Hoge Raad der Nederlanden



Dovnload 334.17 Kb.
Pagina11/11
Datum23.08.2016
Grootte334.17 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

3.39 De waardering van het door het subonderdeel bedoelde verslag was aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden. Hetgeen het subonderdeel daartegen aanvoert, zou weliswaar een argument kunnen zijn voor een andere waardering dan het hof aan het bedoelde verslag heeft gegeven, maar dwingt niet in die mate tot een andere waardering dat het bestreden oordeel van het hof om die reden in cassatie als onbegrijpelijk zou kunnen worden aangetast. Dat Chipshol de getrouwheid van het verslag heeft bestreden, behoefde het hof niet ervan te weerhouden aan het verslag de in rov. 4.9 omschreven betekenis toe te kennen, waarbij nog aandacht verdient dat voor die betekenis niet van belang is of in het betrokken overleg (de wijziging van) de voor het ILS zo wezenlijke bouwrichting wel of niet aan de orde is geweest. Anders dan het subonderdeel zie ik in de brief van 16 november 1998 geen elementen die de door het hof gevolgde weergave van het overleg van 10 november 1998 weerspreken. Dat geldt ook voor de gang van zaken rond het ten behoeve van Circle Freight ingediende bouwplan; weliswaar was dat bouwplan als zodanig voldoende geconcretiseerd, maar dat gold niet voor de nog niet geconcretiseerde delen van het eerder ingediende inrichtingsplan, die eveneens in de simulatie dienden te worden betrokken. Voorts kan, anders dan het subonderdeel verdedigt, de gevolgtrekking van het hof niet iedere steun in de in rov. 4.8 geciteerde correspondentie worden ontzegd. Zo kan uit de brief van 28 mei 1998 en de brief van 23 juli 1998 worden afgeleid dat bouwplannen die de bij wijze van restrictie geldende maximale elevatiehoek zullen overschrijden, (niettemin) in een zo vroeg mogelijk stadium aan de Luchtverkeersbeveiliging ter toetsing dienen te worden aangeboden (hetgeen impliceert dat het concrete plan, ook al voldoet dat niet aan de algemeen geldende restrictie, na toetsing niettemin aanvaardbaar kan worden geoordeeld), en wordt in de brief van 17 september 1998 gewezen op de mogelijkheid dat, kennelijk na uitvoering van het simulatieonderzoek van het globale plan, een nieuw uitgewerkt voorstel ter toetsing aan de Luchtverkeersbeveiliging dient te worden gezonden, in welk verband de Luchtverkeersbeveiliging zich bereid verklaart bij de uitwerking van concrete bouwplannen te adviseren. Dat die bereidheid in de brief van 19 oktober 1998 wordt beperkt tot het geval van een positief resultaat van het (globale) simulatieonderzoek doet niet eraan af dat toetsing van de concrete plannen tot een ander resultaat dan de toetsing van het globale plan kan leiden.

3.40 Subonderdeel 3.3 betoogt dat de verwijzing in rov. 4.9 naar een "meer algemene notie van luchtverkeersveiligheid" voorts ontoelaatbaar vaag en onduidelijk is en althans geen begrijpelijke, laat staan toereikende, motivering oplevert waarom Chipshol rekening kon en moest houden met een van haar plannen afwijkende toetsing door LVNL en haar ontoelaatbaar gebrekkige voorlichting daarover.

3.41 Hetgeen het hof in rov. 4.9 heeft bedoeld met een "meer algemene notie van luchtverkeersveiligheid", blijkt uit hetgeen het hof vervolgens in rov. 4.10 heeft overwogen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof daarmee bedoeld hetgeen LVNL kon vaststellen op basis van een "worst case scenario". Het subonderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden.

3.42 Onderdeel 4 betoogt dat al hetgeen in de voorgaande onderdelen is betoogd temeer/althans klemt in het licht van de in de subonderdelen 4.1-4.4 bedoelde en door het hof in het midden gelaten dan wel niet toereikend gemotiveerd verworpen stellingen van Chipshol.

3.43 Het onderdeel maakt niet duidelijk met welke van de in de voorgaande onderdelen vervatte klachten de in de subonderdelen 4.1-4.4 bedoelde stellingen in verband moeten worden gebracht. In zoverre voldoet het onderdeel (en voldoen die subonderdelen) niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen. Het is dan ook ten overvloede dat ik op de verschillende subonderdelen inga.

3.44 Subonderdeel 4.1 betoogt dat - naar ook het hof in rov. 4.26 voor wat betreft de toetsing door LVNL van de bouwplannen van Chipshol na 4 september 2002 heeft vastgesteld en Chipshol gemotiveerd en gedocumenteerd (met verwijzing naar een deskundigenrapport van Cyrrus) heeft gesteld en te bewijzen heeft aangeboden, (ook) voor de daarvóór door LVNL uitgevoerde simulaties, LVNL terdege op de hoogte was althans behoorde te zijn van de bron (en mate) van een ILS-verstoring, omdat LVNL immers zelf de zogenaamde verstoringsvlakken in haar simulatieprogramma invoerde. LVNL was dus, volgens de door het hof in het midden gelaten en daarom in cassatie minst genomen veronderstellenderwijs vaststaande stellingen van Chipshol, zonder meer in staat om Chipshol deugdelijk voor te lichten over de ILS-effecten van (onderdelen van) bebouwing en inrichting van het Groenenbergterrein, aldus het subonderdeel.

3.45 Bij de bespreking van het subonderdeel stel ik voorop dat rov. 4.26, welke rechtsoverweging betrekking heeft op de periode ná 4 september 2002 en waarnaar het subonderdeel verwijst, mijns inziens geen stand houdt tegen de in het principale cassatieberoep aangevoerde klachten (zie hiervóór onder 2.64). Overigens meen ik dat in hetgeen het hof heeft geoordeeld in de rov. 4.9 en 4.10 ligt besloten dat LVNL in de periode vóór 4 september 2002 Chipshol (Landvision) niet verder over de bronnen van een aan de hand van de simulatie geconstateerde ILS-verstoring kon en behoefde te berichten dan zij heeft gedaan en dat het hof de door het subonderdeel bedoelde stelling aldus heeft verworpen.

3.46 Subonderdeel 4.2 betoogt dat het hof onvoldoende gemotiveerde rekenschap heeft gegeven van de door Chipshol aangevoerde (zelfstandige) grondslag voor haar vordering, dat LVNL (in ieder geval tot en met 2003) uitsluitend algemene en zonder voorbehoud gedane mededelingen heeft verstrekt inzake de (on)mogelijkheid van bebouwing, welke mededelingen niet waren voorzien van een (voldoende) toelichting over de achtergrond van de door haar getrokken conclusies.

3.47 Ik meen dat het hof de bedoelde grondslag heeft onderkend en die grondslag (i) heeft verworpen met betrekking tot de mededelingen van LVNL over de globale plannen, waar zijn oordeel in de rov. 4.9 en 4.10 impliceert dat LVNL jegens Chipshol (Landvision) niet was gehouden meer of andere inlichtingen te verstrekken dan zij heeft gedaan, en (ii) heeft gehonoreerd met betrekking tot het concrete plan met betrekking tot Circle Freight en de op 22 november 2002 ingediende bouwaanvraag. Dat laatste oordeel wordt in het principale beroep overigens (en naar mijn mening met succes) bestreden.

3.48 Volgens subonderdeel 4.3 heeft LVNL, naar Chipshol gemotiveerd en gedocumenteerd heeft gesteld en het hof geheel zonder (toereikend gemotiveerde) respons heeft gelaten, niet alleen nagelaten deugdelijk en ICAO-conform "worst case" te toetsen, uitgaande van bekende parameters, maar ook overigens onjuiste uitgangspunten ten grondslag gelegd aan haar (aan Chipshol bekende) berekeningen van de ILS-verstoring. LVNL heeft, naar Chipshol onder verwijzing naar het (tegenover de betwisting door LVNL aangepaste en herbevestigde) deskundigenrapport van Cyrrus heeft gesteld, het zogenaamde verstoringsbudget onjuist berekend, omdat de door de LVNL gehanteerde toleranties niet, zoals ICAO Annex 10 aangeeft, zijn bepaald ten opzichte van het verwachte, gemiddeld gebogen pad van de koersstructuur (van het glijpad van een voor meetvluchten ingezet vliegtuig).

3.49 Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof de bedoelde stellingen van Chipshol niet in verband gebracht met het door Chipshol aan LVNL gemaakte verwijt zoals het hof dat heeft opgevat, te weten dat dit "er in de kern op neerkomt dat zij gelet op het belang van Chipshol beter dan zij heeft gedaan had behoren uiteen te zetten, wat haar tot haar negatieve standpunt had gebracht." Daarop wijst ook hetgeen in voetnoot 21 bij het subonderdeel is vermeld, te weten dat "(b)ij appelpleidooi (...) zijdens LVNL blijkens p-v p. 5, (toelichting Dhr. Daams) en 6 (onderaan) en 7 (is) ingegaan op deze technische vragen, waarbij het hof heeft aangegeven dat als de technische discussie voor zijn beslissing een rol gaat spelen, het hof een nader onderzoek zal gelasten." Overigens bedoelt subonderdeel 4.3, dat blijkens de aanhef van onderdeel 4 - evenals de subonderdelen 4.1-4.2 en 4.4 - slechts ertoe strekt hetgeen in de voorgaande onderdelen is betoogd te versterken, kennelijk niet zelfstandig over het passeren van de bedoelde stellingen te klagen.

3.50 Subonderdeel 4.4 betoogt dat het hof onvoldoende gemotiveerd rekenschap heeft gegeven van Chipshols met concrete aanwijzingen over het gehele tijdvak 1996 t/m 2007 onderbouwde betoog, dat de consequent niet transparant afwijzende opstelling van LVNL niet (uitsluitend) werd ingegeven door het belang van de luchtverkeersveiligheid dat zij gezien haar wettelijke taak had te behartigen, maar dat LVNL zich bij haar advisering en berichtgeving over de bouw- en inrichtingsmogelijkheden voor het Groenenbergterrein (in elk geval: mede) heeft laten leiden door commerciële belangen van de luchthaven Schiphol respectievelijk belangen van de luchtvaartsector in Nederland c.q. de mede door LVNL zélf verzochte reservering voor de zogenaamde 2e Kaagbaan. Het oordeel in rov. 4.39 dat de aan haar vordering in hoger beroep onder VII ten grondslag gelegde stellingen van Chipshol (over, kort gezegd, deze 2e Kaagbaan) te speculatief zijn om thans verder onderzoek in rechte te verdienen, houdt volgens het subonderdeel geen voldoende gemotiveerde respons in op het betoog van Chipshol. Chipshol heeft immers, tegen de achtergrond van de achteraf volstrekt onjuist gebleken opstelling van LVNL over het Groenenbergterrein, concreet gesteld dat:


(i) LVNL en de luchthaven Schiphol van meet af aan (bovendien in de gemeentelijke Toetsingscommissie en een speciale projectgroep voor het Groenenbergterrein: geïnstitutionaliseerd) nauw overleg voerden en hun acties en posities (in elk geval een aantal malen), ten nadele van Chipshol, op elkaar hebben afgestemd;
(ii) LVNL, die nota bene zelf al in medio 2002 (onder meer samen met Schiphol) mede om een (ruimtelijke) reservering voor een 2e Kaagbaan had verzocht, er (dus) een belang bij had om conform haar verzoek deze 2e Kaagbaan gerealiseerd te krijgen, waarmee de door Chipshol beoogde bebouwing van het Groenenbergterrein interfereerde, iets wat zij indertijd echter niet aan Chipshol heeft geopenbaard;
(iii) de reservering voor deze 2e Kaagbaan, anders dan LVNL heeft gesuggereerd, niet pas in 2003, maar in elk geval al in 1999 een serieuze, in de luchthavensector klaarblijkelijk bekende optie was om de onzekere verdere groei van de luchthaven Schiphol veilig te stellen;
(iv) LVNL in haar (pas later aan Chipshol bekend geworden) correspondentie over het Groenenbergterrein openlijk schermde met het belang van bereikbaarheid van Schiphol en (behoud van) de mainportfunctie van Schiphol, wat de (wettelijke) taak van LVNL te buiten ging en waarop Chipshol ook niet bedacht had behoeven zijn.

3.51 Het oordeel, vervat in rov. 4.39, dat de bedoelde stellingen van Chipshol te speculatief zijn om thans verder onderzoek in rechte te verdienen, is niet onbegrijpelijk. De bedoelde stellingen, wat daarvan overigens zij, volstaan rechtens immers niet voor de conclusie dat LVNL over de litigieuze bouwplannen willens en wetens onjuist c.q. onvolledig heeft geadviseerd om met het oog op andere belangen dan die van de luchtverkeersveiligheid bebouwing van het Groenenbergterrein door Chipshol te voorkomen.

3.52 Onderdeel 5 betoogt dat, indien één of meer van de klachten in de voorgaande onderdelen slagen, ook de op de met die klachten bestreden overwegingen voortbouwende overwegingen en beslissingen in rov. 5 en het dictum niet in stand kunnen blijven.

3.53 Waar naar mijn mening subonderdeel 3.1.2 slaagt en dit het aan de afwijzing van de aansprakelijkheid van LVNL over de periode vóór 4 september 2002 ten grondslag gelegde oordeel raakt, kunnen in zoverre ook de oordelen in rov. 5 en het dictum niet in stand blijven.

4. Conclusie

De conclusie strekt zowel in het principale beroep als in het incidentele beroep tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal



1 Rov 4.1.1-4.1.9 van het bestreden arrest.
2 Deze vaststelling wordt in het principale beroep met subonderdeel 4.11 bestreden.
3 In hoger beroep heeft Chipshol haar vordering met verwante verklaringen voor recht uitgebreid.
4 HR 9 september 2005 ([A]/Valkenswaard), LJN: AT7774, NJ 2006, 93, m.nt. M.R. Mok.
5 Zie voetnoot 4.
6 Men denke in dit verband aan de in titel 3.3 van de Awb geregelde rol van advisering bij de totstandkoming van besluiten. Zie bijvoorbeeld art. 3:9 Awb: "Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden."
7 Zie voetnoot 4.
8 Vgl. art. 3:9 Awb, dat in een vergewisplicht van het betrokken bestuursorgaan voorziet. Art. 3:9 Awb is slechts van toepassing op adviezen van personen of colleges, die bij of krachtens wettelijk voorschrift zijn belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan; vgl. art. 3: 5 lid 1 Awb. Het hof heeft blijkens rov. 4.9 aangenomen dat LVNL was belast met de wettelijke taak te adviseren over de luchtverkeersveiligheid.
Bij art. 5.23 lid 1 (voorheen: art. 23 lid 1) Wet luchtvaart is LVNL onder meer belast met het adviseren van de minister van Verkeer en Waterstaat en de minister van Defensie betreffende aangelegenheden op het gebied van de luchtverkeersbeveiliging. Art. 5.23 (voorheen: art. 23) Wet luchtvaart belast LVNL niet met de advisering van andere (lagere) overheden, alhoewel LVNL daartoe blijkens art. 5.23 lid 2 (voorheen: art. 23) Wet luchtvaart wel bevoegd is. Wat betreft de advisering door LVNL van de gemeente Haarlemmermeer is van belang, dat aan de eis van art. 3:5 lid 1 Awb ("(...) bij of krachtens wettelijk voorschrift belast (...)" ) ook is voldaan als in bestemmingsplanvoorschriften de inschakeling van een adviseur wordt voorgeschreven; vgl. Tekst & Commentaar Awb (2009), art. 3:5, aant. 2 (P.J.J. van Buuren), alsmede AbRvS 1 december 2004, LJN: AR6776, AB 2005, 240, m.nt. N. Verheij. LVNL was lid van de in de bestemmingsplanvoorschriften bedoelde Toetsingscommissie (zie de schriftelijke toelichting mr. Scheltema onder 2.5.1), maar mijns inziens maakt dat (althans buiten het geval dat LVNL namens de Toetsingscommissie adviseerde) niet zonder meer dat zij (wettelijk) als adviseur van de gemeente kon gelden.
9 Vgl. art. 3:49 Awb. Een advies in de zin van deze bepaling behoeft niet per se afkomstig te zijn van een adviseur als gedefinieerd in art. 3:5 Awb; vgl. Tekst & Commentaar Awb (2009), art. 3:49, aant. 4 (J.C.A. de Poorter).
10 Zie subonderdeel 4.8.
11 Zie de schriftelijke toelichting van de mrs. Vermeulen en Schim onder 193.
12 Aanvankelijk werd ook onder vigeur van de Awb het niet tijdig nemen van een besluit (dat volgens art. 6:2 onder b Awb voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit moet worden gelijkgesteld) inhoudelijk als een (zij het fictieve) weigering opgevat. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 3 december 1998, LJN: ZF3644, AB 1999, 107, m.nt. FM, echter geoordeeld dat het niet tijdig nemen van een besluit niet wat de inhoud betreft met een uitdrukkelijk besluit (een weigering) mag worden gelijkgesteld.
13 HR 25 oktober 2002 (Heeze-Leende/Lammers), LJN: AE4362, NJ 2003, 171, m.nt. MS.
14 Vgl. HR 11 oktober 1996 (Leenders/Ubbergen), LJN: ZC2169, NJ 1997, 165, m.nt. MS, zij het dat die zaak zich toespitste op de mogelijkheid de onverbindendheid van een wettelijk voorschrift aan de orde te stellen, zonder de volgens dat voorschrift vereiste vergunning aan te vragen en vervolgens langs bestuursrechtelijke weg tegen het daarop te nemen besluit op te komen.
15 In rov. 4.19 heeft het hof zelf van "een bouwaanvraag voor de kavels I en IV" en van "de nieuwe bouwaanvraag" gesproken. Hiervóór (onder 2.8) signaleerde ik reeds dat niet vaststaat hoe de gemeente de bouwplannen voor de kavels I en IV aan LVNL presenteerde en wat zij daarbij exact van LVNL heeft gevraagd. Zie in dit verband ook subonderdeel 4.8.
16 Attachment C. Information and materials for guidance in the application of the standards and recommended practices for ILS, VOR, PAR, 75 MHz Marker Beacons (en-route), NDB and DME, prod. 1 bij de conclusie van antwoord.
17 Zie schriftelijke toelichting mr. Scheltema onder 4.5.17.
18 Tot de inwerkingtreding van de Wet van 29 april 1999, Stb. 235 (zie voor de inwerkingtreding Stb 1999, 263) luidde de citeertitel Wet Luchtverkeer.
19 Zie daarover inmiddels HR 19 februari 2010 (Chipshol III/N.V. Luchthaven Schiphol), LJN: BK4476, NJ 2011, 121, m.nt. P.C.E. van Wijmen.
20 Zie bijv. tov. 4.29: "(...) LVNL heeft nog betoogd dat Chipshol zo gretig was in haar wens de exploitatie van het Groenenbergterrein ter hand te nemen dat het alleen al daarom op haar weg lag te benadrukken dat onverenigbaarheid van de bouwplannen met de luchtverkeersveiligheid moest worden voorkomen. (...)".
21 Proces-verbaal van de (pleit)zitting van 28 september 2009, p. 3.







1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina