Het Programmeermodel van de Nederlandse Publieke Omroep: is de neerwaartse spiraal doorbroken?



Dovnload 0.88 Mb.
Pagina1/10
Datum06.10.2016
Grootte0.88 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10



Het Programmeermodel van de Nederlandse Publieke Omroep: is de neerwaartse spiraal doorbroken?



Rosanne van Staalduinen

289866

Naam begeleider: A.L. Peeters



Naam tweede lezer: A.F.M. Krijnen

Master Media & Journalistiek

Erasmus Universiteit Rotterdam

8-8-2009
Voorwoord

In het derde jaar van mijn bachelor Geschiedenis (richting media) heb ik stage gelopen bij de AVRO. De stage is mij goed bevallen en sindsdien ben ik mij meer gaan interesseren voor de publieke omroep. Ik wilde heel graag een masterthesis schrijven die verband hield met de publieke omroep, maar toen de onderwerpen voor de thesis werden uitgedeeld, zat daar voor mij geen bevredigend onderwerp bij. Het programma ‘Boer zoekt vrouw’ werd ondertussen steeds populairder en ik vroeg mij af of ik het succes van dit programma misschien kon achterhalen/verklaren in een thesis. Dit concept was veel te beperkt, maar had wel potentie. Samen met mijn begeleider, Allerd Peeters, heb ik het concept verder uitgediept. Niet alleen ‘Boer zoekt vrouw’ was een succes, heel Nederland 1 deed het erg goed, ondanks dat er over een ‘negatieve spiraal’ bij de publieke omroep werd gesproken. Ik wilde weten wat er nu precies speelde bij de publieke omroep en besloot dat de negatieve spiraal en het nieuwe programmeringsmodel, waar de publieke omroep sinds 2006 gebruik van maakt, de centrale onderwerpen van mijn thesis moesten worden.

Een woord van dank gaat uit naar Allerd Peeters, die mij in de goede richting stuurde en mij goed begeleidde en naar Ton F. van Dijk die tijd vrij maakte om mij uit te leggen waarom hij als ‘de architect van het Programmeermodel’ de geschiedenis in gaat. Daarnaast ben ik mijn ouders en partner dankbaar voor de steun die zij mij gegeven hebben.



Inhoud
1. Inleiding 5
2. Terminologie 7
Deel I Totstandkoming Programmeermodel

3. Inleiding 12

4. Opzet van onderzoek 13

4.1 Vraagstelling 13

4.2 Methoden 13
5. De Nederlandse Publieke Omroep: van toen tot nu 14

5.1 1951-1963: het verzuilingsmodel 14

5.2 1964-1990: de vaste avonden en wisselavonden 16

5.3 1991 - augustus 2006: het thuisnetmodel 26

5.4 September 2006 – heden: het Programmeermodel 40
6. Conclusie 44
Deel II Evaluatie Programmeermodel
7. Inleiding 47
8. Opzet van het onderzoek 48

8.1 Vraagstelling 48

8.2 Methoden 49
9. De neerwaartse spiraal doorbroken? 50

9.1 Kritiek 50

9.2 Doelstellingen 53

9.3 Onderzoek 53

9.3.1 Maatschappelijke interactie en invloed 54

9.3.2 Bereik 66

9.3.3 Aandeel 70

9.4 Visitatiecommissie Brouwer-Korf 78



10. Conclusie
Literatuur en bronnen

Bijlage 1 Typering leefstijlgroepen

1. Inleiding

In oktober 2006 gaf Ton F. van Dijk, netcoördinator van Nederland 1, aan dat de achthonderdduizend trouwe kijkers van Lingo eigenlijk te oud zijn (Du Pré, 2006). Nederland 1 moest vooral jonge kijkers trekken. Met deze uitspraak haalde hij zich de woede op de hals van Christen-democratisch Kamerlid Joop Atsma. Die vroeg zich af hoe oud je dan eigenlijk mag zijn om naar Nederland 1 te mogen kijken. De Tweede Kamer boog zich dan ook over de kwestie (Du Pré, 2006). Atsma riep, na vier dagen waarin de emoties in de CDA-fractie hoog waren opgelopen, minister Van der Hoeven (van Onderwijs en Media) met spoed naar de Kamer. Zij moest uit leggen waarom zij haar invloed niet liet gelden om Lingo te behouden. Van der Hoeven gaf aan het jammer te vinden dat Lingo misschien moest verdwijnen, maar dat de politiek daar niet over gaat. Naar haar mening moesten de verstandige mensen in Hilversum daar samen uit kunnen komen. Zelfs premier Balkenende liet zich uit over de kwestie (Balkenende: ‘Hoe graag zien wij niet presentatrice Lucille Werner? TROS is platgebeld door boze en huilende kijkers, z.d.). Hij zei begaan te zijn met de fans van het spelletje en mee te voelen met alle mensen die het programma zullen missen. Hij zou zich er echter inhoudelijk niet mee bemoeien, want ‘Hilversum’ gaat over de programmering. Lingo wordt uitgezonden door de TROS (Balkenende: ‘Hoe graag zien wij niet presentatrice Lucille Werner? TROS is platgebeld door boze en huilende kijkers, z.d.). De omroep is overspoeld met boze telefoontjes. Lingo-presentatrice Lucille Werner liet weten dat ze zelfs huilende mensen aan de telefoon heeft gehad. Een aantal omroepmedewerkers, die fan zijn van Lingo, richtten de website www.lingomoetblijven.nl op (Veel steun voor Lingo op website, z.d.). Binnen twee dagen stonden er al ruim vijfduizend reacties op de website. Deze ‘Lingo-affaire’ laat heel goed zien wat voor invloed het op kijkers kan hebben als de publieke omroep wijzigingen in haar programmering aanbrengt om haar doelstellingen te behalen.

Ook het wetenschappelijk debat kan niet om de publieke omroep heen. Volgens Rutten (2006, p. 144-145) heeft de publieke omroep door de komst van commerciële televisie in 1989 haar monopoliepositie wat betreft het uitzenden van radio en televisie verloren. De druk op de publieke omroep om zich nadrukkelijk te onderscheiden van het commerciële aanbod blijft toenemen. Rutten geeft aan dat de publieke omroep zich steeds meer moet verantwoorden voor de besteding van middelen en de invulling van de opgedragen publieke taken, net zoals andere publiek gefinancierde instellingen. Volgens Rutten werd de legitimiteit van de publieke omroep in twijfel getrokken en werd de publieke omroep verweten dat hij niet langer voldoende verankerd zou zijn in de samenleving, en dat zijn organisatievorm niet langer zou passen bij de ontzuilde samenleving.

Doordat de concurrentie in radio- en televisieland steeds groter en heftiger werd, moest de publieke omroep reclamegeld en marktaandeel inleveren en ondervond hij steeds meer concurrentie op het gebied van talent en rechten (Rutten, 2006, p.144). Ondanks dat moest hij nog wel steeds politieke legitimiteit verkrijgen door programma’s uit te zenden die zich onderscheiden van het commerciële programma-aanbod. Volgens Rutten (2006, p.144) trok de publieke omroep daardoor minder kijkers en het lukte het hem niet om de doelstelling om ‘van iedereen, voor iedereen’ te zijn te bewerkstelligen. De publieke omroep brokkelde hierdoor steeds verder af. Er ontstond een neerwaartse spiraal. In december 2005 liet de publieke omroep (2005a) weten dat het tijd was voor verandering. Om de tekorten, de concurrentie en het feit dat het publiek steeds meer bestond uit ouderen en de culturele bovenlaag, in plaats van ‘iedereen, tegen te gaan zou er vanaf 1 september 2006 overgestapt worden van het thuisnetmodel1 op het Programmeermodel1 in de hoop zo de neerwaartse spiraal te doorbreken. Deze neerwaartse spiraal is echter niet alleen door de toenemende concurrentie ingezet en het is ook nog maar de vraag of de neerwaartse spiraal inmiddels doorbroken is. Hiermee komen we aan bij de centrale vraagstelling van dit onderzoek: Hoe is het Programmeermodel, dat de Nederlandse Publieke Omroep sinds 4 september 2006 gebruikt, tot stand gekomen en in hoeverre werkt het model ?



Volgens de publieke omroep (2006c) zou Nederland 1 na de invoering van het Programmeermodel een breed net worden, waar iedereen zich thuis zou voelen. Steekwoorden voor dit net zouden ‘toegankelijkheid’, ‘weten wat er speelt’ en ‘vandaag de dag’ zijn. Diepgang zou op Nederland 2 gevonden moeten worden, een spiegel van de samenleving. Levensbeschouwing wordt op dit net belangrijk. Vernieuwing staat centraal bij Nederland 3. Dit net zou jong en grensverleggend worden.
In dit onderzoek zal de weg gevolgd worden van het ontstaan van televisie tot de beslissing om tot het Programmeermodel over te gaan. In deel I wordt het eerste deel van de tweeledige vraagstelling behandeld, namelijk de vraag: hoe is het Programmeermodel tot stand gekomen? Deel II behandelt het tweede deel van de vraagstelling: in hoeverre werkt het Programmeermodel? Omdat in dit onderzoek een aantal termen regelmatig gebruikt zal worden die complex en lastig van elkaar te onderscheiden zijn, volgt er nu eerst een hoofdstuk terminologie.

  1. Terminologie

Netten maken gebruik van programmeringsstrategieën om te bepalen wanneer een programma het beste kan worden uitgezonden en welke combinaties het maximale resultaat kunnen behalen in termen van kijkdichtheid en tijdstip van de dag (Manschot, 1991, p.17). Van Zoonen (2004, p.39) maakt onderscheid tussen primaire en secundaire strategieën. Bij primaire strategieën wordt er onderscheid gemaakt tussen horizontale en verticale programmering (Van Zoonen, 2004, p. 39). Het feit dat mensen de neiging hebben om elke dag op dezelfde tijd naar hetzelfde (soort) programma te kijken en daarmee vaste kijkgewoonten ontwikkelen is de basis voor horizontaal programmeren. Door middel van verticale of blokprogrammering probeert men een zogenaamd ‘doorkijkeffect’ te creëren (Van Zoonen, 2004, p.39). Dit effect is gebaseerd op het feit dat mensen geneigd zijn na afloop van een programma niet te gaan zappen, maar door te kijken naar het volgende programma. Dit effect kan worden bewerkstelligd door een aantal programma’s met een zelfde soort aantrekkingskracht na elkaar uit te zenden. De sandwichformule maakt ook gebruik van het doorkijkeffect. Hierbij wordt een minder populair programma tussen twee publiekstrekkers geplaatst. Naast bovenstaande tactieken, die inspelen op vaste kijkgewoonten van het publiek en het doorkijkeffect proberen te bewerkstelligen, zijn er ook strategieën die vooral op de concurrentie met andere zenders zijn gericht (Van Zoonen, 2004, p. 39). Een voorbeeld hiervan is de blockbuster. Een blockbuster begint eerder dan concurrerende programma’s, om de kijker als eerste naar zich toe te trekken, en duurt langer dan de verzameling korte programma’s van de concurrent. Een speelfilm is een goed voorbeeld van een blockbuster. Andere strategieën om de concurrentie aan te gaan zijn counter- en powerprogrammering (Van Zoonen, 2004, p. 39). Bij counterprogrammering zet een zender een compleet ander, maar sterk soort programma neer, gericht op een heel ander publiek. De kijker kan zelf bepalen welk soort programma hem het meest aantrekt. Bij powerprogrammering gaat het er iets dwingender aan toe. Een zender biedt een zelfde soort programma aan voor hetzelfde publiek op dezelfde tijd als de concurrent. De kijker wordt hierdoor gedwongen een keuze te maken.

Secundaire strategieën zijn incidenteler van aard zijn dan primaire strategieën (Van Zoonen, 2004, p. 40). Een voorbeeld van een secundaire strategie is een miniserie die nieuwe kijkers naar een zender kan trekken in de hoop dat ze blijven ‘hangen’. Een speciale thema-avond of spectaculaire avondvullende uitzendingen kunnen op dezelfde manier nieuw publiek trekken. Het starten van een nieuwe serie met veel grote namen kan ook nieuwe kijkers trekken. Dit wordt ‘stunten’ genoemd.


Tabel 2.1. De programmeringsstrategieën van Manschot

Van Zoonen

Commercieel

Public service

Complementair




Flow-through: series en shows met dezelfde aantrekkingskracht worden achter elkaar geplaatst

Transitional: Of er wordt eerst een zwaar programma uitgezonden met uitzicht op een daaropvolgend aantrekkelijk amusementsprogramma óf er worden eerst aantrekkelijke amusementsprogramma’s uitgezonden en daarna een zwaarder programma

Continuo: meerdere zwaardere programma’s worden achter elkaar geplaatst

Sandwich

Hammock: een qua kijkdichtheid minder aantrekkelijk amusementsprogramma wordt tussen twee populaire programma’s geplaatst

Sandwich: een zwaar programma wordt tussen twee lichtere programma’s geplaatst

Intermezzo: een langdurig programmaonderdeel wordt tussen twee zware programma’s geplaatst

Blockbuster

Tentpoling: een blockbuster wordt omringd door enkele programma’s met een lagere kijkdichtheid

Thema: zware en licht programmaonderdelen worden gecombineerd rond een bepaald thema in de vorm van een totaalprogramma

Podium: een langdurig zwaar programma, zoals een toneelstuk, opera, balletuitvoering of een serieus discussieprogramma, wordt uitgezonden

Bron: Manschot, 1995, p.136-137
De meeste strategieën die Van Zoonen noemt, worden ook door Manschot (zie tabel 2.1) genoemd. Hij gaat er echter vanuit dat deze strategieën gebruikt kunnen worden met een commercieel, public service of complementair doel. Elke strategie wordt bij de verschillende doelen net iets anders uitgevoerd. De commerciële programmeringsstrategieën zijn ontwikkeld in Amerika met volgens Manschot (1993, p. 136) als doelstelling fixatie, het trekken en vasthouden van kijkers, en hebben bewezen hier goed bruikbaar voor te zij. Het public serviceconcept heeft volgens Manschot (1993, p.137) voornamelijk als doelstelling het vinden van balans tussen informatie, cultuur en amusement. Er wordt geprobeerd om zware en lichte programma’s af te wisselen om een zo aantrekkelijke mogelijk programma te maken. De doelstelling voor het commerciële concept is fixatie en voor het publieke concept balans. Bij het complementaire concept ligt de nadruk op informatieve, kunstzinnige en culturele programma’s. De doelstelling van dit concept is dan ook het samentrekken van deze programma’s om de liefhebbers hiervan op langere termijn tevreden te stellen. Dit zou ‘concentratie’ genoemd kunnen worden.

Het thuisnetmodel en het Programmeermodel zijn twee programmeringsmodellen die geschaard kunnen worden onder het kopje ‘netprofilering’. Netprofilering op zich is geen model, maar een uitgangspunt waar modellen op gebaseerd kunnen zijn. Bij netprofilering gaat men er van uit dat elk net een eigen profiel krijgt gericht op bepaalde leefstijlgroepen en dat de programmering aan de hand van dat profiel bepaald wordt. De NPO onderscheidt acht leefstijlgroepen waarop de netprofielen gericht worden: de standvastige gelovige, de gemakzoekende burger, de participerende burger, de maatschappelijk teleurgestelde, de zorgzame opvoeder, de tolerante wereldburger, de zorgeloze spanningszoeker en de ambitieuze pleziermaker2. In figuur 2.1 worden de leefstijlgroepen afgebeeld middels twee dimensies.


Figuur 2.1. Grafische weergave van de leefstijlgroepen

Bron: persoonlijke communicatie, Allard Welmers, 29 april 2009


Bron: persoonlijke communicatie, Allard Welmers, 29 april, 2009.
Het thuisnetmodel ging er van uit dat iedere omroep een eigen net had, een ‘thuisnet’. Alleen op dat net zond de omroep uit. De omroepen werden dus aan de hand van hun karakter ingedeeld bij een bepaald profiel (en dus bij één van de drie netten). Het Programmeermodel gaat er juist van uit dat de omroepen op alle drie de netten uitzenden. Er zijn geen thuisnetten meer. Werden in het thuisnetmodel de omroepen aan de hand van hun karakter bij een bepaald profiel ingedeeld, nu worden de individuele programma’s aan de hand van hun karakter bij een bepaald profiel ingedeeld. De programmering kan zo beter worden afgestemd op het kijkgedrag van het publiek.


Deel I

3. Inleiding

In de algemene inleiding van dit onderzoek werd de neerwaartse spiraal beschreven die bij de omroep plaatsvond. De concurrentie werd groter en heftiger, de publieke omroep moest reclamegeld en marktaandeel inleveren, maar moest zich wel blijven onderscheiden van het commerciële programma-aanbod om politieke legitimiteit te verkrijgen. Hierdoor trok de publieke omroep minder kijkers, kon hij zijn doelstelling om ‘van iedereen, voor iedereen’ te zijn niet meer bewerkstelligen, brokkelde hij steeds verder af en werd er uiteindelijk besloten om van het thuisnetmodel naar het Programmeermodel over te stappen. Deze neerwaartse spiraal is echter niet zo ongenuanceerd als hierboven beschreven. Er zullen meerdere factoren een rol hebben gespeeld en verschillende gebeurtenissen zullen van invloed zijn geweest op de neerwaartse spiraal. Er zal daarom in dit deel van het onderzoek onderzocht worden wat er is gebeurd voorafgaande aan de keuze van de publieke omroep om van programmeringsmodel te veranderen.



4. Opzet van het onderzoek

In dit hoofdstuk worden eerst de centrale vraagstelling en de daarbij behorende onderzoeksvragen van dit eerste deel van het onderzoek besproken. Vervolgens wordt de methode doorgelicht.


4.1 Vraagstelling

Het doel van dit eerste deel van het onderzoek is uit te vinden wat er allemaal gebeurd is voorafgaande aan de keuze om over te gaan op het Programmeermodel. Er wordt dus naar een antwoord gezocht op het eerste deel van de centrale vraagstelling: hoe is het Programmeermodel, dat de Nederlandse Publieke Omroep sinds 4 september 2006 gebruikt, tot stand gekomen?

Om te begrijpen waarom het programmeringsmodel van de NPO moest veranderen, is het belangrijk om naar het verleden te kijken. Een lange reeks ontwikkelingen hebben de publieke omroep gebracht tot de situatie waarin hij in 2006 verkeerde. Dit leidt tot onderzoeksvraag 1: aan de hand van welke modellen werd de programmering voorheen vastgesteld en waarom moest het programmeringsmodel in 2006 veranderen? Daarnaast moet er onderzocht worden waarom er voor een nieuw model gekozen is, dat gebaseerd is op netprofilering, terwijl gebleken is dat het thuisnetmodel, ook gebaseerd op netprofilering, niet toereikend bleek voor de publieke omroep. Dit leidt tot de volgende twee onderzoeksvragen: onderzoeksvraag 2: waarom is er weer voor een vorm van netprofilering gekozen en waarom voor deze specifieke vorm? Onderzoeksvraag 3: wat waren de alternatieve modellen?
4.2 Methoden

Om tot een antwoord op de onderzoeksvragen van dit eerste deel te komen, zal er voornamelijk kwalitatief onderzoek plaatsvinden. Dit komt neer op literatuurstudie, met name naar beleidsstukken. Daarnaast is er op woensdag 23 juli 2008 een interview gehouden met Ton F. van Dijk, de ‘architect van het Programmeermodel’. Doel van dit interview was te achterhalen waarom hij het programmeermodel heeft aanbevolen, wat het model inhoudt, hoe het model tot stand is gekomen en of het model een succes is. De inhoud van het interview komt in hoofdstuk 5 terug.



5. De Nederlandse Publieke Omroep: van toen tot nu

Zoals in het vorige hoofdstuk al aangegeven werd, is het belangrijk om naar het verleden van de publieke omroep te kijken, om de situatie zoals die zich voordeed in 2006 te kunnen begrijpen. Dit hoofdstuk pretendeert géén complete geschiedenis te zijn van de NPO. Er zal vooral gekeken worden naar de inrichting van de netten sinds de eerste televisie-uitzending op dinsdag 2 oktober 1951 en naar alle interne en externe invloeden op deze inrichting. Gaandeweg zal duidelijk worden hoe de programmering in het verleden werd vastgesteld, waarom het programmeringsmodel in 2006 moest veranderen, waarom er weer voor netprofilering is gekozen en waarom voor deze specifieke vorm en wat de alternatieve modellen waren.


5.1 1951-1963: het verzuilingsmodel

Op 31 mei 1951 richtten de al bestaande radio-omroepen Nederlands Christelijke Radio Vereniging (NCRV, opgericht in 1924), Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA, opgericht in 1925), Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep (VPRO, opgericht in 1926), Katholieke Radio Omroep (KRO, opgericht in 1926) en de Algemene Vereniging Radio Omroep (AVRO, opgericht in 1923) samen een ‘onderhandelingspartner’ op, de Nederlandse Televisie Stichting (NTS) (Hageman, 1996, p.54). De omroepen wilden wel televisie maken, maar wilden een garantie dat ze hier na de proefperiode van twee jaar mee door mochten gaan. Iedere partij kreeg voor twee jaar een vergunning voor drie uur televisiezendtijd per week. Op dinsdag 2 oktober 1951 vond op de vijfhonderd televisietoestellen in Nederland de eerste officiële televisie-uitzending plaats.

Op 20 november, ruim een maand na de eerste uitzending, werd het vraagstuk ‘reclame in televisie-uitzendingen’ voor het eerst op de politieke agenda geplaatst door staatssecretaris Cals van Onderwijs, Kunsten en wetenschappen. Hij publiceerde toen zijn eerste Televisienota (De Goede, 1999, p.68). In november 1953 volgde zijn tweede Televisienota waarin hij liet weten dat de regering een mogelijke bron van inkomsten zag in het uitzenden van reclame. Toen de nota in maart 1955 werd behandeld liet Cals weten dat hij er niet op stond reclame toe te laten, maar dat de regering ook niet per definitie tegen commerciële uitzendingen was. De Radioraad moest advies uitbrengen over dit onderwerp en overhandigde in oktober 1956 een meerderheidsrapport aan Cals waarin de raad het toelaten van commerciële televisie bepleitte. De Radioraad beschreef hierin een model dat als eerste semi-commerciële programmeringsmodel gezien zou kunnen worden: het televisienet zou door de NTS én één of meer commerciële organisaties ingevuld moeten worden.

De omroepen zagen uiteindelijk wel toekomst in de televisie, maar wilden bij televisie hetzelfde zuilensysteem hanteren als bij de radio, waarbij elke zuil zijn eigen confessionele of ideologische levensbeschouwing had (Hageman, 1996, p.58). De omroepen waren daarom tegen een algemene televisieprogrammering, het oorspronkelijke idee van Cals. Hierbij zou de NTS een ‘algemeen programma’ brengen, verzorgd door eigen programmastaf (Manschot, 1993, p. 41-42). Onder druk van de omroepen haalde dit idee het parlement niet eens. Aangezien de overheid de omroep bekostigde - in 1956 werd er naast luistergeld voor de radio ook kijkgeld voor de televisie ingevoerd - had deze ook iets over de inrichting van het bestel te zeggen (Hermes & Reesink, 2003, p.253). Veel confessionele partijen vonden het compromis, om het algemeen programma te laten bestaan uit een keuze van programma’s van de omroepen, geselecteerd door een programmacommissie van de NTS, nog steeds te ver gaan. Zij waren van mening dat de particuliere organisaties voor de verzorging van televisie moesten zorgen, net als bij het onderwijs en het radiobestel. In het eerste uitgezonden kamerdebat in 1956 was te zien dat een motie van deze strekking geaccepteerd werd, waardoor de verzuiling ook voor de televisie werd vastgelegd (Hageman, 1996, p.58). Het eerste semi-commerciële programmeringsmodel vond dus geen doorgang. De inrichting van het televisienet gedurende de eerste jaren ging niet gepaard met een officieel model. Toch kan de inrichting wel als model worden gezien. Daarom noem ik deze inrichting het verzuilingsmodel.

Op 1 januari 1956 ging het Televisiebesluit van kracht dat tot december 1965 van kracht zou blijven. Dit besluit regelde dat de vijf bestaande omroeporganisaties samen met enkele kerkgenootschappen minstens vijftig en hoogstens vijfenzeventig procent van de zendtijd toebedeeld kregen (Manschot, 1993, p. 41). De Nederlandse Televisie Stichting (NTS), waarin de omroepen verenigd waren, verzorgde de ‘gezamenlijke programma’s’ en kreeg daarvoor minimaal 25% en maximaal 50% van de zendtijd. In het Televisiebesluit stond ook vermeld dat de inhoud van de programma’s geen gevaar mochten opleveren voor de staatsveiligheid, de openbare orde of de goede zeden en dat er geen reclame gemaakt mocht worden (De Goede, 1999, p. 64). De Regeringscommissaris voor het Radiowezen zou de uitzendingen controleren.

Op 22 februari 1961 werd de Nota inzake Reclametelevisie bij de Tweede Kamer ingediend. CHU-staatssecretaris Scholten (Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen) en KVP-staatssecretaris Veldkamp (Economische Zaken) bepleitten hierin ‘een systeem van zelfstandige exploitatie van een geheel programma via een afzonderlijk zendernet’ (De Goede, 1999, p. 71). Hun voorstel was vooral gebaseerd op het systeem dat in 1955 in Engeland was ingevoerd. Volgens de staatssecretarissen kon het feit dat Nederlandse bedrijven hun markt via de televisie konden bereiken van grote invloed zijn op de economie.

Tijdens het debat dat in maart 1963 plaatsvond naar aanleiding van de Nota wees een meerderheid van de Tweede Kamer de economische argumenten af (De Goede, 1999,

p. 73-74). Het kabinet besluit een beslissing over de bezetting van een eventueel tweede net uit te stellen (Manschot, 1993, p.42). De Nota slechts als kennisgeving aangenomen en twaalf jaar na de eerste Televisienota van Cals stond het vraagstuk ‘reclame in televisie-uitzendingen’ nog steeds op de politieke agenda (De Goede, 1999, p.74). Volgens De Goede (1999, p.74) betekent dit niet dat alle jaren van discussie niets opgeleverd had. Men wist nu dat ‘reclametelevisie’ of commerciële omroep pur sang politiek niet haalbaar was. Er kon in de politiek wel een meerderheid gevonden worden voor reclame als aanvullende inkomstenbron, voor een open bestel en voor meer samenwerking in het omroepbestel.




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina