Het Permanent Diaconaat Permanente Vorming Parochiepastores



Dovnload 229.9 Kb.
Pagina1/11
Datum25.08.2016
Grootte229.9 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

Dossier ‘Diakens in Kerk en Wereld’ – najaar ’06 – blz.

Het Permanent Diaconaat

Permanente Vorming Parochiepastores

Theologische Studiedag Bisdom Brugge

Najaar 2006 - Geert Morlion


Door de steun van de kerk wordt opkomen voor illegalen verbonden met de christelijke moraal, een fundament van de westerse cultuur. Dankzij de kerkbezettingen is het imago van de illegaal veranderd van een profiteur en een potentiële crimineel in een sukkelaar die het ook niet kan helpen dat de wereld oneerlijk in elkaar zit – althans, dat positievere beeld won veld, iets waar ik zelf nooit had durven op hopen.’

(Tom Naegels: De Standaard, 6 mei 2006)


De betrokkenheid van de katholieke kerk (op het kerkasiel) is het gevolg van de druk van onderuit. Ze verloor veel van haar morele gezag, vooral omdat ze te lang bleef kamperen bij een starre seksuele moraal. Nu heeft ze de kans om zich te profileren in haar core business, die zij de diaconie noemt, de dienstbaarheid.’

(Marc Reynebeau in een commentaar op het kerkasiel; De Standaard, 12 mei 2006)

Dienstbaarheid is de sterkste vorm van verkondiging’.

(Christine Bruggeman, voorzitter van de Arkgemeenschappen van Vlaanderen; 09.2006)



DEEL I: Over diaconie en diakens…



  1. Dienen in de bijbel


“Dienaar” in de bijbel beantwoordt grosso modo aan één Hebreeuws woord1: ‘ebed, en vier Griekse synoniemen: doulos, diakonos, hypêretês en pais. Deze vier Griekse woorden krijgen ongeveer dezelfde theologische betekenis, al zijn ze niet alle vier even oud-testamentisch verankerd. Het Griekse woord diakonie, diakonein verwijst vooreerst naar ‘dienen aan tafel’, vervolgens naar het helpen van iemand (bvb. voor zijn onderhoud), en algemener dan naar het iemand van dienst zijn, wat en hoe ook. Deze betekenissen staan ver van slavernij en verlies van persoonlijke vrijheid. Toch veronderstellen ze een vorm van ondergeschiktheid die de Griek niet ligt.

Op te merken valt dat de Griekse cultuur, ook het latere hellenisme, het vocabularium ‘slavernij, dienst’ weert uit de religie. Deze woordengroep heeft met name een negatieve betekenis in een cultuur die zo de nadruk legt op de individuele vrijheid. De Griekse goden zijn geen majestueuze en onbereikbare persoonlijkheden, maar eerder menselijke wezens met huiselijke kenmerken. Ze zijn zelf onderworpen aan het ‘lot’. Grieken buigen niet voor hun goden, zoals de slaaf dit doet voor zijn meester. Ze willen op voet van gelijkwaardigheid omgaan met de goden.

1.1. Oud Testament:


De bijbel aanziet ‘dienen’ als een positief gegeven. God wil gediend worden in Zijn tempel. Priesters en levieten zijn belast met de dienst van God. Maar ook gelovigen komen Hem dienen. De dienst die God wil, is niet louter eredienst, maar ook gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Het hele leven wordt betrokken in de dienst aan God (Torah). ‘Barmhartigheid/gehoorzaamheid wil Ik, liever dan offers’. (1Sam 15,22; Dt 5,29; Hos 6,6 cf Jer 7,22-23). God wil exclusief gediend worden: afgodendienst wordt altijd afgekeurd. In de bijbelse visie schaadt de dienst van God niet aan de menselijke waardigheid. Integendeel door te dienen wordt deze waardigheid bevestigd. Dienaar zijn van God is eervol.


01.2. Nieuw Testament:

1. Het thema ‘Jezus dienaar’ is oorspronkelijk in het N.T. maar niet dominant. Het woord heeft een waaier aan betekenissen en verwijst naar diverse oudtestamentische bronnen. Eén inspiratiebron is de figuur van de Lijdende Dienaar uit Jesaja. Toch mag men die bron niet verabsoluteren en Jezus’ rol herleiden tot uitboeten en verlossing. Heel Jezus’ leven met inbegrip van zijn passie en dood is een dienst. Vaak verwijst dienaar-Jezus naar nederigheid. ‘Welnu, als Ik, jullie Heer en Meester, jullie voeten heb gewassen, dan behoren jullie ook elkaar de voeten te wassen. Ik heb jullie het voorbeeld gegeven: je moet doen zoals Ik jullie heb voorgedaan.’ (Joh 13,14-15) In de Handelingen krijgt Jezus 4x de titel ‘dienaar’. Daarvoor wordt het Griekse woord ‘pais’ gebruikt, en dit verwijst – in een context van joods-christelijke liturgie – naar het zoonschap.



Jezus benadrukt de exclusiviteit van de dienst aan God: ‘Niemand kan twee heren dienen. Want hij zal de een verfoeien en van de ander houden, of zich hechten aan de eerste en de ander verachten.’ (Mt 6,24 par). Jezus vertelt parabels waar dienaars in optreden. Lucas wil met de parabel over de tafeldienst (17,7-10) de verkondigers van het evangelie en de leiders van de gemeenschappen (17,5) afhouden van elke zelfverheerlijking voor God. De parabel van de onbarmhartige dienaar bij Mt schetst duidelijk de dubbele verhouding van de christen tot God en tot de medebroeder: wie de barmhartigheid van God ervaren heeft, zal zich ervoor hoeden om die te weigeren aan zijn medebroeder. In het Magnificat drukt ‘dienaar’ de christelijke geloofservaring uit: ‘God heeft omgezien naar zijn vernederde dienares’ (Lc 1,48). Het is de echo van Maria’s woord bij de aankondiging: ‘Ik ben de dienares van de Heer’ (Lc 1,38). Bij Johannes gaat dienaar-zijn van Christus samen met vriendschappelijke omgang: ‘Voor Mij zijn jullie geen dienstknechten meer: een knecht heeft geen begrip van wat zijn meester doet. Vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb vernomen aan jullie heb meegedeeld.’ (Joh 15,15) Navolgen en leerling zijn betekenen dienstbaarheid (‘Mijn vrienden zijn jullie, maar dan moeten jullie doen wat Ik jullie opdraag’ Joh 15,14). Het sterkste voorbeeld van die dienstbaarheid geeft Jezus op de laatste avond, wanneer Hij zijn leerlingen de voeten wast (Joh 13) en zichzelf dienaar noemt (Lc 22,27).
‘Dienen’ wordt in de evangelies gebruikt om de verantwoordelijken van de gemeenschap te wijzen op hun plicht tot dienst aan de gemeenschap. ‘Wie daarentegen groot wil worden onder jullie, moet jullie dienaar (diakonos) zijn; wie onder jullie de eerste wil zijn, moet slaaf (doulos) van allen wezen’ (Mc 10,43; vgl. Mt 20,26-27). De eerste zijn is de laatste worden en zichzelf in een situatie van afhankelijkheid plaatsen. Christus is in deze een voorbeeld om na te volgen (Mc 10,45 par. Mt 20,28; Lc 22,27).

2.De term ‘dienaars van de Heer’ wordt een standaardterm om zowel de geloofsverkondigers als de christenen te karakteriseren. Ook de apostelen worden dienaars van Christus genoemd, of noemen zichzelf zo: Rom 1,1; Fil 1,1; 2 Pe 1,1; Jud 1; cf. Kol 4,2; Jak 1,1a. Paulus is duidelijk: als dienaar van de Heer heeft hij zich op een bepaalde manier te gedragen: ‘Tracht ik nu de mensen te winnen of God? Zoek ik soms de gunst van mensen? Als ik die zocht, zou ik geen dienaar van Christus zijn.’ (Gal 1,10)


De apostelen zijn wat oneerbiedig gezegd ‘doorgeefluik van de verlossing: de dienaars van Christus geven de vruchten van de verlossing door. (Ef 6,6; Rom 14,18; 16,18; Kol 3,24) In de combinatie van ‘verlossing’ en ‘dienaar’ schuilt een paradox. De verlossing is niet zomaar een tocht van slavernij naar vrijheid, al drukt deze overgang een waarheid uit en is ze zelfs een staande uitdrukking bij Paulus. De verlossing voert enerzijds weg uit de machten van de dood: de vergankelijkheid, de zonde, de onzuiverheid en onrecht, begeerten en lusten, valse goden, de heerschappij van de wet, de vrees voor de dood. (Rom 8,21; 6,6.17.20; Joh 8,34; Rom 6,19; Tit 3,3; Gal 4,8; Rom 7,25 cf. Gal 4,3.9; Heb 2,15). Christus heeft ons vrijgekocht (Gal 3,13; 4,4-5). De verlossing leidt anderzijds tot verbondenheid met, ja, afhankelijkheid van Christus. De mens wordt een ‘zoon’ van God (Gal 4,5-7; Rom 8,15.23). De vrijheid en het zoonschap zijn dus geen individuele willekeur en autonomie: ‘u werd geroepen tot vrijheid. Alleen, misbruik de vrijheid niet als een voorwendsel voor een zondig leven, maar dien elkaar door de liefde’. (Gal 5,13) Kortom, de christen is dienaar van Christus. Vrijheid én gehoorzaamheid aan Christus sluiten elkaar niet uit. Integendeel, Christus heeft ons vrijgemaakt.

3. Paulus omschrijft zichzelf als een dienaar van de gemeenschap en van het evangelie. Vanuit deze belangeloosheid aarzelt hij niet om zich aan te passen aan de verschillende milieus. Hij is bereid om slaaf van allen te zijn, om tot het uiterste te gaan in zijn toegevingen en om risico’s te nemen in zijn omgang met Joden, heidenen en zwakken. In dezelfde dienst van het evangelie verzamelt hij medewerkers. Dienst betekent hier dat de apostel volledig in beslag genomen wordt door de boodschap die hij brengt, en dat hij beschikbaar is voor de mensen. Deze praktische houdingen zijn het gevolg van een fundamentele houding: de apostel is dienaar van Christus. De apostel is dienaar van het evangelie: ‘Wat zijn Apollos en Paulus eigenlijk? Niet meer dan dienaren die u geholpen hebben om tot het geloof te komen, en wel ieder op zijn eigen manier, zoals de Heer het ons vergund heeft.’ (1Kor 3,5; Hd 20,24; 21,29) En al is de apostel in barmhartigheid en uit genade tot dienstbaarheid geroepen, toch kan hij krachtdadig en met gezag optreden. (2Kor 4,1-2)


De dienst van het evangelie is eervol (2Kor 3,9.10) maar omvat ook het verduren van moeilijkheden, nood en ellende. De apostel maakt de ruwe ervaring mee van het lijden aan fysieke kwalen en soms morele angsten. Toch dient hij slechts verantwoording af te leggen aan God en aan Christus (1Kor 4,1-3; 3,12-14) wat hem intussen niet spaart van vervolging. ‘Men moet ons dus beschouwen als helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen. Welnu, van een beheerder wordt niets anders geëist dan dat hij betrouwbaar blijkt. Mij is echter weinig gelegen aan uw oordeel, of dat van enige menselijke instantie. Ik oordeel niet eens over mezelf. Want al ben ik mij van niets bewust, daarom ga ik nog niet vrijuit. Hij die over mij oordeelt, is de Heer’ (1Kor 4,1-3).

Besluit:

Dienen is een centrale term in de bijbelse boodschap. Het vindt zowel een toepassing op de verhouding tot God als tot die onder de mensen. Dienen kan zonder vernederend te zijn.


Dienen is van toepassing zowel op Jezus zelf, als op de christenen, als op de apostelen. Jezus biedt een totaal voorbeeld van dienstbaarheid: de voetwassing, het laatste avondmaal, de gave van Zijn leven.
Dienen is van toepassing zowel op wat wij ‘caritas’ noemen als op de verkondiging en de gemeenteleiding. Iedere verantwoordelijkheid kan beschouwd worden als een dienst. Ze wordt iemand toevertrouwd als een vorm van delen met anderen.
In het Nieuwe Testament2 wordt ‘diakonein’ gebruikt om

- de dienst aan tafel aan te duiden (Mc 1,13.31; Mt 4,11; Lc 10,40; 17,8; Joh 2,5-9; 12,2);

- het woord betekent ook de (materiële) organisatie van de christelijke gemeenschap (Hd 6,2; zie ook Lc 8,2-3);

- dit is geen puur administratieve aangelegenheid, maar het is een dienst die wordt uitgeoefend vanuit de genade die ieder geschonken is (Rom 12,7; Heb 6,10);

- de zorg voor de armen is van grote betekenis voor Paulus, ondermeer in de kerk van Jeruzalem (2Kor 2,8.20; 9,1.12-13; Rom 15,25.31; Hd 11,29; 12,25);

- ‘diakonein’ wordt breder gepreciseerd in de Apostolische geschriften: er worden ‘ambten’ mee aangeduid die niet louter caritatief zijn maar die ook verband houden met profetie en andere uitzonderlijke gaven (1Kor 16,15; 1Pe 4,11; Kol 4,12.17; Ef 4,11-12).





  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina