Hier volgen zeven veel voorkomende formuleringsfouten



Dovnload 54.21 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte54.21 Kb.

Paragraaf 1 - De standaardfoutenlijst



Hier volgen zeven veel voorkomende formuleringsfouten:

  1. Dubbelop:

1.1 onjuiste herhaling

1.2 tautologie

1.3 pleonasme

1.4 contaminatie

1.5 dubbele ontkenning


  1. Fouten met verwijswoorden:

2.1 onjuiste verwijswoorden

2.2 slordig verwijzen



  1. Incongruentie

  2. Dat/als-constructie

  3. Foutieve samentrekking

  4. Foutieve beknopte bijzin

  5. Losstaand zinsgedeelte


Dubbelop.

Er zijn vijf verschillende soorten fouten waarbij iets op de een of andere manier twee keer wordt gezegd.




    1. Onjuiste herhaling

Als een vast voorzetsel ten onrechte twee keer wordt gebruikt, is dat een onjuiste herhaling.


    1. Tautologie

Als hetzelfde twee keer wordt gezegd met verschillende woorden van dezelfde woordsoort (synoniemen), heet dat een tautologie


    1. Pleonasme

Bij een pleonasme wordt een deel van de betekenis van een woord of een woordgroep, nog eens door een ander word uitgedrukt. Dat andere woord is meestal van een andere woordsoort


    1. Contaminatie

Als twee woorden of uitdrukkingen worden verward en ten onrechte worden vermengd, het dat een contaminatie


    1. Dubbele ontkenning

In zinnen met een werkwoord dat al een´ontkennend´ karakter heeft (voorkómen, misbruiken, verbieden, weerhouden, nalaten) wordt soms ten onrechte een tweede ontkenning toegevoegd.

Paragraaf 2 - Fouten met verwijswoorden


Verwijswoorden wijzen terug naar een eerder genoemd woord of vooruit naar een woord dat verderop in de zin staat, het antecedent. Het is belangrijk dat je het juiste verwijswoord kiest dat het absoluut duidelijk is waarnaar het verwijswoord verwijst.

Onjuist verwijswoord


Zoek om het juiste verwijswoord te bepalen eerst het antecedent. Kies daarna met behulp vsn het schema een correct verwijswoord. Als het antecedent een woordgroep is, zoek dan eerst het kernwoord!


antecedent

Pers. vnw

Bezitt. vnw

Aanw. Vnw.

Betr. vnw

Mannelijk

De-woord


Hij, hem

Zijn

Deze, die

Die

Vrouwelijk

De-woord


Zij, ze

Bij niet-personen: ze



Haar

Deze, die

Die

Het-woord

(onzijdig)



Het

Zijn, z’n

Dit, dat

Dat

Meervoudige

Zelfstandige

naamwoorden


Onderwerp: zij, ze

Lijd. Vw: hen

Na voorzetsel: hen

Meew. Vnw: hun



hun

Deze, die

Die



Hij, zij (ze) of het; hem of haar; zijn of haar ?


Er zijn mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden. Mannelijke woorden zijn de-woorden; in het woordenboek staat achter mannelijke woorden een m; verwijs naar mannelijke woorden met hij, hem en zijn. Ook vrouwelijke worden zijn de-woorden; in het woordenboek staat achter vrouwelijk woorden een v; verwijs naar vrouwelijke worden met zij, ze en haar. Let op: er zijn vrouwelijke woorden die ook wel mannelijk gebruikt mogen worden; daarachter staat in het woordenboek v(m). Onzijdige woorden zijn het-woorden; in het woordenboek staat achter onzijdige woorden een o; verwijs nar onzijdige worden met het en zijn. Let op: namen van landen, steden en clubs en ook verkleinwoorden zijn het-woorden.

Die of dat; deze of dit ?


Verwijs naar de-woorden met die en deze en naar het-woorden met dat en dit.

Hen of hun ?


Gebruik hen wanneer het een lijdend voorwerp is of als het na een voorzetsel staat. Gebruik hun als het een meewerkend voorwerp is. gebruik hun nooit als onderwerp!

Hen: ik zie hen lopen. (wie of wat, zie, ik, lopen)

Hun: ik geef hun dat boek. (wie of wat, geef, ik, dat boek)

Dat of wat ?


Gebruik het verwijswoord dat als je verwijst naar een het-woord. Gebruik het verwijswoord wat als je verwijst naar:

  • een onbepaald voornaamwoord (alles, iets, niets, het enigste)

  • een vergrotende trap (het beste, het mooiste, het grootste)

  • een hele zin


wie of waar… ?

gebruik bij personen wie en bij zaken waar…


Soms verwijst een verwijswoord terug naar iets wat helemaal niet in de tekst staat. Het heeft dan geen antecedent.
In andere gevallen is er meer dan één antecedent mogelijk: het is onduidelijk wat het juiste antecedent is.

Paragraaf 3 – Incongruentie


Bij een enkelvoudig onderwerp hoort een enkelvoudige persoonsvorm. Als bij een enkelvoudig onderwerp een meervoudige persoonsvorm hoort of bij een meervoudig onderwerp een enkelvoudige persoonsvorm, heet dat een incongruentie. Incongruentie ontstaat vaak:

  • als het onderwerp meervoud lijkt, maar enkelvoudig is

  • als persoonsvorm en het onderwerp ver uit elkaar staan

  • als een meewerkend voorwerp ten onrechte voor het onderwerp wordt aangezien



Paragraaf 4 – Dat/Als-constructie


Een bijzin van voorwaarde begint vaak met als of wanneer. Als de bijzin niet achteraan de zin staat, ontstaat er een dat/als-constructie. Vermijd die door ‘volgens mij’ te gebruiken in plats van ‘ik denk’ of ‘ik vind’.

Paragraaf 5 – Foutieve samentrekking


Samentrekking betekent weglating. Het komt voor:

  • bij woorddelen; voor- en nadelen

  • bij woorden; korte (…) en lange broeken

  • bij zinsdelen; [jan koopt een cd] en [piet (…) een mp3-speler]

als je twee zinnen aan elkaar plakt met en of maar, mag je de delen die hetzelfde zijn in de tweede zin weglaten, maar dat mag alleen als:

1) de betekenis hetzelfde is, en …

2) de vorm hetzelfde is, en … (bv: enkelvoud en meervoud)

3) de grammaticale functie hetzelfde is (bv: onderwerp, lijdend voorwerp, etc.)
Paragraaf 6 – Foutieve beknopte bijzin

Van een bijwoordelijke bijzin kun je een beknopte bijzin maken, voorbeeld:



  • [ bijwoordelijke bijzin Omdat hij (ow) er ging (pv) studeren], moest joep in Amsterdam op kamers

  • beknopte bijzin Om er te gaan studeren] moest joep in Amsterdam op kamers.

In een beknopte bijzin staat geen persoonsvorm en ook geen onderwerp. Je kune dat onderwerp wel in gedachten invullen. Het ‘denkbeeldige’ onderwerp van de beknopte bijzin moet hetzelfde zijn als het onderwerp van de hoofdzin. Als dat niet zo is, klopt de zin niet.


Er zijn drie soorten beknopte bijzinnen:

  • met een voltooid deelwoord (al gebeurd)

  • met een onvoltooid deelwoord (nog bezig)

  • met te + hele werkwoord



Paragraaf 7 – Losstaand zinsgedeelte


Bijwoordelijke bijzinnen zijn zinsdeel binnen een grotere zin. Ze mogen dus niet los staan van de zin waar ze in horen.

Nederlands spellen bladzijde 219 – 240



De persoonsvorm

De persoonsvormen vind je door de zin van tijd te veranderen; de werkwoorden die mee veranderen, zijn persoonsvormen



Tegenwoordige tijd


  • spel de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd enkelvoud

    • als stam: ik raad, jij raad

    • als stam + t: jij raadt, zij raadt, Karst raadt

  • spel de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd meervoud

    • als infinitief: de mensen raden


Verleden tijd

Gebruik bij zwakke werkwoorden ’t ex-fokschaap: als de letter voor de uitgang –en het hele werkwoord een t, x, f, k, s, ch of p is, schrijf de verleden tijd dan als stam + te


Let op: de ‘e’, de ‘o’ en de ‘aa’ tellen niet mee. De vervoeging van de sterke werkwoorden levert geen spellingproblemen op.
Onthoud: in de verleden tijd bij een sterk werkwoord nooit –dt

Import-werkwoorden


Engelse werkwoorden die in het Nederlands gebruikt worden, vervoeg je alsof het Nederlandse werkwoorden zijn. Je schrijft: hij showt, hij rugbyt, ik plande, jij hockeyde. Laat de Engelse uitgangs-e staan, als je uitspraakproblemen krijgt:

  • racen - ik race, hij racet

  • timen - ik time, hij timet

  • lastig is deleten - ik delete, hij deletet, hij deletete, hij heeft gedeletet

gebruik in de verleden tijd gewoon ’t ex-fokschaap.

Overige werkwoordsvormen


Andere werkwoordsvormen dan de persoonsvorm zijn infinitief, gebiedende wijs, onvoltooid deelwoord en voltooid deelwoord
De infinitief staat in het woordenboek: oppassen, spelen. Spel de gebiedende wijs als stam: pas op! Speel die bal nu eens! Spel het onvoltooid deelwoord als infinitief + d(e): oppassend(e), spelend(e).
Gebruik bij zwakke werkwoorden voor het voltooid deelwoord ’t ex-fokschaap. Als de letter voor de uitgang- en van het hele werkwoord een letter uit het ex-fokschaap bevat, eindigt het voltooid deelwoord op –t; in andere gevallen op –d.

  • oppassen: ik heb vanmiddag opgepast

  • spelen: waar wordt de wedstrijd gespeeld

van een onvoltooid deelwoord en een voltooid deelwoord kun je een bijvoeglijk naamwoord maken. Spel het bijvoeglijk naamwoord altijd zo kort mogelijk.



  • Jan Peter lijkt op die vergrote (bn) foto toch een flinke jongen

  • De gisteren gespeelde (bn) wedstrijd eindigde teleurstellend (od) in 0-0

  • Maar: de pas gewitte (bn) wanden, de geredde (bn) dieren

Leestekens
Punt

Zet een punt:



  • aan het einde van de zin

  • bij afkortingen: G. A. Bredero, enz., m.i.v.

let op:

  • schrijf afkortingen die als woord worden uitgesproken, zonder punten: TROS, STER, NAVO

  • schrijf maten en gewichten zonder punt: mg, km


Komma

Komma’s maken lange zinnen overzichtelijk. Zet een komma:



  • tussen de onderdelen van opsommingen

  • tussen twee persoonsvormen

  • voor of na een aanspreking of een tussenwerpsel

  • voor en na een bijstelling

  • voor een voegwoord waarmee de bijzin begint

  • gebruik in korte samengestelde zinnen geen komma


Puntkomma

Een puntkomma betekent en. Zet een puntkomma



  • tussen zinnen die sterk met elkaar samenhangen

  • tussen delen van opsommingen, zeker als het om zinnen gaat



Dubbele punt


Gebruik een dubbele punt

let op: na een dubbele punt volgt geen hoofdletter, behalve bij de directe reden, maar dan volgen eerst nog aanhalingstekens
Aanhalingstekens

Gebruik aanhalingstekens



  • bij een citaat

  • bij de directe reden

let op: plaats de leestekens altijd binnen de aanhalingstekend.

  • om aan te geven dat een woord een andere betekenis heeft dan normaal



Vraagteken


Ze teen vraagteken

  • aan het eind van een letterlijk gestelde vraag

let op: in de indirecte rede gebruik je dus geen vraagteken

Uitroepteken


Zet een uitroepteken

let op: zet nooit meer dan één uitroepteken

Haakjes


Zet haakjes om informatie die je geeft als toelichting, uitleg of voorbeeld. Maar gebruik deze leestekens zo min mogelijk, want ze verstoren de lopende tekst. In de tekst geplaatste afbeeldingen voorzie je van een nummer en korte uitleg

Beletselteken


Gebruik het beletselteken, drie puntjes,

  • aan het eind van een zin die niet af is

  • om onvolledige citaten aan te duiden


Hoofdletters
Gebruik een hoofdletter:

  • aan het begin van een zin; let op: als de zin met een apostrof begint, krijgt her tweede woord een hoofdletter

  • bij persoonsnamen; als bij een achternaam met voorvoegsel geen voornaam of voorletter staat, schrijf je het eerste voorvoegsel met een hoofdletter; anders moet een kleine letter

  • bij namen van verenigingen, instellingen, bedrijven en diensten

  • bij aardrijkskundige namen en namen van merken, historische gebeurtenissen, straten, hemellichamen, gebouwen, feestdagen en bij titels van boeken en films

Met een kleine letter schrijf je namen van



  • soortnamen

  • historische periodes

  • afleidingen van feestdagen

  • maanden

  • dagen

  • jaargetijden

  • windstreken

  • geloven


Meervoudsvorming

Meervoud op -s


Schrijf de –s aan een woord ast als de uitspraak correct blijft:

  • kamers, asperges, logés, kanaries, goeroes, dominees

schrijf om uitspraakproblemen te voorkomen ‘s:



  • bij afkortingen vwo’s, cd’s, cao’s

  • in wpoorden die eindigen op a, i, o, u, y

maar: etuis, bureaus, jockeys, cowboys, essays

Meervoud met –en


Schrijf –en aan het woord vast: stoelen, koorden, polsen. Let op:

  • klinkerweglating: leraar, leraren

  • medeklinkerverandering: glas, glazen; brief, brieven

  • medeklinkerverdubbeling: rok, rokken

maar: als een woord eindigt op een onbeklemtoonde –ik, -es of –et. Verdubbelt de laatste medeklinker niet: havik, haviken; stommerik, stommeriken; dreumes, dreumesen; lemmet, lemmeten
woorden op –ie krijgen soms een –s, maar in andere gevallen –n of –en. Voor meervouden op –n of –en is de regel:

  • klemtoon op -ie à meervoud met –ën; industrie, industrieën

  • klemtoon niet op –ie à meervoud met –n; trema op de e die er al staat; olie, oliën


Meervouden met –s of –en

Er zijn heel wat woorden met twee meervoudsvormen, met –s of met –en



Vreemde meervouden


Oorspronkelijk Latijnse woorden hebben soms twee meervoudsvormen:

  • basis à bases of basissen

  • museum à musea of museums, maar niet musea’s

  • datum à data of datums, maar niet data’s

Maar:

  • medium à media; alleen als het een tussenpersoon betreft: mediums

  • musicus à musici en niet musicussen


Tussenklank in samengestelde woorden: -s of –e(n)

Sommige woorden kun je gewoon aan elkaar plakken als je een nieuw woord wilt vormen, bij andere moeten er letters tussen



Tussen –s


Schrijf de tussen –s als je hem hoort. Als het tweede deel van de samenstelling met een -s klank begint, is de tussen –s lastig te horen. Vervang dan het tweede deel en schrijf de –s als je hem in vergelijkbare samenstelling hoort

Tussen –e of tussen –en


Schrijf in een samenstelling de tussen –en als het eerste woord een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op –en heeft. In de volgende gevallen geen tussen –en, maar een tussen –e:

  • het eerste deel heeft alleen een meervoud op –s

  • het eerste deel heeft twee meervouden; op –s en op –en

  • het eerste deel heeft geen meervoud

  • het eerste deel verwijst naar een uniek exemplaar

  • het eerste deel versterkt een bijvoeglijk naamwoord

  • het eerste deel is geen zelfstandig naamwoord

  • het woord wordt niet meer als een samenstelling gezien (of is geen samenstelling)

Verkleinwoorden

Verkleinwoorden maak je door –je, -kje, -pje, -tje of –etje achter het zelfstandig naamwoord te zetten.



Aan elkaar of los


Schrijf de volgende woorden aan elkaar:

  • samenstellingen van twee of drie woorden

  • getallen tot honderd (in letters) en samenstellingen met honderd en duizend

  • voornaamwoordelijke bijwoorden (bestaan uit er, hier, daar, waar + voorzetsel)


liggend streepje

het liggend streepje dient als koppelteken, als afbreekstreepje en om weglatingen aan te geven


Koppelteken

Gebruik een koppelteken in de volgende gevallen:



  • om uitspraakproblemen te voorkomen

  • in de naam van getrouwde vrouwen

  • in woorden met de voorvoegsels adjunct-, aspirant-, ex-, interim-, niet-, non-, oud-

  • voor een hoofdletter

  • in combinaties van titels en beroepen

  • bij aardrijkskundige namen, of woorden die daarvan afgeleid zijn

  • bij letters, cijfers, andere tekens en St of Sint

  • in woorden die andere onoverzichtelijk worden

Let op: gebruik je bij getallen in woorden een trema

Weglatingsstreepje


Zet een streepje op de plek waar een deel van een woord is weggelaten

Afbreekstreepje


Gebruik het liggende streepje als afbreekteken, als een woord niet meer op de regel past. Breek alleen af tussen twee lettergrepen. Zorg ervoor dat er niet maar één klinker overblijft. Twijfel je over de juiste plaats, zet dan het hele woord op de volgende regel
Dit zijn de afbreekregels

  • breek bij één alleenstaande tussenmedeklinker af voor die medeklinker; de ch is één letter

  • breek bij twee tussenmedeklinkers meestal af tussen die twee medeklinkers

  • verplaats bij drie of meer tussenmedeklinkers zoveel medeklinkers naar de volgende regel als ze samen uitgesproken kunnen worden

  • handhaaf bij samenstellingen de oorspronkelijke woorden


Trema

Het trema voorkomt uitspraakproblemen in woorden die geen samenstelling zijn

Plaats het trema op de tweede klinker waar het leesprobleem kan ontstaan, de eerste letter van de volgende lettergreep. Let op: bij woordafbreking vervalt het trema. Voor de lettergreep waarop het trema staat, kan het woord in principe worden afgebroken

Apostrof

Gebruik de apostrof



  • op de plaats van een weggelaten letter

  • op de plaats van een weggelaten bezits-s

  • om uitspraakproblemen bij het meervoud en bezitsaanduidingen te voorkomen

Let op: geen uitspraakprobleem, dan de bezits-s aan het woord vast

  • in afleidingen van letter- en cijferwoorden

  • bij verkleinwoorden op –y


Accenten

Er zijn drie accenttekens: het accent aigu (é), het accent grave (è) en het accent circonflexe (ê). Accenttekens komen eigenlijk alleen voor op de letter e:



  • café, paté, coupé

  • ampère, scène, crème

  • enquête, gêne

slechts in enkele woorden komen ze ook voor op andere letters :



  • maîtresse, twee à drie liter, coûte que coûte

gebruik op alle klinkers om klemtoon aan te geven aan het accent aigu :



  • ben je nou helemáál gek geworden ?

  • dat is volgens mij dé oplossing

  • ik heb één dochtertje. Maar: Wilt u een van de docenten spreken ?

de cedille onderaan de c (ç) zorgt ervoor dat een c als een s klinkt, wanneer die voor een a, o of y staat. Normaal klinkt de c in die gevallen als k.


Getallen

Gebruik cijfers


  • bij getallen boven de twintig, uitgezonderd de ronde getallen

  • voor maten, gewichten, bedragen, data, adressen, rekeningnummers


Gebruik letters

  • Voor getallen tot en met de twintig, voor de tientallen

  • Voor getallen als honderd, duizend, miljoen, miljard, biljard



Sommige of sommigen ?


Schrijf woorden als sommige, vele, enkele, beide, andere, met een –e

  • als ze bijvoeglijk gebruikt worden

  • als ze betrekking hebben op zaken of dieren

Schrijf deze woorden met –en



  • als ze zelfstandig worden gebruikt én betrekking hebben op personen

let goed op: als het woord betrekking heeft op personen die al eerder genoemd zijn in dezelfde zin, kun je vaak –e schrijven. Maar niet altijd.


Schrijf ook zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden met –en.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina