Historische roman



Dovnload 0.75 Mb.
Pagina1/12
Datum23.07.2016
Grootte0.75 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12
Het Hemelpoortje



historische roman

HENDRIK REUVERS

dr HFH Reuvers, Maastricht, 2010-2011


omslag: ‘PaterVincktoren’

binnenpagina: ‘Marcelino Pan y Vino’


God is de vader van ons allemaal. Laat ons in vrede leven, hartelijk, als broeders, en blij als kinderen. Wij zijn allen van hetzelfde deeg, maar anders gebakken. Laat ons door onze gebreken heen naar God zien, die door de genade in ons hart aanwezig is, en wij zullen elkaar graag zien, ondanks de gebreken. Bemint Hem in elkaar. God is groot en oneindig. Hij heeft de sterren en de zon gemaakt, en ons erbij. Wij leven in Zijn adem, wij zwemmen in Zijn licht... Hoe schoon is het te mogen leven! Want we leven in Hem en door Hem!
(Sint Franciscus van Assisi, 1182-1226)


INHOUD


Voorwoord


Hoofdstuk 1: Maestricht, 1638

Hoofdstuk 2: Een deserteur en een krijgslist


Hoofdstuk 3: De biechtvader en zijn biechteling
Hoofdstuk 4: Het plan wordt ontmaskerd
Hoofdstuk 5: Tortuur en executie
Epiloog

Bijlage: De filosofie van Sint Thomas van Aquino


Literatuur
VOORWOORD

Degenen die betrokken waren bij het zogenaamde verraad te Maastricht in 1638, vormen in de hemel een club apart.

Eenmaal mocht ik een vergadering bijwonen, in een visioen.

Pater Vinck opende de zitting. Hij verwelkomde, om te beginnen, de makkers die samen met hem onthoofd waren: brouwer Lansmans, metselaar Caters, ridder de la Court, broeder Nottijn. Ze hadden allemaal weer een hoofd. Vervolgens verwelkomde hij de overige terechtgestelden, en de Hollandse beulen, ‘voor zover aanwezig’.

Het overleg had grotendeels betrekking op de hemelse genietingen, en het aanschouwen van God. Er werd ook gezongen: het Ave Regina Caelorum.

Bij de rondvraag stelde Lansmans enkele aardse publicaties in vraag, over de gebeurtenissen van 1638. Er was veel vooroordeel en onbegrip over de kwestie, zo oordeelde hij. Er werd zelfs gelachen om de vijf koppen der onthalsden die te Maastricht op een bastion op pieken waren tentoongesteld. En er werd in één ruk door gelachen om de katholieken, vanwege de vermeende preoccupatie met maagdelijkheid en kuisheid.

Pater Vinck kende het probleem. Het kwam doordat er te weinig dankbaarheid was voor het goede werk van de volgelingen van Sint Franciscus, en voor het blote feit dat we allemaal een hoofd hebben. Echter, hoe kon men dankbaar zijn indien men als kind verkeerd werd opgevoed en voorgelicht?

Maar de gardiaan der Minderbroeders had nog meer bezwaren:

Er werd op aarde veelal gedacht dat Maastricht vanaf 1579 door de Spanjaarden was ‘bezet’, en in 1632 door de Hollanders werd ‘bevrijd’. Alsof Maastricht geen door en door katholieke stad was. Alsof Maastricht ooit een integraal onderdeel van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was. Bovendien ontstond die Republiek pas in 1588 vanuit een opstand tegen de koning van Spanje, zoals eerder het protestantisme ontstond vanuit een opstand tegen de paus. De Hollanders onderdrukten overal het katholicisme, ook in Maastricht.

Lansmans vulde aan dat iemand als Nottijn alleen maar gevonnist was omdat hij niet geklikt had tegen de Hollanders over plannen waardoor de Spanjaarden de stad binnen zouden komen. De la Court kon als officier van de Spaanse koning sowieso niet een verrader worden genoemd, en Vinck als ‘soldaat’ van de paus al evenmin. En Vinck wilde vermijden dat er onschuldige slachtoffers zouden vallen.

Hijzelf, zei Lansmans, voelde zich wel schuldig. Want hij had slechts de beloning begeerd, die de Spanjaarden hem voor zijn diensten hadden beloofd. Maar door zijn vonnis, en door de geestelijke bijstand van pater Vinck, was hij tot inkeer gekomen. Dus hij had de redding van zijn ziel eigenlijk te danken aan zijn onthalzing!

“Geld is het slijk der aarde”, knikte pater Vinck.

De commandant van het Hollandse bezettingsleger, Goltstein, was er ook bij. God weet hoe hij in de hemel terecht is gekomen. Nu deed hij ter vergadering een duit in het zakje:

“Ik was wel verbaasd over de morbide fascinatie waarmee de Maastrichtenaren de stoffelijke resten van de overste der Minderbroeders vereerden na zijn onthoofding. Maar ‘in de grond’ is uw pater Vinck een goeie vent.”

Vinck lachte beminnelijk naar Goltstein, en stak zijn duim op. De strijdbijl was begraven, de opmerking niet kwaad bedoeld.
Maar wat was er nu precies gebeurd?

Ik besloot dat in deze zaak de onderste steen boven moest komen. Ik ging op zomerse dagen in de archieven oude boeken en artikelen zitten lezen.

Het voorliggende werk is van deze en nog veel meer arbeid het resultaat.

De schrijver (Maastricht, 2011)

HOOFDSTUK 1
“Gij zijt ter helle verdoemd, Vinck”, zuchtte commandant Goltstein.

“Gij zijt een ketter”, diende pater Vinck hem kalm van repliek.

Ze stonden in Maestricht bij de stenen brug waarvan de rivier de negen bogen weerspiegelde. De gardiaan van de Minderbroeders, gekleed in een bruine pij, gaf aan de commandant van het Hollandse garnizoen een rondleiding door zijn geliefde stad.

“Jan Calvijn geeft toe dat er onder de katholieken broeders in het geloof schuilen, al zijn het dan zwakke broeders”, verklaarde Goltstein.

“God oordeelt mild over ketters, indien de ketterij hen met de paplepel is ingegeven”, gaf Vinck ten antwoord.

De twee keken elkaar eens in de ogen. Lang hielden ze dat niet vol. De blauwe ogen van de goedmoedige pater en de bruine ogen van de strenge commandant konden elkaar niet verdragen. Doch er was wel degelijk een zeker wederzijds respect.

“Is dit de Romeinse brug?”, vroeg de commandant.

“Welnee”, antwoordde de Franciscaan. Hij wees in de richting van de Onzelievevrouwekerk. “De Romeinse brug lag daarginds. De Romeinen hadden daar een legerplaats, en later ook een badhuis. Waar nu de kerk is, was toen een tempel, gewijd aan de godin van de jacht.”

“Wat is er met de oude Romeinse brug gebeurd?”

“Die is in 1275 ingestort, toen er een processie overtrok.”

Goltstein knikte, alsof hij het logisch vond dat de Heer op deze wijze ingreep bij processies. Hij wees naar de overkant van de Maas.

“Is er in Wijck ook nog iets teruggevonden uit de Romeinse tijd?”

“Er is hier en daar wel een spoor van een graf langs de heerbaan, met asresten. Maar hier aan de Maestrichtse kant vond men veel overblijfselen van het castellum.”

“Mosae Trajectum”, prevelde Goltstein, “Maestricht was dus de plaats waar de Romeinen de Maas overstaken.”

De commandant streek peinzend zijn zwarte baardje glad. Hij zou het vervelend vinden als hij de Minderbroeders uit de stad moest zetten. Daarom probeerde hij nog maar eens of hij hun overste niet kon vermurwen:

“Pater Servatius”, bromde hij. “Waarom leggen jullie niet de eed van trouw af aan de Staten Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden?”

De pater krabde zijn kalende kruin, schudde zijn hoofd, en antwoordde:

“Dat kan niet, heer Goltstein. God heeft aan de koning van Spanje macht over ons gegeven, zoals eerder aan zijn voorgangers van het Heilige Roomse Rijk en aan keizer Karel de Grote. Daarentegen is uw republiek ontstaan uit een opstand tegen de paus en de koning.”

De commandant snoof zijn neus op. Wat een arrogantie!

“De ellende is begonnen met de Romeinen”, betoogde hij. “In deze streken leefde toch een mix van Germaanse en Keltische stammen, in vrijheid? In de nadagen van het Romeinse Rijk heeft de christenheid zich op de Latijnse leest geschoeid, en nu moeten wij allemaal nog steeds dansen naar het pijpen van ene paus in het verre Rome.”

“Hadt ge dan liever het Germaanse heidendom?”, vroeg pater Vinck. “Met zijn bijgeloof, zijn verheerlijking van kracht en geweld, en zijn angst voor het tere en zwakke?”

“Nou, ten dele. De paapse tierelantijnen kunnen we missen als kiespijn.”

“Tijdens de beeldenstorm kwam onze oude Germaanse aard boven”, vond de pater. “Het was een orgie van geweld, een wilde Wodansjacht. Tot in Maestricht toe.”

“Ik voel nog steeds de neiging”, gaf Goltstein toe.

“De beeldenstormers in Maestricht waren Hollanders zoals gij.”

De twee liepen door de Wolfstraat in de richting van de Onzelievevrouwekerk. Een mild lentezonnetje en pittige maartse buitjes wisselden elkaar af.

Vinck wees commandant Goltstein op de grote grijze hoekstenen in de voorgevel van de Slevrouwe. Die hadden nog in de muur van het Romeinse castellum gezeten!

Voor de poort van de kerk stond een jongleur met rode wollen ballen te gooien. Een andere man probeerde indruk te maken op het publiek door op zijn kop te gaan staan. Een hondje tilde een poot op en pieste tegen de kerkdeur.

“Is Slevrouwe ouder dan de kerk van Sint Servaas?”, vroeg Goltstein.

“Iets ouder”, antwoordde de pater. “De rivaliteit tussen beide kerken weerspiegelt de twist tussen de pausen en de rooms-koningen. Ze hebben allebei voorgangers tot in de Romeinse tijd. De eerste kerk van Sint Servaas is gebouwd op het graf van deze heilige uit de laat-Romeinse tijd, en werd tijdens de middeleeuwen bevoordeeld door de opvolgers van Charlemagne in het heilige roomse rijk der duitse natie. Maar de eerste Slevrouwe was de bisschopskerk, al vanaf de komst van bisschop Servatius. Sinds de verhuizing van de bisschopszetel naar Luik, en dat was nog vóór Karel de Grote, is er altijd een sterke band gebleven met het Luikse prinsbisdom. De beide kapittels zijn trouwens nog steeds zelfstandig.”

“Wie van de twee was nou de baas in Maestricht?”, drong de commandant aan.

“Trajectum neutri domino, sed paret utrique”, zei de Minderbroeder plechtig. “Maestricht behoort aan geen van beide heren toe, maar aan allebei tegelijk. Dat geldt formeel sinds het jaar 1284, toen de prinsbisschop van Luik (met de zegen van de paus) en de hertog van Brabant (als leenheer van de Duitse koning) hun zegel hechtten aan de Alde Caerte.”

“Jezus!”, riep Goltstein uit. “Nu snap ik waarom wij Hollanders in Maestricht altijd moeten overleggen met die vervelende Luikse afgevaardigden. En de bevolking speelt de Hollanders en de Luikenaren tegen elkaar uit zoals een kleine meid haar ouders tegen elkaar uitspeelt.”

Er kwam juist een klein meisje voorbij met haar vader en moeder. Ze liep aan de hand van haar vader, en sprak hem met opgeheven vingertje toe.

“Ja, dat klopt”, glimlachte Vinck. “De Republiek heeft nu door de inname van Maestricht in 1632 de koning van Spanje de facto beroofd van zijn rechten als hertog van Brabant, maar de Luikse rechten intact gelaten. Het zal wel een kwestie zijn van evenwichtspolitiek.”

“Als het aan mij lag, zouden de bisschop van Luik en de paus van Rome hier binnenkort niks meer te vertellen hebben”, deelde de commandant mee.

“Ik weet het”, zuchtte de Franciscaan.

“Ik vertrouw de Maestrichtenaren niet erg”, draafde de Hollander door. “Ze spreken me naar de mond, maar denken bij zichzelf iets heel anders. Dat is trouwens een kwaad waar de meeste katholieken mee behept zijn.”

“Wij zijn gewoon wat hoffelijker dan jullie noorderlingen”, betoogde de pater.

“Jullie gaan allemaal naar de hel!”, beweerde Goltstein. “Jullie denken wel dat er duizenden geheime poortjes zijn die toegang geven tot de hemel. Echter, we kunnen alleen gered worden als we aangeraakt worden door de Heer Jezus Christus. Pas dan zien wij zondaars in dat wij de hel verdienen, en stellen wij onze hoop op de Here Jezus alleen!”

Er kwam een bedelaar voorbij die in de ene hand een rozenkrans droeg, en met de andere een kruisteken maakte. Hij keek de beide hoge heren smekend aan, en hief zijn hand op om een aalmoes te vragen. Vinck tastte in zijn buidel, en gaf de bedelaar een duit.

“Kijk”, zei Goltstein. “Dat bedoel ik nu. Die man hoopt dat de kralen van de rozenkrans hem zullen redden. Hij is ter helle verdoemd.”

“Welnee”, zei Vinck. “God houdt van de arme bedelaars en de kleine kinderen. Hij heeft een zwak voor de honden die in de portalen van de kerk pissen. Daarentegen is het voor een rijke man als gij moeilijker om in de hemel te komen dan …”

“… dan voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen”, vulde Goltstein aan, terwijl hij zenuwachtig op de grond stampte. “Ik moet eens aan dominee Ludovicus vragen hoe we dat moeten duiden. Ik denk dat voorspoed juist een teken is van uitverkiezing, maar dat het er uiteindelijk op aankomt dat we ons verootmoedigen voor God.”

“Wie zoekt er hier nu naar uitvluchten?”, vroeg pater Vinck lachend. “En wie zoekt er naar geheime hemelpoortjes?”

De commandant maakte een wegwerpgebaar, en haalde zijn schouders op.

Tot grote ergernis van de Hollander, liep de pater even de kerk in om een groet te brengen aan Onzelieveheer in het tabernakel. Vanaf de deur van de kerk zag Goltstein de Minderbroeder neerknielen in het rode schijnsel van de godslamp.

Het duurde wel een paar minuten voordat pater Vinck op zijn dooie gemak terugkwam bij Goltstein, die op het punt stond om van de rest van de rondleiding af te zien.

“Moet ge ook nog een kaars opsteken?”, bromde hij.

“Wacht even!”, zei Vinck, en hij deed precies dat wat de commandant had voorgesteld. Dit had, gek genoeg, tot gevolg dat Goltstein zich ontspande.

“Kom!”, zei hij, toen de Franciscaan weer naast hem stond. “Laten we eens naar de Helpoort gaan, en de walmuren beklimmen. Dan kan ik u een toelichting geven bij het beleg van Maestricht door onze stedendwinger, Frederik Hendrik.”

“Akkoord.”

Ze wandelden dan langs het huis ‘Den halven Maen’ van de rijke brouwer Lansmans naar de Helpoort. De commandant zag door een raampje dat er binnen feest werd gevierd. De wijn en het gevogelte, het fluitspel en het bandeloze geflirt, het deed allemaal pijn aan zijn ogen.

“Zeg niet dat dit gedrag typisch paaps is”, betoogde Vinck.

“Nee”, gaf Goltstein toe. “Maar het is zeker niet typisch calvinistisch. Het is wel typisch de decadentie van burgers die niet meer geloven in de opvoeding die ze gehad hebben.”

“Misschien hebben ze daar gewoon wat te vieren.”

“Allicht”, bromde de commandant cynisch.

“De Helpoort is gebouwd in 1229”, zei Vinck. “Sint Franciscus was toen net drie jaar dood.”

“Hij ruste in vrede”, zei Goltstein spottend.

Ze kuierden door de Helpoort. De kapitein keek eens goedkeurend naar de walmuren. Die waren hoog en stevig genoeg! Ze beklommen het bastion ‘De Drie Duiven’. Boven hadden ze een mooi uitzicht op de Jeker en op de wallen om de Nieuwstad.

“De bestorming van Maestricht door Frederik Hendrik mislukte toch aanvankelijk?”, vroeg pater Vinck, met een neutraal gezicht.

“Jawel”, antwoordde zijn metgezel. “Maar hij liet een gang graven tot bij de Brusselse poort, en sloeg een bres in de wal door daar een mijn tot ontploffing te brengen.”

“Waren de Hollanders nog verrast toen zij binnen de stad achter de hoofdwal op een nog oudere omwalling stuitten?”

“Nee, het was sinds het beleg onder de hertog van Parma in 1579 algemeen bekend dat er in Maestricht twee omwallingen zijn. Ik wil hier mijn respect betuigen voor de dappere en kundige verdediging van de stad door ingenieur Tapijn. De woestheid van de Spanjaarden na de inname van Maestricht was weerzinwekkend.”

“Dat is waar”, gaf de Minderbroeder toe. “Alle oorlog brengt misdaden met zich mee. Maar de Spaanse furie wordt wel overdreven. Parma was toen ziek, maar hij maakte zo snel mogelijk een eind aan het geweld.”

“En vierde de overwinning met een Te Deum”, smaalde Goltstein.

“Het beleg van Parma was niet de eerste belegering van Maestricht”, merkte de pater op. “We hebben er in 1407 al mee te maken gehad, toen de prins-bisschop door zijn onderdanen uit Luik werd verjaagd, en naar Maestricht vluchtte.”

“In die tijd gebruikte men nog geen springstoffen”, zei de bevelhebber.

“Nee, maar de ellende was er niet minder om. Het was een strenge winter. De Luikenaren kwamen met een leger van tienduizenden. Vanaf een hoge houten stellage, een zogenaamde kat, wierpen ze stenen, brandbommen, faecaliën en zelfs lijken in de belegerde stad. Maar het was zo koud dat de paarden doodvroren. De aanvallers dropen af.”

De twee mannen liepen nog wat heen en weer op het bastion. Ze spraken over de omstreken van de stad. In het zuiden was de berg van Sint Pieter, waar de groenteboertjes woonden, en de Observanten een klooster buiten de muren hadden. Daarachter lag bij Eijsden het fort Navagne, vanwaar de Spanjaarden stad en land bleven lastig vallen. De Vlamingen noemden dit fort de Elvenschans.

“De dorpelingen hebben het nog erger dan de stedelingen”, zuchtte Vinck.

“Ja. Inkwartiering, brandschatting, en erger. En ge ziet steeds dat alle partijen zich schuldig maken aan oorlogsmisdaden.”

Ze liepen terug naar de stad. De Hollandse militaire gezagvoerder neuriede een nieuw lied, gecomponeerd door een man uit het gevolg van Willem van Oranje.

“Wat zingt ge daar over Maestricht?”, informeerde Vinck, na het elfde couplet.

De commandant zong de strofe uit volle borst opnieuw:

“Als een prins opgezeten met mijne legerkracht, - Van de tiran vermeten heb ik de slag verwacht. - Die bij Maestricht begraven bevreesde mijn geweld, - Mijn ruiters zag men draven zeer moedig door dat veld.”

Vinck boog voor Goltstein en klapte. De bevelhebber had honger gekregen van het zingen. Hij kon nu kiezen: zich op het wilde feest bij Lansmans aandienen als inspecteur namens de overheid, zodat ze hem zouden verwennen met wildbraad om hem gunstig te stemmen, of met zijn metgezel het middageten gebruiken in het klooster der Minderbroeders.

Hij koos voor de Franciscanen, uit strategische overwegingen.

“Wat schaft de pot?”, vroeg de commandant aan de pater, terwijl hij onder het jasje van zijn uniform op zijn dikke buik klopte.

“Brood en wijn”, was het droge antwoord.

Nou, dat viel tegen. De legeroverste kreeg een plaatsje op een krukje aan de grote tafel in de refter, tussen twintig paters met geschoren kruinen in bruin habijt. Op de tafel stonden schalen met brood, en kruiken met wijn of water. Verder niets. Ja, voor elk een plankje en een bekertje. Er was geen boter, geen fruit, geen melk, geen vlees, geen vis, geen honing …

Aan de wand hing een groot kruisbeeld, waaraan Jezus smartelijk uit zijn houten ogen keek. In een nis stond een beeld van de maagd Maria met devoot gevouwen handen, in een andere nis een beeld van Sint Franciscus die stond te preken voor de vogels.

Er werd niet gesproken. De gardiaan, dat was Vinck zelf, tikte met zijn vingers op tafel, en iedereen sloot de ogen om God dank te zeggen. Daarna tingelde de gardiaan met een klein tafelbelletje, en één der paters begon voor te lezen uit een dik boek.

“Vervolg van de lezing uit de Bloempjes van Sint Franciscus, vijfde kapittel”, begon hij. De gardiaan klopte zachtjes op de tafel, en iedereen nam een snede brood, en schonk zich een beker water in. Goltstein zuchtte, en deed hetzelfde. Hij begon met lange tanden aan de maaltijd, maar at tenslotte met smaak. Daarna luisterde hij met een half oor naar de lezing. Hij moest vechten tegen zijn neiging om te knikkebollen en in slaap te vallen.

“… Toen de jongens hem zagen in zijn gerafelde en verstelde habijt”, hoorde hij, “lachten ze hem uit en scholden op hem als ware hij een gek; en broeder Bernard verdroeg dat alles met geduld en blijdschap, uit liefde tot Christus. Sterker nog, om meer schimpscheuten te ontvangen ging hij met opzet midden op het stadsplein zitten. Zodra hij daar zat, kwam een menigte van kinderen en ouderen om hem heen staan. Sommigen trokken van achter aan de kap van zijn habijt, anderen van voren. De een wierp stof op hem, de ander gooide met stenen; deze duwde hem van links, gene van rechts. En broeder Bernard bleef onverstoorbaar en geduldig in zijn gemoed, en op zijn blij gezicht was geen klacht of boosheid te zien. En gedurende enkele dagen kwam hij terug naar dezelfde plaats om soortgelijke dingen te verdragen …”

Na de lezing schonken de broeders elkaar een glas wijn in. Het was de feestdag van de heilige Clara. Vandaar. Ze mochten nu ook zachtjes met elkaar praten.

“Wie was Sint Franciscus?”, vroeg Goltstein aan de broeder naast hem. “Zeker een zuinige gast met een zuur gezicht?”

De aangesprokene ontstak in een heilig vuur. Zijn ogen begonnen te glinsteren, en hij sprak bijna te luid, zodat zijn medebroeders verstoord opkeken. Hij zei:

“Integendeel, de stichter van onze orde was wat men noemt een ‘vrolijke Frans’. Zijn vader was een rijke lakenkoopman. In zijn jonge jaren was hij een wildebras. Maar hij was toen ook al een minnezanger, die ridder wilde worden.

Hij nam deel aan een veldslag, en werd daarna gevangen gezet. Hij kwam tot bezinning. Het leed van de melaatsen, die door de mensen werden verstoten, ontroerde hem.”

Goltstein keek de spreker met grote ogen aan. Deze veegde het zweet van zijn gezicht met de mouw van zijn pij, en vervolgde:

“Later kreeg hij een visioen in een vervallen kerkje. De Gekruisigde zei: ‘Herstel mijn huis’. Hij trok zich nu als kluizenaar terug in de eenzaamheid, en wijdde zich aan de melaatsen en de armen, aan het herstellen van kerkjes, en bidden. Zelf wilde hij de allerarmste zijn. Hij bedelde zijn voedsel bij elkaar, en deelde het met anderen die nog minder hadden dan hij.”

Goltstein keek neutraal, alsof het hem maar half interesseerde. De broeder vertelde verder:

“Zijn vader vond dat Franciscus een dorpsgek geworden was, en probeerde hem met dreigen en verleiden terug te halen naar de wereld. Doch de zoon gaf nu in het bijzijn van de bisschop zijn kleren terug aan de vader, en wijdde zich plechtig toe aan God. Met twee anderen begon hij aan het grote avontuur der Minderbroeders.”

“Wacht even”, onderbrak de commandant. “Ik heb gehoord dat deze jongeman vluchtte voor zijn bekoringen door zich naakt in de sneeuw te werpen.”

“Dat is waar”, gaf zijn tafelgenoot toe. “Hebt ge daar iets op tegen?”

“Nee, als het maar niet op doeken en gevels geschilderd wordt”, antwoordde de bevelhebber. De broeder trok zijn wenkbrauwen op, schudde zijn hoofd, en vervolgde zijn verhaal:

“De paus wilde in die tijd Jeruzalem heroveren met kruistochten, maar Franciscus koos voor een verblijf bij de Mohamedanen, als hun dienaar. Zo liet hij zien dat God niet alleen straft, maar ook uitnodigt. Franciscus paste in de omgang met andersdenkenden altijd goed op dat hij niet verwikkeld raakte in een twistgesprek.”

De broeder merkte dat hij hiermee bij Goltstein aan een gevoelige snaar raakte. Hij besloot dan zijn verhaal aldus:

“Hij schreef ook nog een lofzang op de natuur, het Zonnelied. Hierin zingt hij over broeder zon en zuster maan en broeder ezel.”

“Genoeg”, zei Goltstein. “Wat Franciscus deed, was in zijn tijd nieuw. Maar het zijn toch niet alleen de Minderbroeders die goed doen.”

De twee tafelburen merkten opeens dat pater Vinck achter hen stond. Deze had wel gehoord wat ze bespraken. Hij knikte.

“Ge hebt gelijk, commandant”, zei hij. “Nu iets anders. Er komt hier dadelijk een vrome dame die van aanpakken weet. Ze heeft met vijf gelijkgestemde maagden een gemeenschap gesticht in een huis aan de Kommel, dat ze Calvariënberg heeft genoemd. Daar verzorgt ze zieke vrouwen. Maar ze verzorgt ook gewonde soldaten en pestlijders, net als de Cellebroeders. Wilt ge haar niet eens ontmoeten?”

“Ge bedoelt toch niet Elisabeth Strouven?”, vroeg de Hollander. “Die heb ik altijd al willen ontmoeten. Waarom komt ze hierheen?”

“Ze komt biechten”, antwoordde de pater. Hij zag aan het gezicht van Goltstein dat deze dat vreemd vond, en voegde eraan toe: “Ze zal niet veel kwaads hebben gedaan. Het is meer een oefening in nederigheid.”



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina