Het penningkabinet



Dovnload 26.42 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte26.42 Kb.
J. Lallemand, Het Penningkabinet, in Koninklijke Bibliotheek. Liber Memorialis 1559-1969, Brussel, 1969, p. 297-309.

HET PENNINGKABINET
door
Jacqueline Lallemand

Het Penningkabinet is ontstaan bij Koninklijk Besluit van 8 augustus 1835, bij de oprichting van een "Musée d'armes anciennes, d'armures, d'objets d'art et de numismatique". Toen bezat het Rijk overigens munten noch penningen, maar voor de aankoop van twee verzamelingen penningen werd een krediet uitgetrokken, en tegelijk werd de graveur van de Munt, Joseph Braemt, belast met het aankopen van stukken op verschillende veilingen. Braemt kocht 3.570 stukken, die hij in 1840 aan de Koninklijke Bibliotheek overmaakte. Deze had bij Koninklijk besluit van 2 augustus 1838 de "collection des médailles appartenant à l'Etat" onder haar hoede gekregen. In 1843 kocht het Rijk de verzameling van de stad Brussel, tellende 2.740 muntstukken, penningen, reken- en presentiepenningen. Van deze verzameling had Joachim Lelewel in 1842 op verzoek van baron de Reiffenberg een uitstekende catalogus opgesteld, met de hand geschreven en nog steeds met grote zorg door het Penningkabinet bewaard.
De penningverzamelingen ressorteerden onder de eerste afdeling van de Koninklijke Bibliotheek – die der Gedrukte Werken – tot de archivaris Charles Piot opdracht kreeg de stukken te beschrijven en daarna het kabinet te beheren. In 1851 werd het Penningkabinet voor het publiek opengesteld en in 1875 werd het een aparte afdeling van de Koninklijke Bibliotheek met Camille Picqué als conservator; deze volgde Piot bij diens ontslag in 1870 op.
Het eerste doel van de verantwoordelijken voor de Rijkspenningen-verzameling was vanzelfsprekend belangrijke verzamelingen munten en penningen uit de vroegere Nederlanden aan te leggen. Door achtereenvolgende aankopen van verscheidene zeer gespecialiseerde particuliere verzamelingen groeiden deze reeksen snel aan.
In 1862 werd de verzameling De Coster van Karolingische munten verkregen; nadien, in 1865, de reeks Brabantse munten van deze zelfde amateur, en in 1868 munten van Henegouwen, verzameld door Renier Chalon; van 1883 tot 1892 verkocht Chestret de Haneffe aan het Penningbabinet ruim honderd stukken uit zijn rijke verzameling Luikse munten.
In 1893 vormde de verzameling Maurice de Robiano, meer eclectisch samengesteld dan de vorige verzamelingen, maar rijker aan zeldzame stukken, een gelukkige aanvulling van het groeiende bezit aan munten uit de Nederlanden. De verzameling de Robiano bevatte bovendien Duitse, Franse en Italiaanse munten, een fraai geheel van zegelstempels, decoraties en draagtekens uit de Brabantse omwenteling.
In 1865 werd de verzameling Geelhand van penningen uit de Nederlanden gekocht, in 1887, rekenpenningen van deze zelfde verzamelaar; samen met een reeks Brusselse rekenpenningen van Van den Broeck (1897) vormde ze de grondslag van de verzameling op dit gebied.
Camille Picqué, gedreven door zijn zin voor de esthetische waarde van munten en penningen, spande zich bijzonder in om Griekse en Romeinse munten en penningen uit de Italiaanse renaissance te verwerven, die bij zijn ambtsaanvaarding nagenoeg volledig in het Penningkabinet ontbraken. In 1870 kocht hij 500 Griekse munten, voor het merendeel uit Italië en Sicilië afmstig, en in 1891 een dertigtal gouden stukken met de beeldenaar van de voornaamste Romeinse Keizers; in 1876 had hij van een reis in Italië een fraai ensemble van renaissancepenningen meegebracht.
In 1899 vielen de merkwaardigste aankoop en de kostbaarste gift uit de geschiedenis van het Penningkabinet: de verzameling Albéric du Chastel en de verzameling Lucien de Hirsch.
Het Parlement keurde in 1899 een speciaal krediet van 300.000 frank goed voor de aankoop van 761 stukken uit de verzameling du Chastel; in 1902 en 1906 kocht het Penningkabinet van dezelfde verzamelaar nog 64 Griekse en Romeinse stukken. In dit ensemble van antieke munten horen enkele uiterst zeldzame munten, met name de prachtige tetradrachme van Naxos, de aureus van Uranius Antonius, de dubbele gouden solidus van Fausta, vrouw van Constantijn de Grote, en de vierdubbele gouden solidi van Constantijn II en van Valentinianus I.
Kenmerkend was bovendien dat alle munten uitzonderlijk goed bewaard gebleven waren en dat Albéric du Chastel bij voorkeur een overvloed aan munten uit Syracuse, zilveren tetradrachmen en decadrachmen, verzamelde.
De verzameling Lucien de Hirsch, door de moeder van deze verzamelaar bij haar dood in 1899 aan het Rijk nagelaten, werd in 1900 in de Bibliotheek opgenomen. Befaamd daarin is vooral de tetradrachme van Etna, enig bekend exemplaar van deze zeer fraaie munt, door Hiëron van Syracuse te Katane geslagen, na de inneming van de stad die hij de naam Etna gaf (476-461 v. Chr.). De verzameling de Hirsch bevat nog andere uiterst zeldzame stukken, o.m. de tetradrachme van Zancle, maar toch verdient de munt van Etna haar grote faam ten volle, omdat ze bovendien het werk is van een zeer groot, onbekend gebleven kunstenaar en omdat ze goed bewaard is gebleven, en fraai en zeldzaam is. De 1.877 Griekse munten van de verzameling de Hirsch werden ook op grond van hun uitzonderlijke kwaliteit gekozen. Het legaat-de Hirsch bevatte, behalve de Griekse munten en de bibliotheek van Lucien de Hirsch, zijn verzameling Griekse vazen en beeldjes van hoge kwaliteit. De verzamelingen de Hirsch en du Chastel weerspiegelden, zoals trouwens de nog bescheiden rijkscollectie van antieke munten, de smaak en de voorkeur van de 19de eeuw: particuliere verzamelaars en musea waren uit op zeldzame stukken, die voortreffelijk bewaard en fraai waren, dus overeenkomstig de heersende smaak. Door het verwerven van deze twee verzamelingen met zeldzame stukken, die het Penningkabinet anders nooit met eigen middelen had kunnen kopen, werden haar wezenstrekken verder bevestigd: meer gouden en zilveren dan bronzen stukken, die zelden zo goed bewaard blijven; vooral klassieke kunst uit Sicilië en Italië voor de Grieken, uit de Hoge Keizertijd voor de Romeinen en minder archaïsche of, anderzijds, "decadente" kunst. Thans nog is deze invloed merkbaar, aangezien de verzameling Griekse munten uit Italië en Sicilië in het Brusselse Penningkabinet tot de tien belangrijkste verzamelingen behoort, terwijl voor de overige delen van de Griekse wereld de verzameling Griekse munten van het Penningkabinet eerder bescheiden is.
Frédéric Alvin, die Camille Picqué in 1902 opvolgde, spande zich in om de leemtes in de bestaande verzamelingen aan te vullen, met name in de verzamelingen van antieke munten, door geregeld bronzen Griekse munten en gewone stukken uit alle reeksen aan te kopen. In 1907 en 1908 kocht hij een verzameling van 1.255 Alexandrijnse munten, dit zijn stukken met Griekse types en legende maar stammend uit de Romeinse tijd. De geleerde Italiaanse verzamelaar Giovanni Dattari, die in Egypte woonde, hield, op het internationaal congres voor numismatiek van 1910 te Brussel, een uiteenzetting over het gewicht van de bronzen Romeinse munten in het begin der 4de eeuw en hij schonk het Penningkabinet het illustratiemateriaal voor zijn lezing : 5.200 uitstekend bewaarde munten, grotendeels uit de jaren ca. 280 tot 240 en vooral afkomstig uit de werkplaatsen te Alexandrië en te Antiochië.
Dank zij bepaalde schenkers kreeg het Penningkabinet ook vrij belangrijke collecties in haar bezit die buiten de gebruikelijke aanwinstenpolitiek vallen. Reeds in 1875 had Julien Andrian, Belgisch consul te Nagasaki, het Penningkabinet 448 Chinese munten geschonken. In 1905 werd deze kleine verzameling aangevuld met de gift Eugène Slosse die 213 stukken bevatte, en in 1908 met een gift door de Chinese regering van 170 munten. Zo ook vermaakte Charles Van Schoor in 1902 aan de Koninklijke Bibliotheek zijn verzameling van 1.530 pauselijke munten en 1.200 penningen. De zeer volledige muntenverzameling telt ettelijke zeldzame stukken; ook het ensemble van penningen is rijk; jammer genoeg ontbreken de oudste stukken.
In 1904 werd de verzameling penningen en rekenpenningen uit de Nederlanden aanzienlijk verrijkt door het schenken van de verzameling Surmont de Volsberghe met vele honderden munten en decoraties, een duizendtal eigentijdse penningen en ruim 500 oude penningen en 1.064 rekenpenningen. Deze verzameling penningen bevatte het grootste deel van de produktie van Theodoor van Berckel, de voornaamste Belgishe graveur in de 18de eeuw, auteur van de vermaarde munten uit de Brabantse omwenteling en van zeer vele portretpenningen.
Van 1914 tot 1954 had het Penningkabinet doorgaans slechts de beschikking over een totaal ontoereikende begroting. De conservators uit die periode, vanaf 1914 Victor Tourneur, en vanaf 1929 Marcel Hoc, moesten zich noodgedwongen tot het essentiële beperken, t.w. de aankoop van munten en penningen uit de Nederlanden. Niettemin konden beiden, specialisten voor deze reeksen, een groot aantal merkwaardige stukken verwerven. Inzake penningen kreeg de verzameling verscheidene modellen van oude penningen bij, unieke stukken door de kunstenaar in reliëf gebeeldhouwd en waarna een vorm werd gemaakt voor het gieten. De interessantste hieronder zijn in 1921 het gekleurde wassen stuk op een plaat in leisteen met de afbeelding van Jean Célosse; in 1942 het houten model van een penning met de beeldenaar van Nicolaas van Busleyden, een werk van Janus Secundus, en in 1953 de prachtige ivoren penning met buste van Keizer Karel, waarvan het Penningkabinet te Wenen de loden penning bezit.
De belangrijkste aanwinst uit die tijd dateert van 1924: de Universitaire stichting en het Penningkabinet kochten elk voor de helft de verzameling Baudouin de Jonghe, waarbij het deel van de Stichting op het Penningkabinet in bewaring werd gegeven. Deze verzameling bevatte ruim 6.000 munten uit de Gallische, Merovingische, Karolingische reeksen en uit alle vorstendommen en heerlijkheden der Nederlanden. In 1960 schonk de Universitaire stichting overigens de stukken, die ze in 1924 in bewaring had gegeven, aan het Penningkabinet, zodat deze prachtige collectie thans volledig is opgenomen in de Rijksverzameling. Dank zij de collectie de Jonghe bekleedt het Penningkabinet een bevredigende plaats wat betreft de verzamelingen van Gallische, Merovingische en Karolingische munten. Inzake de Nederlanden bezit het hierdoor een groot aantal zeldzame stukken en kon het gelukkig de reeks munten van de heerlijkheden in het bezit van de Staat, aanvullen.
Het legaat-Edouard Bernays deed de verzameling munten uit de Nederlanden nog toenemen. Deze geleerde verzamelaar stelde samen met Jules Vannérus een Histoire monétaire du duché de Luxembourg op en verzamelde een volledig ensemble munten uit het hertogdom Luxemburg en het graafschap Namen.
In 1922 vermaakte hij zijn collecties aan het Penningkabinet, dat ze in bezit kreeg na zijn dood in 1940.
Ingevolge het ontdekken in 1922 van een belangrijke Romeinse vondst te Beaurains-lez-Arras, begraven in 313, kon het Penningkabinet een jaar later 18 goudstukken uit het einde der 3de en het begin der 4de eeuw verwerven. Dit kleine ensemble bevat verscheidene unieke stukken, en is vooral belangrijk doordat de vondst onmiddellijk verspreid geraakte en nog niet afdoende bestudeerd is, zodat onze partij stukken eens zal kunnen bijdragen tot een reconstitutie van dit document.
Na de tweede wereldoorlog begon het Penningkabinet, zoals trouwens gelijkaardige instellingen in het buitenland, zich aan de huidige ontwikkeling in de numismatiek aan te passen. Naarmate immers de numismatiek zich als hulpwetenschap van de geschiedenis ontwikkelt, worden de nationale Penningkabinetten, behalve louter musea voor zeldzame of fraaie stukken, ook centra uitgerust om elke numismatieke documentatie ter beschikking te stellen van de vorsers.
Deze nieuwe oriëntering kreeg het Penningkabinet te Brussel van de heer Paul Naster, eerst bibliothecaris, nadien adjunct-conservator van het Penningkabinet van 1941 tot 1953. Praktisch betekent dit het publiceren na diepgaande studie, van alle muntvondsten in den lande, en, wat betreft de verzamelingen, het verwerven van steeds vollediger reeksen, waardoor elk vorser zijn werk kan aanvangen in direct en langdurig contact met de betreffende stukken. Muntvondsten interesseerden weliswaar de numismaten sinds geruime tijd, maar vroeger werd een vondst niet beschouwd als een historisch document op zichzelf; de oudere notities bevatten een gedetailleerd overzicht van zeldzame of onuitgegeven stukken in de vondsten, maar de gewone stukken werden slechts vermeld of ten hoogste summier in de lijst opgenomen zonder enige studie of vergelijking die het belang van het document had kunnen onderstrepen. Aan de andere kant dienen door de vooruitgang van de numismatiek de vroegere vondsten, die nog volledig zijn bewaard, opnieuw te worden bekeken in het licht van nieuwe kennis en methodes, met het oog op verdere inlichtingen.
Het nieuwe beleid inzake aanwinsten blijkt uit de aankoop van verscheidene partijen munten uit vondsten. In 1949 kreeg de Griekse verzameling er 250 Atheense tetradrachmen bij uit de vondst van Tell-el-Maskhoeta (Egypte); deze werd uiterst zorgvuldig door de heer Naster bestudeerd.
In 1951 werden 2.074 middeleeuwse munten uit de vondst in de rue des Augustins te Rijsel verworven; dit zijn penningen uit de 12de en 13de eeuw, vooral uit Vlaanderen en Brabant, ook uit Luik.
In 1952 werd aan de verzameling Romeinse munten de schenking van de heer Paul Tinchant toegevoegd: 932 zilveren en bronzen munten uit het late Keizerrijk. Deze belangrijke schenking met munten vanaf Augustus' bewind (27 v. Chr.-14 na Chr.) tot Severus Alexander (222-235) vormt een goede grondslag voor studie, vooral voor deze laatste keizer.
In 1962, 1963 en 1966 schonk Dr Pierre Bastien aan het Penningkabinet laat-Romeine munten, in totaal meer dan honderd stukken. Ook de heer Efrem Pegan schonk een honderdtal bronzen en enkele zilveren stukken uit de vierde eeuw. De recentste gift van Romeinse munten tenslotte, deze van de heer J. G. in 1967, omvat slechts negen stukken, maar heeft een belangrijke handelswaarde, vermits het gaat om zeldzame cistophoren of zilverstukken van 3 denarii. Voor deze reeks heeft het Penningkabinet ook verscheidene zeldzame stukken door aankoop verworven: in 1962, een veelvoud van aureus van Claudius II (268-270), afkomstig van een schat ontdekt in de Middellandse Zee, en twee aurei uit dezelfde vondst; in 1964, de zeer zeldzame denier van Clodius Macer; in 1966 een zeer zeldzame antoninianus van Saloninus augustus. Naast hun zeldzaamheid zijn al deze stukken ook in historisch opzicht interessant: zij geven inlichtingen over een muntsoort (het medaillon) of een keizer die uit geen enkele andere bron gekend zijn.
Door aanhoudende inspanningen en een gelukkige samenloop van omstandigheden heeft het Penningkabinet een kleine verzameling Byzantijnse munten kunnen verwerven: dit fonds is van 309 stukken in 1956 aangegroeid tot 868 munten in 1967; het gebruik, dat specialisten er in de laatste jaren van hebben gemaakt, bewijst zijn belangrijkheid; het bevat trouwens enkele vrij volledige reeksen.
De Merovingische en Karolingische verzamelingen hebben de laatste jaren slechts een onbelangrijke aangroei gekend. Het betreft trouwens in beide gevallen zeldzame en dus zeer dure munten, die slechts bij uitzondering op de Brusselse markt verschijnen. Binnenkort zal een inspanning worden gedaan om tenminste de verzameling Karolingische stukken aan te vullen.
De verzameling munten uit de Nederlanden is nog aanmerkelijk uitgebreid, hoewel zij reeds één der meest volledige, zo niet dé meest volledige, is, die voor het ogenblik bestaat. In 1958 en van 1963 tot 1965 heeft het Penningkabinet meerdere partijen leeuwendaalders uit de Noordelijke Nederlanden verworven; hoewel deze munten geen voorrang genieten in het raam van ons aanwinstenbeleid, beschikken wij nu toch over een voldoende aantal ervan.
De belangrijkste aanwinst der laatste jaren uit de Zuidelijke Nederlanden, de gouden royal van Lodewijk van Nevers, is een enig stuk, en bovendien de oudste gouden munt geslagen in de Nederlanden. Talrijke enige of slechts door twee of drie exemplaren gekende stukken werden de laatste jaren verworven: in 1958 een Brussselse denier uit de elfde eeuw, in 1960 het gouden schild van Waleran III van Sint-Pol, in 1962 de halve leeuw van Antoon van Bourgondië, in 1966 de gouden reaal van Filips II voor Doornik, om slechts de belangrijkste aanwinsten te vermelden. Deze overvloed aan zeldzame stukken hoeft geen verwondering te wekken: de verzameling van het Penningkabinet is reeds zeer rijk en de meeste stukken die er aan ontbreken moeten dus wel zeldzaam zijn; en ook is het Penningkabinet de enige instelling – met uitzondering van zijn Nederlands equivalent – die als einddoel heeft een volledige verzameling te vormen.
De schat van Transinne, ontdekt in Belgisch Luxemburg, maar praktisch alleen Franse munten omvattend, werd verworven in 1957. Deze schat, die overeenkomsten vertoont met andere vondsten uit de Maasvallei, getuigt op een interessante manier van de handelsstromingen in deze streek in de twaalfde en dertiende eeuw; bovendien werd de verzameling middeleeuwse Franse munten er door met 1.660 stukken vergroot. De Engelse sterlingen, die als model gediend hebben voor de munten der Belgische vorstendommen uit de middeleeuwen, werden in 1964 vermeerderd met enkele stukken geschonken door de heet Paul De Baeck en in 1967 met een belangrijke partij, aangekocht door het Penningkabinet.
Enkele belangrijke oude medailles werden aan de verzameling toegevoegd: in 1955, de medaille van Hendrik Barck door Steven van Herwijck; in 1958, verscheidene Italiaanse medailles uit de Renaissance, en, in 1966, twee penningen uit dezelfde tijd, ongetwijfeld afkomstig uit onze gewesten; ook werd de reeds zeer rijke verzameling strooipenningen uit de Nederlanden in 1964 aangevuld door de aankoop van een belangrijke partij en door een schenking van de heer Paul De Baeck.
De verzameling van hedendaagse munten en papiergeld tenslotte hebben sinds 1962 genoten van regelmatige schenkingen door buitenlandse emissiebanken; en sinds 1963 wordt het werk van levende of onlangs overleden Belgische medailleurs door een systematisch aankoopbeleid aangevuld. Deze aankopen worden mogelijk gemaakt door het verzamelen van documentatie over elke medailleur en zijn werk; en door het aankopen van hedendaagse buitenlandse medailles wordt in het Penningkabinet een documentatiecentrum voor de Belgische kunstenaars gevormd.
De verzamelingen van het Penningkabinet tellen thans, na ongeveer 130 jaar regelmatige aanwinsten, 184.792 stukken.

De belangrijke data die het overzicht van een verzameling bepalen, zijn die van voorname aanwinsten, door hun aantal en kwaliteit, van schenkingen en legaten, van particuliere verzamelingen die "en bloc" aangekocht in één dag deze of gene reeks tot een onverhoopt peil hebben gebracht.


Desondanks stamt het fundament zelf van de verzameling, voor ten minste drie vierden van het aantal stukken en van vele van de schitterendste en interessantste stukken, uit de lopende aankopen, het dagelijks onderzoek, de controle en classificering gedurende ruim een eeuw door de staf van het Penningkabinet.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina