Het scharlaken koord



Dovnload 316.05 Kb.
Pagina1/7
Datum22.07.2016
Grootte316.05 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7
COMMENTAREN t.b.v. het Rondetafelgesprek over de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche
op 15 december 2009

Ronde 1 (16.00-17.00 uur)
HET SCHARLAKEN KOORD
Dossiernr.: 32211

Regels betreffende de regulering van prostitutie en betreffende het bestrijden van misstanden in de seksbrance (Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranceh); Voorstel van wet
Onderhavig wetsvoorstel heeft primair tot doel de aanpak van de oorzaken van het voortbestaan van misstanden in de prostitutiebranche, door het verkleinen van lokale en regionale verschillen, het verkrijgen van meer zicht en grip op de seksbranche door alle vormen van prostitutie onder een vorm van regulering te brengen, en het vergemakkelijken van toezicht en handhaving. De kern van het wetsvoorstel wordt gevormd door de invoering van een verplicht en uniform vergunningenstelsel voor de uitoefening vaneen seksbedrijf. Hierdoor ontstaat meer uniformiteit in lokaal vergunningenbeleid. In het wetsvoorstel is tevens opgenomen aan welke vergunning-voorwaarden de exploitant in ieder geval moet voldoen. Het wordt het verboden een seksbedrijf uit te oefenen, tenzij daarvoor een vergunning is verleend ingevolge deze wet. Ook krijgen gemeenten met dit wetsvoorstel de mogelijkheid onder voorwaarden voor een nuloptie te kiezen. Verder voorziet het wetsvoorstel in:

  • een registratieplicht voor alle prostituees;

  • een aantal maatregelen en instrumenten om toezicht en handhaving te vergemakkelijken;

  • het strafbaar stellen van het gebruikmaken van illegaal aanbod van prostitutie.


Reactie Scharlaken Koord – Straatwerk, Preventie en maatschappelijke hulpverlening rond prostitutie (Amsterdam, Deventer)

  • In de straat zien wij steeds meer Oost-Europese vrouwen, die weinig of slecht Nederlands/Engels spreken. Daar zij vaak afhankelijk zijn van anderen om de zaken voor hen te regelen, is het goed dat de overheid als toezichthouder een rol speelt om te signaleren of zij niet in een uitbuitingssituatie komen voor wat betreft de huisvesting, ziektekostenverzekering ed. Dit als een bescherming voor de vrouw en tevens tegemoet te komen aan de doelstelling van legalisering om de  prostitutie uit het criminele circuit te houden

  • Nadeel van de registratieplicht kan zijn; doordat alles op papier blijkt te kloppen het lastiger wordt om vast te stellen of de vrouw zich in een afhankelijkheidspositie bevindt van uitbuiting, dwang of geweld. Bewijsvoering om aan te geven dat zij slachtoffer is van vrouwenhandel kan daardoor lastiger worden.

Onze voorkeur gaat ernaar uit om meer in te zetten op:



  • Preventie zowel in Nederland als Oost-Europa

  • Actief aanbieden van keuzemogelijkheden voor de vrouwen door hulpverlenings-/uitstapprogramma’s

  • Verhogen minimale leeftijd van 18 naar 21 jaar

Doelstelling van het verhogen van de minimale leeftijd van 18 naar 21 jaar:



  • meer tijd voor preventieve activiteiten op het gebied van (seksuele) weerbaarheid en relaties

  • met name voor Oost Europese meisjes die vanuit weeshuizen doorgesluisd worden naar landen zoals Nederland . Door 3 jaar te wachten wordt de drempel hoger

  • politie meer tijd voor stapelen (bewijs en meldingen)

  • bescherming voor bijvoorbeeld LVG doelgroep

  • wetenschappelijk onderzoek toont aan dat geestelijke volwassenheid pas rond de 23 jaar aanwezig is

  • structurele voorlichting vanaf het basisonderwijs> Regulier en Speciaal voortgezet Onderwijs> MBO

  • wij constateren een toename van vraag in het MBO om (seksuele) weerbaarheid! (dus vanaf 16+ leeftijd)

  • voortraject jonge prostituees heeft vaak te maken met heftige problematiek (dus bescherming, hulp en voorlichting)

Amsterdam, 10 december 2009



STICHTING DE HAVEN DEN HAAG

Afzender Stichting De Haven
Groenewegje 76

2515LN Den Haag


Datum 10 december 2009

Betreft  



Position Paper in het kader van het rondetafelgesprek over de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche dd 15 december as


Allereerst willen we als Stichting de Haven constateren dat in de Memorie van Toelichting bij de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche, een realistischer beeld van de stand van zaken in de prostitutiebranche wordt geschetst dan in de beide evaluatierapporten van de Opheffing van het Bordeelverbod naar voren kwam. Dat zorgt er onzes inziens voor dat er een beter beleid op maat gemaakt kan worden. Tevens vinden wij het een goede zaak dat er ingezet wordt op het 'vlot trekken' van een eenduidig gemeentelijk beleid zodat een waterbed-effect voorkomen wordt.
Graag lichten we kort toe wie we zijn:

Stichting de Haven biedt pastorale zorg en hulpverlening aan met name de raamprostituees in Den Haag. We nemen deel aan het Prostitutie Platform van de gemeente Den Haag en zijn samenwerkingspartner van het uitstaptraject voor Haagse prostituees genaamd Carrière Switch. Als Stichting leggen we jaarlijks zo’n 3.000 bezoekjes aan de prostituees op hun werkplek af.

 

Hieronder belichten we onze opmerkingen aan de hand van bijbehorende paragrafen van de Memorie van Toelichting (32 211, nr.3).



 

3.1: Registratie

Bij het kiezen van de invoering van de registratieplicht zien wij niet meteen de directe link om mensenhandel op deze manier bij de wortel aan te pakken. Dit gaat gemeentes een hele berg werk opleveren, het levert niets positief op voor de positie van de prostituee dan alleen kosten en meer angst voor ontdekking. Wij willen dan ook bepleiten om eerst in te zetten op andere aspecten rond de aanpak en bestrijding van mensenhandel.

Zoals meerdere organisaties al hebben aangegeven is het echte probleem niet de signalen van mensenhandel maar de opvolging daarvan.

Wij zouden daarom middels deze wet daar robuustere inzet op zien en wel op de volgende punten:

- vergroting van de capaciteit van politiekorpsen die zich richten op het opsporen van illegale prostitutie.

Onduidelijk is of er nu werkelijk geen signalen van toename van verschuivingen naar of toename van het illegale circuit zijn of dat er gewoonweg de laatste jaren geen capaciteit bij de politie voor was om het echt structureel op te sporen. Het lijkt er in ieder geval sterk op dat de focus in vele korpsen lag op de handhaving in het legale circuit.

- deze extra capaciteit kan dan tevens ingezet worden op de aanpak van de meer verkapte vormen van prostitutie in bijv. kapsalons, massagesalons, koffiehuizen, sauna’s etc. Hierbij kan onderzocht worden of de bewijslast kan worden omgedraaid in de zin van: er zijn aanwijzingen dat in dit bedrijf prostitutie wordt bedreven. Bewijs maar dat het niet zo is. Lukt dat niet dan moet er verplicht een vergunning worden aangevraagd.

- vergroting van de begeleidings- en opvangmogelijkheden voor slachtoffers van mensenhandel die nog steeds structureel te weinig beschikbaar zijn.

- de lage pakkans en de geringe strafmaat blijft Nederland tot een aantrekkelijk vrouwenhandelgebied maken. Het recente kraambezoek wat vrouwenhandelaar Saban A. van de rechter mocht afleggen en hem zo een enkeltje Turkije bezorgde was hier recent de ultieme onderstreping van. Hier gaat bepaald geen preventieve werking van uit: deze gerechtelijke actie motiveert pooiers alleen maar en schrikt slachtoffers nog meer af om sowieso aangifte te doen. Specifiek aan dit soort zaken is dat -om de zaak Saban A. even als voorbeeld nemende- er sprake was van 100 slachtoffers die -zeker na zijn ontsnapping- in constante angst leven voor represailles door hun aangifte en voor de dag dat de pooier zelf weer bij hun op de stoep staat. Daarom pleiten voor een verplichte studiedag voor elke rechter die mensenhandelzaken moet behandelen. Daarin komen dan zaken aan de orde als: lage pakkans van de daders die vaak veelplegers zijn; ronselmethoden; bronlanden; strafmaat; risico's/ bescherming slachtoffers en last but not least: het psychologische web van dader en slachtoffer: het Stockholm-syndroom; traumatisering van slachtoffer door prostitutie etc.

- Wat betreft veroordeelde daders van vrouwenhandel willen we pleiten om na het vrijkomen uit de gevangenis hen voor een periode van vijf jaar de toegang te ontzeggen tot alle vergunde Nederlandse prostitutiebedrijven, tippelzones en prostitutiestraten. Wij horen nu van daders die na het uitzitten van hun straf weer gewoon in het zelfde circuit doorgaan met waar ze gebleven waren! Inmiddels is er een nieuwe wet die nieuwe bevoegdheden biedt aan de burgemeester

en de Officier van Justitie om maatregelen te treffen ter bestrijding van voetbalvandalisme, ernstige overlast of ernstig belastend gedrag jegens personen of goederen. Een van die maatregelen is het opleggen van een gebiedsverbod. De gemeente Den Haag is van plan deze maatregelen ook in te zetten tegen pooiers die zich

schuldig maken aan intimiderend gedrag in en om seksbedrijven. Wellicht biedt deze wet ook verderstrekkende mogelijkheden.
- vergunningen kunnen worden geweigerd volgens artikel 14g. Wat gebeurt er als de vergunning is afgegeven en er op een gegeven moment een slachtoffer van vrouwenhandel in het bedrijf wordt aangetroffen? Wij pleiten voor een fikse bestraffing. Het is naïef om te veronderstellen dat een exploitant of beheerder hier niet van op de hoogte is en bij twijfel kan hij altijd de Zedenpolitie vragen om dit te onderzoeken. Dit laatste is tevens goed om verplicht te stellen.

 

Verder willen we opmerken dat als er toch gekozen wordt voor registratie:



*Wat betreft het verplicht opnemen van het registratienummer van prostituees in advertenties willen we ervoor pleiten om de media ook te verplichten geen advertenties af te drukken die de wettelijk verplichte nummers missen. Er moet dan ook nagedacht worden over de handhaving hiervan. Wie krijgt de boete als de advertentie toch geplaatst is: de adverteerder of de krant of samen delen? Naast de adverterende prostituees moeten onzes inziens ook alle exploitanten verplicht worden hun vergunningnummer in hun advertenties te vermelden.

 

3.1.2: Procedure registratie:



Verder willen we opmerken wat betreft registratie:

Op p.38 valt te lezen dat gemeentes een half uur krijgen om de totale registratie per prostituee te regelen.

Valt hier dan ook het gesprek onder waarin de gemeente informatie geeft over uitstappen, hulpinstanties en daarbij ook nog eventuele signalen van mensenhandel te signaleren?!

Op p.11 staat te lezen dat de GBA-gegevens van de prostituee aangehouden moeten worden bij de registratie. In onze organisatie komen we tegen dat een gedeelte van onze clienten woonachtig is op vage kamers in onderverhuur waardoor ze zich niet in kunnen schrijven bij de GBA. Dus dat kan een knelpunt zijn.

 

4.1: Vergunningplicht:



Wij zijn ervoor om thuiswerksters ook vergunningplichtig te maken omdat alleen registratie haar positie kwetsbaar maakt omdat de thuiswerken zonder enige voorwaarden misstanden kan geven. Aan een vergunning kunnen er voorwaarden gekoppeld worden tav haar veiligheid; aanwezigheid van minderjarige(n) kinderen; gedwongen prostitutie (pooier beneden op de bank?); sluitingstijden etc. Wij willen hierbij de vraag opwerpen of thuiswerken in deze branche sowieso wenselijk moet zijn gezien de vele misstanden in deze branche en juist de geringe mogelijkheden van handhaving ten aanzien van thuiswerksters. Ook in bijvoorbeeld de horeca is het niet mogelijk om thuis een tapvergunning te krijgen!

 

4.2: Vergunningvoorwaarden:



Wat betreft de uitstapprogramma's die gemeenten in hun beleid op moeten nemen, willen we benadrukken dat de haalbaarheid daarvan per gemeente gebaat is bij regiovorming hierin. Dat zou bijvoorbeeld samen kunnen vallen met de politieregio's. In Den Haag is het nu zo dat als je in Zoetermeer woont het niet mogelijk is om volledig in het Haagse uitstapprogramma te komen omdat de uitkerende instanties van beide gemeenten geen onderlinge afspraken kunnen maken. In Amsterdam is het echter zo flexibel geregeld dat als een prostituee in Amsterdam gewerkt heeft, zij gebruik mag maken van het uitstapprogramma ook als zij in een andere gemeente woont.

Zeker een prostituee die woonachtig is in een gemeente waar een nuloptie is, hoeft waarschijnlijk weinig te verwachten wat betreft het opzetten van een uitstapprogramma? Ook hierom is regiovorming noodzakelijk.

- Tevens willen we ervoor pleiten om exploitanten naast het verplicht toegang verlenen van de GGD, ook te verplichten de hulpverlening toe te laten. Dit wordt in de huidige situatie overgelaten aan gemeentes zelf om dit al dan niet in de APV op te nemen.

- Ook lijkt het ons wenselijk om de aanwezigheid van minderjarigen in seksinrichtingen totaal te verbieden en dit als verbod in de vergunning op te nemen.

 

7.2: Aanpak klant van illegale prostitutie:



Gezien de geringe mogelijkheden van handhaving wat betreft beboeting van klanten die gebruik maken van illegale prostitutie lijkt dit een wassen neus te worden.

Wel zijn we ervoor om dit breed te gaan communiceren richting de klanten middels bijv. de klantenwebsite: www.hookers.nl; soa-poli's en postkantoren en bibliotheken. Ook willen we bepleiten om daarin de mogelijkheid van Meld Misdaad Anoniem te noemen.

Verder willen we wat betreft de prostituanten wijzen op het feit dat het de positie van prostituees ten goede komt als ook klanten structureel gewezen worden op de gezondheidsrisico's; soa/hiv-checks. Te vaak horen we van de prostituees van klanten die zonder condoom willen en van prostituees die - met alle mogelijke gevolgen vandien- overstag gaan omdat de inkomsten teruglopen. In Den Haag onderneemt de GGD niets op dit gebied richting de prostituanten.

 

9.2.3: Voorlichting



Vanuit ervaring met onze cliënten zien wij dat vele prostituees niet beschikken over internet of de informatie niet kunnen lezen ivm de taal. Wij pleiten voor heldere, leesbare voorlichting in de vorm van brochures die in meerdere talen voorhanden en makkelijk verkrijgbaar is voor prostituees via de hulpverlening, gemeenten, seksinrichtingen etc. Ook moet er dan blijvend updates van wijzigingen structureel en breeduit gecommuniceerd worden.

 

Tenslotte willen we erop wijzen dat preventie ook een onderdeel moet zijn in de bestrijding van misstanden in de prostitutie. Dit is een vergeten item in deze wet. De grootste groep vrouwenhandelslacht-offers in Nederland vormen nog steeds Nederlandse minderjarige meisjes die in handen van loverboys vallen. Juist rond die kwetsbare leeftijd van 13 jaar waarop de ronselpraktijken ook volgens deze Memorie van Toelichting starten, is het van groot belang om in alle gemeenten de middelbare scholen in alle brugklassen te verplichten preventielessen op dit gebied te verzorgen. Daar moet dus ook budget voor komen.



Namens Stichting de Haven,

 

Marjonne de Groot



 

HUMANITAS PROSTITUTIE MAATSCHAPPELIJK WERK ROTTERDAM

Aan de leden van de Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vaste commissie van Justitie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

p/a G. van Leiden en D. Nava, griffiers

Postbus 20018

2500 EA Den Haag


Utrecht, 1 december 2009

Betreft : Wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding missstanden seksbranche (kamerstuk nr. 32 211)

Geachte dames en heren,



Op 10 november jl. is het wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding missstanden seksbranche aangeboden aan de Tweede Kamer. Op 15 december houdt de Vaste commissie een hoorzitting/ronde tafelgesprek; op 16 december a.s. moet zij een eerste inbreng voor het Verslag geven.
De ondertekenaars van deze brief – allen personen en organisaties die vanuit verschillende posities zich al vele jaren inspannen voor de verbetering van de positie van prostituees en de bestrijding van mensenhandel en andere vormen van dwang en uitbuiting – onderschrijven het belang van het aanpakken van misstanden in de prostitutie. Wij onderschrijven ook het belang van een meer uniform beleid van gemeenten en de invoering van een, bij voorkeur landelijk, registratiesysteem voor escortbedrijven, zoals voorgesteld in het onderhavige wetsvoorstel. Overigens vragen wij ons hoe uniform het gemeentelijk beleid daadwerkelijk gaat worden, met de ruimte voor verordeningen per gemeente die het wetsvoorstel biedt en de introductie van de nuloptie.
Wij hebben echter grote zorgen over een aantal andere onderdelen van het wetsvoorstel, in casu de verplichte registratie van prostituees, de strafbaarstelling van ongeregistreerde prostituees en hun klanten, en de mogelijkheid voor gemeenten om een nulbeleid te voeren. Wij betreuren het dan ook ten zeerste dat de kritische kanttekeningen die de Raad van State hierbij maakt in zijn advies (No. W04.09.0150/l) niet of nauwelijks in aanmerking zijn genomen in het huidige wetsvoorstel.
Maar bovenal zijn wij geschrokken dat voor het eerst in de geschiedenis sinds de invoering van het bordeelverbod in 1911 voorgesteld wordt om prostituees zelf te criminaliseren. Het feit dat dit gepresenteerd wordt als ‘positieverbetering’ maakt het extra wrang.
Middels deze brief willen wij u attenderen op onze zorgen en vragen, en deze toelichten.

Verplichte registratie als middel om vrouwenhandel te bestrijden
Wij onderschrijven de noodzaak om misstanden aan te pakken in de sector. Wij hebben echter zeer grote twijfels of de voorgestelde algehele registratieplicht van prostituees daarvoor een goed en effectief middel is.
Het wetsvoorstel lijkt te berusten op de aanname dat wanneer prostituees geregistreerd staan, zij geen slachtoffer van mensenhandel of andere vormen van dwang meer kunnen zijn of worden. Wij vragen ons af waar deze aanname op is gebaseerd. De werkelijkheid laat immers anders zien. Uit het onderzoek ‘Schone schijn, de signalering van mensenhandel in de vergunde prostitutiesector’1 blijkt bijvoorbeeld dat veel van de slachtoffers in het vergunde en gecontroleerde circuit werkten. De eerste vrouwen die zich zullen laten registreren zullen waarschijnlijk degenen zijn die onder dwang werken: zij hebben immers geen keuze. Zoals ‘Schone schijn’ laat zien vormen papieren barrières voor criminelen geen probleem: zij zorgen er wel voor dat de papieren in orde zijn. Hetzelfde onderzoek pleit er ook voor om onderscheid te maken tussen mensenhandelbestrijding en het prostitutiebeleid. Gesteld wordt dat “het sterke accent binnen het prostitutiebeleid op het tegengaan van mensenhandel zijn weerslag (heeft) op de andere doelstellingen van het beleid, zoals het verbeteren van de positie van prostituees” (p. 114). Dit wetsvoorstel doet het tegendeel.
Overigens moet worden opgemerkt dat uit allerlei onderzoeken, inclusief ‘Schone schijn’ naar voren komt dat dwang niet zozeer door exploitanten wordt uitgeoefend maar vooral door derden, waarop ook exploitanten weinig zicht en grip hebben. Toezicht op exploitanten lost dus maar een deel van het probleem op. Exploitanten zijn zeker aansprakelijk te stellen voor misstanden binnen hun bedrijf, maar het is de vraag of het houdbaar is hen ook aansprakelijk te houden voor misstanden buiten hun bedrijf.

Dat is niet op te lossen met een vragenlijst die een exploitant elke prostituee die in of voor zijn bedrijf wil komen werken verplicht moet afnemen, zoals het kabinet voorstelt. Integendeel, dit dwingt prostituees om allerlei privé informatie (waar woont u, heeft u een eigen woning, betaalt u die zelf, zo nee wie betaalt die dan, woont u alleen of met anderen, zo ja met wie, heeft u familie hier, waar woont die, heeft u een partner die profiteert van uw inkomen, waar verdient uw partner zijn inkomen mee, wonen uw kinderen bij u, zo nee waarom niet, wat zijn uw redenen om in de prostitutie te werken?) ongewild en ongevraagd te delen met hun werkgever resp. met de eigenaar van het bedrijf waar zij of hij als zelfstandig ondernemer inhuurt (bijv. bij raambedrijven) of via de opting-in regeling als beroepsmatig werkende zelfstandige werkt.

Geen enkele werkende burger zou zo’n gedwongen inbreuk op zijn of haar privacy op prijs stellen, maar zeker prostituees zullen geen enkele behoefte hebben om dit soort privégegevens met een exploitant te delen en hem of haar daarmee een oneigenlijke machtspositie te verschaffen. Veel prostituees willen immers niet dat hun familie weet dat zij in de prostitutie werken en hebben er een groot belang bij hun privéleven af te schermen. Privacybescherming geldt niet alleen tegenover de staat, maar ook tegenover de exploitant en de klant. Bovendien was juist een doelstelling van de opheffing van het bordeelverbod om de machtsongelijkheid tussen exploitanten en prostituees aan te pakken, niet om die te versterken.
Uit hetzelfde onderzoek en andere onderzoeken komt naar voren dat, naast het gebrek aan lange termijn bescherming en perspectief voor slachtoffers, een van de grootste obstakels om mensenhandel te bestrijden niet het gebrek aan signalen is, maar het gebrek aan opvolging daarvan. Beide problemen worden niet opgelost met een registratieplicht. Sterker nog, wij vrezen dat de registratieplicht eerder een extra barrière opwerpt, nu ongeregistreerde slachtoffers van mensenhandel het risico lopen op strafrechtelijke vervolging. Handelaren kunnen hun slachtoffers nu niet alleen bedreigen met uitzetting, maar ook met strafrechtelijke vervolging.
Vragen


  1. Op welke wijze garandeert registratie van een prostituee dat zij of hij niet langer wordt uitgebuit of anderszins slachtoffer is of wordt van dwang of geweld?

  2. Is een ambtenaar die een prostituee inschrijft van wie hij het vermoeden heeft dat zij of hij slachtoffer is van mensenhandel maar die dit niet meldt aan de politie medeplichtig aan mensenhandel?

  3. Hoe verhoudt de beoogde vragenlijst die exploitanten moeten afnemen van prostituees die in hun bedrijf willen werken zich met de bescherming van de privacy van prostituees?

  4. Hoe verhoudt het afnemen van een dergelijke vragenlijst zich met de doelstellingen van de opheffing van het bordeelverbod, waaronder positieverbetering van de prostituee en gelijkwaardiger machtsverhoudingen in de prostitutie?

  5. Hoe verhoudt de registratie zich ten opzichte van de verschillende pasjessystemen die geïntroduceerd zijn op de tippelzones?

  6. Op welke wijze denkt de minister te voorkomen dat bedreiging met strafrechtelijke vervolging door handelaren tegen hun (ongeregistreerde) slachtoffers gebruikt kan worden? (zie ook vraag 35 en 36).

Criminalisering van klanten
De eerste vraag is of het de taak van de overheid is om vrijwillige seksuele contacten tussen volwassenen strafbaar te stellen. Wij zijn de mening toegedaan dat waar geen sprake is van enige vorm van dwang, er geen plaats is voor de strafwet.

Daarnaast heeft het strafbaar stellen van klanten ongewenste effecten. In de eerste plaats is het de vraag of van klanten verwacht kan worden dat zij 1) bij een prostitutiebezoek om een pasje vragen en 2) echte en valse pasjes kunnen onderscheiden. Dit legt een vorm van opsporingsverantwoordelijkheid bij klanten waarvan betwijfeld kan worden of die juridisch en praktisch handhaafbaar en wenselijk is. Ten tweede geeft dit aan klanten een ongewenste macht over ongeregistreerde prostituees: voegt de prostituee zich niet naar zijn wensen, dan geeft hij haar toch aan bij de politie? Voor kwaadwillende klanten zou dit als trigger kunnen werken om hun heil juist in het ongeregistreerde circuit te zoeken. Ten derde zullen klanten zich niet meer geroepen voelen om misstanden te melden bij de politie. Uit de ervaringen van hulpverleners blijkt dat het regelmatig voorkomt dat klanten slachtoffers van mensenhandel te hulp schieten. Criminalisering van klanten zal dit tegenwerken. Ook klanten die te goeder trouw zijn zullen op zijn minst gaan aarzelen uit angst zelf vervolgd te worden: hoe kunnen zij immers bewijzen dat zij naar een pasje hebben gevraagd? En, als het pasje vals blijkt te zijn, hoe kunnen zij bewijzen dat ze dat niet wisten of konden weten? Daarmee wordt een belangrijke vluchtweg voor prostituees in een dwangsituatie afgesneden en een belangrijke bron van informatie voor de politie.


Vragen

  1. Realiseert de Minister zich dat een klant die een prostituee in een prostitutie bedrijf bezoekt eerst moet nagaan of de prostituee geregistreerd is en of het bedrijf over een vergunning beschikt? (art. 29)

  2. Met welk recht vraagt de klant om de gegevens waarop art. 29 doelt?

  3. Zijn de prostituee en het bedrijf verplicht om de gevraagde gegevens aan de klant te verstrekken?

  4. Hoe moet een klant van een prostituee over voldoende basiskennis beschikken om de getoonde documenten op echtheid te kunnen beoordelen?

  5. Kan de minister garanderen dat de basisvaardigheden die van de klant worden geëist ook bij de prostituee aanwezig zijn opdat zij in staat is om de vergunning van het bedrijf waar zij haar werkzaamheden wil uitoefenen, te controleren? (art. 30)

  6. Indien een klant onbedoeld een foutief oordeel heeft geveld over de echtheid van een document, is hij of zij dan toch strafbaar? Hoe wordt dit gehandhaafd?

  7. Hoe denkt de minister te bewijzen dat het om een prostitutiecontact ging (het bezit van condooms van de vrouwelijke partner, zoals in Zweden, of het inzetten van undercover agenten, zoals in de VS)?

  8. Zullen prostituees gedwongen worden tegen hun klanten te getuigen of omgekeerd?

  9. Hoe denkt de minister te voorkomen dat klanten oneigenlijke macht over een niet geregistreerde prostituees kunnen uitoefenen door te dreigen haar of hem aan te geven bij de politie?

  10. Hoe wordt voorkomen dat klanten geen misstanden meer zullen melden bij de politie uit angst zelf vervolgd te worden?



  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina