Het Zuiderzeeproject Land uit Water De eerste bewoning



Dovnload 43.48 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte43.48 Kb.
Het Zuiderzeeproject - Land uit Water

De eerste bewoning

Al vele, vele eeuwen lang wonen mensen op de plek die we nu Nederland noemen. Toen ons land nog een naamloze, zompige wildernis van water, riet en wilgen was, kwamen mensen vanuit hoger gelegen streken in het oosten hier naar toe om te jagen en te vissen. Ze woonden in tijdelijke nederzettingen op oeverwallen, hoger gelegen plekken die door de afzetting van klei langs rivieren ontstaan. De vruchtbaarheid van het land woog kennelijk op tegen de dreiging van stormvloeden die met grote regelmaat de getijdebossen langs de Noordzeekust teisterden.


Sinds de laatste ijstijd, die zo'n 12.000 jaar geleden eindigde, stijgt - door geleidelijke smelting van de poolijskap - het water van de zeeën en oceanen. Daardoor liepen de kustmoerassen steeds vaker onder water en steeds grotere stukken van het uitgestrekte veengebied werden door de zee in bezit genomen.
De oorspronkelijke, halfnomadische bevolking probeerde door ophoging met bijvoorbeeld riet hun nederzettingen voor overstroming te behoeden maar in de loop der tijd moesten ze de strijd opgeven.

In de kweldergebieden langs de noordkust echter werden door de bewoners vanaf ongeveer de derde eeuw voor Christus terpen opgeworpen waarop wél bewoning mogelijk was. Aan het begin van de jaartelling waren deze gebieden zelfs de meest dichtbevolkte en welvarende streken van West Europa.



Nederland, polderland

Tegen het einde van de Middeleeuwen, zo rond het jaar 1000, groeide de bevolking zo sterk, dat men vanuit de kwelders de ontoegankelijke veengebieden meer landinwaarts in trok. Door het graven van sloten werd de moerassige bodem zo goed en zo kwaad als het ging ontwaterd en geschikt gemaakt voor landbouw. Door de ontwatering echter verloor het veen volume; langzaam maar zeker zakte de bodem, die aanvankelijk boven zeeniveau lag, dieper en dieper weg. Bovendien werd veel veen afgegraven om te dienen als brandstof (turf). Tot het moment aanbrak dat het water van buitenaf in het gebied begon door te dringen.

Door het aanleggen van dijken bleven de ontgonnen veengebieden bewoonbaar. Het steeds dieper wegzakken van de bodem dwong de bewoners echter verdergaande maatregelen te nemen. Door regen en kwelwater dreigden de poldergebieden alsnog onder water te lopen. Met door windmolens aangedreven schepraderen kon het water worden "uitgeslagen" naar hoger gelegen water buiten de dijken.

Langzaam ontstond zo het typische Hollandse polderlandschap met de duizenden molens die het laag gelegen land droog hielden.

Een grote vooruitgang was indertijd de uitvinding van de windmolen met draaibare kap. Toen kreeg men ook de mogelijkheid kleine meren droog te maken. Een bekende naam in dit verband is de molenbouwer Jan Adriaanszoon Leeghwater (1575-1650) uit De Rijp. Dankzij de uitvinding van de getrapte bemaling, met molengangen van twee of drie molens op rij, konden ook diepere meren worden ingepolderd.

Maar het droogmaken van de 18.000 ha grote Haarlemmermeer durfde men nog niet aan. Dit meer vormde een grote bedreiging voor het omliggende land en zelfs voor Amsterdam. De drooglegging van de Haarlemmermeer kon echter pas plaatsvinden halverwege de vorige eeuw, nadat de stoommachine was uitgevonden.

Een nog groter gevaar dan de Haarlemmermeer vormde de Zuiderzee, een binnenzee met een oppervlakte van ongeveer 350.000 ha, die in open verbinding stond met de Noordzee. Het Zuiderzeeprobleem heeft de Nederlanders al eeuwenlang beziggehouden.

De Zuiderzee

Het oudste plan voor landaanwinning in de Zuiderzee dateert uit het jaar 1667, toen Hendric Stevin een plan ontwierp om "de Zuiderzee" af te dammen en grote delen in te polderen. Hendric Stevin stelde zijn plannen te boek in de Gouden Eeuw. In die tijd werden door investeringen van in de handel op Oost en West welvarend geworden kooplieden verschillende droogleggingsprojecten mogelijk gemaakt (Beemster, Purmer, Wormer, Heerhugowaard). Toentertijd bleek het plan van Stevin echter nog op onoverkomelijke moeilijkheden te stuiten; onder meer was dijkbouw in een zo grote oppervlakte stromend water onmogelijk.


Het zou twee eeuwen duren voordat nieuwe plannen aan de orde werden gesteld. De meeste hiervan waren echter om financiële of technische redenen niet of moeilijk uitvoerbaar. De man die tenslotte een plan maakte dat wél kon worden uitgevoerd was Cornelis Lely (1854 - 1929). Zijn naam is onverbrekelijk verbonden aan het grote project der Zuiderzeewerken.
In 1891 voltooide Ir. Lely zijn op grondige studie en op nauwkeurig plaatselijk onderzoek steunende rapporten, waarin hij de aanleg van een Afsluitdijk met sluizen tussen Noord-Holland en Friesland voorstelde. Hierdoor zou een oppervlakte van 350.000 ha worden afgesloten van de Noordzee. In de afgesloten Zuiderzee zouden in vier afzonderlijke inpolderingen de vruchtbaarste gronden worden drooggelegd, terwijl een wateroppervlakte van 120.000 ha zou overblijven die langzaam maar zeker zou verzoeten door vooral het IJsselwater. Het plan van Lely was zo goed dat bij de uitvoering ervan maar weinig van de oorspronkelijke opzet moest worden afgeweken.

De Zuiderzeewet

Nadat het plan Lely in verschillende opeenvolgende kabinetten was verworpen, kon in 1913 H.M. Koningin Wilhelmina bij de opening van de Staten Generaal de volgende historische woorden uitspreken: "Ik acht de tijd gekomen om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen. Verbetering van de waterstaatkundige toestand der omliggende provincies, uitbreiding van grondgebied en blijvende vermeerdering van arbeidsgelegenheid zullen daarvan het gevolg zijn. Een wetsontwerp tot uitvoering van die afsluiting en gedeeltelijke drooglegging zal U worden aangeboden".


Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog heeft het indienen van het aangekondigde wetsontwerp vertraagd. Maar de overstromingen in Noord-Holland in 1916 en de moeilijkheden met de voedselvoorziening in de Eerste Wereldoorlog zijn een aansporing geweest om het plan toch spoedig uit te voeren. In 1918 werd het wetsontwerp door de Eerste en Tweede Kamer aangenomen als de "Wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee". Een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van de Zuiderzeedroogmaking was hiermee bereikt. Met het werk kon nu een begin worden gemaakt.

Het doel van de werken

Toen de Zuiderzeewet in 1918 werd aangenomen had de Nederlandse regering verschillende doeleinden op het oog.

1 Verhoging van de veiligheid. In het verleden waren er langs de 300 km lange kustlijn van de Zuiderzee verschillende overstromingen voorgekomen. De laatste keer in 1916. De Afsluitdijk verkortte de kustlijn tot 30 km.

2 Vergroting van de voedselproductie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog heerste er een voedseltekort in Nederland. Landaanwinning voor de productie van voedsel was dus van groot belang.

3 Verbetering van de waterbeheersing. Het waterpeil van de afgedamde Zuiderzee - die nu IJsselmeer heet - kan goed worden beheerst. Dit is een groot voordeel voor een groot deel van Nederland.

4 Bestrijding van de verzilting. Na de afsluiting en het daarna zoet worden van het water in het IJsselmeer kan het zoutgehalte in de omliggende provincies op een laag niveau worden gehouden.

5 Verbetering van de verkeersverbinding. Door de nieuwe polders komen verschillende grote autowegen.

De volgorde van de werken
De Afsluitdijk

De afsluiting van de Zuiderzee werd in 1919 begonnen met de bouw van een dijk tussen het vaste land van Noord-Holland en het eiland Wieringen, de Amsteldiepdijk. Na veel tegenslagen kon deze 2,5 km lang dijk in juli 1924 worden gesloten.


In 1927 werd begonnen met de bouw van de Afsluitdijk tussen Wieringen en het vaste land van Friesland. De lengte van deze dijk bedraagt ongeveer 30 km: de hoogte varieert van NAP + 7,5 m tot NAP + 7,8 m, dit is ruim 3,5 m boven de hoogst bekende stormvloedstand in de Waddenzee (NAP=Normaal Amsterdams Peil, het als normaal aangenomen standaardwaterpeil in Nederland). Leter is een groot deel vand e Afsluitdijk op Deltahoogte (NAP + 10 m) gebracht.
De dijk is op de waterlijn gemiddeld 90 m breed en er loopt een vierbaans verkeersweg over. Na een worsteling met de zee die vijf jaar duurde, werd op 28 mei 1932 de dijk gesloten: De Zuiderzee had opgehouden te bestaan. Op de plaats waar de dijk werd gesloten staat een monument met de volgende woorden:"Een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst".
In de Afsluitdijk zijn 25 uitwateringssluizen gebouwd voor het lozen van het IJsselmeerwater: 3 complexen van 5 sluizen bij Den Oever (Stevinsluizen) en 2 complexen van 5 sluizen bij Kornwerderzand (Lorentzsluizen).
Naast de uitwateringssluizen zijn ook scheepvaartsluizen gebouwd: bij Den Oever een sluis voor schepen tot 2.000 ton en bij Kornwerderzand een sluis voor schepen tot 2.000 ton en een voor schepen tot 600 ton.
Op uitdrukkelijk verzoek van het Ministerie van Defensie werden bij de sluizen fortificaties gebouwd. De zware betonnen kazematten waren onderdeel van de Stelling Den Helder, de noordelijke verdediging van de Vesting Holland.
Proefpolder bij Andijk

Doordat Nederland er financieel en economisch slecht voor stond in de jaren twintig, gingen er stemmen op om te stoppen met het "geldverslindende" project van de Zuiderzeewerken. De regering benoemde daarom in 1922 een commissie die tot taak kreeg een onderzoek in te stellen naar de voordelen die van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee mochten worden verwacht. Deze commissie kwam tot de conclusie dat het Zuiderzeeplan met volle kracht moest worden voortgezet en stelde de regering voor zo spoedig mogelijk bij Andijk een proefpolder aan te leggen. Hier zou kunnen worden bekeken op welke manieren het beste de poldergrond geschikt te maken was voor de landbouw, alvorens ze in het groot toe te passen in de nog droog te leggen polder. Deze proefpolder van ca. 40 ha werd in 1926-1927 ingedijkt. Gedurende enkele jaren werd hier onderzoek verricht, dat bij de aanleg van de Wieringermeer heel nuttig is gebleken.


De Wieringermeerpolder 20.000 ha

In 1927, dus voordat de Afsluitdijk gereed was, was al een begin gemaakt met de dijk voor de Wieringermeer. Het oorspronkelijke plan was de Zuiderzee eerst af te sluiten en dan met de inpolderingwerken te beginnen, maar de grote behoefte aan landbouwgrond na de eerste wereldoorlog heeft de aanleg van de Wieringermeer versneld. In 1929 was de dijk klaar en in augustus 1930 (na zesenhalve maand pompen) was de Wieringermeer vrijwel droog. Voor het droogmalen en droog houden van de polder werden twee pompstations (gemalen) gebouwd, een elektrisch gemaal met 3 pompen, elk met een capaciteit van ± 400m3 per minuut (gemaal "Lely" bij Medemblik) en een dieselgemaal met 2 pompen, elk met een capaciteit van ± 250 m3 per minuut (gemaal Leemans bij Den Oever).


De ontginning en de inrichting van de polder werden door de Staat uitgevoerd. De plaatsen waar dorpen zouden moeten komen, werden niet in de plannen aangegeven; in de latere polders gebeurde dit wel. Toen de inrichting in 1941 was voltooid, waren er drie dorpen (in 1956 is er nog een vierde dorp bijgekomen) en meer dan 500 boerderijen met bijbehorende huizen gebouwd. In dat zelfde jaar (1 juli 1941) werd de Wieringermeer een zelfstandige gemeente.
Vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog, op 17 april 1945, werd de dijk van de Wieringermeer door de Duitse bezetter op twee plaatsen opgeblazen, waardoor de polder onder water kwam te staan.
Het was een geluk dat het IJsselmeerwater, waarmee de polder acht maanden lang was overdekt, toen al zoet was, waardoor de schade aan de grond beperkt bleef. Wel waren bijna alle boerderijen en huizen verwoest. Na de bevrijding zijn de herstelwerkzaamheden zeer snel uitgevoerd en omstreeks 1950 was de polder weer geheel bewoonbaar.
De Noordoostpolder 48.000 ha

In 1936 werd een begin gemaakt met de 54 km lange dijk en met de bouw van de drie pompstations (bij Lemmer, Urk en Vollenhove). De dijk werd in 1940 gesloten, maar pas in september 1942 viel de polder droog.

Doordat Nederland was bezet door de Duitsers heeft het droogmalen, maar ook het ontginnen en inrichten van de polder langer geduurd dan was bedoeld.
Bij de bouw van boerderijen werd in de Noordoostpolder voor het eerst gebruik gemaakt van in de fabriek vervaardigde beton-elementen. Er zijn rond 1.800 bedrijven (landbouw-, groenteteelt- en fruitteeltbedrijven) in pacht en erfpacht uitgegeven met een totale oppervlakte van ruim 42.000 ha; 2.200 ha is ingeplant met bos, terwijl ongeveer 3.000 ha van de oppervlakte wordt ingenomen door dorpen, wegen, kanalen enz. Rondom het centrumdorp Emmeloord zijn nog tien dorpen gebouwd.
In 1962 werd de Gemeente Noordoostpolder ingesteld. Deze gemeente hoorde aanvankelijk bij de Provincie Overijssel maar werd later, in 1986, onderdeel van de Provincie Flevoland.
Door de inpoldering zijn de eilanden Urk en Schokland een deel van de polder geworden. Urk is wel een aparte gemeente gebleven, terwijl Schokland in de Gemeente Noordoostpolder is opgenomen. Op het vroegere eiland is in en rond het voormalige kerkje Museum Schokland gevestigd. Een groot aantal geologische en archeologische vondsten uit de bodem van de vroegere Zuiderzee is in dit museum te zien.
Oostelijk Flevoland 54.000 ha

In 1950 is een begin gemaakt met de bouw van de 90 km lange ringdijk om de polder Oostelijk Flevoland. Na een onderbreking van een jaar, omdat veel materieel moest worden ingezet voor het dijkherstel in Zeeland na de stormramp in 1953, werd de dijk in september 1956 gesloten. Nadat de pompen van de drie gemalen zonder onderbreking negen maanden lang hadden gewerkt, viel op 29 juni 1957 de polder droog.


Op 1 januari 1972 werd de gemeente Dronten ingesteld. Tot deze gemeente behoren de dorpen Dronten, Biddinghuizen en Swifterbant en het omliggende landelijk gebied met een oppervlakte van ruim 35.000 ha. Lelystad, de hoofdstad van de Provincie Flevoland, werd op 1 januari 1980 gemeente.
Zuidelijk Flevoland 43.000 ha

Zuidelijk Flevoland viel op 28 mei 1968 droog. Het gemaal De Blocq van Kuffeler had ongeveer zeven maanden nodig om al het water eruit te pompen. De eerste landbouwbedrijven werden in 1979 verpacht. Opvallend in deze polder is de clustering van functies: het grote open middendeel, bestemd voor landbouw; de verstedelijkte westflank, die aansluit bij de randstad; het enorme bosgebied van het Horsterwold en tenslotte het zesduizend hectare grote wetlandreservaat De Oostvaardersplassen, grenzend aan het open water van het Markermeer.


Ongeveer 12.000 ha van deze laatste polder is gereserveerd voor de bouw van de stad Almere. Met de bouw van Almere-Haven is in augustus 1975 een begin gemaakt en in 1976 hebben de eerste bewoners zich er gevestigd. Met de bouw van Almere-Stad werd in 1979 aangevangen en Almere-Buiten kreeg haar eerste bewoners in 1984. In de toekomst zal Almere uitgroeien tot een stad van 300.000 inwoners.
Aan het Wolderwijd ligt het dorp Zeewolde waar ongeveer 15.000 mensen wonen. Zeewolde is niet alleen bedoeld als verzorgingskern voor het omringend agrarische gebied. Het dorp staat ook in de belangstelling als recreatiegebied: in het naastgelegen Horsterwold liggen een golfbaan, diverse campings en andere recreatiebedrijven. Door de ligging aan het water is Zeewolde ook zeer in trek bij watersporters.
Markerwaard

Het oorspronkelijke inpolderingsplan omvatte ook de drooglegging van het Markermeer. Van deze polder is al één en ander uitgevoerd. De dijk van Enkhuizen naar Lelystad werd eind 1975 gesloten en eind 1976 voor het verkeer opengesteld. In deze dijk zijn bij Lelystad en Enkhuizen scheepvaart- en uitwateringssluizen gebouwd.


Voor de regering heeft de aanleg van de Markerwaard geen prioriteit en voor de nabije toekomst is inpoldering van dit gedeelte van de voormalige Zuiderzee daarom niet aan de orde.

Het ontginnen en inrichten van een polder

Is zo'n IJsselmeerpolder eenmaal drooggevallen dan zijn daarin de eerste "toegangswegen" in het moeilijk begaanbare terrein al aanwezig. Dat zijn de grote kanalen die onder water werden gebaggerd en die het overtollige water naar de gemalen voeren. Na de drooglegging begint men met de ontwatering van de bodem, de wegenaanleg en het in cultuur brengen van het land. Dat betekent de aanleg van honderden kilometers sloten en greppels. Na enige jaren worden de open greppels vervangen door een ondergronds afwateringssysteem van drainagebuizen. Voorts moeten wegen en bruggen, woningen en boerderijen gebouwd worden, terwijl het landschap door het aanplanten van miljoenen bomen nog meer vorm en kleur krijgt.


Het geschikt maken van de grond voor de landbouw gebeurt in etappes van een paar duizend hectare per jaar. Het overgrote deel van de polder blijft dus de eerste jaren na het droogvallen onbewerkt liggen. In de Noordoostpolder had men de ervaring opgedaan dat riet de groei van onkruiden sterk tegengaat, terwijl het riet zelf na de ontginning betrekkelijk goed te bestrijden is. In Oostelijk Flevoland (en later ook in Zuidelijk Flevoland) werd daarom de pas drooggevallen grond met riet ingezaaid.
Rietbegroeiing belemmert niet alleen de groei van onkruiden, maar gebruikt ook grote hoeveelheden bodemwater, waardoor de grond sneller droogt. Bovendien wordt de grond door het wortelstelsel steviger, wat de ontginning vergemakkelijkt.
Gedurende de tijd dat de grond nog in beheer is bij het rijk (staatsexploitatie) wordt een extensieve bedrijfsvoering toegepast, dat wil zeggen dat alleen gewassen worden verbouwd die weinig arbeidskrachten vragen (granen en koolzaad). Na een tijdelijke staatsexploitatie van ongeveer 5 jaar wordt het land verpacht aan particuliere boeren.
In Oostelijk Flevoland zijn de eerste landbouwbedrijven in 1962 verpacht. De laatste verpachting vond plaats in 1977. Er waren toen bijna 780 bedrijven uitgegeven. De grootte van de verpachte bedrijven is gemiddeld 42 ha. Naast deze landbouwbedrijven waren er ook nog ruim 100 fruitteeltbedrijven met een gemiddelde grootte van 10 ha verpacht.
Ook in Zuidelijk Flevoland is praktisch alle landbouwgrond nu uitgegeven. Anders dan in de voorgaande polders, werd ook veel grond verkocht aan de nieuwe boeren.
Door de veranderde doelstellingen van de IJsselmeerpolders werd in Oostelijk en nog sterker in Zuidelijk Flevoland een veel kleiner deel van de grond voor de landbouw bestemd dan in de voorgaande polders.
De onderstaande tabel maakt dit duidelijk (de getallen geven het percentage aan van een bepaalde functie):


In % van opp.

Wieringermeer

Noordoostpolder

Oostelijk Flevoland

Zuidelijk Flevoland

Landbouwgrond


87

87

75

50

Woongebieden

1

1

8

25

Bossen en
natuurgebieden


3

5

11

18

Kanalen tochten
sloten dijken wegen


9

7

6

7




Uit de tabel blijkt verder dat een grote oppervlakte bestemd is voor de bouw van dorpen en steden, voor de inrichting van terreinen voor de recreatie (kampeerterreinen, bossen, parken etc.) en voor natuurgebieden.

In Zuidelijk Flevoland is het ca 6.000 ha grote natuurreservaat De Oostvaardersplassen het vermelden waard. Dit unieke kleimoeras is uitgegroeid tot een van de belangrijkste moerasreservaten (wetlands) van Europa. Vele duizenden vogels vinden er rust-, rui- en broedplaats. Daaronder zijn zeldzame soorten als bruine en blauwe kiekendief, grauwe gans, aalscholver, lepelaar, baardmannetje en blauwborst. Diverse reigersoorten, waaronder de grote en de kleine zilverreiger, vinden hier hun meest noordelijke broedgebied.

Uitvoerende diensten

Met het droogmaken, ontginnen, inrichten en besturen van de polders in de voormalige Zuiderzee heeft de overheid vanaf het begin speciaal opgerichte diensten belast.

Als onderdeel van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat werd in 1919 de Dienst der Zuiderzeewerken ingesteld, de latere Directie Zuiderzeewerken. Deze dienst kreeg als opdracht de waterbouwkundige werken - dijkbouw, sluizen e.d. - uit te voeren.
De in 1930 ingestelde Directie Wieringermeer werd belast met de inrichting van de drooggevallen polders. De Directie Wieringermeer werd in 1962 omgevormd tot de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Het regeringsbeleid richtte zich in de tachtiger jaren op privatisering van overheidstaken en inkrimping van de rijksdiensten. Daarom besloot de Minister van Verkeer en Waterstaat tot samenvoeging van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders en de Directie Zuiderzeewerken. Op 1 januari 1989 werd deze samenvoeging een feit in de instelling van de Directie Flevoland van Rijkswaterstaat.
In 1996 kwam een einde aan de inrichtingstaken. De Directie Flevoland werd omgedoopt in Directie IJsselmeergebied; deze dienst is nu een "normale" directie van Rijkswaterstaat die zich grotendeels richt op beheerstaken op het gebied van water en wegen.

Bestuur

Als de ontwikkeling van een nieuwe polder nog in de beginfase verkeert, wonen er eigenlijk te weinig mensen voor een verantwoord lokaal bestuur. De bestuurlijke taken werden dan ook uitgevoerd door een zogenoemd Openbaar Lichaam. Het bestuur van het Openbaar Lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders, met aan het hoofd een landdrost, had bijna dezelfde bevoegdheden als de burgemeester en wethouders van een normale gemeente. Het bestuur was echter niet gekozen door de lokale bewoners maar ingesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken en het stond dus, via deze Minister, onder de controle van het Parlement.


Inmiddels is het bestuur van het nieuwe land overgedragen aan gemeenten en provincie. Nadat op 1 januari 1984 de gemeenten Almere en Zeewolde waren ingesteld, werd op 1 januari 1986 de Provincie Flevoland - als twaalfde provincie van Nederland - een feit.
De Wieringermeer was al eerder opgenomen in de Provincie Noord-Holland.
Flevoland omvat de Noordoostpolder, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland en het Markermeergebied.
Bron: Nieuw Land Erfgoedcentrum, Lelystad



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina