Hfst 8: Persoonlijkheidsontwikkeling Introductie



Dovnload 48 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte48 Kb.

Hfst 8: Persoonlijkheidsontwikkeling

1. Introductie


Conceptualisatie van persoonlijkheidstrekken :

  • Hypothetische constructen; nut aantonen via proces van constructvalidatie.

  • Opnemen van trekken in procestheorieën om zo tot nieuwe en testbare hypothesen te komen (verklaring van psychologische en sociale fenomen)


Persoonlijkheidsontwikkeling – aandacht voor :

Oorsprong van individuele verschillen

Mate van continuïteit en verandering
Continuïteit/stabiliteit of verandering?

Continuïteit : genetisch-biologische factoren + omgeving

Verandering : omgeving
Vragen bij verandering :


  • Echte verandering of meetfout?

  • Random of gerichte verandering?

  • Verandering van de positie op de trek of van de manifestatie van de trek?


Informatieve designs :

Cross-sectioneel design :

2 groepen vergelijken op hetzelfde tijdstip



Longitudinaal design :

1 groep vergelijken op 2 verschillende tijdstippen

(meestal is dit onmogelijk wegens een gebrek aan financiële middelen en manskracht)

Panel design :

2 of meer groepen op meer dan 1 tijdstip gaan bestuderen


2. Ontwikkelingsantecedenten van persoonlijkheid: Dunedin studie


Caspi (2000) : “The child is the father of the man”

Epidemiologische en longitudinal onderzoek nr de psychologische-, soc- en fysieke ontw


Geboortecohort :

91 % van de kinderen geboren tussen 1/4/’72 en 31/3/’73

N=1.037 (52% mannen, 48% vrouwen)

Assessment :

perinatale data + data op 3, 5, 7, 9, 11, 13, 15, 18, 21 en 26 jaar

onderzoek : fysisch, psychologisch en psychiatrisch

aandacht voor info over de personen + hun interpersoonlijk netwerk

Unieke kenmerken van dit onderzoek :


  1. Prospectief longitudinale studie

  2. Epidemiologische studie van een geboortecohort (beperkte initiële selectie)

  3. Grote participatie (97 à 98%) - zeer beperkte uitval

  4. Multidisciplinair karakter (verschillende predictoren, verschillende criteria)

  5. Grote steekproef

  6. Aandacht voor interpersoonlijke netwerken + demografische gegevens


Temperament : Observaties op 3 jaar

‘Strange-situation-poefje’

Dmv clusteranalyse komt men tot 3 temperamentsgroepen


  1. Well-adjusted type (veerkrachtig) : zelf-controle, zelf-vertrouwen, rustig reageren op nieuwe situaties, mensen.

  2. Undercontrolled type : impulsief, rusteloos, negatief, afleidbaar en labiel responsief.

  3. Inhibited type : sociaal teruggetrokken, angstig, ongemak bij vreemden.


Temperamentskenmerken op 3-jarige leeftijd zijn predictief voor :

  1. Gedragsproblemen

    • Undercontrollers : externaliserend en internaliserend

    • Inhibited : internaliserend

  2. Persoonlijkheidsstructuur op 18 en 21

  3. Kwaliteit van de sociale relaties op 21 jaar

  4. Sociale ondersteuning

  5. Werk en werkeloosheid

  6. Psychiatrische stoornissen in de jongvolwassenheid

  7. Crimineel gedrag


Conclusies :

Mogelijkheid tot zinvolle predicties voor adaptief en maladaptief gedrag op jonge leeftijd, maar beperkte effect-size!


3. Vormen van ontwikkeling

3.1.Absolute ontwikkeling

= Absolute positie van een persoon op een persoonlijkheidstrek.


Vergelijking van de gemiddelde score van een groep.

Vb. vergelijking van gemiddelde trekscores van verschillende leeftijdsgroepen


Mogelijk : longitudinaal, cross-sectioneel en cross-cultureel onderzoek

Cross-cultureel onderzoek : grote informatieve waarde :

  1. weergave van een grote set omgevingsinvloeden; in welke mate leiden culturen tot verschillende/gelijkaardige ontwikkelingspatronen?

  2. Mogelijkheid tot interpretatie van cross-sectionele data.

  3. In kaart brengen van de socio-culturele en omgevingsfactoren waaraan een individu in een bepaalde periode werd blootgesteld.


Longitudinaal en cross-sectioneel Amerikaans onderzoek (McCrae & al.)

Ouder worden :

Daling in neuroticisme-, extraversie- en openheid-scores

Stijging in altuïsme- en consciëntieusheid-scores

Voor 30 : absolute verandering (meeste verandering)

Na 30 : stabiliteit

Probleem : liggen er culturele of maturationele factoren aan de basis?

(m.a.w. typisch Amerikaanse trend of niet?)

Beperkte ondersteuning voor specifieke trekken in Europees onderzoek
Cross-culturele generaliseerbaarheid van deze patronen : onderzoek m.b.v. een zelfde instrument : de NEO-PI-R

Data : Duitsland, Italië, Portugal, Kroatië en Korea

4 cross-sectionele leeftijdsgroepen : 18-21, 22-29, 30-50, 50+

Vergelijking van de domeinscores


Aantal hypothesen :

Maturationele hypothese :

Er wordt geen bepaalde richting van ontwikkeling vooropgesteld.

Effecten gevonden in 1 cultuur zijn veralgemeenbaar naar andere culturen.

Culturele hypothesen : (omgevingsperspectief)

Ouderen-georiënteerde culturen (vb. Noord-Korea; ouderen minder N en meer sociaal acties) vs jeugdgeoriënteerde culturen (omgekeerd patroon).

Duitsland/Italië : ouderen scoren lager op O (opgroeien in fascistisch klimaat)

De 5 landen : verwacht : geen daling van N, door het opgroeien in een slecht sociaal-economisch klimaat (in tegenstelling met USA)

Resultaten :

Gelijkaardige patronen voor mannen en vrouwen in alle 5 landen.

Lichte daling voor N, E, O en lichte stijging voor A en C

Jongste vs oudste : significante verschillen voor 22 van de 25 vergelijkingen1

30-49 vs 50+ : 10 significante verschillen

22-29 : gemiddelden liggen tussen de gemiddelden van de aansluitende groepen

DUS : Grootste absolute verandering voor de 30 jr (1/6SD verschil per 10 jr)
Algemeen resultaat :

Maturationele factoren liggen aan de basis van de gevonden verschillen, want elk cohort groeide op in een cultuurhistorisch sterk verschillende omgeving.


3.2.Differentiële onwikkeling


= stabiliteit versus verandering in trekscores t.o.v. een referentiegroep
Differentiële en absolute continuïteit zijn onafhankelijk van elkaar :

Vb. een extravert persoon neemt na 20 jr nog steeds een extraverte positie in t.o.v. zijn leeftijdsgenoten (=diff. ontwikkeling) niet tegenstaande dat de gemiddelde extravertie score van de groep gedaald is (=abs. ontwikkeling)


Differentiële stabiliteit wordt uitgedrukt m.b.v. correlatiecoëfficiënten (.30 tot .70)

Differentiële verandering (kan ook gevolg zijn van meetfouten)


3.2.1. Life-span onderzoek van Judge et al. (1999)

Onderzoek naar differentiële stabiliteit voor de dimensies van de VFM.

Heranalyse van 354 individuen uit de Berkeley studies
Berkeley studies (1928-1929)

Verzameling van gedragsobservaties op 5 verschillende momenten :

12-14, 15-18, 30-39, 41-50, 53-62

A.d.h.v. Q-sort methode komt men tot scores op de 5 dimensies van de Big Five


Resultaten :

  • Significante correlatie van persoonlijkheidsbeoordelingen tussen jongste en oudste

  • Substantiële correlaties voor aan elkaar grenzende intervallen voor alle 5 factoren

  • Differentiële stabiliteit:

C (.59) en O (.56) relatief stabieler dan A (.43)

N en E liggen hier tussen



  • Persoonlijkheidsbeschrijvingen gedurende de puberteit zijn predictief voor later intrinsiek en extrinsiek carrièresucces.

C is een positieve predictor van tevredenheid met de job

N (-), E (+), A (-) en C (+) voorspellen van beroepsstatus en salaris

Verklaarde variantie bedraagt resp. 18 en 29 %
8.3.2.2. Studie van persoonlijkheid en life-events, Costa & al. (2000)

Onderzoek naar de relatie tussen life-events en persoonlijkheid

N=2274 (6-9 jaar interval); startleeftijd 39 tot 45

Ondersteuning voor differentiële en absolute stabiliteit


Persoonsveranderingen door life-events of in de mid-life periode zijn gering.
Associatie tussen aantal life-events en persoonlijkheidsverandering :

Correlatie tussen de life-eventsindex (som van aantal + en – life-events) en de trekverschilscore op 2 tijdstippen: 0.00 tot 0.06 (gem 0.01)

Bij negatieve life-events lichte stijging tot 0.03


  • aantal gerapporteerde life-events : onafhankelijk van persoonlijkheids-verandering

  • niet de event op zich, maar de perceptie ervan is gerelateerd aan verandering


8.3.2.3.Meta-analyse; Roberts en Del Vecchio (2000)

A.d.h.v. meta-analyse nagaan



  • of differentiële stabiliteit gerelateerd is aan leeftijd?

  • op welk moment stabiliteit een maximum bereikt gedurende de levensloop?

  • Is dit punt hoog genoeg om t kunnen claimen dat de positie op trekken na dit punt niet meer evolueert?

Analyse van de terst-hertest correlatiecoëfficiënten van 152 longitudinale studies.

Stabiliteit van trekken (zie tabel)
Resultaten :

Trekken zijn consistent over de levensloop.

Op 30 jaar wordt er GEEN stabiliteit bereikt.

Consistentie bereikt een hoogtepunt na 50, maar dit is zeker niet absoluut!


Onderzoek naar het effect van tijdsinterval, differentiële deelname, geslacht en methode op de stabiliteit van trekscores :

Tijdsinterval – beperkte invloed

Differentiële deelname – verklaring hoge stabiliteitscoëff. van Costa & McCrae

Geslacht en methode – beperkte invloed


3.3. Ipsatieve ontwikkeling

= Relatieve ordening en organisatie van trekken binnen het individu.

Kijken naar de configuratie of het profiel van trekken in het individu

(Abs. en diff.; slechts 1 trek tegelijk)


Blijft een dergelijk profiel stabiel over de tijd?

Uitdrukking van ipsatieve stabiliteit : indexen die similariteit in profielen beschrijven.



  • Studenten met N-, E+ en C+, betere kansen op arbeidsmarkt (De Fruyt, 2002)

  • 3 grote groepen obv persoonlijkheidskarakteristieken : resilients, under- en overcontrolled (Asendorpf & Van Aken, 1999) Stabiel over 6 maand.

  • Ipsatieve stabiliteit over 4 jaar : slechts beperkt deel van de steekproef toonde een verschillende configuratie (Robins, fraley, Roberts & Trzesniewski, 2001)


3.4.Structurele ontwikkeling

= De stabiliteit in de covariatie van big five persoonlijkheidstrekken over tijdstippen.


Onderzoek gebeurt m.b.v. structurele vergelijkingsmodellen – de fit van 2 modellen vergelijken :

Model 1 : correlaties tussen de 5 factoren worden vrij geschat voor elk tijdstip

Model 2 : correlaties worden als gelijk beschouwd over de tijdstippen

Een structurele verandering in de factorstructuur is een mogelijke ontwikkelings-transformatie.


Robins & al (2001) : patroon van intercorrelaties tussen de 5 factoren is invariant over een tijdsinterval van 4 jaar.

Dit onderzoek bestrijkt de 4 verschillende vormen van continuïteitsonderzoek binnen dezelfde studie op dezelfde steekproef (dus ook absoluut en differentieel, zie tabel)


4.Verklaringen voor continuïteiten en discontinuïteiten


Momenteel : voorkeur voor de verschillende vormen van stabiliteit en continuïteit in de ontwikkeling van persoonlijkheidstrekken zonder verandering uit te sluiten.
Roberts en Del Vecchio (2000) : Hoe kunnen we deze continuïteiten verklaren?

  1. Consistente omgevingen : Gedragsontwikkeling wordt gestuurd vanuit een omgeving die covarieert met persoonlijkheidsverschillen. Het in de hand werken van congruentie tussen de persoon en de omgeving leidt tot stabiliteit.

  2. Genetische factoren : 40 tot 60 % van de variantie in persoonlijkheidstrekken is genetische bepaald. Ontwikkeling heeft een erfelijke basis! Onderzoek van McGue & al. (1993) : tweelingonderzoek; 80% van de consistentie door erfelijke factoren bepaald!

  3. De psychologische make-up van het individu : sommige trekken zijn gerelateerd aan continuïteit. Trekken kunnen iets vertellen over de aanpassing aan de omgeving (stabiliteit varieert over individuen)

  4. Persoon-omgevingsinteracties :

    • Reactief : de nterpretatie van elementen uit de omgeving is consistent met de persoonlijkheid.

    • Evocatief : uitlokken van reacties uit de omgeving die bijdragen tot het in stand houden van de trekken.

    • Proactief : selecteren van rollen en omgevingen die het best bij de eigen persoonlijkheid passen.

    • Manipulatief : Proberen de omgeving te veranderen om zo tot een beter fit met de persoonlijkheid te komen.

  5. Geconsolideerde identiteit (reputatie)


5. Perspectieven


Hoe verandering bewerkstelligen?

Geen pessimistische visie!


Additionele mogelijkheden

  • Onderscheid trek vs gedrag :

Gedrag is makkelijker leerbaar, ontwikkelbaar dan het veranderen van persoonlijkheidstrekken.

  • Trekken als ‘building blocks’

  • Focus op sterke punten

  • Omgevingen aanpassen aan mensen :

De omgeving draagt bij tot verandering, maar ook tot stabiliteit en continuïteit. De persoonlijke ontwikkeling moet dus gezien worden binnen de omgeving waarin deze plaatsvindt.

  • Klinisch-therapeutische hoek :

Extra aandacht besteden aan persoon-omgevingsrelaties.

Hfst 8: Persoonlijkheidsontwikkeling



    1. Introductie




    1. Ontwikkelingsantecedenten v persoonlijkheid: Dunedin studies




    1. Vormen van ontwikkeling

3.1. Absolute ontwikkeling

3.2. Differentiele ontwikkeling

3.2.1. Life span onderzoek van Judge et al

3.2.2. Studie van persoonlijkheid en life events, Costa et al

3.2.3. Meta-analyse, Roberts en Del Vecchio



3.3. Ipsatieve ontwikkeling

3.4. Structurele ontwikkeling


    1. Verklaringen voor continuiteiten en discontinuiteiten




    1. Perspectieven



1 5 vergelijkingen : 5 factoren (N, E, O, A en C) x 5 culturen







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina