Het zesde nachtgezicht van zacharia



Dovnload 47.95 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte47.95 Kb.





HET ZESDE NACHTGEZICHT VAN ZACHARIA

En ik zag; en ziet, een vliegende rol. Zacharia 5, 1b.
Bijbelgedeelte: Zacharia 5:1-4
1. Een vliegende boek- en vloekrol

2. De dief en de meinedige

3.Het gevleugelde Evangelie
Voor de zesde keer gaat Zacharia overeind zitten. ’t Is nacht. Alle mensen slapen. Alles is doodsstil. Maar in Zacharia’s slaapkamer spelen zich verbazingwekkende dingen af. Telkens weer ziet de profeet iets nieuws, hem door God getoond. 1
Indrukwekkende schouwspelen. Het ene beeld is nog niet voorbij of het andere komt alweer. Israëls Wachter is het Die het hem alles laat zien. Hij Die niet sluimert noch slaapt. Hij trekt de aandacht. Hij waakt over Israël, ook nu het na de ballingschap weer in Juda en Jeruzalem woont. Hij maakt Zijn knecht Zacharia het heil van Zijn volk bekend.
Deze keer echter schijnt het allemaal slechts iets angstaanjagends te zijn. Denken we het ons een ogenblik in. Zacharia ziet een boekrol; helemaal uitgerold; tien meter lang, vijf meter breed. En die boekrol ligt niet netjes opgeborgen in een kast. Een hand heeft hem vastgegrepen en in de lucht geworpen of misschien vanuit de hemel naar beneden geworpen. Als een vliegende schotel. Daar blijft hij hangen, zwevend tussen hemel en aarde. Hij gaat zelfs een reis maken. Het lijkt alsof hij vleugels heeft. Hij golft door het luchtruim heen, als een vlag boven op een toren.
1. Een vliegende boek- en vloekrol

Een boekrol. 2 Het is bekend, dat men oudtijds nog niet het boek kende, zoals wij. Men schreef op lange leren stroken die aan elkaar genaaid waren en vervolgens waren opge­rold op een stok aan beide einden. Het leek allemaal een klein beetje op een aardrijkskundekaart die één van de kinderen uit de klas voor de meester mag uitrollen en ophangen. Op de catechisaties heeft een predikant ons wel eens een Thora-rol laten zien. Die zijn in de Joodse synagogen en bijvoorbeeld ook bij de klaagmuur in Jeruzalem nog steeds in gebruik.


Zacharia ziet nu in zijn zesde nachtgezicht zo’n geweldige boekrol door de lucht vliegen. Zij golft over heel het land Kanaän heen.


En wat staat er dan nu in die boekrol?

Dat is op een afstand moeilijk te lezen. Maar er is iemand die Zacharia helpt.
Hij wordt opnieuw opnieuw bijgestaan door de tolk-engel, zodat het hem duidelijk wordt wat de betekenis is van die boek-/ vloekrol. Telkens weer leest hij het woordje ‘vervloekt’ in die rol. De boekrol is volgeschreven met zware oordelen van God. Die gaan door de ether heen en komen als een fall-out op het land van Israël. Ja zeker, een vloek die van God komt, is als dynamiet. Als die vloek eenmaal naar beneden is gekomen en ergens in huis is gegaan, doet hij daar zijn vernietigend werk. Hij verpulvert de hele zaak tot in de muren en binten toe. Het wordt alles een grote puinhoop. 3. Er wordt groot alarm geslagen. En schuilkelders baten niet.
Maar wat is hier dan eigenlijk aan de hand? Gaat God Zich nu tegen Zijn eigen volk keren? Heeft Hij het door de mond van Zijn profeten van voor de ballingschap evenzeer als van na de ballingschap juist niet heil beloofd? En mag Zacharia niet als één van die profeten na de ballingschap de komst van de heilstijd en van de Messias aankondigen? Eén en andermaal zegt hij het Israël aan, dat er een heerlijke tijd van vrede en geluk zal aanbreken.
Jawel, maar toch…Er staat nog iets in de weg blijkbaar. Iets dat dit grote heil belemmert. Men kan al te vlot roepen: ‘Vrede, vrede en geen gevaar’. Voor allen die onbekeerlijk leven, is er geen heil. Het land der belofte moet worden gezuiverd. Ja, juist het volk van God moet worden gereinigd, wil het gerust en hoopvol de toekomst des Heeren tegemoet kunnen gaan. Het moet geheel anders zijn dan de wereld. En alleen zo kan het voor de wereld een toonbeeld van Gods gerechtigheid en waarheid zijn.
In het zevende nachtgezicht is het een zaak, de goddeloosheid die het land wordt uitgezet. Hier (in het zesde nachtgezicht) zijn het personen, de ergerlijke zondaars die door de vloek van een vliegende boekrol worden getroffen: de dieven en de meinedigen. Zij zullen overeenkomstig wat er in de vloekrol staat, uit het land van Israël worden weggevaagd.

Het gaat hier dus over zondaars die Gods heilige wet met voeten treden in hun zedelijke overtredingen ervan. Het zijn – kort samengevat – de mensen die hun naasten van hun zaken beroven (dieven) en die de eer van God niet ontzien (meinedigen).


Laten we het kort samenvatten.

Een dief is iemand die denkt, dat de hele wereld van hem is; hij ontziet zijn naaste niet; hij verrijkt zich met het goed van zijn naaste. Hij is ook geen goede rentmeester, want hij onthoudt zijn naaste wat hem toekomt. En de meinedige, dat is iemand die doet, alsof God niet bestaat. Want hij steekt rustig zijn twee vingers omhoog en roept God als Getuige aan: ‘Zo waar als God leeft…’, terwijl hij op dat moment de hele zaak staat te bedriegen. Dan moet je dus wel wat aandurven. Dan reken je gewoon niet met de heiligheid en macht van Gods Naam. Dan ben je een schijnheilige, een vrome zelfzoeker.


Welnu, wie zo leeft, kan niet rekenen op zegen. Hij moet er zich op voorbereiden, dat de vloek komt. Breed golft de boekrol van het oordeel van God over heel het land. Dieven en meinedigen zullen worden weggevaagd. 4
Het mag ons wel opvallen, dat de afmetingen van de boekrol die Za­charia door de lucht ziet gaan, precies ook de afmetingen zijn van de voorhof in de tempel van Salomo: tien meter lang, vijf meter breed. Wil dat zeggen, dat de boekrol wegkomt uit de tempel? Ook Joodse rabbijnen hebben in hun uitleg van het nachtgezicht daar de aandacht voor gevraagd. Het zou ook kunnen betekenen, dat de Heere door middel van Zijn profeet Zacharia aan Zijn volk laat weten, dat Hij meet met de maat van Zijn heiligdom en dat dit ook inhoudt, dat Hij de zonde niet kan zien of luchten. 5
Als een mens blijft leven ten koste van zijn naaste en tot schande van de Naam des Heeren, is er ook de geduchte toorn van God. Er is niet alleen verbondsgenade. Er is ook verbondswraak.
In het Oude Testament lezen we van Achan de dief die zich ondanks het uitdrukkelijke verbod van Godswege op de puinhopen van Jericho verrijkte met wat hij daar aan begeerlijks vond. Tegen beter weten in eigende hij zich het gebannene toe. En wat moest Israël met die man doen? Achan de dief werd met heel zijn gezin gestenigd. En de vloek verteerde zijn huis, met zijn binten (houten) en zijn stenen.
Dat is het lot van de dief die tegen beter weten in handelt.
En om dan nu nog een voorbeeld te noemen van wat in Zacharia’s zesde nachtgezicht een meinedige heet. In Leviticus 24 lezen we van een man die de Naam van de Heere uitdrukkelijk lasterde en die door de ganse vergadering van Israël werd gestenigd. De vloek verteerde zijn huis met zijn binten (houten) en zijn stenen.
2. De dief en de meinedige

Het is best moeilijk om dit nachtgezicht van Zacharia op zijn juiste waarde te schatten. Blijkbaar is het er de profeet alles aan gelegen om nog eens met klem te verkondigen, dat God het kwade niet kan zien. Het gaat de vrome wel. Maar de weg van de goddeloze zal vergaan. Let daarop. Er zijn mensen die altijd alleen de troost van Gods Woord willen horen. Maar daar is ook de donkere zijde van het oordeel. Daar is het Evangelie. Maar daar is ook de wet.


Toen Israël het heilige land was binnen getrokken, maakte Jozua een gedenksteen waarop hij de wet van Mozes liet schrijven. Het volk stond voor de helft op de hellingen van de berg Ebal en voor de andere helft op de hellingen van de berg Gerizim daartegenover. Daarna las Jozua al de woorden van de wet van Mozes voor. Vgl. Jozua 8, 30-35. Vervloekt zij de man die…En gezegend zult gij zijn, indien…En al het volk moest zeggen: ‘Amen’. Zie ook Deut. 27, 1vv (vooral vs.26); 28:1vv.
De vloekrol van Zacharia’s zesde nachtgezicht vliegt ook vandaag nog rond. Ze keert zich tegen dieven en meinedigen. Kijk omhoog als in een spiegel. Hoe staan wij tegenover onze naaste, tegenover de Heere? Is het niet zo, dat ‘wie in één ding struikelt, schuldig staat aan alle geboden van Gods wet’ (Jak. 2, 10v)? En zijn wij dan soms niet van huis uit allemaal een dief en godslasteraar? Dragen wij niet allemaal een boos hart in ons om, waarin deze zonden leven, ook al trachten we in onze handel en wandel zo eerlijk mogelijk met onze medemensen om te gaan?
Het kan zijn, dat ik nog nooit een mens voor een dubbeltje heb bestolen; niemand krijgt een cent van mij. En voor een rechter ben ik nooit gedaagd geweest. Een meineed heb ik nimmer afgelegd. Ik wacht me er ook voor om de Naam van God in een vloek of krachtterm te misbruiken.

Gaat in zo’n geval dan de vloek van Zacharia’s boekrol aan mijn huis voorbij?


Laat God dan toch mijn ogen openen. Dan ontdek ik de dief in mijn hart. Want wat is de attitude van een dief? Een dief leeft voor zichzelf, denkt alle dingen naar zichzelf toe. Als ik het maar heb. Een dief is iemand die ten diepste alle dingen om zich zelf laat draaien en voor wie de naaste iemand is aan wie hij zichzelf denkt te verwerkelijken. Alleen als zodanig gunt hij zijn naaste leefruimte. Of hij onthoudt zijn naaste wat hem toekomt. Hij heeft wel wat voor hem over. Maar hij laat hem niet toekomen wat hem toekomt.
Je kunt een geldduivel zijn en je eerlijk verdiende centjes slechts of goeddeels voor eigen gebruik bewaren. Ben je dan geen dief? Onthoud je dan je naaste niet wat hem/ haar toekomt? Besteed je op deze wijze het je toevertrouwde goed naar Gods wil?
Je kunt als werkgever je personeel afjakkeren. Ben je dan geen dief? Je kunt de tijd van je baas stelen, door met andere dingen bezig te zijn dan wat je is opgedragen. Ben je dan geen dief? Er zijn vele vormen van diefstal. Maar al hebben we naar het schijnt eerlijke vingers, dan hebben wij toch allemaal van nature ook het hart van een dief. Wij zoeken allen van huis uit het onze. Wij stikken in eigenliefde. In plaats van dat we onze naaste liefhebben als ons zelf.
De hele maatschappij kan op diefstal gefundeerd zijn. Dan is er geen sprake meer van privé-bezit. Dan heeft de staat zich alles toegeëigend. En dat betekent, dat de mens niet echt een persoon kan zijn, die met het goed dat hem is toevertrouwt, woekert.
En dan het tweede. Het valselijk zweren waarover het gaat in Zacharia’s zesde nachtgezicht. Dat betreft mensen voor wie godsdienst een vlag is, die de lading moet dekken. Die het echter in de praktijk van het leven met de waarheid niet zo nauw nemen. Het gaat hier ook over hen die menen, dat een leugentje om bestwil geen zonde is. En dat is natuurlijk de grootste leugen. Er is geen waarheid en oprechtheid meer onder de mensen.
Misschien ben ik iemand die – als ik boos ben – me nooit eens een paar lelijke woorden laat ontvallen. Maar daarmee ben ik nog niet vrijgepleit van de zonde die in dit nachtgezicht aan de orde wordt gesteld.
Iemand die schijnvroom is, is dat soms geen meinedige? Je geestelijke stand ophouden, maar met je hart ver van God vandaan leven, is dat ook niet een meineed? Met je as.echtgenoot (-note) voorin de kerk geknield liggen en met de hand op je hart beloven, dat je elkaar levenslang trouw blijft. En een enkel jaar later er met een ander vandoor gaan. Is dat geen woordbreuk?

Bij het doopvont beloven, dat ik mijn kinderen in de vrees van Gods Naam zal opvoeden, maar bij nader inzien met hen nooit eens van hart tot hart spreken over de schone dienst van de Heere. Of in een gevoelvol uur, het uur van mijn geloofsbelijdenis in het midden van de gemeente, mij verplichten om altijd te vragen: ‘Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?’ Maar intussen toch maar gewoon doen en laten waar ik zin in heb. In benauwde ogenblikken, als ik naar de operatiekamer gereden wordt om een operatie te ondergaan, roepen om Gods hulp en Hem beloven Hem voortaan te zullen dienen. Een eed, een dure nog al liefst. Maar eenmaal weer thuis, kan alles weldra vergeten zijn en gaat het leven weer door als te voren..


De hele maatschappij kan op een meineed gegrond zijn. Dat houdt in, dat er met God en Zijn Woord is afgerekend; dat de volkswil en het individu het allesbepalende zijn. Dat is de doodssteek voor de maatschappij als gemeenschap waarin niet dat wat mij pleziert, maar dat wat nuttig is voor de ander de hoofdrol speelt.
Laten we de slotsom opmaken onder de ogen van God. Als de boekrol van Zacharia’s nachtgezicht over Nederland gaat vliegen, vliegt ze dan mijn deur voorbij? Of hebben we ons allen voor God te verootmoedigen? Wij, onze gezinnen, on­ze gemeente, ons volk van Nederland? De normloosheid en zedeloosheid nemen hand over hand toe. De misdadigheid is niet van de lucht. Gods Naam en Woord hebben nagenoeg geen ontzag meer. We leven in een tijd van gezagscrises. En de democratie is er blijkbaar voor hen die de grootste mond hebben.
Op één ding wil Zacharia’s zesde nachtgezicht ons in elk geval wijzen. Gods geduld is groot, maar niet oneindig groot. Naarmate wij langer blijven wie we zijn, worden we ook steeds harder. We worden elke dag meer gewend aan de boze toestand van ons hart. Tevoren liepen we nog wel eens met overtuigingen rond. We voelden goed, dat de dingen niet mochten blijven, zoals ze waren Maar we leefden eroverheen. En nu zijn we weer rustig. Ja, maar tegelijk ook een beetje harder dan we al waren. En elke dag een stapje dichter bij het oordeel. Want dat komt gewis en zeker. De vloek van God komt zeker. En als ze komt, komt ze als een voltreffer. 6
Wat Zacharia's nachtgezicht ons in zo’n geval vooral wil leren, is, dat wij niet de zonde kunnen vasthouden en tegelijk rekenen op genade.Wie niet door genade de gruwelijkheid van zonde inleeft en er van harte van af wil, die heeft geen recht om vergeving te vragen. Wie nog met heel zijn hart opgaat in de cultus van zijn ‘ik’, die kan niet vol verwondering tegen Jezus zeggen: ‘Wat bent U geweldig?’ Niet voor niets worden in het oude avondmaalsformulier de ergerlijke zondaars vermaand om zich van de tafel des Heeren te onthouden. Zij hebben geen deel in het rijk van Christus. ‘Alle godendienaars; allen die gestorven heiligen, engelen of andere schepselen aanroepen; allen die de beelden eer aandoen; alle tovenaars en waarzeggers die vee of mensen en ook andere dingen zegenen die aan zulke zegening geloof hechten; alle verachters van God, van Zijn Woord en van de heilige sa­cramenten; alle Godslasteraars; allen die tweedracht, sekten of muiterij in kerken en wereldlijke regeringen begeren aan te richten; alle meinedigen; allen die hun ouderen of overheden ongehoorzaam zijn; a1le doodslagers, kijvers en die in haat en nijd jegens hun naasten leven; alle echtbrekers, hoereerders, dronkaards, dieven, woekeraars, rovers, spelers, gierigaards en al degenen die een ergerlijk leven leiden.

3. Het gevleugelde Evangelie

Maar nu denkt iemand onwillekeurig: Als het er zo voorstaat, dan kan ik het wel vergeten. Moet dan een mens eerst zonder zonden gaan leven, alvorens hij een beroep kan doen op God en Zijn genade? Ging Jezus niet om met hoeren en tollenaren?


Inderdaad, maar dat deed Hij niet om hen in hun zonden te stijven, maar juist om hen ervan te bevrijden. Wie heeft ooit de zonden van de mensen ernstiger bestraft dan de Heere Jezus?! Maar Hij deed het altijd, omdat Hij wist, dat een mens niet echt leven kan door de zonde aan de hand te houden. Zolang als wij in de zonde leven, hebben we geen vrede en liggen we nog onder de vloek. Daarom wil ook de vloekrol van Zacharia’s nachtgezicht ons uit onze vadsige rust halen.
Kom tot bezinning. Als Gods heilige Geest ons wederbaart, gevoelen wij ons in geen enkel opzicht beter dan de dief en de meinedige van Zacharia 5. Maar er is wel een groot verschil met iemand die nog maar steeds in die zonden tiert. Een door Gods Geest ontdekt mens wil ervan af, al kan hij er uit eigen kracht niet van af. De zonde is voor hem de dood geworden.
Maar laat ons dan nu ook de andere kant van de medaille bezien. We verkondigen geen voorwaardelijk Evangelie. Het volgende (zevende) nachtgezicht van Zacharia laat ons zien, dat de Heere Zelf ervoor zorgt, dat de ongerechtigheid uit het land Israël en straks ook uit heel de wereld wordt weggedaan. Welk een troost.

En verder: we bladeren onze Bijbel door en komen uit in het laatste Bijbelboek. Zoals één en andermaal bij de behandeling van de nachtgezichten van Zacharia. Laten we nog eens lezen wat er geschreven staat in Openbaring 14. Daar treffen we de tegenhanger aan van wat we lezen in Zacharia 5 over de vliegende vloekrol.


Hier wordt namelijk gesproken over een engel die vliegt in het midden van de hemel. En wat heeft hij in zijn handen? Het eeuwige Evangelie. Dat wordt verkondigd aan hen die op de aarde wonen en aan alle natie en geslacht en taal en volk. Daar horen wij ook bij.

Het is het Evangelie van een Zaligmaker Die stierf te midden van moordenaars en godslasteraars en Die voor hen bad aan Zijn vloekhout: ‘Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen’ (:uk.23:34). Als wij deze Zaligmaker niet liefhebben, dan zijn we gewis een vervloeking (1 Kor. 16, 22).


De vloek uit Zacharia 5 heeft hard toegeslagen. Nooit zo hard als op Golgotha. Daar heeft hij de stenen en binten verpulverd. Daar heeft hij een Man getroffen Die nooit anders gedaan had dan het welzijn van Zijn naaste zoeken (het tegenovergestelde van een dief) en die altijd de eer van Zijn Vader had nagejaagd (het tegenovergestelde van een meinedige). Hier een Zaligmaker die de vloek van de dief en van de meinedige wil overnemen. ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven’ (Avondmaalsformulier). Hij is de Borg Die plaatsvervangend de vloek en het oordeel wegdroeg. Wie zich in Hem verbergt, is vrij van de vloek van de wet.

Hij is bereid om ons te ontvangen en ons te bevrijden van alle smetten van de zonde. Van een meineed als die van Petrus in Kajafas’ huis. En van de diefstal als van Judas. We lezen van Judas, dat hij de beurs droeg en zich niet ontzag om zich met de inhoud ervan te verrijken. Helaas, Judas kwam met zijn verkeerdheden niet aan de voeten van Jezus terecht, zoals Petrus.


Nog steeds vliegt de engel met het eeuwige Evangelie (uit Openbaring 14) boven onze hoofden. Een laatste appèl. Als we dat van de hand wijzen, zijn we reddeloos verloren. Het is een eeuwig Evangelie. Het vergaat niet. En het wil wonen in een verslagen zondaarshart. God weet van genade. Gelukkig. Zo wil dit Evangelie bij ons overnachten, zoals de vloekrol van Zacharia 5 bij ons overnacht. En nooit zullen wij meer vreugde hebben dan wanneer dit Evangelie ons hart verovert en ons hele leven doortrekt.
Want het gaat er uiteindelijk om, dat de aarde weer het woonoord wordt van allen die Gods wet eerbiedigen. ‘De zondaars zullen van de aarde verdaan worden en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof de Heere, mijn ziel.! Halleluja’ (Ps. 105:35).
Of zoals het lied van Petrus Immens het zegt:
Voel ik zo veel gebreken?

Hij Die mij roept, is trouw,

Die van geen schuld zal spreken,

zo ‘k Hem als Borg aanschouw.


Hij wil zo vaak vergeven,

als ik vergeving vraag;

Hij troost mij in dit leven,

wanneer ik treur en klaag.


Ik heb noch rund noch varren,

noch priesterlijke hoed,

geen kleed, versierd met starren,

maar een bevlekt gemoed.


Och, wil mijn ziel bestralen,

O held’re Gloriezon!

‘k Zal dan weer ademhalen

Bij U, mijn Levensbron!


GESPREKSVRAGEN
1. Dat in Openbaring 14 gesproken wordt over ‘een vliegende engel met een eeuwig evangelie’ , betekent dat, dat we vergeten kunnen wat er in het zesde nachtgezicht van Zacharia staat geschreven over de vloekrol?
2. Zouden wij in bepaalde gebeurtenissen in onze tijd een uitdrukking kunnen vinden van Gods vloek over een land en volk? Geef voorbeelden.
3. Met zondigen gaat het meestal van kwaad tot erger. Geef voorbeelden.
4. Een brood stelen , als men vergaat van honger, mag dat?
5. In Israël bestond er een rechtmatige verdeling van het land. Een Israëliet had naar Gods recht een ‘deel in Israël’ (‘erve der vaderen’). Akker aan akker rijgen (grootgrondbezit) was verboden. Hoe oordeelt u over het landbezit in landen als Peru (93% van het land in handen van 7 % van de bevolking)?
6. Hoeveel plechtige beloften deden wij ooit die we niet zijn nagekomen? Eerlijk zeggen tegen God.

AANTEKENINGEN
1. Met A.H. Edelkoort vertalen we het begin van vs.1 aldus: ‘Toen ik wederom mijn ogen opsloeg’. Zie Dr. A. H. Edelkoort, De profeet Zacharia; een uitlegkundige studie. Baarn 1945; blz.57.
2. Het Hebr.woord luidt: n.f. roll (writing, book; late) roll of writing, book (Eng.lexicon van Brown Driver/ Briggs). De LXX vertaalt met: dre/panon peto/menon.De Griekse dictionary Liddell Scott: Hdt., Att. (.] a scythe, Xen. [2.] a curved sword, scimitar, Hdt. Dus dan zou een sikkel waarmee men maait of een krom zwaard (Turkse kromme sabel) bedoeld zijn.
3. De Hebreeuwse grondtekst gebruikt in Zach. 5, 3 het woord= de vloek/ vervloeking;vgl.Jes. 24, 6; Jer. 23, 10.
4. Of: uitgeroeid (vs.3). Het hebreeuws heeftZie Jes.3, 26; Jer.30, 11; 46, 28. Volgens de Engelse dictionary Brown Driver / Briggs van: vb. be empty (?), clean -- Qal. Niph. 1. be cleaned out, of a plundered city; purged out, of liars and perjurers. 2. be clean, free from guilt, innocent, c. . 3. be free, exempt from punishment, abs. 4. free, exempt from obligation, c. , from oaths; from effects of drinking the bitter water. Piel 1. hold innocent, acquit. 2. leave unpunished: of man, c. acc.; elsewhere of God: abs.; c. acc.
5. J. Calvijn wijst er in zijn verklaring van de afmetingen van de boekrol (20 bij 10 ellen) op, dat men hier niet een verwijzing in moet lezen naar het begin van Jezus’ optreden op dertigjarige leeftijd. Hij noemt zo’n verklaring buitengewoon beuzelachtig
6. M.Henri: (volgens Online Bible): ‘Gods vloek komt met volmacht om deuren open te breken, en kan niet buiten gehouden worden door sloten of grendels. Daar waar de zondaar het zekerst is, en denkt, dat hij buiten gevaar is, - daar waar hij zich verkwikking belooft door voedsel en slaap, -daar, in zijn eigen huis, zal Gods vloek hem treffen; ja, hij zal niet alleen op hem, maar op al de zijnen vallen, om zijnentwil. [Vervloekt zal zijn zijn korf en baktrog, en vervloekt de vrucht zijns buiks,] Deut. 28: 17

De Kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen: ‘Hij zal het verteren.



Dat is, hij zal het zo ganselijk te schande maken, dat er niets overig blijven zal. Verg. Deut. 28:20; Matth. 24:2; Luk. 19:44.



1 Zie aantekening 1 aan het eind van deze Bijbelstudie

2 Zie aantekening 2 aan het eind van deze Bijbelstudie



3 Zie aantekening 3 aan het eind van deze Bijbelstudie

4 Zie aantekening 4 aan het eind van deze Bijbelstudie

5 Zie aantekening 5 aan het eind van deze Bijbelstudie

6 Zie aantekening 6 aan het eind van deze Bijbelstudie




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina