here' is dus misleidend.

Het tijdelijke omhult en verbergt het wezen. Toch vormen beide een eenheid, zoals 'Here' en 'God' die niet mogen gescheiden worden. Het mannelijke, het innerlijke, heeft het zaad waardoor het vrouwelijke, wat in de tijd verschijnt, de vrucht kan voortbrengen. De vrucht kan slechts in het tijdelijke groeien. Het vrouwelijke mag men evenwel niet als de moeder van Oedipus opvatten die men toe-eigent door de vader te doden. Het ‘zijn’ is er altijd. Vandaar ook de oergedachte God, de Vader die zijn zaad schenkt aan de moeder, de wereld, opdat zij Hem in de wereld laat verschijnen. De tijd ontvangt het zaad vanuit het wezenlijke waardoor de tijd vrucht kan dragen. De hemelse bruiloft, de bruidegom in de hemel en de bruid als deze wereld. Vanuit dezelfde bron komt ook de vreugde waarmee een kind wordt ontvangen. De tragedie van de menselijke vrijheid, zijn goddelijkheid is dat hij hier tegen de zin der wereld in liever geen vrucht, geen kinderen wenst te ontvangen. Hij kan dus naar God verlangen of het verhinderen. Dat is 'satan' het Hebr voor het aanbidden van een afgod als enige vorm van vreugde. De mens kan het leven dus ook splijten. Het leven is dan voor hem enkel het tijdelijk beheersbare; doen wat hem belieft. Hij moet geen kennis nemen van de unieke volheid van zijn ik. Maar dan is een leven in eeuwigheid voor hem niet mogelijk. Het is dan enkel een lineaire verlenging van de tijd. Zo ontstaan reïncarnatieleren, dwz de tijd toe-eigenen. Zo verdwijnt het geheim van de Vader, de een­heid van het veelvuldige en verloochent, veruiterlijkt, doodt men God in de mens.

2 Het onmogelijke geboorteverhaal.

(De aankondi­ging van de geboorte door de engel Gabriël. De verwekking door de Heilige Geest. De maagd Maria. De geboorte in de stal van Bethlehem.)


In het Bijbels Hebreeuws zijn de woorden 'geboorte', 'verwekking' en 'baren' van dezelfde stam afgeleid, nl van 'kind', jeled, (10-30-4), stam lamed-daleth, 30-4. 'Baren' = jilod (10-30-4); 'Geboorte' = leda (30-4-5) en 'verwekken' holed (5-30-4).

De vader, het mannelijke, innerlijke, wezenlijke, zaad wordt door de moeder ontvangen, het vrouwelijke, verschijnende, zodat in deze wereld een kind kan verschijnen. Het wordt door haar gevoed en met haar hier verbonden.

Herinner de Here als God en de onverbrekelijke eenheid maken de zin van mijn leven. Ik aanvaard de historische feiten zoals mijn leven in het lichamelijke als bron van geluk en vreugde. Tegelijk ervaar ik ook mijn eeuwigheid, mijn uniciteit als bron van mijn verschijning.

Ik betwist de historiciteit van de Bijbelverhalen niet, maar wat hier verschijnt is de vrouw van een man waarvan het huwelijk in de hemel werd gesloten. De man, het mannelijke, de zachar is het innerlijke, het blijvende. Het is de zechoeth, de verdienste, de verbindingslijn die de generaties met de oervader verbindt, die de delen van verschil­lende generaties bijeenhoudt; hen allen in een eenheid en een verbond verenigt. Daarom heet de Bijbel ook ‘Woord van God'. Het zijn woorden die juist niet op hun uiterlijke be­tekenis kunnen worden beoordeeld.

De afgescheiden, alleenstaande vrouw kan verdwalen en zich aan een willekeurige man binden, maar zij zal altijd naar haar eeuwige man verlangen. Zij wordt altijd weer naar hem terug­gevoerd en hij zal bij haar terugkeren.
Een geboorte bij een ze­kere maagd Maria door de Heilige Geest verwekt, leidt tot een pijnlijke si­tuatie wanneer men enkel onze anatomische geboorten kent. Maar we kennen ook de 'geboorte' van een nieu­we tijd, van een gedachte, een kunstwerk. In het NT kennen we een geboorte die volledig buiten de gebruikelijke orde valt, volstrekt nieuw en uniek. Dit nieuwe unieke moet daarom worden begrepen als een eenheid van het wezen, het woord, van het verborgene én het gebeuren in de wereld. De een­heid van de Here, die God is, mag niet worden gescheiden.

Wanneer in de kern, in het wezen, in de mannelijke kant iets gebeurt zoals door de Bijbel in het NT verteld, moet het ook voortdurend in het verschijnende aanwezig zijn. In het woord door de Heilige Geest gesproken is de eenheid van het hemelse huwelijk. Het gaat daarbij om de eenheid van God en de Here.

Omdat het in het woord staat, omdat God het woord is, is deze godsgeboorte in de tijd, in de mens, een be­slissend gebeuren maar helemaal geen historisch. Het gaat om de woorden van de Heilige Geest en daarin is sprake van uniciteit. De engel Gabriël is niet historisch vast te leggen en de Heilige Geest nog minder.
Juist omdat het door de Heilige Geest wordt verteld is dit verhaal altijd aan de oppervlakte van de stromende tijd aanwezig. Het kan echter pas in waarheid herkend en beleefd worden wanneer men zelf in het leven verlangend uitziet naar de eigen eenheid, wanneer men met dit verhaal die eenheid ook dichterbij brengt. Wie het verhaal slechts eenzijdig verstaat, sluit zich af voor de genade die op het verlangen van de mens wacht. De genade is in het we­zen aanwezig, ook de geboorte van God in de mens. Daarover kan alleen God, die ons door en door kent, oordelen.
2A Namen als sleutel tot het innerlijke.
Uit de 2 eerste hoofdstukken van het Evangelie van Lucas (Gr. 'lamp' of 'licht'?) kennen we Herodes, de engel Gabriël, Zacharias en zijn vrouw Elisabeth, Maria en jozef haar verloofde.
Wie is Herodes in het woord? Herodes stamt van Hebr. chared, 'beven', 'ongerust zijn'. Dit leidt Hero­des bij al zijn maatregelen. De Hebreeuwse harde 'ch' wordt in bepaalde talen als 'h' geschreven. Soms wordt de 'ch' helemaal weggelaten, zoals bij Eva die in de Bijbel Chawa heet. En alleen onder die naam begrijpen we waarom zij 'de moeder van alle levenden' wordt genoemd.

'He­breeuws' betekent in het Hebreeuws ‘taal van gene zijde'. Iedere taal, ook het Hebreeuws dus, kan men reduceren tot haar uiter­lijke aspect, maar zij kent ook een innerlijk­heid, een verborgenheid.

Het beleven van vreug­de of verdriet in een taal is alleen mogelijk omdat taal een dimensie van gene zijde bezit. Gedichten, proza, tali­ge kunstwerken kunnen slechts ontstaan omdat er een ‘overzij­de-facet’ in meeleeft.
Het verhaal begint met Zacharias, Hebr Zecharjah, 'het gedenken des Heren' of 'de Here ge­denkt'. In het woord 'gedenken' herkennen we 'mannelijk'. De toevoeging 'jah' zijn de eerste twee tekens van het Tetragram, van de naam 'Here'. Voluit luidt de Naam 10-5-6-5, waarmee ‘Jah' (10-5) de aanwezigheid van de Here in de hemel aanduidt. De 2 laatste tekens geven de aanwezigheid in deze wereld aan. De 3° letter van het Tetragram, waw, 6, haak, verbindt de 10-5, het aspect van 'boven' met de 5 van beneden. Het is de mens die beide kanten verbindt, hemel en aarde; die op de 6° dag wordt geschapen. Die 6° dag is beslissend. In het OT wordt vrijdagmiddag van de vrucht van de boom van goed en kwaad gegeten. Daarmee laat de mens zien dat hij het licht niet kan vatten. In het NT gebeurt op diezelfde middag de kruisiging van Jezus. De mens verbindt zijn uiterlij­ke levensloop met zijn eeuwige in zijn verborgen innerlijkheid. Het gaat om 1 en dezelfde mens, niet 2 die uit de splitsing zijn ontstaan, ook al kent hij zichzelf slechts in zijn gespletenheid.
Welnu, de engel vertelt aan Zecharjah over een zoon Johannes die God hem geeft, hoewel hij en zijn vrouw Elisabeth volgens de natuur geen kinderen meer kunnen krijgen. Het is een eerste teken van het doorbreken van de wetten der natuur; een uitzondering op de regel, zoals in het OT bij Abraham en Sarah.

De naam Jo­hannes, Hebr Jochanan, eigenlijk Jehochanan, bevat de 3 eerste letters van het Tetragram. Het gaat om de Jah van boven en om de mens die dit verbindt met wat bene­den is. De 2° 5 of he ligt in het woord chanan of 'begenadigen'. Met dit woord wordt gezegd: ‘Naar de wet zou je eigenlijk anders behandeld moeten worden, maar ik hoef mij nu niet om die wet te bekommeren. Ik houd van je en liefde maakt vrij, lief­de doet mij nu uit genade handelen.’


De eerste moeder is volgens de christelijke overlevering Anna, Hebr. Channa, zoals de moeder van Samuël, Shmoe-el, 'zijn naam is God'. Van haar wordt verteld dat zij God wees op de mogelijkheid van genade toen de hemelse heerscharen, de Tswaoth of Tsebaoth, God voorrekenden dat de wereld die Hij wilde scheppen door de wet niet zou kunnen blijven bestaan en dat Hij haar dus zou moeten vernietigen of opheffen. God antwoordde haar dat zij haar naam heeft uitgesproken, Chan­na de vrouwelijke vorm van chen (8-50), genade, gunst. Deze Anna is de moeder van Maria, He­br. Mirjam.

Elisabeth, doch­ter van Aaron, Hebr. Elishewa, 'mijn God is de eed', mijn zekerheid, mijn veiligheid is mijn God. Deze Elishewa is onvruchtbaar. Onvruchtbaar, akara Hebr, stam ikar, 'hoofdzaak'. Dwz de hoofdzaak kan hier niet geboren worden. Wat overeenkomstig de wetten ter wereld komt, is niet dat waar alles op wacht. Vanuit de wetmatigheid kan juist dat immers niet worden geboren. Er moet zich een uitzondering voordoen. De wet moet door de genade worden doorbroken. Op deze wijze vertelt de Bijbel ook over Channa, de moeder van Samuël, degene die David tot koning zalft wiens Zoon de wereld zal verlossen.

Elishewa heeft dus haar zekerheid, haar eed, bij God. Dwz dat zij de natuurwetten niet als alomvattend be­schouwt, niet als alles bepalend of regulerend. 'Eed' in het Hebr. 7 die de gehele schepping, inclusief de 7° dag omvat; de dag waar­op God rust; de dag die Hij zegent en heiligt. Bij de eed voert men de gehele wereld, de gehele schepping aan als zekerheid bij datgene waarover men die eed aflegt. En die ze­kerheid is in dit geval juist 'mijn' God.

De engel komt naast Zacharias staan wanneer deze, als vertegen­woordiger van de priesterorde van Abia, zijn tempeldienst ver­richt. Abia Hebr. 'de Here is mijn Vader', dus 'Jah is mijn Vader'. Het lot (gom!) beslist welke pries­terorde aan de beurt is. Zoals alles in de tempel wordt ook dit door het lot bepaald. Zijn dienst bestond uit zorg dragen voor het wierookoffer. De wierook bevindt zich op het gouden altaar, in het midden van het Huis van God; het dichtst bij de ingang, tussen de tafel met de toonbroden in het noorden en de kandelaar in het zuiden. Wierook, ketoreth heeft de geur van kruiden van het veld, van wat zijn plaats in de schepping ervaart als de juiste, door God be­paald. Daarom zijn deze kruiden groen en geuren zij. Het werpen van het lot bij de priesters wordt al evenzeer door God bepaald. Al het andere in de schepping is in staat om zich door de eigen wil aan de loting te onttrekken. Vandaar dat de geur ervan in het leven ook lang niet altijd aangenaam is.

De situatie is een door God bepaald lot, al lijkt het voor de wereld willekeurig. De geur van het leven is de geur van de wierook, een aangename geur. Dit alles speelt zich af in het centrum van de mens waar de priester in Gods orde staat. Priester, kohen, Hebr. ook kehen, 'als zij', 'als de heerscharen bij God'. Door de priester is het de mens gegeven zich overeenkomstig de he­melse heerscharen te gedragen. De orde van deze priesters in de mens wordt door het lot bepaald, dwz aan God overgelaten. Voor de mens dus als toeval van het ogenblik.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina