Historisch overzicht



Dovnload 62.73 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte62.73 Kb.

Historisch overzicht


De huidige Europese Unie is er gekomen dankzij de inspanningen en de concrete resultaten van mensen die zich hebben ingezet voor een verenigd Europa. Nergens ter wereld hebben soevereine landen hun soevereiniteit zozeer gebundeld op zoveel terreinen die voor hun inwoners van cruciaal belang zijn. Inmiddels beschikt de EU over een gemeenschappelijke munt en een dynamische interne markt met vrij verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal. Het is de bedoeling om, door middel van sociale vooruitgang en eerlijke concurrentie, te zorgen dat zo veel mogelijk mensen van deze interne markt kunnen profiteren.

De grondbeginselen van de Europese Unie zijn vastgelegd in een reeks verdragen:



  • het Verdrag van Parijs, waarbij in 1951 de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) werd opgericht;

  • de Verdragen van Rome, waarbij in 1957 de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) werden opgericht.

Deze oprichtingsverdragen zijn vervolgens gewijzigd door:

  • de Europese Akte (1986),

  • het Verdrag betreffende de Europese Unie (Maastricht, 1992)

  • het Verdrag van Amsterdam (1997) en 

  • het Verdrag van Nice (2001).

Deze verdragen hebben de lidstaten van de EU in juridisch opzicht zeer nauw met elkaar verbonden. De eigen wetgeving van de EU heeft rechtstreeks invloed op de Europese burgers en kent hun zeer specifieke rechten toe.

De eerste stap naar Europese integratie werd gezet toen zes landen (België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland) een gemeenschappelijke markt voor kolen en staal opzetten. Het doel, zo kort na de Tweede Wereldoorlog, was om te zorgen voor vrede tussen de overwinnende en de overwonnen landen van Europa. Het ging erom dat de betrokken landen op voet van gelijkheid moesten gaan samenwerken binnen gezamenlijke instellingen. 




Vervolgens besloten de zes lidstaten om te gaan werken aan een Europese Economische Gemeenschap (EEG), met een gemeenschappelijke markt voor allerlei goederen en diensten. Op 1 juli 1968 werden de douanerechten tussen de zes landen volledig afgeschaft. In de jaren zestig kwam ook een gemeenschappelijk beleid van de grond, met name op het gebied van handel en landbouw.

Dit werd zo’n succes dat Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk besloten om zich aan te sluiten bij de Gemeenschappen. Deze eerste uitbreiding, van zes naar negen leden, vond plaats in 1973. Tegelijkertijd namen de Gemeenschappen nieuwe taken op zich en kwam er een sociaal beleid, een regionaal beleid en een milieubeleid tot stand. Voor de uitvoering van het regionale beleid werd in 1975 het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) opgezet.

Begin jaren zeventig zagen de leiders van de lidstaten in dat het nodig was om hun economieën op elkaar af te stemmen en dat er uiteindelijk een monetaire unie zou moeten komen. Rond dezelfde tijd besloten de Verenigde Staten echter om de convertibiliteit van de dollar in goud op te heffen. Dat betekende het begin van een periode van grote monetaire instabiliteit in de wereld, die nog werd verergerd door de oliecrises van 1973 en 1979. De invoering van het Europees Monetair Stelsel (EMS) in 1979 hielp om de wisselkoersen te stabiliseren en stimuleerde de lidstaten tot het doorvoeren van bezuinigingen. Op die manier konden ze hun onderlinge solidariteit bewaren en hun economieën weer op orde brengen.

In 1981 trad Griekenland toe tot de Gemeenschappen, in 1986 gevolgd door Spanje en Portugal. Daarmee groeide de behoefte aan structuurprogramma’s, zoals de eerste geïntegreerde mediterrane programma’s (GMP), die de verschillen in economische ontwikkeling tussen de twaalf lidstaten moesten verkleinen.

Tegelijkertijd begon de EEG internationaal gezien een prominentere rol te spelen. Met landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (de ACS-landen) werd een aantal overeenkomsten gesloten over hulp en handel (Lomé I, II, III en IV, 1975-1989), die in juni 2000 uitmondden in de Overeenkomst van Cotonou. Als ‘s werelds eerste handelsmogendheid kan Europa zich via dergelijke instrumenten doen gelden op het internationale toneel. Uiteindelijk streeft de Europese Unie ernaar om te komen tot een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.




De wereldwijde economische recessie aan het begin van de jaren tachtig bracht een golf van ‘europessimisme’ teweeg. Maar er begon weer hoop te gloren toen de Europese Commissie, onder voorzitterschap van Jacques Delors, in 1985 een Witboek publiceerde met een stappenplan voor de voltooiing van de Europese interne markt op 1 januari 1993. Deze ambitieuze doelstelling vond bijval en werd opgenomen in de Europese Akte, die in februari 1986 werd ondertekend en op 1 juli 1987 in werking trad.

Het politieke landschap in Europa veranderde ingrijpend door de val van de Berlijnse Muur in 1989. Deze gebeurtenis leidde tot de hereniging van Duitsland op 3 oktober 1990 en tot de komst van democratie in de Midden- en Oost-Europese landen die zich uit de sovjetoverheersing hadden losgemaakt. De Sovjet-Unie zelf hield in december 1991 op te bestaan.

Intussen veranderden de Europese Gemeenschappen zelf ook. De lidstaten onderhandelden over een nieuw verdrag, dat in december 1991 in Maastricht door de Europese Raad (d.w.z. de staatshoofden en/of regeringsleiders) werd goedgekeurd. Dit ‘Verdrag betreffende de Europese Unie’ trad op 1 november 1993 in werking. Daarbij werd de EEG kortweg omgedoopt tot ‘Europese Gemeenschap’ (EG). Het bestaande communautaire systeem werd uitgebreid met intergouvernementele samenwerking op bepaalde terreinen, waardoor de Europese Unie (EU) een feit werd. Verder omvatte het verdrag nieuwe ambitieuze doelstellingen voor de lidstaten: monetaire unie in 1999, Europees burgerschap, nieuwe gemeenschappelijke beleidsterreinen, waaronder een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), en afspraken over de interne veiligheid.

Naar aanleiding van deze nieuwe dynamiek en de geopolitieke veranderingen in Europa traden op 1 januari 1995 drie nieuwe landen toe tot de EU: Oostenrijk, Finland en Zweden. Met 15 leden ging de Europese Unie vervolgens aan de slag met het meest spectaculaire project tot nu toe: de vervanging van de nationale munteenheden door één Europese munt, de euro. Op 1 januari 2002 kwamen er in twaalf EU-landen (de ‘eurozone’) eurobiljetten en -munten in omloop. De euro is nu een wereldvaluta en doet niet onder voor de dollar.

Op de drempel van de 21e eeuw moeten de Europeanen samen het hoofd zien te bieden aan de uitdagingen van de globalisering. Revolutionaire nieuwe technologieën en de internetexplosie zorgen voor ingrijpende veranderingen in de wereldeconomie, die echter ook sociale en culturele ontwrichting met zich meebrengen.




Tijdens de Top van Lissabon in maart 2000 bereikte de Europese Raad overeenstemming over een brede strategie om de Europese economie te moderniseren en te zorgen dat Europa de concurrentie met de Verenigde Staten en de nieuwe geïndustrialiseerde landen aankan. Deze ‘Strategie van Lissabon’ houdt onder meer in dat alle economische sectoren moeten worden opengesteld voor concurrentie, dat innovatie en investeringen in het bedrijfsleven moeten worden aangemoedigd, en dat het onderwijs moet worden afgestemd op de behoeften van de informatiemaatschappij.

Tegelijkertijd staan de economieën van de lidstaten onder druk ten gevolge van zowel de werkloosheid als de oplopende pensioenkosten. Dat maakt hervormingen des te noodzakelijker. De kiezers beginnen bij hun regeringen steeds meer aan te dringen op praktische oplossingen voor deze problemen. 

Terwijl de Europese Unie nog maar nauwelijks was uitgegroeid tot 15 lidstaten, stonden er alweer twaalf nieuwe landen voor de deur. Halverwege de jaren negentig ontving de EU toetredingsverzoeken van de voormalige Oostbloklanden (Bulgarije, Hongarije, Polen, Roemenië, Slowakije en Tsjechië), de drie Baltische staten die deel hadden uitgemaakt van de Sovjet-Unie (Estland, Letland en Litouwen), een van de republieken van het voormalige Joegoslavië (Slovenië) en twee landen in de Middellandse Zee (Cyprus en Malta).

De EU verwelkomde deze kans om meer stabiliteit te brengen op het Europese continent en om deze jonge democratieën te laten meeprofiteren van de Europese eenwording. De toetredingsonderhandelingen met de diverse kandidaat-lidstaten gingen van start in december 1997 in Luxemburg en in december 1999 in Helsinki. Daarmee begaf de Unie zich op weg naar de grootste uitbreiding in haar geschiedenis. Met tien van de kandidaat-lidstaten werden de onderhandelingen op 13 december 2002 in Kopenhagen afgesloten; zij traden in mei 2004 tot de EU toe. De Unie heeft thans 25 lidstaten en de komende jaren zullen er nog meer landen bijkomen.

Ruim een halve eeuw van integratie heeft een enorme impact gehad op de geschiedenis van Europa en op de mentaliteit van de bevolking. De regeringen van de lidstaten, ongeacht hun politieke kleur, beseffen dat de tijd van absolute nationale soevereiniteit voorbij is: alleen door hun krachten te bundelen en ‘een voortaan gezamenlijke bestemming’ (in de woorden van het EGKS-Verdrag) voor ogen te houden, kunnen de oude naties zich economisch en sociaal verder ontwikkelen en hun invloed in de wereld behouden.

Via het integratieproces is het gelukt om een einde te maken aan eeuwenoude vijandschap tussen landen in Europa. Het superioriteitsdenken en het gebruik van geweld om internationale geschillen op te lossen, hebben plaats gemaakt voor de ‘communautaire methode’ van samenwerking. Deze methode, waarbij wordt gezocht naar evenwicht tussen nationale belangen en het bredere algemene belang, en waarbij de verschillen tussen landen worden gerespecteerd maar tegelijkertijd een Europese identiteit wordt gevormd, heeft nog niets aan waarde ingeboet. Dankzij deze methode konden de democratische, vrijheidslievende landen gedurende de hele koude oorlog een eenheid blijven vormen. Het einde van de tegenstellingen tussen Oost en West en de politieke en economische hereniging van het continent zijn een overwinning voor de Europese geest. En dat is precies waaraan de Europese volkeren nu meer dan ooit behoefte hebben.

De Europese Unie biedt een antwoord op de enorme uitdaging van de globalisering – een antwoord dat binnen de Europese traditie past. En bovenal biedt de EU de beste ‘verzekering’ voor een vrije en vreedzame toekomst.


Belangrijke data in de geschiedenis van de Europese integratie


1948

7-11 mei

Congres van Den Haag: meer dan duizend afgevaardigden van zo’n twintig Europese landen discussiëren over nieuwe samenwerkingsvormen in Europa. Men spreekt zich uit voor de oprichting van een ‘Europese assemblee’. 

1949


27-28 januari

Als resultaat van het Congres van Den Haag wordt de Raad van Europa opgericht. Als zetelplaats wordt Straatsburg aangewezen.

Nog hetzelfde jaar begint de Raad met het opstellen van het Europees Verdrag van de mensenrechten, dat in 1950 in Rome wordt ondertekend en in september 1953 in werking treedt.

Na verloop van tijd worden bijna alle Europese landen lid van de Raad van Europa.

1950

9 mei


Robert Schuman, minister van Buitenlandse Zaken van Frankrijk, stelt, in een door Jean Monnet geïnspireerde rede, een gemeenschappelijke markt voor kolen en staal van Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland voor binnen een organisatie waartoe ook de andere landen van Europa kunnen toetreden.

Aangezien deze dag als de geboortedag van de Europese Unie kan worden beschouwd, is 9 mei tegenwoordig een feestdag: ‘Europadag’.




1951


18 april

In Parijs ondertekenen zes landen – België, Frankrijk, Duitsland (Bondsrepubliek), Italië, Luxemburg en Nederland – het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Het verdrag wordt op 23 juli 1952 van kracht, voor een periode van vijftig jaar.

1955

1-2 juni



De ministers van Buitenlandse Zaken van de Zes, in conferentie bijeen te Messina, besluiten om de Europese integratie uit te breiden tot alle economische sectoren.

1957


25 maart

De Zes ondertekenen in Rome de Verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). De verdragen treden op 1 januari 1958 in werking.




1960


4 januari

Op initiatief van het Verenigd Koninkrijk wordt in Stockholm de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) opgericht, bestaande uit een aantal Europese landen die geen lid van de EEG zijn.

1962

30 juli


Er wordt een gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) ingevoerd.

1963


14 januari

Generaal De Gaulle kondigt op een persconferentie aan dat Frankrijk zijn veto zal uitspreken tegen de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Gemeenschappen.

20 juli
In Yaoundé sluiten de EEG en achttien Afrikaanse landen een associatieovereenkomst.


1965


8 april

Er wordt een verdrag ondertekend waarbij de uitvoerende organen van de drie Gemeenschappen worden gefuseerd en één Raad en één Commissie worden ingesteld. Het verdrag treedt op 1 juli 1967 in werking.

1966

29 januari



Na een politieke crisis stemt Frankrijk ermee in om zijn plaats in de Raad weer in te nemen als daar tegenover staat dat de unanimiteitsregel gehandhaafd blijft wanneer er “zeer belangrijke belangen” op het spel staan: het ‘compromis van Luxemburg’.

1968


1 juli

De laatste douanerechten op industrieproducten worden afgeschaft – achttien maanden eerder dan gepland – en er wordt een Gemeenschappelijk Douanetarief ingevoerd.




1969


1-2 december

Tijdens een topconferentie in Den Haag besluiten de regeringsleiders en staatshoofden van de EEG om de Europese integratie in een volgende fase te brengen.

1970

22 april



In Luxemburg wordt een verdrag ondertekend dat het mogelijk maakt om de Europese Gemeenschappen geleidelijk uit ‘eigen middelen’ te gaan financieren en dat het Europees Parlement meer bevoegdheden geeft.

1972


22 januari

In Brussel worden de verdragen tot toetreding van Denemarken, Ierland, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk ondertekend.

24 april
De Zes besluiten dat de koersen van hun valuta’s niet meer dan 2,25% van elkaar mogen afwijken. Dit systeem staat bekend als de ‘muntslang’.


1973


1 januari

Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk treden toe, waarmee het aantal leden uitgroeit tot negen. Noorwegen treedt niet toe, omdat de meeste inwoners in een referendum tegen het lidmaatschap hebben gestemd.

1974

9-10 december



Tijdens een topconferentie in Parijs besluiten de regeringsleiders en staatshoofden van de negen lidstaten om drie keer per jaar als Europese Raad bijeen te komen. Ook hechten zij hun goedkeuring aan rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement en besluiten zij tot de oprichting van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling.

1975


28 februari

In Lomé ondertekenen de EEG en 46 landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) de eerste Overeenkomst van Lomé.

22 juli
De begrotingsbevoegdheid van het Europees Parlement wordt uitgebreid en de Europese Rekenkamer opgericht. Het desbetreffende verdrag treedt op 1 juni 1977 in werking.


1978


6-7 juli

Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland stellen op de Top van Bremen voor om de monetaire samenwerking nieuw leven in te blazen door de invoering van een Europees Monetair Stelsel (EMS), dat in de plaats moet komen van de ‘slang’. Het EMS treedt op 13 maart 1979 in werking.

1979

28 mei


Het verdrag tot toetreding van Griekenland wordt ondertekend.

7 en 10 juni


De eerste rechtstreekse verkiezing van de 410 afgevaardigden van het Europees Parlement.

1981


1 januari

Griekenland wordt lid van de Europese Gemeenschappen en brengt het aantal lidstaten daarmee op tien.




1984


28 februari

Het programma ‘Esprit’ wordt goedgekeurd, een programma voor het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling op het gebied van de informatietechnologie.

14 en 17 juni
De tweede rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement.

1985


7 januari

Jacques Delors wordt voorzitter van de Europese Commissie (1985-1995).

12 juni
De verdragen tot toetreding van Spanje en Portugal worden ondertekend.

2-4 december


Tijdens de Europese Raad van Luxemburg komen de regeringsleiders en staatshoofden van de tien lidstaten overeen om het Verdrag van Rome te herzien en een ‘Europese Akte’ op te stellen. Dit laatste om de Europese integratie een nieuwe impuls te geven. Hiermee wordt de weg geplaveid voor de oprichting van de interne markt vóór 1993.

1986


1 januari

Spanje en Portugal worden lid van de Europese Gemeenschappen en brengen het aantal lidstaten daarmee op twaalf.

17 en 28 februari
In Luxemburg en Den Haag wordt de Europese Akte ondertekend. De Akte wordt op 1 juli 1987 van kracht.


1987


15 juni

Start van het ‘Erasmus’-programma, opgericht om jongeren te helpen in een ander Europees land te studeren. 

1989

15 en 18 juni



De derde rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement.

9 november


De val van de Berlijnse Muur.

9 december


De Europese Raad van Straatsburg besluit om een intergouvernementele conferentie bijeen te roepen over de Economische en Monetaire Unie (EMU) en de Politieke Unie.

1990


19 juni

Het Schengen-akkoord wordt ondertekend, gericht op afschaffing van de controles bij het passeren van de grens tussen lidstaten van de EEG.

3 oktober
Duitsland wordt herenigd.

14 December


In Rome gaat de intergouvernementele conferentie over de EMU en de Politieke Unie van start.


1991


9-10 december

De Europese Raad van Maastricht neemt het Verdrag betreffende de Europese Unie aan. Het Verdrag legt de basis voor een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, nauwere samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, en de oprichting van een economische en monetaire unie met één enkele munteenheid. Gevoegd bij het bestaande communautaire systeem leidt de intergouvernementele samenwerking op deze terreinen tot het ontstaan van de Europese Unie (EU). De EEG wordt hernoemd tot ‘Europese Gemeenschap’ (EG).

1992

7 februari



In Maastricht wordt het Verdrag betreffende de Europese Unie ondertekend. Het wordt op 1 november 1993 van kracht.

1993


1 januari

De interne markt wordt opgericht. 




1994


9 en 12 juni

De vierde rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement.

24-25 juni
Tijdens de Europese Raad van Korfoe worden de verdragen tot toetreding van Oostenrijk, Finland, Noorwegen en Zweden ondertekend.

1995


1 januari

Oostenrijk, Finland en Zweden worden lid van de EU en brengen het aantal lidstaten daarmee op vijftien. Noorwegen treedt niet toe, omdat de meeste inwoners in een referendum tegen het lidmaatschap hebben gestemd.

23 januari
Een nieuwe Europese Commissie treedt in functie (1995-1999), met Jacques Santer als voorzitter.

27-28 november


Tijdens de Euro-Mediterrane conferentie in Barcelona wordt het partnerschap tussen de EU en de landen aan de zuidkust van de Middellandse Zee gelanceerd.

1997


16-17 juni

De Europese Raad van Amsterdam keurt een verdrag goed waarbij de Europese Unie nieuwe bevoegdheden en taken krijgt.

2 oktober
Het Verdrag van Amsterdam wordt ondertekend. Het wordt op 1 mei 1999 van kracht.


1998


30 maart

Voor Cyprus, Malta en nog tien andere kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa start het toetredingsproces.

3 mei
De Europese Raad van Brussel besluit dat elf lidstaten (Oostenrijk, België, Finland, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal en Spanje) aan de voorwaarden voldoen voor aanneming van de enige munt op 1 januari 1999. Griekenland zal later toetreden.

31 december


Voor de munteenheden die door de euro worden vervangen, wordt een vaste en onherroepelijke koers vastgesteld.

1999


1 januari

Start van de derde fase van de EMU: de munteenheden van elf lidstaten worden vervangen door de euro. De enige munt wordt op de geldmarkten gelanceerd. Vanaf dit moment is de Europese Centrale Bank (ECB) verantwoordelijk voor het monetaire beleid van de EU, dat wordt uitgedrukt en uitgevoerd in euro.

24-25 maart
De Europese Raad van Berlijn hecht zijn goedkeuring aan de ontwerp-begroting van de EU voor 2000-2006 binnen het kader van ‘Agenda 2000’.

3-4 juni
De Europese Raad van Keulen besluit dat een conventie moet worden gehouden voor het opstellen van een Europees Handvest van de grondrechten. De leden van de conventie zijn vertegenwoordigers van de regeringsleiders en staatshoofden van de EU en van de voorzitter van de Europese Commissie. Javier Solana wordt benoemd tot Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB).

8 en 13 juni
De vijfde rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement.

15 september


Een nieuwe Europese Commissie treedt in functie (1999-2004), met Romano Prodi als voorzitter.

15-16 oktober


De Europese Raad van Tampere besluit om van de EU een 'ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid' te maken. 

10-11 december


De Europese Raad van Helsinki, hoofdzakelijk gewijd aan de uitbreiding van de EU, erkent Turkije officieel als kandidaat voor het EU-lidmaatschap en besluit om de onderhandelingen met de andere twaalf kandidaat-lidstaten voort te zetten.

2000


23-24 maart

De Europese Raad van Lissabon formuleert een strategie voor het stimuleren van de werkgelegenheid in de EU, het moderniseren van de economie en het versterken van de sociale cohesie in een Europa waarin wetenschappelijke kennis een sleutelrol speelt.

7-8 december
De Europese Raad van Nice bereikt een akkoord over de tekst van een verdrag waarmee het besluitvormingssysteem van de EU wordt gewijzigd, zodat de Unie gereed is voor uitbreiding. De voorzitters van het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie proclameren het Handvest van de grondrechten van de EU.


2001


26 februari

Het Verdrag van Nice wordt ondertekend. Het wordt op 1 februari 2003 van kracht.

14-15 december
De Europese Raad van Laken neemt een verklaring aan over de toekomst van de Unie. Daarmee wordt het pad geëffend voor de op handen zijnde grootscheepse hervorming van de EU en voor de oprichting van een conventie voor het opstellen van een Europese grondwet. Valéry Giscard d’Estaing wordt benoemd tot voorzitter van deze conventie. 

2002


1 januari

De mensen in het eurogebied beginnen de eurobiljetten en -munten te gebruiken.

31 mei
De vijftien lidstaten ratificeren tegelijkertijd het Kyoto-protocol – de wereldwijde overeenkomst voor de bestrijding van luchtverontreiniging.

21-22 juni


De Europese Raad van Sevilla bereikt overeenstemming over een Europees asiel- en immigratiebeleid.

13 december


De Europese Raad van Kopenhagen bereikt overeenstemming over de toetreding van tien kandidaat-lidstaten (Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slowakije, Slovenië en Tsjechië) tot de EU op 1 mei 2004. Bulgarije en Roemenië zullen naar verwachting in 2007 toetreden.

De Europese Raad beslist dat wanneer zij op basis van een verslag en een aanbeveling van de Commissie in december 2004 van oordeel is dat Turkije aan alle ‘criteria van Kopenhagen’ voldoet, de toetredingsbesprekingen met dit land kunnen beginnen. 

2003

16 april



In Athene worden de verdragen tot toetreding van Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slowakije, Slovenië en Tsjechië ondertekend.

10 juli
De Conventie over de toekomst van Europa voltooit haar werkzaamheden aan de ontwerp-grondwet van de EU.

4 oktober
Start van de intergouvernementele conferentie waarbij een nieuw verdrag zal worden opgesteld waarin de Europese grondwet is verwerkt.


2004


1 mei

Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slowakije, Slovenië en Tsjechië worden lid van de Europese Unie.

10 en 13 juni
De zesde rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement.

16 en 17 december


Besluit om in 2005 toetredingsbesprekingen met Kroatië en Turkije te beginnen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

2005


25 april

De EU ondertekent toetredingsverdragen met Bulgarije en Roemenië in Luxemburg.



2007

Jaar dat door de Europese Raad van Kopenhagen van 2002 is vastgesteld als het jaar waarin Bulgarije en Roemenië tot de EU zullen toetreden.






Bron: http://europa.eu/abc/12lessons/index2_nl.htm




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina