Het vijfde nachtgezicht van zacharia



Dovnload 36.08 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte36.08 Kb.





HET VIJFDE NACHTGEZICHT VAN ZACHARIA

Toen antwoordde Hij en sprak tot mij, zeggende: Dit is het Woord des Heeren tot Zerubbábel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de Heere der heirscharen. Zacharia 4, 6
Bijbelgedeelte: Zacharia 4:1-14


  1. De altijd brandende menorah

  2. Ik ben het Licht der wereld

  3. Gij zijt het licht der wereld (candel-light)

Het briesend paard moet eind’lijk sneven. Het paard dat zich snuivend in de strijd werpt en strijdlustig over het oorlogsveld draaft, kan dat dier ons de overwinning geven? Zijn grote sterkte baat geen held. Neen, de Heer' der heren doet ons triomferen. Aldus Psalm 33.


En dat staat er eigenlijk ook in het vijfde nachtgezicht van Zacharia. ‘Niet door kracht noch door geweld….’ Niet door macht die wij mensen onszelf toemeten en ook niet door ‘power’, de uitoefening van die macht met veel geweld, met de gebalde vuist.
Laten we er meteen maar aan toevoegen, dat ons zo’n woord bepaald niet aanstaat. Het zet een forse streep door onze rekening, Want bij ons draait alles om kracht en geweld. Het briesend paard moet het doen.

In de grote wereld waarin wij leven wordt de dienst uitgemaakt door machthebbers. Daar geldt het recht van de sterkste. In onze wereld hebben oliemagnaten het voor het zeggen. Olie is een toverwoord, een machtsmiddel waarmee heel onze economie staat of valt. Wee ons, als de oliekraan dichtgaat. In onze wereld zijn het geld en kennis die ons machtig maken. Het vernuft dat nergens voor staat, niet voor ‘towers’ van 400 meter hoogte (World Trade Centre), niet voor een reis naar de maan, niet voor moord op een nog ongeboren kind, niet voor het klonen van mensen.


In onze wereld zijn het de oppermachtige religieuze en ideologische stelsels (de kracht en het geweld van de menselijke geest) die het moeten doen en waarvan heil wordt verwacht. Denk aan het wereldveroverend fanatieke fundamentalisme van Bin Laden en het geweld waarmee vliegtuigen, bestuurd door zelfmoordenaars zich in New York in de torens van het WTC boren. Denk aan de dreiging van biologisch en chemisch wapentuig waardoor mensen onverhoeds zouden kunnen sterven als muggen.
Zeg niet, dat alle godsdiensten gelijk zijn. Weet veeleer, dat Allah een gans andere god is dan de God en Vader van Jezus Christus. Allah wil bemind zijn, al bemint hij zelf niet. Zijn dienst is een harde dienst. Ze kost mensenlevens. Maar van de christen mag gelden: Ik heb lief, omdat Hij (de Heere) mij eerst heeft liefgehad. In zo’n leven voert de liefde de boventoon.
Ook in kerk en theologie spelen die twee woorden van macht en geweld een grote rol. Zijn het vaak niet de machthebbers, de mensen met een grote mond en een gladde tong, die aan de touwtjes trekken? Geldt – helaas ook binnen de kerk – niet vaak het recht van de sterkste, van de helft plus een? Het is daardoor dat de zaak vaak wordt geforceerd.
‘Macht en geweld’, zijn dat ook niet de twee toverwoorden die ons persoonlijk in de ban houden? Verschansen wij onszelf niet vaak in onze financiële positie bij de bank? Zetten wij niet vaak de tanden op elkaar, als tegenspoed ons raakt: we slaan er ons wel doorheen? Heersen wij niet vaak over onze medemensen? Manipuleren we hen soms niet, wanneer wij hen om onze vinger denken te winden met vriendelijke woorden en een voorkomend gedrag?
In onze tekst wordt dit alles fors doorgestreept. ‘Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden.’ Dat is het kernwoord van het vijfde nachtgezicht van Zacharia. Misschien is dit nachtgezicht wel het moeilijkste van alle acht nachtgezichten. Maar het bevat intussen wel een geweldige boodschap.
1. De altijd brandende menorah

Het is midden in de nacht. Zacharia, de profeet ligt op bed. Maar slapen is er haast niet bij. Telkens gaat hij overeind zitten. En dan is er weer zo’n diepzinnig gezicht. Een tolk-engel legt het uit. Hoe nodig. Want geen mens verstaat van huis uit, wat de Heere hem openbaart.

Kijk eens goed, Zacharia. Wat ziet u daar? Een kandelaar van louter goud, zevenarmig. Waaraan denkt u, als u die ziet? Natuurlijk aan de tempel. Daarin (in het heilige) heeft immers oudtijds die prachtige kandelaar gestaan als symbool van het licht, van Gods licht in Gods huis.1 De kandelaar zoals beschreven onder andere in Exodus 25, 31vv. Met zeven armen waarop zeven olieschaaltjes. De hogepriester moest steeds de brandende pitten reinigen - elke dag opnieuw - en de olieschaaltjes van olie voorzien (zie ook Ex. 27,20; Lev. 24,1vv). In Gods nabijheid is het licht, altijd licht.
Gods vriend’lijk Aangezicht

heeft vrolijkheid en licht

voor all’ oprechte harten,

ten troost verspreid in smarten.



(Ps. 97:7 ber.)
Zacharia krijgt bij het zien daarvan heimwee. De tempel? Die ligt thans in puin. Jeruzalem en het huis van God in die stad zijn immers in 586 v.Chr. met de grond gelijk gemaakt door de Babyloniërs. Maar als Zacharia dit nachtgezicht krijgt, is het volk der Joden, althans voor een deel, weer terug in Juda en in Jeruzalem. De Perzische koning Cyrus (II) heeft ook toestemming gegeven om de verwoeste tempel weer te herbouwen. Dit moest geschieden onder leiding van Zerubbábel (‘Spruit van Babylon’) de gouverneur van Juda, daartoe aangesteld door de Perzische koning. Zerubbábel: geboren in Babylonië gedurende de ballingschap, een afstammeling van David. Een man van wie men grote verwachtingen koesterde (vgl. Haggaï 2, 24).
Intussen echter is het werk niet gevorderd. Het is zelfs vijftien jaren volkomen stil komen te liggen. Door tegenkanting van de kant van de niet-Joden die ook in Juda en Jeruzalem woonden. Er zat dus bepaald geen schot in. Waren de bouwers misschien ook mismoedig, omdat hun bouwsel toch zo’n mooie tempel als die van Salomo niet kon worden?
Onder leiding van de profeten Haggaï en Zacharia wordt het werk opnieuw aangevat. Dat is in september 520 v.Chr.. Het is de tweede fase van de bouw. En in het vijfde nachtgezicht van Zacharia – dat blijkt uit alles – gaat het er de Heere dan om de bouwers te bemoedigen. Zacharia, de profeet krijgt midden in de nacht iets geweldigs te zien.
Hij mag zijn ogen uitwrijven. Wat ziet hij daar? Een prachtige kandelaar. Maar dat niet alleen. Moet u eens kijken, hoe die kandelaar werkt. Naast die kandelaar staan twee olijfbomen, rechts en links. Daaraan hangen olierijke olijven, waarvan de olie zo maar neerdruppelt in twee kleine pijpleidinkjes. Deze lopen beide naar een oliereservoir. En van daaruit lopen er zeven leidingen naar elk van de zeven lampen op de armen van de kandelaar. Maar dat is toch geweldig? De olie voor deze menorah (kandelaar) behoeft door geen mensenhand te worden bijgevuld. De kandelaar krijgt de olie direct van de olijfbomen. Het is allemaal om zo te zeggen geautomatiseerd. Een perpetuum mobile. Beter gezegd: een Godswonder.
Het is voor Zacharia – en ook voor u en mij – wellicht niet meteen doorzichtig wat de Heere in dit nachtgezicht wil zeggen. Fijn, dat een tolk-engel ons helpt. We krijgen er een hemelse verklaring bij.
Nogmaals, er is sprake van een crisis in de bouw van de tweede tempel (na de ballingschap). De bouwers zien het niet meer zitten. Maar Zacharia mag hen bemoedigen. Het zal allemaal als een Godswonder tot stand komen. Iedereen zal zeggen: ‘Hoe bestaat dit?’ Een menorah die eeuwig licht geeft? Een tempel en een cultus waarin de Geest van God werkzaam is.
Twee olijfbomen. Wie zijn dat? Zerubbábel en Jozua. Wie de eerstgenoemde is, heb ik verteld. En Jozua is de hogepriester, net als Zerubbábel uit de ballingschap naar huis (naar Jeruzalem) gekomen. Hij staat gereed om zijn werk te gaan doen in de nieuwe tempel. Zie ook het vierde nachtgezicht van Zacharia (Zach. 3,1vv). Onder de stimulerende inspiratie van deze beiden, de staatsman en de priester, samen op met de profeet (Zacharia) zal het allemaal best gelukken. Zerubbábel en Jozua zijn de beide ‘olietakken’ ofte wel ‘oliezonen’ (vs.14) die voor de Heere van de ganse aarde staan. Met de Geest gezalfden. Tot Gods dienst en lof bereid.

Zij werken niet als krachtpatsers. Zij leveren geen topprestaties. Wat zij doen is louter Geesteswerk. Daardoor gaat het licht op. De kandelaar brandt onophoudelijk.

Daar zijn echter wel geestelijke ogen, geloofsogen voor nodig om het te zien. Want met het blote oog is er alleen een grote puinhoop te zien. De zwartgeblakerde resten van wat eens de tempel van Salomo was. Lees wat er staat in vers 7a: ‘Wie zijt gij, o grote berg?’ Let op, die puinhoop wordt voor het aangezicht van Zerubbábel een vlak veld. Kijk eens, waar haalt die man de gevelsteen/ sluitsteen vandaan? Uit die puinhoop. Hij zet hem boven in het bouwwerk. Wij zouden zeggen: de vlag in top. Het werk eindigt zijn voltooiing. Hoor, de mensen juichen. ‘Genade, genade’…heil, heil…(vs.7). De handen van Zerubbábel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden’ (vs.9). En dan zal iedereen weten, dat de Heere Zacharia heeft gezonden. Hij heeft geen praatjes verkocht.
Niemand mag ooit zeggen: ‘Dit bouwwerk, de tempel is maar een onooglijk ding’. ‘Veracht de dag van de kleine dingen niet’ (vs.10). Vergeleken bij Salomo’s tempel is het alles in mensenogen wellicht prutswerk. En in het licht van de komende heilstijd en de komende Messias is dit tempelgebouw ook maar een gering iets. Maar kijk eens omhoog? In de glanzende ogen van de Heere. Zijn (zeven) ogen die de ganse aarde doorlopen, zien het: het tinnen gewicht (schietlood) in Zerubbábels hand, waarmee de muren recht overeind komen te staan.
2. Ik ben het Licht der wereld

De menorah. Als u vandaag in Israël komt, bezoekt u ongetwijfeld ook de plaats tegenover de Knesset (het regeringsgebouw van Israël in Jeruzalem), waar een grote zevenarmige kandelaar staat. Maar branden doet hij niet. Branden zal hij pas, als er vrede (sjaloom) komt voor Israël. En daar is het op dit moment nog ver vandaan. Om vrede voor Jeruzalem bidt het Joodse volk aan de klaagmuur. En wij bidden mee. Opnieuw is de tempel van Jeruzalem een grote puinhoop geworden; ja die tempel van Zerubbábel en Jozua. In 70 nChr. hebben de Romeinen voor twintig eeuwen een eind gemaakt aan Isrels tempel(dienst).


‘Maar’, zegt u wellicht, ‘dan is dat nachtgezicht van Zacharia over de eeuwig brandende kandelaar die van boven bevloeid wordt, ook maar een schone droom geweest. Alleen een ‘klaagmuur’ is er overgebleven van de tweede tempel. Nee, toch niet. Zacharia’s boodschap is goed voor toen en nu. Kijk nog eens naar de kandelaar uit het vijfde nachtgezicht. Is de diepste intentie daarvan niet gelegen in het wonderlijke werk van de Geest? Niet wat mensenhanden gepresteerd hebben, zelfs niet in het bouwen van een tempel.Zie Handelingen 17, 24. Maar hoe God de Heere het licht brandende houdt onder Israël en in de wereld. Als door een wonder van boven. Door Zijn Geest Die bevloeit, zalft, inspireert, bekwaamt, bevrucht. Let op de kleine dingen. Veracht ze niet.
Er is een eeuwige brandende menorah. Het is Jezus Christus. De met de Geest Gezalfde. Op Hem rust de Geest der wijsheid…
Een licht zo groot, zo schoon,

gedaald van ’s hemels troon.

Lofzang van Simeon: 2a
Hij heeft in Jeruzalems tempel (bij de schakist) eens gezegd: ‘Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben’ (Joh. 8,12). Hij is meer dan de tempel, ook die van Zerubbábel en Jozua. Licht dezer wereld, reddend verschenen. Door God Zelf ontstoken. Wij gedenken daaraan in het bijzonder bij ons ‘chanoeka-feest’ (Kerstfeest).
Dus wordt des Heeren volk geleid

door ’t Licht dat nu ontstoken is,

tot kennis van de zaligheid,

in hunne schuldvergiffenis


Voor elk die in het duister dwaalt,

verstrekt deez’ zon een helder licht…

(Lofz.van Zach.;4, 5)
Zo zong de Zacharias van het Nieuwe Testament. De priester-profeet. Zacharia, de profeet van het Oude Testament moest het met een nachtgezicht doen. Wij mogen via Zacharias van wie wij horen in het begin van het Nieuwe Testament, weten van een Messias van Israël, Jezus Christus door Wie de Heere Zijn volk een verlossing heeft gegeven die uitgaat boven die van de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Een verlossing van zonde, dood en satan.
Volgens een oud Joods verhaal is de gouden kandelaar 40 jaar voor de verwoesting van Jeruzalem (ong. in 30 nChr.) opgehouden te branden. In het sterfjaar van onze Heiland dus. Toen was dit symbool niet meer nodig. Christus Zelf, het Licht dezer wereld was reddend verschenen.
Niet door kracht noch door geweld. Maar doordat Hij – een kwetsbare van alle kanten – Zich aan een vloekhout liet hangen en in onze plaats de straf droeg en ons de vrede aanbracht. Zijn Koninkrijk is niet van deze wereld (Joh.18, 36).
Alle menselijke prestaties laten ons in de steek. Met kracht en geweld wordt de deur van het paradijs niet geopend, ook niet uit kracht van zelfverbetering en deugdbetrachting. Genade, genade alleen. Hij is ‘de hoofd des hoeks’, de gevelsteen van Psalm 118. ‘Dit is van de Heere geschied en het is wonderlijk in onze ogen’ (Ps.118,22v).
3. Gij zijt het licht der wereld (candel-light)

Jezus zei ooit: ‘Ik ben het Licht der wereld.’ Maar Hij heeft ook eens tegen Zijn discipelen gezegd: ‘Gij zijt het licht der wereld’ (Matth. 5,14a). We trekken de lijnen door. Van de altijd brandende kandelaar van Zacharias’ vijfde nachtgezicht via het Licht der wereld in Jezus Christus naar de gemeente vandaag. Zacharia mocht het volk van zijn dagen vertroosten met de belofte, dat zij onder leiding van de staatsman Zerubbábel en de priester Jozua weldra weer een tempel zouden hebben, waarin de Heere onder Zijn volk wilde wonen. Maar vanaf de Pinksterdag is er op de aarde de tempel van Gods gemeente gebouwd, waarin de Heere door Zijn Geest wil wonen. Ook vandaag nog.


Lees nog eens na wat in Openbaring 1, 20 gezegd wordt over de zeven Klein-Aziatische gemeenten. Zij worden zeven gouden kandelaren genoemd, temidden waarvan de verhoogde Heere wandelt. En lees dan ook nog eens wat in Openbaring 11 gezegd wordt over de twee getuigen Gods die in de eindtijd zullen optreden, als de zaak van God op aarde failliet lijkt te zijn. Zij heten de twee olijfbomen die voor de God der aarde staan (Openb. 11,4).
Ook in de donkere eindtijd die wij thans beleven, is daar het licht der wereld in de Godsgetuigen die in de kracht van Mozes en Elia optreden. Zij komen in de kracht van de Geest op voor het heilig recht van de Heere, voor het ‘naakte’ Woord van God. Zij roepen ons toe: ‘Laat u met God verzoenen’ (2 Kor. 5, 20). Een bediening van Gods Geest in Gods gemeente die we vol-automatisch kunnen noemen. Juist omdat hier niets afhangt van onze krachtsinspanningen.
De menorah brandt. Tot aan het eind der dagen. In Gods gemeente op de aarde. Een tempel in de Geest. Tot de laatste dag van de wereldgeschiedenis zullen de gelovigen er blijven. Al worden ze door iedereen in de steek gelaten en al zijn ze ten dode toe vervolgd.
Juist in onze tijd spelen kracht en geweld weer de boventoon in de geschiedenis. Het geweld waarmee onze cultuur (die van geld en goed, van kapitaal en van het materialisme) wordt bestookt door zelfmoordenaars met hun moordende vliegtuigen. Het is zoals in Openbaring 11: het heidendom, de valse religie rukt op tot vlak voor de poorten van Gods gemeente. En binnen afzienbare tijd zal ook onder ons het christelijk getuigenis daar vreselijk onder moeten lijden. Wie het niet ziet, is blind. De twee getuigen van God in Openbaring 11 sterven een martelaarsdood.
Maar…daarmee verdwijnt niet het laatste lichtpuntje op de aarde. Geenszins. Openbaring 11 vertelt ons, dat de twee getuigen weer uit de dood herrijzen. Het christelijk getuigenis kan niet voor altijd wegsterven van de aarde. De menorah blijft branden.
Wat dat betekent? Herkennen wij er onszelf in?
a)

Niet door kracht noch door geweld. Daar zullen wij afstand van moeten leren doen. U en ik ook. Van alle vertrouwen op onze getrainde legermacht en op het weerstandvermogen van onze kernkoppen. Zolang als ons leven gebaseerd is op geld en goed, op onze all-risk verzekeringen, staat het er slecht met ons voor.Waar ligt nu toch eigenlijk onze energiebron? Ben ik een ‘oliezoon’, net als Zerubbábel en Jozua? Leef ik dagelijks uit de Geest van God? Of ben ik nog steeds een doe-het-zelver? Iemand die zichzelf aan zijn eigen haren uit de put denkt te kunnen trekken? Een machtswellusteling? Een mens die zichzelf handhaaft voor God? Iemand die op elk terrein de baas speelt. Zijn we niet bezig ons met dit alles een oordeel op de hals te halen?


Halverwege de 19e eeuw was er in New York een financiële crisis. Maar wat gebeurde er? De mensen verootmoedigden zich in zak en as. Er ontstond een geestelijk reveil.Welk een zegen, als dat ook het geval mag zijn in onze dagen, nu er zoveel aan het wankelen is.
Niet door kracht noch door geweld. De handen omhoog. U uitgeleverd aan de Heere. Als een krachteloze en kwetsbare, doodschuldige zondaar u laten zaligmaken door de Heere. Hoe

b)

Maar door Mijn Geest zal het geschieden. Het is door de Geest van de Heere, dat wij wederom geboren worden. Het is door de Geest van de Heere, dat wij een lichtende kandelaar (candel-light) worden. Dan, als Gods genade ons te sterk wordt. Dan, als de liefde van Christus in ons hart wordt uitgestort. Want de Geest werkt niet ‘gewelddadig’, maar stil en onweerstaanbaar neigt Hij het hart tot de vrees van Gods Naam. Dan kan het allemaal toch niet op een laag pitje staan in de gemeente. Ook niet in uw persoonlijk leven.


Candel-light. Door het stille wonder van de Geest van Christus die ons de armen om onze geliefde Zaligmaker leert slaan. Het is daardoor, dat wij een gerechtigheid verkrijgen, waarmee we bestaan kunnen voor God. Hij mijn zonde, ik Zijn gerechtigheid. Er hoeft geen nagelschrap van ons meer bij. Want alles, alles is voldaan. ‘Genade, genade.’
Deze olie van onze grote Staatsman en Hogepriester Jezus Christus drupt neer op ons in deze bediening van het Woord. Zo gaan de lampen branden. Branden ze ook bij u? Weet u zich door de hemelse bevloeiing van de Geest ‘een kaarsje, brandend in de nacht’? Door de verlichtende en inspirerende werking van de Geest mogen we tot volle zekerheid komen. Niet langer op twee gedachten hinken. Niet langer God wat en de wereld wat. Dat levert alleen maar faalangst op. Maar een mens met een grote vrijmoedigheid tegen de dag van het oordeel. ‘Ik zal niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën’ (Ps.46,3).
‘De Geest en de bruid zeggen: Kom. En die het hoort, zegge: Kom. En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet’ (Openb. 22, 17). Is dat niet het geheim van de brandende kaars?
c)

Nog één ding tot slot. Door mijn Geest, zegt de Heere der heirscharen. Die Geest verbindt ons met de hemelse Christus, de Profeet, Priester en Koning. Dat levert Geest-doorademde leiders op. Kerk en staat die tezamen zorgdragen voor een leefbare samenleving waarin liefde en gerechtigheid de boventoon voeren.


In feite echter mag ook elke gelovige afzonderlijk een Geest-doorademd, met de Geest van Christus gezalfd mensenkind zijn met een profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt.
‘Waarom wordt u een christen genoemd? Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijn zalving deelachtig ben. Opdat ik Zijn Naam belijde en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere en met een vrije en goede consciëntie (geweten) in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere’ (Heid.Cat., zondag 12; vr.en antw.32).

Een profeet (als Zacharia), overmeesterd door het Woord van onze Zender. Één die niet met grof geschut werkt, maar die eenvoudig, kinderlijk en tegelijk beslist en vastberaden opkomt voor de beloften en bevelen van de Heere. Niet opdringerig, maar toch ook met grote aandrang. Gedreven door de schrik des Heeren. Getrokken door de liefde van Christus. Zoals in de donkere Middeleeuwen de Waldenzen er in Italië op uittrokken om te getuigen van de enige Middelaar Jezus Christus , de Parel van grote waarde. Hun devies was: Lux lucet in tenebris – het licht schijnt in de duisternis. Houdt moed, al staat u er alleen voor.


Een priester (als Jozua). Wat is het meest typerende van een priester? Het offer in barmhartigheid. Zelf levend van de weldaad van Christus’ offer aan het kruis. Anderen weldoende in liefde. Kleine liefdedaden…Praktisch christendom. Geen grote dingen zoeken. Twintig stappen terugdoen voor de ander. De weduwen en de wezen (alleenstaanden) bezoeken in hun ellende. Kortom, een mens met een luisterend oor, maar vooral ook met een luisterend hart. Zoek het in de kleine dingen. Laat niemand die verachten. ‘Het leven hangt van de kleine dingen aan elkaar’ (A.A.van Ruler).
Tenslotte ook: een koning/ staatsman (als Zerubbábel). ‘k Ben een koninklijk kind, door de Vader bemind. Een strijder op alle fronten. Ook in de politiek en de maatschappij. Juist in onze tijd waarin waarden en normen kelderen en de mens met dat wat hem plezierig lijkt in alle opzichten de maat van alle dingen is geworden. Neem het schietlood ter hand. Het pas- of schietlood is in de bouw het instrument (een touw met een loden balletje) waarmee men de loodrechte stand van een muur vaststelt. Geen bouwer van een huis, zet een muur op zonder steeds na te gaan, of die muur niet scheef staat.
Hanteer het schietlood. Wees een mens zonder compromissen. Tolerant, behalve in die dingen waarbij de eer van God in het geding is. Ten diepste niet levend bij wat haalbaar is, maar bij wat Gods wet van ons eist. Ook in onze gezinnen. Wij zullen onze kinderen niet met de vuist regeren. Maar onze kinderen zullen wel aan ons merken, dat onze God ons hart heeft gestolen en dat we zonder tegenzin, van harte in Zijn koninklijke dienst willen staan.
En laat de wereld om ons heen dan maar denken en/ of zeggen: ‘Achterlijke lui’. Laten de vijanden van het werk van God op aarde ons constant hinderen in de wederopbouw van Gods huis op aarde. Het laatste woord is niet aan hen, maar aan Hem die op Zijn tijd alle dingen nieuw maakt, de hemel en de aarde. De Heere maakt Zijn werk af. Hij zal ervoor zorgdragen, dat de aarde weer een woonoord wordt voor de mensheid waarin twist en oorlog, haat en vijandschap het niet meer voor het zeggen hebben. Daarom worden wij niet moedeloos. Zeg niet: ‘Het wordt toch nooit wat met de wereld.’
Want ‘de Geest doet ons met het schepsel in barensnood mee zuchten en leert ons te verwachten de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam’ (Rom. 8, 23).
GESPREKSVRAGEN


  1. Dit nachtgezicht van Zacharia gaat over de kandelaar in de tempel als een soort perpetuum mobile, het mirakel van een aldoor lichtgevende kandelaar. Waar krijgt die menorah nu eigenlijk zijn brandstof vandaan?

  2. Kerk en staat zijn twee oliezonnen, inspiratiebronnen voor een volksgemeenschap waarin het Woord van God kan blijven branden. Hoe is dat op dit moment onder ons gesteld?

  3. Waar ligt het geheim van de zonne-energie van de gelovigen? Hoe kunnen zij werkelijk candel-ligth zijn? Bespreek met elkaar, hoe dat gezegd wordt in antwoord 32 van Zondag 12 van onze Heidelberger.

  4. Door welke oorzaken zouden de pijpleidingen waardoor de olie van de Geest de gemeente binnenstroomt, ook in een goed geölied gemeenteleven verstopt kunnen raken? Lees Openbaring 14:11vv. Welke troost kunt u hieruit putten voor het getuigenis in het eind der tijden?



1 De afbeelding stelt de zogenaamde triomfboog voor van de Romeinse keizer Titus te Rome. De Romeinen namen de zevenarmige kandelaar na de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in 70 n.Chr. mee naar Rome.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina