Het vetgehalte in uw bloed De glucosewaarde in uw bloed De nierfunctie



Dovnload 18.44 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte18.44 Kb.
De zelftest meet het volgende:

Hieronder wordt verder uitgelegd hoe dit gedaan wordt

Vetstofwisseling

Na water zijn lipiden (vetten) de belangrijkste voedingsstof voor het menselijk lichaam. Lipiden, zoals cholesterol en triglyceriden, hebben verschillende taken zoals productie van bepaalde hormonen, bouwsteen van cellen, energieproductie, voorraad van vet (= energie) in vetcellen en galzoutvorming.

Deze lipiden zijn bovendien een belangrijke energiebron voor het lichaam. Ongeveer 80% van de lipiden in het bloed wordt in het lichaam zelf geproduceerd (in de lever) en 20% is direct uit voedsel afkomstig. Controle van het vetgehalte in het bloed is nodig om eventuele hyperlipemie (verhoogd lipiden gehalte) op te sporen.

Hyperlipemie is een zeer belangrijke risicofactor voor het optreden van hart- en vaatziekten. Genetische factoren en levensstijl beïnvloeden de hoogte van de lipiden gehalte in het bloed. Het beste kan er 12 uur voor het bloedprikken niet meer gegeten worden, omdat het LDL- en triglyceridengehalte sterk beïnvloed wordt door het vet in voedsel.



Totaal cholesterol (TC):

Het lichaam maakt zelf cholesterol, voornamelijk in lever, bijnieren, darmen en testes. Voor een klein gedeelte wordt het rechtstreeks opgenomen uit de voeding. Zonder cholesterol kan het lichaam niet goed functioneren. Het lichaam maakt precies genoeg om goed te kunnen functioneren.



Een verhoogd cholesterolgehalte in het bloed is één van de risicofactoren voor het krijgen van hart en vaatziekten. Een verhoogd cholesterolgehalte kan voorkomen bij mensen met een erfelijke aanleg hiervoor, bij mensen met diabetes, mensen met overgewicht en/of mensen die veel cholesterolrijke producten of verzadigd vet eten.

HDL (High Density Lipoproteïne):

Cholesterol lost niet op in water, het wordt daarom in het bloed eerst aan eiwit gebonden. Het cholesterol dat na vertering en afbraak is overgebleven, wordt in de vorm van HDL aan eiwit gebonden en via de bloedbaan naar de lever afgevoerd. De lever zet het om in galzout dat via de gal in de darm terechtkomt. Daar wordt het via de ontlasting uitgescheiden. HDL wordt daarom ook wel “goed” cholesterol genoemd. Hoe hoger het gehalte aan HDL des te beter. Een te laag gehalte aan HDL verhoogd het risico op hart- en vaatziekten. Het HDL gehalte kan o.a. verhoogd worden door regelmatige beweging / sporten.

LDL (Low Density Lipoproteïne):

Cholesterol wordt in de vorm van LDL via de bloedbaan naar alle delen van het lichaam vervoerd, om daar door de cellen te worden gebruikt. In de bloedbaan kan het cholesterol zich makkelijk hechten aan de wanden van de slagaders, die hierdoor vernauwen. Hoe meer een slagader vernauwd is des te groter is de kans op hart- en vaatziekten. LDL wordt daarom ook wel “slecht” cholesterol genoemd. Een verhoogd gehalte aan LDL verhoogd het risico op hart- en vaatziekten.

Triglyceriden:

Triglyceriden behoren net als cholesterol tot de lipiden en worden door ons lichaam als energiebron gebruikt. Het is de meest voorkomende vorm van vet in ons lichaam. De meeste vetten in ons voedsel bestaan uit triglyceriden. Het triglyceride gehalte in het bloed stijgt na een maaltijd. Een verhoogd triglyceride gehalte in bloed kan voorkomen na een vetrijke maaltijd, om deze reden is het aan te bevelen om nuchter te zijn bij de afname van bloed. Een verhoogd triglyceridengehalte verhoogt het risico op hart- en vaatziekten.

Nierfunctie

Voor de gezondheid van de mens zijn de nieren heel belangrijk. De nieren filteren ons bloed en halen alle afbraakproducten en schadelijke stoffen eruit. De parameters ureum, kreatinine en urinezuur geven een goed inzicht in de werking van de nieren. Deze stoffen worden door de nieren uit het bloed gezuiverd en uitgescheiden in de urine. Bij niet goed werkende nieren is het gehalte van deze stoffen verhoogd.

Kreatinine:

Kreatinine is een afbraakproduct van een stof in het spierweefsel en wordt door het lichaam constant geproduceerd, afhankelijk van de aanwezige spiermassa. Het wordt uit het bloed gefilterd door de nieren en in de urine uitgescheiden. Mannen hebben gemiddeld meer spiermassa en daarom is het gehalte kreatinine in bloed bij mannen hoger. Kinderen hebben nog minder spieren daarom is het gehalte kreatinine een stuk lager dan bij volwassenen. Het gehalte kreatinine kan verhoogd zijn door een ontsteking in de nier, spierbeschadiging, verminderde doorbloeding van de nieren, beschadiging van de niercellen door bijv. medicijnen of vergiftiging of een auto-immuunziekte. Het gehalte kreatinine kan verlaagd zijn bij afname van spiermassa bijv. ouderdom, bedlegerigheid.

Ureum:

Ureum is een eindproduct van de eiwitstofwisseling in het lichaam, dat vooral in de lever plaatsvindt. Ureum wordt door de nieren uit het bloed gefilterd en uitgescheiden in de urine. Het gehalte ureum kan licht verhoogd zijn door een verminderde filterfunctie van de nieren, of door een verminderde doorbloeding van de nieren . Ook bij een verhoogde eiwitafbraak of na het eten van een eiwitrijke maaltijd kan het ureumgehalte licht verhoogd zijn. Het gehalte ureum is sterk verhoogd bij slecht werkende nieren. Het gehalte ureum is verlaagd bij ondervoeding (te weinig eiwit in de voeding) of bij een slechte leverwerking.

Urinezuur:

In het lichaam worden voortdurend cellen afgebroken en vervangen door nieuwe cellen. Bij deze afbraak wordt het aanwezige DNA afgebroken in urinezuur. Urinezuur wordt via de bloedbaan naar de nieren vervoerd en daar in de urine uitgescheiden. Bij een verhoogde afbraak van cellen of een verminderde uitscheiding gaat het gehalte urinezuur omhoog. Het urinezuur kan uitkristalliseren in de gewrichten en zo jicht veroorzaken. Als het urinezuur in de in de nieren uitkristalliseert kunnen bovendien nierstenen ontstaan. Een verhoogd gehalte urinezuur wordt waargenomen bij een verhoogde celafbraak, bijvoorbeeld bij psoriasis, of een verslechterde nierfunctie. Een verlaagd gehalte urinezuur komt niet vaak voor en geeft geen reden tot ongerustheid.


Leverfunctie:

De functie van de lever kan verminderen door schade aan de lever. Schade aan de lever kan ontstaan door erfelijke aandoeningen, geneesmiddelen, virussen en overmatig alcoholgebruik. In de levercellen zitten enzymen die voor een goede stofwisseling zorgen. Als levercellen kapot gaan (bijvoorbeeld door ……) komen deze enzymen in de bloedbaan terecht.

ASAT:

ASAT is een afkorting van Aspartaat Aminotransferase. Dit is een enzym dat betrokken is bij de aanmaak van eiwitten. ASAT komt ook in kleine hoeveelheden voor in het hart en de spieren. Een verhoogd gehalte ASAT komt voor bij alcoholmisbruik, medicijn of drugsgebruik, na flinke spieroefeningen of injecties in de spieren. Een sterk verhoogd gehalte ASAT komt voor bij leverontstekingen. Deze hoge waarden kunnen maanden aanhouden. Indien het ASAT-gehalte meer is verhoogd dan het ALAT-gehalte kan dit erop wijzen dat een vergiftiging de oorzaak van de leverontsteking is, in plaats van een virus. Een verlaagd gehalte ASAT kan voorkomen bij zwangerschap.

ALAT:

ALAT is een afkorting van Alanine Aminotransferase. Het is een enzym dat betrokken is bij de aanmaak van eiwitten. ALAT komt in kleine hoeveelheden ook voor in de nieren, het hart en de spieren. Een licht verhoogd gehalte van ALAT zonder klachten heeft niet zoveel betekenis. Verder onderzoek is pas wenselijk indien de waarde 2x de bovengrens is. Een verhoogd gehalte van ALAT komt voor bij chronische leverontsteking, een sterk verhoogd gehalte ALAT (15 x bovengrens) komt voor bij een acute leverontsteking deze wordt meestal veroorzaakt door een virusinfectie. De verhoogde waarden blijven nog een paar maanden in het bloed aanwezig.

GGT:

GGT is een afkorting van Gamma Glutamiltranspeptidase. Het is een enzym dat betrokken is bij de aanmaak van eiwitten en helpt bij de vertering van stoffen uit ons voedsel. GGT geeft meer dan ASAT en ALAT de leverschade aan die door alcoholgebruik wordt veroorzaakt. Kleine kortdurende verhogingen van het gehalte GGT worden gezien na het nuttigen van kleine hoeveelheden alcohol, ook kan roken een stijging van GGT geven. De GGT is bij mannen hoger dan bij vrouwen en ook de afkomst is van invloed (bij negroïde mensen is de GGT bijvoorbeeld 2x hoger dan bij Kaukasiers). Verhoogde gehaltes GGT passen bij overmatig alcoholgebruik maar ook bij andere aandoeningen zoals lever – en galziekten, een hartinfarct, herseninfarct of medicijngebruik. Na het stoppen met alcohol kan de GGT nog wel 1 tot enkele maanden verhoogd zijn.

Koolhydraten

Koolhydraten vormen naast vetten de belangrijkste voedingstoffen voor het lichaam. De koolhydraten worden door ons lichaam in het maag-darm kanaal afgebroken tot met name glucose, wat in de dunne darm wordt opgenomen in ons bloed. Glucose is voor ons lichaam de belangrijkste energiebron en wordt via het bloed vervoerd naar de rest van het lichaam. Hier wordt het verbruikt of opgeslagen.

Glucose:

Glucose wordt door ons lichaam binnen bepaalde grenzen gehouden. Na een maaltijd komt er veel glucose in het bloed. Het hormoon insuline zorgt er voor dat de hoeveelheid niet te hoog wordt. Het teveel wordt dan als reserve opgeslagen. Wanneer het lichaam veel energie gebruikt kan deze reserve weer worden aangesproken. Hiervoor zorgt het hormoon glucagon. Deze hormonen houden het glucosegehalte in het bloed in balans. Bij mensen met diabetes mellitus (suikerziekte) werkt het hormoon insuline niet of niet goed genoeg. De balans in het glucosegehalte is verstoord waardoor het gehalte hoog kan oplopen. Door de hoogte van het nuchtere glucosegehalte te meten controleert men op de eventuele aanwezigheid van suikerziekte. Na een maaltijd kan het glucosegehalte ook van gezonde personen oplopen, daarom is het beter om nuchter bloed af te nemen. Wanneer de glucosewaarde omhoog dreigt te gaan, wordt aangeraden op uw eetgewoonten te letten, met name op de (suiker gebonden) calorieën. Beweeg dagelijks, let op uw lichaamsgewicht en pas op met alcoholische dranken (alcohol is een suiker en wordt in het lichaam tot glucose afgebroken).

Verhoogde glucosegehalten komen voor bij suikerziekte ( niet of slecht werkend insuline), maar ze komen ook voor bij acute stress, chronische nieruitval, bepaalde medicijnen, zeer overmatig eten, overactieve schildklier, syndroom van Cushing, kanker of een ontsteking aan de alvleesklier.

Verlaagde glucosegehalten komen voor bij suikerziekte ( te weinig gegeten of teveel insuline gespoten), alcoholmisbruik, bepaalde medicijnen, ernstige leverafwijkingen, slecht functioneren van de schildklier, tumoren van de pancreas die insuline produceren.

HbA1c:

HbA1c is de aanduiding voor geglycosyleerd (versuikerd) hemoglobine (=rode kleurstof van het bloed) en heet ook wel glyco Hb. Glucose dat in het bloed wordt vervoerd wil zich graag binden aan hemoglobine, als het eenmaal gebonden is dan laat het niet meer los. Bij een verhoogd glucosegehalte is er meer glucose dat zich kan binden, het HbA1c gehalte zal dan hoger zijn. De rode bloedcellen waar het hemoglobine in zit, leven 8 tot 10 weken. Het HbA1c gehalte geeft dus een beeld van het gemiddelde glucosegehalte over een periode van 8 tot 10 weken, en is hierdoor betrouwbaarder dan een losse glucosegehalte. HbA1c wordt vaak gebruikt om de instelling van een patiënt met suikerziekte te volgen.



Een verhoogd HbA1c gehalte geeft aan dat er op langere termijn een risico is op complicaties als hart en vaat problemen, afwijkingen van ogen en nieren, beschadiging van de zenuwen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina