Hieronder staan beweringen. Kruis aan of ze juist zijn of niet juist



Dovnload 88.2 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte88.2 Kb.
Hieronder staan beweringen. Kruis aan of ze juist zijn of niet juist.


nr

juist

niet juist

bewering

1




x

de kniepeesreflex begint in je ruggenmerg

2

x




reflexen in je gezicht gaan via de hersenstam

3

x




bij reflexen zijn altijd meer cellichamen van zenuwen betrokken

4




x

het parasympatisch zenuwstelsel doet de pupil verwijden

5




x

het autonome zenuwstelsel ligt helemaal binnen het centrale zenuwstelsel

6




x

zenuwbanen hebben voor ons een grijze kleur

7




x

het animale zenuwstelsel werkt volstrekt willekeurig

8




x

gladde spieren leveren weinig kracht en raken snel vermoeid

9

x




het liquor cerebrospinalis (hersenvocht) werkt als een soort schokdemper.

10

x




gliacellen zij steuncellen in het zenuwstelsel.

11




x

een neuron bevat meestal meerdere axonen

12




x

het centraal zenuwstelsel wordt gevormd door 12 hersenzenuwen en 31 ruggenmergzenuwen.




  1. Wat is het verschil tussen een neuriet en een neuron en een nefron?

Neuriet = lange uitloper zenuwcel, neuron =zenuwcel. Nefron = filtereenheid nier

  1. Wat betekent meningitis?

Hersenvliesontsteking

  1. Welke nier ligt laagst en waarom?

Rechter, omdat de lever veel ruimte inneemt

  1. Geef 3 functies van de nieren

Bloed zuiveren, waterhuishouding, bloedrukregulatie

  1. Wat komt wel en wat komt niet in de voorurine terecht?

Wel: water, glucose, zouten, afvalstoffen. Niet: eiwit, rode bloed cellen

  1. Hoeveel volle emmers van 10 liter voorurine produceren we per 24 uur?

17 à 18 volle emmers

  1. Welk hormoon (=boodschapperstof) stimuleert de resorptie van H2O

ADH= anti diuretisch hormoon

  1. Uit welke spiersoort bestaat de wand van de ureters?

Gladde spieren = onwillekeurig

  1. Uit welke weefsels is de blaas samengesteld?

Glad spierweefsel, overgangsepitheel, slijm

  1. Wat moet je contoleren bij een patiënt met zeer geconcentreerde urine.

Hoeveel iemand heeft gedronken

  1. Uit hoeveel lagen bestaat de oogbol? Benoem de verschillende lagen.

3: harde oogvlies, vaatvlies, netvlies

  1. Op welk onderdeel van het oog hechten zich de oogspieren vast?

Harde oogvlies

  1. Hoe noemen we plaats waarmee we het scherpst kunnen zien?

Gele vlek

  1. Wat regelen de spieren in het regenboogvlies

Hoeveelheid licht dat het oog binnenkomt

  1. Waarom kleuren de ogen, bij het nemen van een foto met flits soms rood

Het flitslicht reflecteert tegen de binnenkant van het oog = rood en omdat de pupil groot is ( het is immers donker als je een flits gebruikt) weerkaats de rode reflectie naar buiten

  1. Waar zitten de kleinste botjes van het menselijk lichaam?

Oor, gehoorbeentjes: hamer, aambeeld, stijgbeugel

  1. Hoe komt het dat de luchtdruk in het middenoor over het algemeen gelijk is aan die van het uitwendig oor?

De buis van Eustachius

  1. Wat is het orgaan van Corti en waar tref je ze aan

In het slakkenhuis zitten zintuigcellen ( Corti) die geluidsgolven kunnen omzetten in een elektrische prikkel naar de hersenen

31 Testje

 



Kijk naar de stip, terwijl je je linkeroog dicht houdt. Zorg dat de afstand tussen de oog en het beeld ongeveer 50 cm is. Blijf goed naar de stip kijken, terwijl je langzaam dichterbij het scherm komt. Op een gegeven moment zul je merken dat je vanuit je ooghoeken geen kruisje meer ziet.

Verklaar. Met deze test wordt de blinde vlek in het oog aangetoond. De blinde vlek is de plek waar de oogzenuw uit het oog komt en waar geen kegeltjes en staafjes zitten en dus “blind”is

  1. Vul de nummertjes in



  1. Wat is de functie van het beenvlies? Dikte groei

  2. Hoe noemen we het proces van botontkalking? Osteoporose

  3. Een oude bekende: Uit welke delen bestaat het CZS? Grote en kleine hersenen , hersenstam en ruggenmerg

  1. Waarvoor dient de ooglens? Hoe heet de aanpassing van de lens?

Hiermee kan je scherp stellen op een voorwerp, accommoderen

  1. Geluid komt je oor binnen. In welk rijtje staan de onderdelen die het geluid tegenkomt in de juiste volgorde?

    1.   Gehoorgang - trommelvlies - slakkenhuis - gehoorbeentjes

    2.   Gehoorgang - trommelvlies - gehoorbeentjes - slakkenhuis

    3.   Gehoorgang - gehoorbeentjes - trommelvlies - slakkenhuis

    4.    Gehoorgang - gehoorbeentjes - slakkenhuis - trommelvlies

  2. Hoe heet onderdeel B? en wat is de functie van de stof die hier geproduceerd wordt
    B= traanklier

4 Welke uitspraak is juist?


    1.   de linker lens is voor veraf; het straallichaam is samengetrokken

    2.   de linker lens is voor veraf; het straallichaam is ontspannen

    3.   de rechter lens is voor veraf; het straallichaam is samengetrokken

    4.    de rechter lens is voor veraf; het straallichaam is ontspannen


2

4

3


Benoem de cijfers

8
line 8


1
line 12 line 13 line 14 line 16
6
line 18
5

7

1. Op welk moment ontstaat het genotype van een mens?









Door invloed van het fenotype en het milieu.






Bij de bevruchting.






Tijdens de ontwikkeling van baby naar volwassenen.






Bij de geboorte.

2. Een recessieve afwijking bij de mens is de erfelijke doofstomheid. De eigenschap is niet X-chromosomaal.


Hoe groot is de kans op het ontbreken van deze afwijking bij de kinderen uit een huwelijk van twee mensen die heterozygoot zijn voor deze eigenschap?















1/4









1/2









1/3









3/4



3. Jan heeft sproeten en zijn ouders hebben dat niet. Het wel of niet hebben van sproeten is erfelijk en wordt bepaald door één gen dat niet X-chromosomaal is.
Wat is het genotype van Jan? En wat is het genotype van zijn ouders?










Jan is Aa en zijn ouders zijn Aa x aa of Aa x Aa.









Jan is aa en zijn ouders zijn Aa x Aa.









Jan is aa en zijn ouders zijn Aa x aa of Aa x Aa.









Jan is Aa en zijn ouders zijn AA x aa.

4. Welke cellen (lichaamscellen en/of eicellen) bij een vrouw bevatten altijd een X-chromosoom?


Welke cellen (lichaamscellen en/of zaadcellen) bij een man bevatten altijd een X-chromosoom?
 









vrouw: lichaamscellen en eicellen - man: alleen lichaamscellen









vrouw: alleen eicellen - man: alleen zaadcellen









vrouw: alleen eicellen - man: lichaamscellen en zaadcellen









vrouw: lichaamscellen en eicellen - man: lichaamscellen en zaadcellen

5. Een meisje heeft in een huidcel o.a. een X-chromosoom.
Kan zij dit chromosoom van haar vader hebben gekregen? En van haar moeder?
 









alleen van de vader









zowel van de vader als moeder









alleen van de moeder

6. De volgende drie typen voedingsstoffen zijn nodig voor de mens:



  • koolhydraten

  • vetten

  • zouten









alleen koolhydraten









alleen koolhydraten en vetten









alleen vetten









koolhydraten, vetten en zouten

7. In de maagwand komen kliercellen voor die slijmstoffen produceren. Deze slijmstoffen vormen een laag die tegen de maagwand ligt.


Welke functie heeft deze laag?

Bovenkant formulier











Verhinderen dat de onderliggende cellen door het maagsap worden aangetast.









Verhinderen dat het voedsel de maag te snel passeert.









Verhinderen dat stoffen uit het voedsel via de maagwand in het bloed worden opgenomen.









Verhinderen dat er teveel maagsap wordt gevormd.

8. Waaruit is een glomerulus opgebouwd?

A uit een arterieel haarvatennet

B uit een arterioveneus haarvatennet

C uit een kapsel van Bowman en gekronkelde buisjes

D uit een kapsel van Bowman en lis van Henle


9. Filtraat (voorurine) bevat

A alle bloedbestanddelen.

B alle plasmabestanddelen.

C bloed zonder eiwitten.

D plasma zonder eiwitten.

10. Welke bewering van kraakbeen is juist? Kies het juiste antwoord.

A. er bestaan verschillende soorten kraakbeen

B. het kraakbeen bevat veel bloedvaten

C. het kraakbeen bevat geen tussenstof

D. het kraakbeen is niet vervormbaar

11. Welk botstuk behoort tot de platte beenderen/ botten? Kies het juiste antwoord.


  1. spaakbeen

  2. middenvoetsbeen

  3. borstbeen

  4. dijbeen

12. De holten in het sponsachtig been van een plat beenstuk bevatten ……….

Kies het antwoord dat deze zin juist aanvult:

A. geel beenmerg

B. rood beenmerg

C. lymfe


D. epifysaire schijven.

13 Hoeveel borstwervels zitten er in de wervelkolom? Kiest het juiste antwoord



  1. 7

  2. 11

  3. 5

  4. 12

14. Welk soort gewricht vind je tussen het dijbeen en het bekken? Kies het juiste antwoord



  1. zadelgewricht

  2. kogelgewricht

  3. scharniergewricht

  4. rolgewricht

15 Dwarsgestreepte spieren zijn………

Kies het antwoord dat deze zin juist aanvult


  1. onvermoeibaar en willekeurig

  2. snel vermoeid en willekeurig

  3. onvermoeibaar en onwillekeurig

  4. snel vermoeid en onwillekeurig

Onderkant formulier


  1. Verbind de woorden met elkaar


Fenotype


plaats in de kern met erfelijke eigenschappen

Homozygoot


uiterlijke kenmerken van een organisme

Mutatie


snelle verandering in het genotype

Chromosomen


2 verschillende genen voor een eigenschap

Genotype


erfelijke eigenschappen

Geslachtschromosomen


informatie voor alle erfelijke eigenschappen

Heterozygoot


2 dezelfde genen voor een eigenschap

Genen


chromosomen die de sexe bepalen



  1. Een ouderpaar heeft drie zonen en geen dochters.

Hoe groot is, in theorie, de kans dat het eerstvolgende kind een dochter zal zijn?

A       1/4

B       1/3

C       1/2

D       3/4    


  1. Bij de mens wordt de oogkleur erfelijk bepaald. Het gen voor bruine ogen is dominant over dat voor blauwe ogen. Uit één bevruchte eicel ontstaat een tweeling: Jan en Piet. Jan heeft blauwe ogen, terwijl beide ouders bruine ogen hebben.

Hoe groot is de kans dat Piet ook blauwe ogen heeft, net als zijn broer?

A         25%

B         50%

C         75%

D         100%


  1. Wat is het verschil tussen een sensorisch en een motorisch neuron?

Een sensorische zenuwcel geleidt prikkels richting het CZS. Een bewegingszenuwcel geleidt prikkels van het CZS af.

  1. Aan de voorkant van het oog gaat het harde oogvlies over in het hoornvlies. Wat wordt het vaatvlies aan de voorkant? iris

  2. Bij de ziekte MS raken de myelineschedes van motorische neuronen beschadigd en ontstaat er littekenweefsel. Wat voor gevolgen heeft dit voor de patiënt? Slechte geleiding van prikkels : verlamming, gevoelsstoornissen

  3. Als er in het verband met het bewegingsapparaat gesproken wordt over antagonisten. Wat wordt er dan bedoeld? Tegenwerkers: een spier die de tegenovergestelde beweging uitvoert

  4. Een pees
    a. Verbindt de spier met het bot
    b. Ondersteunt een gewricht
    c. Houdt verschillende botstukken samen
    d. Is weefsel dat in en om de organen ligt

  5. Hieronder staan twee beweringen over de myelineschede:

  1. De myelineschede om het axon wordt gevormd door het neuron.

  2. De myelineschede is een isolerende laag.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?
A .alleen 2 B.. geen bewering is juist C. 1 en 2 zijn juist D. alleen 1
. In welke structuur zit het pigment wat onze oogkleur bepaalt?

  1. Regenboogvlies (iris)

  2. hoornvlies

  3. vaatvlies

D. netvlies
2. Wat wordt er bedoeld met de blinde vlek van het oog?

A. een plek op het netvlies die ontstaat wanneer men blind wordt

B. de plek in het netvlies waar voornamelijk kegeltjes te vinden zijn

C. de plek in het netvlies waar voornamelijk staafjes te vinden zijn

D. de plek waar de oogzenuw het oog verlaat
In de afbeelding is een tekening van onder andere het gehoororgaan te zien.


3. Welke letter geeft het deel aan waarin zich het evenwichtszintuig bevindt?

A. letter P

B. letter Q

C. letter R



4. Uit hoeveel halfcirkelvormige kanalen bestaat een evenwichtszintuig?

A. 4


B. 1

C. 2


D. 3
5. Met welk deel van het evenwichtszintuig worden draaiingen (rotaties) waargenomen?

A. halfcircelvormige kanalen

B. het slakkenhuis

C. de buis van Eustachius


6. Wat is de functie van het trommelvlies?

A. maakt oorsmeer

B geleidt de geluidsimpulsen naar de hersenen toe

C. geeft trillingen door aan de gehoorbeentjes



7. Hoe wordt de schakelplaats tussen twee zenuwcellen genoemd?

A. mergschede

B. synaps

C. reflex

D. schakelzenuwcel
8. Hoe heten de zenuwceluitlopers die impulsen opvangen?

A. korte uitlopers (dendrieten)

B. lange uitlopers (neurieten)

C. synapsen


9. Waardoor wordt de witte stof van het ruggenmerg gevormd?

A. de cellichamen van de zenuwcellen

B. de cellichamen van de zenuwcellen en de korte uitlopers

C. de lange uitlopers met de myelineschede

D. alleen de korte uitlopers
10. Welke erfelijke eigenschappen zitten er in de chromosomen?

A. de haarkleur

B. de lichaamslengte

C. aanleg voor muziek

D. alle bovengenoemde eigenschappen
11. Wat is de functie van het parasympatische zenuwstelsel?

A. brengt het lichaam in staat voor actie

B. zorgt voor herstel van het lichaam

C. stimuleert de spierspanning (tonus) van de skeletspieren

D. al het bovengenoemde

12. Welke effecten zien we wanneer het sympatische zenuwstelsel actief is?

A. stimuleren van de beweging van het maagdarmkanaal (maagperistaltiek)

B. het wijder worden van de pupillen

C. een tragere hartwerking

D. een vernauwing van de diameter van de luchtwegen
13. Als het lichaam in een stress (hoge spanning) is, wat zien we gebeuren?

A. gelijk blijven van de bloeddruk

B. verhoging van de zweetproductie

C. verhoging van de darmactiviteiten

D. de ademhaling zal verminderen
14. Waarin bevinden genen zich?

A. in de celmembraan

B. in de chromosomen

C. in de kernmembraan

D. in het cytoplasma

15. Wat wordt er bedoeld met drager zijn van een bepaalde ziekte?

A. je bent gezond maar er is een (kleine) kans dat je zelf die bepaalde ziekte krijgt

B. je bent gezond maar er is een kleine kans dat je kinderen de ziekte krijgen

C. je bent gezond maar het is zeker dat je zelf die bepaalde ziekte krijgt

D. je bent gezond en die bepaalde ziekte zit niet in je genen

16 Hieronder zie je een chromosomenportret

Van wie is dit chromosomenportret en uit welke cel?

A. van een spermacel

B. van een witte bloedcel van een vrouw

C. van een eicel

D. van een rode bloedcel van een man
17. Wat zijn autosomale chromosomen?

A. de geslachtschromosomen XX en XY

B. de geslachtschromosomen XX

C. de geslachtschromosomen XY

D. alle chromosomen behalve de geslachtschromosomen
18 .In de afbeelding is schematisch de romp van een man weergegeven.

Vier gebieden in de romp zijn met letters aangegeven.

Welke letter geeft het gebied in de romp aan waarin de nieren zich bevinden?

A. letter P

B. letter Q

C. letter R

D. letter S



19. Welke van de volgende beweringen over het nierbekken zijn juist?

A. is opvangplaats van voorurine (in de nieren)

B. is opvangplaats van gemaakte urine in de nieren (in de nieren)

C. hier wordt urine gemaakt (in de nieren)

D. hier worden zouten en glucose teruggebracht naar het bloed (in de nieren)
20 . Waar komt de urine na de blaas in terecht?

A. in de prostaat

B. in de schede

C. in de urinebuis

D. in de urineleider

21. Wat is de functie van de prostaat?

A. toevoegen van vocht aan sperma

B. produceren van zaadcellen

C. afsluiten van de urinebuis bij plassen



D. afbreken van oude zaadcellen



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina