Het Oude- en Nieuwe Gasthuis voor en na de Tweede Wereldoorlog



Dovnload 25.19 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte25.19 Kb.
Het Oude- en Nieuwe Gasthuis voor en na de Tweede Wereldoorlog.
Herinneringen van de heer P. van der Ploeg, de eerste administrateur van 1929 tot 1969,

opgetekend door B.K.P. Griffioen.



De organisatie.

Het Oude- en Nieuwe Gasthuis, vindt zijn oorsprong in het Norbertijner klooster Koningsveld, dat in 1252 aan de zuidkant van Delft was gelegen. Jonkvrouw Ricardis gaf de aanzet tot de bouw van de Gasthuiskapel aan de Koornmarkt, waar de Norbertijner nonnen zieken konden verplegen. De kapel werd later uitgebreid tot een echt gasthuis.

Na de reformatie in 1572 nam de plaatselijke overheid het beheer over. Het stadsbestuur van Delft benoemde de regenten, de regentessen en de medici van het Gasthuis en ook van het Pesthuis, dat in het Magdalena Convent aan de Verwersdijk was gevestigd. In 1625 beheerde één regentencollege beide instellingen en sindsdien werd er gesproken van het 'Oude- en Nieuwe Gasthuis'. De eerste ziekenhuisfusie in Nederland.

In het begin van de dertiger jaren, in de geschiedenis bekend als de crisistijd, werd het Gasthuis bestuurd door een regentencollege dat uit leden van de gemeenteraad bestond. Voorzitter was de burgemeester mr. G. van Baren, voorts de heren mr. J.P. Chardon (ARP), A.J. Doornbos (SDAP), mr. H.W. van Eekelen (KVP) en dr. R. Spanjaard (Liberale Staatspartij). Een Secretaris-Rentmeester beheerde de financiën. Omdat deze laatste functionaris langdurig ziek was nam de heer T. Froentjes, chef van de afdeling financiën, als nevenfunctie zijn taken waar. Daarop besloot het regentencollege een full-time administrateur aan te stellen en plaatste een advertentie waarop niet minder dan 334 sollicitanten reflecteerden. Een groep van zes kandidaten werd voor een sollicitatiegesprek uitgenodigd. Omdat hieruit echter geen keus kon worden gemaakt werd een tweede zestal opgeroepen. Sommige van hen verschenen in jacquet maar dit bleek niet van invloed op de uiteindelijke keuze. De toen 25-jarige heer P. van der Ploeg werd uitgekozen. Voor zijn officiële benoeming moest hij nog een bezoek afleggen bij de burgemeester thuis. Op de afgesproken dag vertrok hij om zes uur 's morgens met de stoomtrein uit Groningen. Het was een zeer strenge winter, het vroor wel twintig graden. Door de vorst duurde deze reis langer dan gewoonlijk, want halverwege moest de locomotief stilstaan omdat deze niet voldoende stoom kon produceren. Van het gesprek met de burgemeester kwam daarna niet veel terecht want deze moest voor een vergadering naar Den Haag, omdat hij ook lid was van de Tweede Kamer. Van der Ploeg, die op 10 oktober 1903 was geboren, trad op 1 maart 1929 als administrateur in dienst. Na zijn honderdste verjaardag heeft hij een groot aantal herinneringen opgehaald die nu op schrift zijn gesteld. Gedurende zijn werkzame periode van veertig dienstjaren is er veel veranderd.

Het regentencollege benoemde sinds het eind van de negentiende eeuw in het Gasthuis een directeur. Eerst waren dit huisartsen: dr. J.H. Waszink, enige tijd met assistentie van dr. B.E. Scheltema, die zijn praktijkervaringen heeft vastgelegd in het boek: 'Herinneringen van een Geneesheer' en daarna dr. J. van Assen. Hierin kwam verandering toen in 1928 dokter P.C. Cleyndert werd benoemd tot Geneesheer-Directeur. Na zijn pensionering in 1949 werd hij opgevolgd door dr. J.C.J. Burkens en daarna dokter H. Salomons. In 1929 was zuster Cariot de directrice, later opgevolgd door zuster Jannes en nog vele anderen met als laatste zuster Heetland.

Door de gemeentelijke status van het Gasthuis waren veel zaken anders geregeld dan in het Bethel Ziekenhuis en het St. Hippolytus Ziekenhuis. Het Gasthuis was een zogenaamd gesloten ziekenhuis, dat wil zeggen dat hier alleen artsen werkten die een gemeentelijke aanstelling hadden. Zij alleen mochten patiënten opnemen en moesten deze voor een vast ambtelijk salaris behandelen. Onder de bevolking had dit ziekenhuis vaak de naam van een 'armenhuis' omdat min- en onvermogende patiënten hier gratis werden behandeld. Het derdeklas tarief werd betaald door het Burgerlijk Armbestuur. Er was echter ook een klasseafdeling waar ook nog onderscheid werd gemaakt tussen eerste en tweede klasse. Zelfs werden hier belangrijke particuliere patiënten van de geneesheer-directeur behandeld.

Voor de Tweede Wereldoorlog waren er in Delft nog weinig specialisten. De eerste internist in Delft was dr. F.A. Melchior die zich omstreeks 1930 in Delft vestigde. Nadat de internist dr. Burkens als geneesheer-directeur van het Gasthuis werd benoemd trok dr. Melchior zich uit het Gasthuis terug.

De eerste chirurg was dr. F.B. de Walle die later in het Gasthuis werd opgevolgd door dokter E.O. Weytingh, in Bethel door dr. E. Verschuyl en in het St. Hippolytus Ziekenhuis door dr. G.L.C.A. Hermans. In die tijd was er nog geen vrouwenarts, de chirurgen verzorgden ook de gynaecologie. Voorts herinnerde van der Ploeg zich nog de oogarts dr. K.T.A. Halbertsma, de KNO-arts A. Verhoeff en de huidarts Z. v.d. Belt. Röntgenfoto's werden door de directeur of de directrice gemaakt. De gasthuisapotheek werd geleid door mevrouw Th.G. Eigeman, later opgevolgd door de heer F.Z. Barkhuis.

De namen van enkele huisartsen in die tijd kwamen in de herinnering: mevrouw P. van der Belt-Rens en de heren dr. K.J. Bult, M.L.V.K. Keulen, W. van Krimpen, P.J.A. Neijzen, J.H. Ressing, J. Thomee, ook bekend als succesvol interlandvoetballer, B.E. Scheltema, zoon van de eerder genoemde dr. B.E. Scheltema, en J.H. Waszink jr., wiens vader de eerste directeur van het Gasthuis was en zelf vader van de later zo bekende huisarts Herman Waszink.
De eerste administrateur.

Bij zijn aantreden ontving de heer van der Ploeg de sleutel van de brandkast en het kasboek, alsmede de opdracht om voor de eerste maal een begroting te maken. Dit was een hele klus omdat in het verleden vrijwel geen administratie was bijgehouden; de Secretaris-Rentmeester was immers door ziekte langdurig afwezig en zijn taak werd door een andere gemeenteambtenaar, als nevenfunctie waargenomen. Iedereen dacht dat administrateur evenzo een part-time functie was en dat hij dus niet veel om handen had, daarom werden allerlei taken naar hem toegeschoven. Zo typte hij voor de Geneesheer-Directeur de brieven en omdat dokter Cleyndert bovendien directeur van de GG en GD was, werd van der Ploeg ook daar de administrateur. De directrice was belast met de patiëntenopname, maar hij moest alles in de patiëntenboeken opschrijven. Aangezien de nog jonge van der Ploeg wilde slagen heeft hij de eerste zomer elke avond tot 10 uur overgewerkt om alles op poten te zetten.

In 1929 was het prijsniveau laag. Het aanvangssalaris van de administrateur was ongeveer twee duizend gulden per jaar en de derde klas verpleegprijs was toen één rijksdaalder per dag.
Het gasthuis bouwde aan zijn toekomst.

Sedert 24 juli 1879 was op de Koornmarkt een vernieuwd hoofdgebouw in gebruik genomen, dat tot 1968 heeft gefunctioneerd en in 1972 is afgebroken. In het midden op de top van de voorgevel stond boven het stadswapen een gebeeldhouwde leeuw, die thans nog op het terrein van het Reinier de Graaf Gasthuis is te vinden. Vlak boven de hoofdingang was het huismerk van het Gasthuis te zien: een driehoek met een kruis. Dit merk was ook in de hal in een mozaïekvloer ingelegd en stond als logo op al het drukwerk en het serviesgoed.

Bij het binnentreden van de hoofdingang bevonden zich twee ziekenzalen met ieder 17 bedden in de zijvleugels, links de mannen en rechts de vrouwen. In het midden waren de kamers voor de regenten en de directie. Via een trap werd de bovenetage bereikt waar de kraamafdeling met de verloskamers waren. Veel Delvenaren aanschouwden daar het levenslicht en hier kwam in oktober 1964 ook de vijfenzeventigduizendste inwoner van de stad ter wereld.

Het ziekenhuis telde na de Tweede Wereldoorlog ongeveer 200 bedden, verdeeld over chirurgische en interne bedden, natuurlijk apart voor mannen en vrouwen. Voorts was er een klasse- en een kinderafdeling en in de achtertuin stonden drie barakken voor besmettelijke ziekten: typhus, roodvonk en difterie.

Aan de Brabantse Turfmarkt stond een portierswoning naast een ijzeren poort die toegang gaf tot het ziekenhuisterrein. Daarnaast was de gasthuisapotheek gevestigd evenals de gemeentelijke ontsmettingsdienst. Al het besmette beddengoed uit de drie ziekenhuizen en van particulieren uit de stad werd hier gedesinfecteerd.
Op verscheidene plaatsen werd in het ziekenhuis voortdurend gebouwd en verbouwd. In het hoofdgebouw was al een extra operatiekamer en een nieuw laboratorium ingericht. Aan de zuidkant kwam een nieuwe afdeling voor interne geneeskunde en een nieuwe kinderafdeling. In de achtertuin werd een openluchtafdeling met 12 bedden voor tuberculosepatiënten gebouwd. Zomer en winter lagen de patiënten in de frisse lucht. Opvallend was hoe de medische opvattingen zich steeds weer wijzigden. Eerst moesten de patiënten in de zon liggen, later mocht dit juist niet meer. Aanvankelijk werd hun bestek na gebruik uitgekookt, maar later was dat niet meer zo nodig.

Interessant is dat voor de oorlog al werd gesproken over een mogelijke nieuwbouw. Het Gasthuis had door schenkingen stukken grond op verschillende plaatsen in en om Delft in bezit gekregen. Dokter Cleyndert wilde graag op de tuinen achter de Oostsingel, nu de Stalpaert van de Wieleweg, een heel nieuw ziekenhuis bouwen. Tengevolge van de uitgebroken wereldoorlog kwamen al deze plannen echter in de ijskast terecht.


De Tweede Wereldoorlog

In de oorlogsdagen van mei 1940 sneuvelden in en om de stad zowel Nederlandse als Duitse militairen. Zij werden allemaal naar het mortuarium van het gemeentelijk Gasthuis gebracht. De administrateur had de taak om alle overledenen te registreren, een zware taak want het lijkenhuis lag helemaal vol. Ook moest hij de gegevens van de gewonden opnemen, die veelal grote brandwonden hadden. Toen hij aan een Duitser zijn beroep vroeg kreeg hij verbaasd ten antwoord: 'natuurlijk soldaat'; bijna iedereen in Duitsland was immers in militaire dienst!

De directeur van de Verffabriek aan de Kanaalweg, dr. R. Spanjaard, die al sinds 1917 lid was van het regentencollege, nam in 1940 als eerste zelf ontslag omdat hij Jood was. Hij overleed in 1944 in het concentratiekamp Theresiënstadt. Gedurende de oorlogsjaren was de NSB-burgemeester voorzitter van het regentencollege en waren ook de regenten vervangen.

Evenals Spanjaard was de geneesheer-directeur Cleyndert overtuigd vrijmetselaar. De vrijmetselarij werd tijdens de bezetting niet getolereerd en de NSB nam de Loge in de Choorstraat in beslag. De heer van der Ploeg heeft toen op verzoek van de directeur verschillende belangrijke zaken opgehaald en in het ziekenhuis verborgen.

Voor zover bekend waren er geen 'foute' personeelsleden. De portier/apotheekbediende Frans Pieper had zelfs nog een radio verborgen zodat men op de hoogte was van de gebeurtenissen in de oorlog.

De patiënten en het personeel hebben geen honger geleden. Bij opname moesten de mensen al hun distributiebescheiden inleveren. Bovendien kreeg het Gasthuis rechtstreeks extra toewijzingen van het distributiekantoor. Voor de oorlog was het de bevoegdheid van het regentencollege om te beslissen welke leveranciers aan het ziekenhuis mochten leveren. Wekelijks werd naar behoefte ingekocht. Zo werden de kruidenierswaren in de winkel van Oliemans op de hoek van de Gasthuislaan en de Brabantse Turfmarkt gehaald. Daar heeft van der Ploeg een eind aan gemaakt en alles zoveel mogelijk van de groothandel betrokken. Omdat er geen magazijn in het ziekenhuis was liet hij op de zolder stellingen maken en een grote voorraad verpleegartikelen, beddengoed en servies aanleggen. Om dit te verantwoorden nam hij op de balans voor het eerst een post 'voorraad' op, zodat de begroting niet werd overschreden.

Alle gebouwen werden centraal verwarmd door een met cokes gestookte ketel.. In de Gasthuissteeg was een pakhuis waarin de door brandstoffenhandel Hazenkamp geleverde cokes werd opgeslagen.

In de oude tijd droegen de portiers en de bode een uniform. De bode ging tweemaal daags naar de stad om boodschappen te doen. De portiers moesten ook besmettelijk zieke patiënten ophalen op een brancard met twee hoge wielen en liggend onder een huif. Later gebeurde dit met een wagen die geparkeerd stond in het gebouw van de ontsmettingsdienst en werd gereden door de stalhouderij Jansen die daarvoor paard en koetsier leverde.




Grote vooruitgang na de oorlog.

Direct na de bevrijding namen de in de oorlog teruggetreden regenten hun plaats in het college weer in. Ook burgemeester van Baren nam de voorzittershamer weer op. De overal heersende geest van Nederlands Volksherstel werd ook vaardig over het regentencollege en de directie.

Sinds 1931 was de grond naast de Synagoge eigendom van het Gasthuis. Na de oorlog werd ook de Synagoge aangekocht en als opslagruimte gebruikt. Op de plaats van de HBS, op de hoek van de Gasthuissteeg, waar heel vroeger de gasthuiskapel stond, is in 1932 het zusterhuis gebouwd, waar de leerlingverpleegsters in kleine kamertjes woonden.

Toen de penicilline beschikbaar kwam zijn de barakken in de voortuin tot polikliniek verbouwd. Het hek op de Koornmarkt werd vervangen door een hoge muur met een entree voor de polipatiënten en een garage voor de ambulance (een Packard).

De bemanning van de ziekenwagen bestond uit een chauffeur, een broeder en een verpleegster, die uit het huis werden opgeroepen, om ongevalspatiënten op te halen. Zieken werden van huis gehaald door een particuliere ambulancedienst die op de Rotterdamseweg was gevestigd. Naast de nieuwe hoofdingang kregen de portiers een moderne portiersloge. Nadat in 1972 het ziekenhuis is afgebroken, staat slechts de muur en de voormalige zusterflat nog overeind. In de muur zijn de garagedeur en de polikliniekdeur nog aanwezig. Door de poort van de vroegere hoofdingang komt men thans op een groot parkeerterrein.

Met vreugde kan iedereen zien dat de Synagoge weer in Joodse handen is en na een ingrijpende restauratie een brede maatschappelijke functie heeft gekregen.


Samenwerking in de gezondheidszorg

De heer van der Ploeg was destijds reeds van mening dat door samenwerking kleine dingen groot kunnen worden en sloot zich daarom aan bij 26 collega's, verspreid over heel Nederland. Vooral op het gebied van de inkoop was zo geld te besparen. De bekende ziekenhuisgroothandel Kok Ede heeft hier garen bij gesponnen.

De vooruitgang van de medische mogelijkheden is na de oorlog in versneld tempo voortgeschreden. Aangezien de moderne gezondheidszorg niet meer in de oude behuizing was onder te brengen, is in 1968 een totaal nieuw Gasthuisgebouw aan de Westlandseweg betrokken. Twee jaar later verhuisde het St. Hippolytus Ziekenhuis naar de nieuwbouw en in 1972 het Bethel Ziekenhuis. Tegelijkertijd zijn de ziekenhuisapotheek en de laboratoriumfuncties in het gebouw van de SSDZ ondergebracht.

Direct daarna volgde het fusieoverleg tussen de drie Delftse ziekenhuizen. Dit resulteerde in 1982 in de oprichting van de Reinier de Graaf Stichting, een naam die welbewust is gekozen. Reinier de Graaf leefde in de zeventiende eeuw in Delft en heeft een wereldberoemde naam gekregen ofschoon hij maar 32 jaar is geworden. Zijn naam is niet alleen verbonden aan de 'Graafse follikel', maar hij deed ook proeven op het gebied van de alvleesklier. Hij ontwierp de voorloper van de injectiespuit en construeerde een clysteerslang voor zelfhulp. In het Reinier de Graaf Gasthuis leeft dus een Delftse traditie voort. Het Delftse Gasthuis is daarmee het oudste nog functionerende ziekenhuis in Nederland.

Het gebouw van het Oude en Nieuwe Gasthuis moest al in 1984 worden afgestoten wegens het teveel aan bedden. De twee overgebleven gebouwen worden nu aangeduid met de eerste letters van hun voorgangers: B- en H-gebouw. De ontwikkeling van de geneeskunde gaat zo snel dat ook deze gebouwen nu alweer verouderd zijn. Binnen afzienbare tijd zal een nieuw ziekenhuis tussen beide gebouwen verrijzen.

************


1


1





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina