Het Programmeermodel van de Nederlandse Publieke Omroep: is de neerwaartse spiraal doorbroken?



Dovnload 0.88 Mb.
Pagina3/10
Datum06.10.2016
Grootte0.88 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

1989: legale commerciële televisie

Eind jaren tachtig was commerciële radio of televisie nog steeds verboden in Nederland (Hermes & Reesink, 2003, p.261-264). Initiatieven voor commerciële televisie zouden echter snel geboren worden. Doordat enkele initiatieven zich in het buitenland ontwikkelden en via de satelliet zouden worden uitgezonden, kon de overheid er weinig tegen doen. Dit dankzij de groeiende invloed van de Europese regelgeving. Zo kon het gebeuren dat Willem van Kooten op 1 februari 1988 begon met de radiozender Cable One. Dit initiatief werd snel gevolgd door Radio 10 vanuit Milaan en Sky Radio vanuit Engeland. Cable One werd in augustus weer van de kabel gehaald. Hoewel het in het buitenland was opgericht, was het speciaal voor Nederland bedoeld en dat was verboden.

Bij de televisie vonden de eerste gesprekken over commercieel gaan plaats tussen AVRO, TROS en Veronica aan de ene kant en de uitgevers Elsevier, Perscombinatie, De Telegraaf en VNU aan de andere kant (Manschot, 1993, p.56-57). Hun plan werd echter afgekeurd door minister Lubbers. Uiteindelijk is het in Luxemburg gevestigde RTL-Véronique (sinds eind 1990 RTL4) de eerste commerciële zender die via de Nederlandse kabel mocht worden doorgegeven (Manschot, 1993, p.77). Binnen twee jaar trok de omroep veel kijkers en de marktaandelen van de Nederlandse omroepen daalden dramatisch. Begon RTL-Véronique nog met een marktaandeel van 8%, tegenover 74% van de drie gezamenlijke Nederlandse zender, in april 1990 had RTL-Véronique al een marktaandeel van 23% tegenover 58% voor de publieke omroepen. De kijkersmarkt stabiliseerde uiteindelijk en bleef hangen rond de 27% voor RTL en 55% voor de Nederlandse televisiezenders.

Volgens De Goede (1999, p. 123-124) was de dreiging van RTL-Véronique om vanuit het buitenland programma’s uit gaan zenden die op Nederland gericht zouden zijn, voor de politiek aanleiding om plannen ter versterking van de publieke omroep uit te werken. Het zogenaamde ‘STER-wetje’ werd ingediend, een wetsvoorstel om de reclamemogelijkheden van de STER te vergroten om zo de concurrentiekracht van deze stichting te versterken. De behandeling van deze wet werd voortgezet door het kabinet-Lubbers-Kok (PvdA, CDA) dat inmiddels was aangetreden. Er werd ook een wetsvoorstel ingediend dat formeel een einde zou maken aan het monopolie van de publieke omroep (De Goede, 1999, p.125). Commerciële omroep zou mogelijk worden, maar gezien de schaarste aan etherfrequenties en de bijzondere taak van de publieke omroep, zou verspreiding beperkt blijven tot de kabel. Daarnaast zou alleen ‘landelijke’ commerciële omroep toegelaten worden, wat inhield dat commerciële omroep per provincie minstens 60% van de aangesloten kabelnetten moesten bereiken.


5.3 1990- augustus 2006: het thuisnetmodel

Het bureau McKinsey bracht in december 1990 een meerjarenplan uit voor de Nederlandse publieke omroep (Manschot, 1993, p. 79). De doelstelling van het rapport was de concurrentie met commerciële televisie beter aan kunnen gaan. Hiervoor was het aan te raden om een net als minimale eenheid te zien. Netcoördinatoren zouden dan het beste televisiemanagement kunnen bedrijven. Intensieve samenwerking per zender was hierbij een vereiste om het programmaschema te verbeteren. Productieafdelingen zouden kunnen worden samengevoegd, er zouden netcoördinatoren kunnen worden aangesteld en uiteindelijk zouden de vaste omroepen per net samen een gebouw kunnen betrekken.

McKinsey noemde in het meerjarenplan drie programmeringsmodellen. Ten eerste het aanvullingsmodel, waarbij zou worden doorgegaan met de toenmalige indeling met de NOS en kleine zendgemachtigden op Nederland 3. Dit model werd afgeraden wegens het blokkeren van structurele versterking van Nederland 3 (en Nederland 1). Ten tweede het zenderstyleringsmodel. Voor elke net zou een eigen ‘imago’ ontwikkeld worden. De omroepen zouden aan alle drie de netten programma’s leveren op basis van de programmatische doeleinden van de zender. Dit model werd ontraden omdat de organisatorische problemen te ingewikkeld zouden zijn. Dit model is echter een vorm van netprofilering en wordt ruim zestien jaar later, onder de naam ‘programmeermodel’ alsnog ingevoerd! Ten derde noemde McKinsey het ‘gelijkwaardigheidsmodel’. De omroepen zouden herverdeeld worden over de drie netten zodat er combinaties zouden ontstaan die een min of meer evenwichtige zendtijdverdeling over de zenders zouden opleveren. De zendgemachtigden met programmatische affiniteit zouden aan elkaar worden gekoppeld. Er werd uiteindelijk gekozen voor dit laatste model (Manschot, 1993, p.80).

Op basis van het McKinsey-rapport publiceerde NOS-voorzitter De Jong in maart 1991 een meerjarenplan waarin hij het idee van een vaste zenderindeling, meer samenwerking tussen de omroepen op elke zender en betere coördinatie tussen de zenders overnam (Manschot, 1993, p.81). Hij wilde de omroepen als volgt indelen: op Nederland 1 AVRO, KRO, NCRV, op Nederland 2 EO, TROS, VOO en op Nederland 3 NOS, VARA, VPRO. De AVRO, KRO en NCRV waren het niet eens met deze indeling, vanwege hun concurrentiepositie en minder zendtijd tijdens prime time dan TROS, VARA en VOO, en tekenden protest aan bij het Commissariaat voor de Media. Zij zagen zelf meer heil in AVRO, KRO en NCRV op Nederland 1, TROS, VARA en VOO op Nederland 2 en EO, NOS en VPRO op Nederland 3. Hier waren de EO en de VARA het echter weer niet mee eens. De meerderheid van de omroepen bleef bij het eerste plan en dat werd half april 1991 formeel in het NOS-bestuur bekrachtigd.

Hoewel minister D’Ancona blij was met het plan en extra geld wilde geven, kwam er ook steeds meer kritiek (Manschot, 1993, p.81). Volgens een groep programmamakers waren de plannen alleen maar ontwikkeld in de strijd om de publieksgunst en om het behoud van reclame-inkomsten. Tijdens een hoorzitting van het Commissariaat voor de Media in mei 1991 was alle kritiek te horen. Daar bleek ook dat de TROS en VOO toch tegen de zenderindeling waren. Het Commissariaat besloot op 16 mei 1991 dat het meerjarenplan op alle punten in strijd was met de Mediawet. Politiek Den Haag moest nu duidelijkheid creëren en als het NOS-bestuur voor 1 oktober geen besluit nam over de zenderindeling, zou het Commissariaat zelf een indeling vastleggen. Het NOS-bestuur besloot dat VARA en AVRO van zender moesten wisselen en dat de rest bij het oude bleef.

De ‘Pinksternotitie’ van minister D’Ancona over de toekomst van de publieke omroep kwam op 6 juni 1991 als geroepen (Manschot, 1993, p.82-83) en luidde de tweede fase in. Omdat de interne concurrentie in een gedifferentieerd model zou kunnen toenemen, resulterend in een vlakkere programmering, nam de minister afstand van dit model (De Goede, 1999, p.126).Volgens de nota hoefde de publieke omroep niet per se terug naar een marktaandeel van 80-85%. Met 50% kon de publieke omroep zich ook handhaven met een aanbod dat duidelijk verschilde van het commerciële aanbod. Als er omroepen waren die uit het publieke bestel wilden om commercieel te worden, kon er een etherfrequentie beschikbaar worden gesteld, maar daar waren wel voorwaarden aan verbonden. Terugkeer was niet mogelijk, tenzij als aspirant-omroep, er werd geen financiële overbrugging gegeven en er volgde een onderzoek omtrent de Europeesrechtelijke bepaling, die een voorkeursbehandeling verbood.

Zoals altijd volgde er ook op deze nota al snel kritiek (Manschot, 1993, p.84-85). NOS-voorzitter De Jong en omroepvoorzitters Wallis de Vries (AVRO) en Braks (KRO) vreesden flinke inkomstenderving als TROS en VOO uit het bestel traden. De politieke partijen CDA en PvdA waren een stuk positiever. Zij stemden in met een aparte commerciële zender. Ook TROS en VOO waren positief. Op 24 juni meldde VOO commercieel te willen gaan samen met TROS, maar deze omroep twijfelde nog over deze samenwerking. In november gaven de KRO en VARA aan dat zij onderzochten of het mogelijk was uit het bestel te treden om als private onderneming zonder winstoogmerk alleen verder te gaan. Zij kwamen tot dat besluit door het succes van de EO en VPRO die de A-status konden aanvragen. Dat zou nog meer concurrentie wat betreft kijktijd en financiën opleveren.

Na de bespreking van de nota in de Tweede Kamer bleek dat een meerderheid geen bezwaar had tegen het uittreden van TROS en VOO uit het bestel. Het CDA vond twee publieke zenders echter te weinig en vroeg om onderzoek naar de beschikbaarheid van een satellietkanaal (Manschot, 1993, p. 84-85). TROS gaf inderdaad aan per 1 oktober 1991 als commerciële omroep verder te willen gaan en satelliettelevisie via de kabel te willen verzorgen. De minister voelde zich niet geroepen een etherfrequentie af te staan en liet liever onderzoeken of satelliet- en kabeltelevisie voor de kleine zendgemachtigden mogelijk was zodat er meer ruimte komt op de etherfrequenties.

Eind augustus werd de commissie-Donner ingesteld die moest onderzoeken hoe etherfrequenties aan commerciële gegadigden konden worden toegewezen (Manschot, 1993, p.85). Het antwoord luidde dat binnenlandse en buitenlandse omroepen gelijk waren, dat omroepen die uit het bestel traden geen voorkeursbehandeling mochten krijgen en dat er ook geen overgangsregeling getroffen mocht worden. Na het horen van dit advies gaven de VOO en KRO al snel aan dat zij afzagen van uittreden uit het bestel. De VARA en de TROS namen uiteindelijk dezelfde beslissing.

Na twee vergaderingen van het NOS-bestuur werd er op 17 april 1992 uiteindelijk voor een langdurige zenderindeling gekozen (Manschot, 1993, p. 87). Er werd voor dezelfde indeling als het jaar daarvoor gekozen, waar de AVRO, KRO en NCRV het toen niet mee eens waren. Deze indeling had echter ook de voorkeur van minister D’Ancona en luidde als volgt: op Nederland 1 kwamen AVRO, KRO en NCRV (+ RKK, IKON, HOS en deel van de NOS), op Nederland 2 kwamen EO, TROS en VOO (+ RVU, EDUCOM en NOS woensdag in combinatie met sport) en op Nederland 3 kwamen (de rest van de) NOS, VARA, VPRO

(+ kleine zendgemachtigden). Doordat alle omroepen een ‘thuisnet’ hadden waarop ze mochten uitzenden, werd dit model het thuisnetmodel genoemd.

Alle omroepen bleven uiteindelijk in het bestel, dus de publieke omroepinstellingen hoefden niet teruggedrongen te worden naar twee netten (Manschot, 1993, p.87-88). In plaats van zenderkleuring werd duurzame samenwerking tussen ten minste drie A-omroepen het uitgangspunt voor de zenderindeling per televisienet. In prime time zouden er twee programma’s voor een groter kijkerspubliek worden uitgezonden en één programma voor een kleinere groep kijkers. De minister wilde het wettelijk zo gaan regelen dat individuele omroepinstellingen een concessie voor een periode van tien jaar op een bepaald zendernet kregen. In augustus 1993 diende zij hiervoor een wetsvoorstel in. Volgens De Goede (1999, p.126) markeert dit wetsvoorstel een breuk met de traditionele organisatiestructuur van het publieke bestel. De interne concurrentie tussen autonome, identiteitsgebonden omroeporganisaties zou worden achtergelaten. De samenwerking per programmanet zou groter worden en het publieke bestel zou als geheel geprofileerd worden.

Uiteindelijk gaf VOO in september 1994 alsnog aan commercieel te gaan (Hermes & Reesink, 2003, p.268). De plek van Veronica wordt pas per 1 september 1998 opgevuld door BNN.


Een wijziging van de Mediawet en meer commerciële initiatieven

Per 1 januari 1995 werden er een aantal belangrijke wijzigingen doorgevoerd in de Mediawet naar aanleiding van het wetgevingsproces rond de verlening van langdurige zendmachtigingen (De Goede, 1999, p.126). Elk programmanet werd verplicht een bestuur in te stellen dat de samenwerking tussen de verschillende instellingen die op het net uit mochten zenden, tot stand moest brengen en bevorderen. Dit netbestuur zou benoemd worden door de omroepen die op het betreffende net uit mochten zenden en zou verantwoordelijk zijn voor de (verticale) coördinatie3 van de programma’s. Daarnaast werd de Nederlandse Omroepprogramma Stichting (NOS) opgedeeld in twee afzonderlijke organisaties: NOS-nieuwe stijl (de Nederlandse Omroep Stichting) en NPS (De Goede, 1999, p.127). De NOS-nieuwe stijl werd het samenwerkings- en coördinatieorgaan van omroeporganisatie en had als taak de (horizontale) coördinatie3 van de zendernetten en de indeling van de zendtijd. De omroeporganisaties behielden een doorslaggevende stem. De NPS zal op Nederland 3 uit gaan zenden en maakt programma’s voor de jeugd en voor minderheden en culturele programma’s.

Na de verschillende RTL-zenders en Veronica, werd in 1995 het commerciële SBS6 gelanceerd (Hermes & Reesink, 2003, p.269-272). Bart de Graaff maakte onder de titel BNN al een aantal jaren spraakmakende televisie voor Veronica, maar in 1996 meldde hij dat hij met een eigen omroep terug wilde naar het publieke bestel. Daar wilde hij de plek van Veronica opvullen en dé omroep voor jongeren worden. Ook TV 10 Gold en The Music Factory ontstonden. Met SBS6 ging het zo goed dat de grondleggers in 1999 een tweede zender startten: Net5. Niet alle commerciële initiatieven liepen goed af. De zender Talpa, die in 2005 door John de Mol werd opgericht, redde het niet, ondanks de grote namen die werden aangekocht en de voetbalrechten. In 2007 werd bekend dat RTL Nederland het grootste gedeelte van Talpa overneemt. De zender zou voortaan door het leven gaan als RTL8.
De Concessiewet

Op 26 juni 1996 verscheen het rapport Terug naar het publiek van de commissie Ververs (“Concessiewet”, 2004). In dit rapport beschreef de commissie, onder leiding van ir. M. Ververs, haar bevindingen wat betreft de vormgeving van het publieke omroepbestel na afloop van de concessieperiode in 2000. Volgens de commissie hielden radio en televisie een betrouwbare en gemeenschappelijke bron van informatie in stand en duidden ze die informatie vanuit uiteenlopende maatschappelijke of levensbeschouwelijke visies (“Concessiewet”, 2004). De doelstelling van de publieke omroep werd door de commissie, op grond van haar analyse, als volgt samengevat: “het bedrijven van omroep zonder winstoogmerk en via een open kanaal, waarbij het doel is om een objectieve, betrouwbare, integere, pluriforme en onafhankelijke bijdrage te leveren aan de cohesie binnen de maatschappij en zo te fungeren als referentiepunt in een altijd woelige samenleving. De publieke omroep doet dit door maatschappelijk relevante onderwerpen aan te snijden, door initiatief te nemen voor vernieuwingen, door cultuur uit te dragen en door te fungeren als platform voor meningen en uitingen, zodat een evenwichtig beeld van de samenleving wordt gegeven.”

Op grond van dit rapport maakte staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Van der Ploeg de Concessiewet die in 1999 door het tweede Paarse kabinet werd aangenomen (“Concessiewet”, 2004). De wet was een amendement op de Mediawet en trad per 1 september 2000 in werking. De wijzigingen die voor dit onderzoek het belangrijkst zijn, hadden betrekking op de organisatie van de programmacoördinatie en op de NOS. De Concessiewet bepaalde dat de dagelijkse programmacoördinatie op radio en televisie in handen zou komen van netcoördinatoren. De Raad van Bestuur zou deze benoemen en de netcoördinatoren zouden worden bijgestaan door een netredactie waarin programmamakers van alle omroepverenigingen en overige zendgemachtigden vertegenwoordigd waren. De Raad van Toezicht, bestaande uit de voorzitters van de omroepverenigingen en van de andere zendgemachtigden, zou de hoofdlijnen van het beleid toetsen en de Raad van Bestuur benoemen.

Verder bepaalde de Concessiewet dat de NOS de enige concessiehouder was en dat het haar taak was om publieke radio en televisie te verzorgen (“Concessiewet”, 2004). De NOS kreeg een concessie van tien jaar, de omroepverenigingen werden voor vijf erkend (ministerie van OCW, 1999). De concessie hield in dat de publieke omroep van 2000 tot 2010 mocht uitzenden op drie televisie- en vijf radiozenders (“Concessiewet”, 2004). De omroepen waren concessiedeelnemers en de NOS, als concessiehouder, moest er op toezien dat zij voldeden aan de wettelijke taakopdracht (een kwalitatief hoogwaardig en gevarieerd programma-aanbod brengen dat zowel grote als kleine groepen binnen de Nederlandse bevolking bereikt). De NOS moest in zijn concessiebeleidsplan verantwoording afleggen voor de manier waarop de publieke omroepen zijn taken uitvoerden. Dit zou eenmalig gebeuren bij het verkrijgen van de tienjarige concessie in 2001 en vervolgens jaarlijks in de meerjarenbegrotingen. Een visitatiecommissie zou om de vijf jaar evalueren of de omroepvereniging in het publieke bestel mocht blijven of niet (“Concessiewet”, 2004). Deze commissie werd ingesteld door de NOS (ministerie van OCW, 1999). De wettelijke missie van de publieke omroep, zoals vastgelegd in de Concessiewet, vormde samen met de programmavoorschriften de richtsnoeren voor deze periodieke evaluatie.

De commissie Ververs had ook voorgesteld om leden- en niet-ledengebonden zendgemachtigden in één organisatie samen te voegen (ministerie van OCW, 1996). Het kabinet volgde dit advies echter niet op. Organisatorische problemen binnen de publieke omroep waren volgens het kabinet vooral terug te voeren op de samenwerking tussen de grote zendgemachtigden. Daarnaast moest het Nederlanders publieke omroepbestel toegankelijk blijven voor minderheidsgeluiden en zou een samenvoeging contraproductief zijn voor de samenwerking per televisienet.

Nico van Eijk, verbonden aan het Instituut voor Informatierecht (IVIR), heeft in No guts no glory scherpe kritiek op de Concessiewet (Van Eijk, z.d.). Hij is het eens met de Raad van State: ‘Er ontbreekt een helder eindperspectief’. Op het moment dat Van Eijk zijn artikel schreef, telde hij de concessiewet als 21e wijziging van de Mediawet, terwijl de 20e wijziging er nog niet eens door was en de 22e wijziging al weer onderweg was. De meeste wijzigingen hadden te maken de positie en structuur van de publieke omroep, de samenwerking tussen de omroepverenigingen, de versterking van de positie van de NOS en programmavoorschriften. Dit alles duidt er volgens Van Eijk op dat de politiek de omroepen eigenlijk niet vertrouwt. De politiek hecht veel waarde aan een meer centraal aangestuurde publieke omroep, maar er is weinig animo om de positie van de omroeporganisaties ter discussie te stellen.

Volgens Van Eijk zou er in de periode 2000-2010 op grond van de wijzigingen niet veel in positieve zin veranderen binnen de publieke omroep. Als er wel iets zou veranderen dan zou dat veel tijd vergen dankzij de complexiteit van de wet wat betreft besluitvorming en samenwerking. Er wordt volgens Van Eijk met de Concessiewet geen heldere keus gemaakt tussen het belang van een goede centrale publieke omroepvoorziening en de belangen van de zittende omroeporganisaties. Het bestel wordt voor tien jaar dichtgespijkerd en nieuwe, echte hervormingen worden daarmee wederom vooruit geschoven. Van Eijk kan de Concessiewet dan ook alleen maar het stempel ‘no guts, no glory’ geven.

Visitatiecommissie Rinooy Kan

Op 18 november 2002 werd de eerste visitatiecommissie voor de omroep ingesteld met als voorzitter Alexander Rinooy Kan (Visitatiecommissie, 2004, p. 20).4 Zoals hierboven beschreven moest de visitatiecommissie evalueren of de omroepvereniging in het publieke bestel mocht blijven of niet. De visitatiecommissie moest dus onderzoeken in hoeverre de Publieke Omroep zijn goede voornemens had waargemaakt en desgewenst aanbevelingen doen voor de toekomst. Het oordeel van de commissie Rinooy Kan was gebaseerd op zelfevaluatierapporten van de bezochte organisaties, openbare en vertrouwelijke achtergronddocumenten en gesprekken met ruim negentig personen uit de wereld van de Publieke Omroep (Rutten, 2006, p. 145). Om na te gaan of de publieke omroep zich aan zijn goede voornemens hield, is het nodig te weten hoe de opdracht van de publieke omroep precies luidde. Volgens de visitatiecommissie moest de Nederlandse Publieke Omroep (NPO)5 de ‘veelvormigheid en de veelkleurigheid van de samenleving reflecteren en voor de verschillende maatschappelijke, levensbeschouwelijke en culturele stromingen fungeren als trefpunt en ontmoetingsplaats, door middel van een aantrekkelijk aanbod van informatie, educatie, verstrooiing en cultuur’ (Visitatiecommissie, 2004, p. 21).



Samenvattend kon de visitatiecommissie stellen dat de omroepinstellingen binnen de NPO redelijk presteerden, maar dat er wel enkele knelpunten waren (Visitatiecommissie 2004, p. 21). Zo gold voor bijna alle omroepen dat ze de doelstellingen voor het aanbod dat ze wilden realiseren en de doelgroepen die ze wilden bereiken, niet helder genoeg hadden geformuleerd. Hierdoor was niet alleen onduidelijk waarvoor de omroepinstellingen zich concreet verantwoordelijk stelden, maar ook welke verantwoordelijkheden ze op zich namen in de realisatie van de doelstellingen van de NPO als geheel. Dit had als gevolg dat bepaalde taken van en opgaven voor de gezamenlijke publieke omroep bleven liggen. De commissie stelde ook vast dat de omroepen financieel gezien niet transparant genoeg waren, dat een heldere notie van kwaliteit ontbrak, dat er onvoldoende werd samengewerkt, dat er te weinig kennis gedeeld werd in de ontwikkeling van omroep naar multimediaorganisatie en dat talentontwikkeling te weinig aandacht kreeg (Visitatiecommissie, 2004, p. 21-22). Het grootste probleem dat de NPO had, was dat belangrijke groepen zoals jongeren, allochtonen en maatschappelijk minder actieven onvoldoende bereikt werden. Tabel 5.2 laat zien dat vooral mensen boven de vijftig veel naar de publieke omroep keken, terwijl jongeren tussen de 13 en 34 relatief weinig keken6.
Tabel 5.2. Aandeel leeftijdsgroepen in publiek voor Nederlandse publieke televisie (2002)

Leeftijd

Aandeel in het publiek van de Publieke Televisie 18.00-24.00 uur


Aandeel Nederlandse bevolking

Factor (kijkaandeel/

aandeel bevolking)

6-12

4%

9%

0.44

13-19

3%

9%

0.33

20-34

15%

23%

0.65

35-49

24%

26%

0.92

50-64

25%

19%

1.38

65+

29%

14%

2.07

Bron: rapport Visitatiecommissie, 2004, p.85

Volgens de visitatiecommissie (2004, p.80) gaf de publieke omroep zelf ook aan dat ze in het aanbod van programma’s voor jongeren en multiculturele programma’s tekort schoot. De commissie erkende dat het lastig is om programma’s te maken die voor deze doelgroepen interessant zijn. Publieke omroepen in het buitenland zijn ook tegen dit probleem aangelopen. Voor jongeren geldt dat commerciële omroepen erg geïnteresseerd in hen zijn, vanwege de belangstelling van adverteerders voor deze doelgroep. Ondanks dat er in het algemeen te weinig aansprekende programma’s voor jongeren werden uitgezonden, boekte het specifieke programmabeleid van BNN volgens de visitatiecommissie (2004, p.80) wel een aantal successen. Voor allochtone groepen geldt dat vooral de eerste generatie immigranten met behulp van satellietontvangers veelal naar programma’s uit hun moederland kijkt.

Ook Ton F. van Dijk (persoonlijke communicatie, 23 juli, 2008), die van 2000 tot 2008 bij de publieke omroep werkte, eerst als netcoördinator van Nederland 1, vervolgens als netcoördinator van Nederland 2 en ten slotte als directeur TV programmering, gaf aan dat allochtone groepen niet bereikt werden. Volgens hem waren bijna een miljoen Moslims in Nederland niet vertegenwoordigd in het omroepbestel, omdat er geen ledenomroep voor was. Hij oordeelde dan ook dat het bestel gebaseerd op ledenlegitimatie eigenlijk een achterhaald systeem is. Hij wil daarmee niet zeggen dat de omroepen achterhaald zijn, maar dat volgens hem de legitimatievraag op een andere manier beantwoord moet worden, veel meer in inhoudelijke meerwaarde in plaats van in leden.

De visitatiecommissie liep tegen nog meer problemen aan. Belangrijke programma-inhoudelijke doelstellingen, voor zover die al geformuleerd waren, werden bij voortduring niet gehaald. Een ander probleem was het teruglopende kijktijdaandeel (Visitatiecommissie, 2004, p.21-22). Tabel 5.3 geeft de doelstellingen en de resultaten weer wat betreft bereik- en kijktijdaandeel.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina