Hoge Raad der Nederlanden



Dovnload 334.17 Kb.
Pagina2/11
Datum23.08.2016
Grootte334.17 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11





Conclusie




10/01194
mr. Keus
Zitting 9 december 2011

Conclusie inzake:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Luchtverkeersleiding Nederland
(hierna: LVNL)
eiseres tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep

tegen


de besloten vennootschap Chip(s)hol III B.V.
(hierna: Chipshol)
verweerster in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep

Het gaat in deze zaak om de vraag of LVNL jegens Chipshol aansprakelijk is voor door Chipshol bij de ontwikkeling van het Groenenbergterrein bij Schiphol opgelopen vertraging. In cassatie is onder meer aan de orde of de mededelingen die LVNL naar aanleiding van de bouwplannen van Chipshol heeft gedaan, door de formele rechtskracht van besluiten van de betrokken overheden worden gedekt en al dan niet juist en volledig waren.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Chipshol, een gebiedsontwikkelaar in de Schipholregio, heeft in 1990 een terrein van 38,5 ha nabij de luchthaven Schiphol gekocht en op 22 december 1993 de economische eigendom daarvan verworven. Het gaat om het zogenoemde Groenenbergterrein. Dat terrein ligt aan de kop van de Aalsmeerbaan, een van de landingsbanen van de luchthaven Schiphol.

1.2 Chipshol stelde en stelt zich ten doel de door haar verworven grond ten behoeve van bedrijfsgebouwen en kantoren te ontwikkelen.

1.3 De ligging van het Groenenbergterrein aan de kop van de Aalsmeerbaan brengt mee dat bebouwing of andersoortig gebruik van het terrein een veiligheidsrisico voor het luchtverkeer kan meebrengen. In het bijzonder kan de werking van het Instrument Landing System (hierna: ILS) door het gebruik van het terrein negatief worden beïnvloed.

1.4 Bij de door haar voorgenomen ontwikkeling van het Groenenbergterrein diende Chipshol rekening te houden met de grenzen die de luchtverkeersbeveiliging stelt.

1.5 LVNL is ingesteld bij de Wet Luchtvaart en is sinds 1993 een zelfstandig bestuursorgaan. LVNL heeft een belangrijke taak bij het waarborgen van de luchtverkeersbeveiliging rondom de luchthaven Schiphol. Zo adviseert zij overheden over de gevolgen van ruimtelijke plannen nabij de luchthaven Schiphol voor communicatie-, navigatie- en radioapparatuur, veiligheidsaspecten en zichtlijnen. Als de aan haar, LVNL, voorgelegde plannen de werking van de voorzieningen die de luchtverkeersveiligheid moeten verzekeren in relevante mate verstoren, adviseert zij negatief over die plannen. LVNL heeft een rechtsvoorganger, Luchtverkeersbeveiliging. In het navolgende zal met LVNL in voorkomend geval mede die rechtsvoorganger worden aangeduid.

1.6 LVNL adviseert sinds 1996 over plannen die Chipshol voor het Groenenbergterrein heeft ontwikkeld. Tot in het jaar 2005 heeft zij zich naar aanleiding van het door Chipshol voorgenomen gebruik van het terrein op het standpunt gesteld dat eventuele bebouwing niet hoger mocht worden dan 3 respectievelijk 0 m(2). In het bijzonder was haar oordeel dat het door Chipshol voorgenomen gebruik van het Groenenbergterrein zou leiden tot decategorisering van de Aalsmeerbaan, waardoor deze landingsbaan (veel) minder intensief zou kunnen worden benut, en in elk geval niet bij minder goede weersomstandigheden. Haar standpunt heeft zij niet alleen bekend gemaakt aan Chipshol maar ook aan de gemeente Haarlemmermeer, aan de NV Luchthaven Schiphol, aan de minister van Verkeer en Waterstaat en de directeur-generaal van Rijkswaterstaat. Het heeft een rol gespeeld in een reeks procedures, zowel van civielrechtelijke als van bestuursrechtelijke aard, en heeft geleid tot voor Chipshol nadelige uitkomsten.

1.7 Bij brief van 18 oktober 2005 aan Schiphol heeft LVNL na een nieuwe beoordeling van de toenmalige bouwplannen van Chipshol (op basis van een bestektekening van 27 maart 2003) medegedeeld dat die voorgenomen bebouwing een verstoring van het ILS meebracht maar dat deze verstoring niet van zodanige omvang was dat voor decategorisering van de landingsbaan moest worden gevreesd. Dit was de eerste maal dat LVNL positief over de bebouwingsplannen van Chipshol voor het Groenenbergterrein oordeelde.

1.8 Chipshol heeft zich op het standpunt gesteld dat LVNL al jarenlang ervan op de hoogte was dat bebouwing op het Groenenbergterrein wel degelijk mogelijk was, alsmede dat LVNL haar ten onrechte jarenlang onkundig heeft gelaten van die bebouwingsmogelijkheden, met als gevolg dat zij vertragingsschade heeft geleden. LVNL heeft dit bestreden. LVNL heeft ook betwist dat zij door onjuiste mededelingen te doen over het veiligheidsrisico het door Chipshol voorgenomen gebruik van het Groenenbergterrein heeft vertraagd en daardoor Chipshol schade heeft berokkend.

1.9 Chipshol heeft LVNL bij exploot van 7 maart 2006 voor de rechtbank Haarlem gedagvaard. Zij heeft gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat LVNL jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door vanaf medio 1996 tot 3 oktober 2005, althans gedurende een andere door de rechter te bepalen periode, te stellen dat de bouwinitiatieven van Chipshol voor het Groenenbergterrein desastreuze gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van de Aalsmeerbaan zouden hebben(3), en dat de rechtbank LVNL tot schadevergoeding veroordeelt. LVNL heeft verweer gevoerd en een reconventionele vordering ingesteld; deze reconventionele vordering is in cassatie niet meer aan de orde.

1.10 Na bij vonnis van 5 juli 2006 een comparitie van partijen te hebben gelast, welke comparitie op 18 september 2006 heeft plaatsgehad, heeft de rechtbank bij vonnis van 14 november 2007 de vorderingen zowel in conventie als in reconventie afgewezen. In conventie heeft de rechtbank (kort samengevat) geoordeeld dat het beroep van LVNL op formele rechtskracht doel treft en dat de gestelde onjuistheid van de berekeningen van LVNL bovendien niet is komen vast te staan.

1.11 Bij exploot van 13 februari 2008 is Chipshol in hoger beroep gekomen van het vonnis van 14 november 2007, voor zover dit in conventie was gewezen. Zij heeft bij memorie negen grieven aangevoerd, haar eis gewijzigd, een bewijsaanbod gedaan en producties in het geding gebracht, met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen voor zover in conventie gewezen en, opnieuw rechtdoende, een reeks verklaringen voor recht zal uitspreken, een en ander zoals omschreven in de appeldagvaarding, LVNL te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en LVNL te gebieden zich te onthouden van niet-onderbouwde mededelingen over eventuele nieuwe bouwplannen voor het Groenenbergterrein, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van LVNL in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede veroordeling van LVNL tot terugbetaling aan Chipshol van hetgeen Chipshol uit hoofde van de proceskostenveroordeling aan verschotten en kosten procureur aan LVNL heeft betaald, te vermeerderen met wettelijke rente.

1.12 LVNL heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden, alsmede een bewijsaanbod gedaan en producties in het geding gebracht, met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, de vordering van Chipshol die voor het eerst in hoger beroep is ingesteld zal afwijzen en Chipshol, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen in de volledige door haar, LVNL, gemaakte proceskosten, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.13 Partijen hebben hun zaak ter zitting van 28 september 2009 doen bepleiten, waarbij elk van hen aanvullende producties in het geding heeft gebracht. Bij gelegenheid van de pleidooien hebben partijen bovendien inlichtingen verschaft, onder meer met behulp van audiovisuele middelen.

1.14 Bij arrest van 15 december 2009 heeft het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en, in zover opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard:

"- dat LVNL jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door in maart 1999 en in de periode vanaf 29 november 2002 tot 18 oktober 2005 onjuiste mededelingen te doen ter zake van de bebouwingsmogelijkheden van het Groenenbergterrein;


- dat LVNL jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door onvoldoende inzicht te verschaffen in de aard van haar bezwaren tegen het bouwplan van Chipshol ten behoeve van Circle Freight;
- dat LVNL jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door in de periode vanaf 29 november 2002 tot 18 oktober 2005 zonder mededeling daarvan niet de door Chipshol voorgelegde bouwplannen te toetsen, maar een "worst case scenario"; (...)."

Het hof heeft LVNL veroordeeld tot betaling aan Chipshol van een schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en haar voorts veroordeeld in de proceskosten in beide instanties en tot terugbetaling van al hetgeen Chipshol aan haar heeft betaald uit hoofde van het vonnis waarvan beroep, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

1.15 LVNL heeft bij dagvaarding van 12 maart 2010 (tijdig) cassatieberoep ingesteld. Chipshol heeft geconcludeerd tot verwerping en heeft harerzijds incidenteel cassatieberoep ingesteld. LVNL heeft tot verwerping van het incidentele cassatieberoep geconcludeerd. Partijen hebben de zaak schriftelijk doen toelichten en vervolgens gere- en gedupliceerd.

2. Bespreking van het principale cassatiemiddel

2.1 LVNL heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel omvat dertien onderdelen, waarvan de meeste in subonderdelen zijn verdeeld. De klachten zijn gegroepeerd rond een aantal thema's, te weten "Formele rechtskracht" (onderdeel 1), "Geen onrechtmatig handelen" (onderdelen 2-4), "Relativiteit ontbreekt" (onderdeel 5), "Causaal verband ontbreekt" (onderdelen 6-7), "Verjaring" (onderdeel 8), "Geen vereenzelviging" (onderdeel 9), "Passeren bewijsaanbod" (onderdeel 10), "Restklacht" (onderdeel 11) en "Dictum" (onderdelen 12-13).

Formele rechtskracht


2.2 De klachten van onderdeel 1 zijn in het bijzonder gericht tegen rov. 4.38:

"4.38 De formele rechtskracht staat niet in de weg aan toewijzing van het gedeelte van de vordering van Chipshol dat strekt tot vergoeding van vertragingsschade, noch aan toewijzing van het deel van de gevorderde verklaringen voor recht waarvoor door het hof een afdoende grondslag is gevonden.


De verbintenis tot schadevergoeding van LVNL jegens Chipshol is door het hof aanvaard op grond van het feitelijk gedrag van LVNL jegens Chipshol. Dit feitelijke gedrag wordt niet "gedekt" door de formele rechtskracht van de besluiten van bestuursrechtelijke oorsprong, waarop LVNL het oog heeft.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de door LVNL verstrekte inlichtingen niet - als uitgangspunt - zonder meer als rechtmatig hebben te gelden, nu de besluiten waarop die inlichtingen betrekking hebben, formele rechtskracht hebben gekregen.
Wat betreft Circle Freight heeft te gelden dat geen relevant besluit valt aan te wijzen. Uiteindelijk is het aan LVNL voorgelegde plan na haar negatieve advies niet doorgezet.
Voor het overige zou het nog gaan om gedrag van LVNL dat - in haar visie - aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onttrokken vanwege de formele rechtskracht van het bouwverbod.
Het is juist dat het beginsel van de formele rechtskracht zou worden uitgehold als inlichtingen van een overheidsorgaan aan een burger, die worden gegeven met het oog op een door dat overheidsorgaan te nemen besluit, steeds aan de formele rechtskracht van dat later gevolgde besluit onttrokken zouden worden geacht. Die situatie doet zich hier niet voor.
In de eerste plaats is LVNL niet het bestuursorgaan dat het besluit tot het bouwverbod heeft gegeven. Daar komt bij dat LVNL een onafhankelijke advies- en informatiepositie innam. Dat deed zij jegens een reeks van betrokken bestuurlijke autoriteiten met verschillende belangen. Dat betekent dat het door haar gegeven advies niet gemakkelijk kan worden gekwalificeerd als inlichtingen die (uitsluitend) worden gegeven met het oog op een door een overheidsorgaan te nemen besluit. Dat advies had een zelfstandig karakter. Dat geldt ook ten aanzien van het advies dat LVNL heeft uitgebracht ten behoeve van de minister die het besluit tot het bouwverbod heeft genomen.
LVNL nam haar zelfstandige informatiepositie ook feitelijk in jegens Chipshol en had als gevolg daarvan rechtstreeks overleg met Chipshol.
Verder verdient hier vermelding dat het verwijt aan LVNL er in de kern op neerkomt dat zij gelet op het belang van Chipshol beter dan zij heeft gedaan had behoren uiteen te zetten, wat haar tot haar negatieve standpunt had gebracht. Dat gedrag van haar als zelfstandig adviseur staat los van de inhoud van het bouwverbod. In het besluit inhoudende het bouwverbod noch in andere besluiten van bestuursrechtelijke aard vallen oordelen aan te wijzen die van betekenis zijn voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van deze handelwijze van LVNL.
De tweede grief van Chipshol slaagt in zover."

2.3 Subonderdeel 1.1 klaagt dat rov. 4.38 rechtens onjuist is. Het subonderdeel betoogt dat aansprakelijkheid voor onjuiste of onvolledige inlichtingen die zijn gegeven, vooruitlopend op een beschikking die inmiddels formele rechtskracht heeft gekregen, alleen kan worden aangenomen indien het geven van die inlichtingen onafhankelijk van de inhoud van de desbetreffende beschikking onrechtmatig is, en dat inlichtingen die ten opzichte van het beoogde besluit een onzelfstandig karakter dragen, in beginsel door de formele rechtskracht van het besluit worden "gedekt". Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat de adviezen van LVNL zozeer samenhingen met de door bestuursorganen te nemen besluiten dat zij ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter droegen. In dat verband is, nog steeds volgens het subonderdeel, niet relevant of de inlichtingen (de adviezen) afkomstig zijn van een ander bestuursorgaan dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, of de adviezen (inlichtingen) zijn gegeven aan verschillende bestuursorganen die verschillende belangen behartigden, of de informatiepositie feitelijk is ingenomen jegens een burger (die stelt nadeel van de inlichtingen te hebben ondervonden) en evenmin of rechtstreeks overleg met die burger heeft plaatsgevonden. Volgens het subonderdeel is evenmin relevant dat LVNL, gelet op het belang van Chipshol, beter uiteen had behoren te zetten wat haar tot haar negatieve standpunt had gebracht.


Het subonderdeel betoogt dat voor de beantwoording van de vraag of een voldoende nauw verband bestaat tussen het gegeven advies, de in dat verband gegeven (volgens het hof onvolledige) inlichtingen en het genomen besluit, in het bijzonder van belang is (i) in welke mate het besluit op het advies is gebaseerd, (ii) of de onjuistheid en/of onvolledigheid van het advies of de gegeven inlichtingen (al dan niet als onderdeel van de voorbereiding van het besluit) in het bezwaar en beroep tegen het besluit aan de orde kon(den) worden gesteld en tot vernietiging van dit besluit kon(den) leiden en (iii) of het advies dan wel de inlichtingen tot andere schade hebben geleid dan die welke door het besluit zelf is veroorzaakt. Volgens het subonderdeel is het bestreden oordeel rechtens onjuist, nu het hof niet kenbaar aan de onder (i)-(iii) bedoelde gezichtspunten heeft getoetst. Het subonderdeel klaagt dat het hof althans niet heeft kunnen volstaan met een toetsing aan de in rov. 4.38 betrokken gezichtspunten om te beoordelen of het verstrekken van inlichtingen door LVNL al dan niet door de formele rechtskracht van de desbetreffende besluiten werd gedekt.

2.4 Het subonderdeel kiest naar mijn mening terecht als uitgangspunt dat zogenaamde onzelfstandige voorbereidingshandelingen door de formele rechtskracht van het desbetreffende besluit worden "gedekt" en dat het begrip "voorbereidingshandelingen" mede ziet op adviezen en daarmee verband houdende, aan de belanghebbende verstrekte inlichtingen over de (vraag of is voldaan aan de) eisen die voor het beoogde besluit gelden(4). In de bestreden rechtsoverweging lijkt het hof ook aan de rechtspraak daarover te refereren, maar is het kennelijk van oordeel dat de daarin bedoelde situatie zich in casu niet voordoet:

"Het is juist dat het beginsel van de formele rechtskracht zou worden uitgehold als inlichtingen van een overheidsorgaan aan een burger, die worden gegeven met het oog op een door dat overheidsorgaan te nemen besluit, steeds aan de formele rechtskracht van dat later gevolgde besluit onttrokken zouden worden geacht. Die situatie doet zich hier niet voor."

Daarbij is voor het hof kennelijk beslissend (a) dat LVNL niet het bestuursorgaan is dat het desbetreffende besluit heeft genomen, (b) dat LVNL een onafhankelijke advies- en informatiepositie innam, (c) dat zij dat deed jegens een reeks van betrokken bestuurlijke autoriteiten met verschillende belangen, (d) dat "(d)at betekent dat het door haar gegeven advies niet gemakkelijk kan worden gekwalificeerd als inlichtingen die (uitsluitend) worden gegeven met het oog op een door een overheidsorgaan te nemen besluit", (e) dat het advies een zelfstandig karakter had, (f) dat zulks ook geldt ten aanzien van het advies dat LVNL heeft uitgebracht ten behoeve van de minister die het besluit tot het bouwverbod heeft genomen, (g) dat LVNL haar zelfstandige informatiepositie ook feitelijk innam jegens Chipshol en als gevolg daarvan rechtstreeks overleg met Chipshol had en (h) dat het verwijt aan LVNL in de kern erop neerkomt dat zij, gelet op het belang van Chipshol, beter dan zij heeft gedaan, had behoren uiteen te zetten wat haar tot haar negatieve standpunt had gebracht, welk gedrag als zelfstandig adviseur losstaat van de inhoud van het bouwverbod.



2.5 Voor de vraag of de formele rechtskracht van een besluit ook een feitelijke voorbereidingshandeling "dekt", is slechts de relatie tussen dat besluit en de betrokken voorbereidingshandeling van belang (zie rov. 3.4 van het arrest [A]/Valkenswaard(5): "(...) Inlichtingen die zozeer samenhangen met het beoogde besluit, dat zij ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter dragen, hoezeer ook onjuist, worden in beginsel echter "gedekt" door de formele rechtskracht van dat besluit. Gezien de nauwe samenhang die in het onderhavige geval bestaat tussen de door de Gemeente bij brief van 19 december 1995 aan [A] gegeven inlichtingen en de bij besluit van 25 maart 1997 aan [A] verleende revisievergunning, heeft het hof terecht en op goede gronden geoordeeld dat de vordering van [A], voor zover op deze achteraf onjuist gebleken inlichtingen gebaseerd, geen doel kan treffen."). Of de voorbereidingshandeling is verricht door hetzelfde bestuursorgaan (c.q. dezelfde rechtspersoon) dat het betrokken besluit heeft genomen (c.q. waaraan het betrokken besluit wordt toegerekend), is in dat verband niet beslissend, nu ook de bijdrage van een derde aan de totstandkoming van een besluit zeer wel een ten opzichte van dat besluit onzelfstandig karakter kan dragen(6). De hiervóór (onder 2.4) onder (a) bedoelde omstandigheid dat de betrokken handeling is verricht door een ander bestuursorgaan (een andere rechtspersoon) dan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen (c.q. dan de rechtspersoon waaraan dat besluit moet worden toegerekend), sluit daarom niet uit dat de formele rechtskracht van het besluit ook de voorbereidingshandeling "dekt".
Hetzelfde geldt voor de omstandigheid onder (b): ook de omstandigheid dat de derde die de voorbereidingshandeling verricht, een onafhankelijke advies- en informatiepositie inneemt, sluit allerminst uit dat van een voorbereidingshandeling met een ten opzichte van het besluit onzelfstandig karakter sprake is. Het komt niet aan op de al dan niet zelfstandige positie van de betrokken derde ten opzichte van de betrokken bestuursorganen, maar op het al dan niet zelfstandige karakter van diens bijdrage ten opzichte van de door die bestuursorganen te nemen besluiten.
Evenmin doet in dat verband ter zake dat de derde een dergelijke positie jegens een reeks van betrokken bestuursorganen met verschillende belangen inneemt; ook die omstandigheid, hiervóór genoemd onder (c), sluit geenszins een voorbereidingshandeling met een ten opzichte van de door die respectieve bestuursorganen te nemen besluiten onzelfstandig karakter uit.
De tussenconclusie van het hof, hiervóór weergegeven onder (d), volgens welke het door LVNL gegeven advies "niet gemakkelijk kan worden gekwalificeerd als inlichtingen die (uitsluitend) worden gegeven met het oog op een door een overheidsorgaan te nemen besluit" gaat (nog daargelaten dat wat "niet gemakkelijk" kan, niet al om die reden is uitgesloten) kennelijk uit van de mijns inziens onjuiste veronderstelling dat het voor het al dan niet onzelfstandige karakter van een uit een advies (uit inlichtingen) bestaande voorbereidingshandeling erop zou aankomen of dat advies (die inlichtingen) (uitsluitend) wordt (worden) gegeven met het oog op een door slechts één overheidsorgaan te nemen besluit. Als, zoals in de veronderstelling van het hof, adviezen (inlichtingen) van een derde met een onafhankelijke advies- en informatiepositie een rol spelen in een reeks van door verschillende bestuursorganen met het oog op verschillende belangen te nemen besluiten, zou dat niet uitsluiten dat van een voorbereidingshandeling met een ten opzichte van (althans sommige van) die besluiten onzelfstandig karakter sprake is.
Dat de adviezen van LVNL een zelfstandig karakter hadden (de onder (e) bedoelde omstandigheid), óók het advies dat LVNL heeft uitgebracht ten behoeve van de minister die het besluit tot het bouwverbod heeft genomen (de onder (f) bedoelde omstandigheid), verwijst kennelijk wederom naar de onafhankelijke advies- en informatiepositie van LVNL en naar de veronderstelling dat haar adviezen niet (uitsluitend) met het oog op een door slechts één bestuursorgaan te nemen besluit worden gegeven. Dit een en ander sluit echter niet uit dat aan de bijdrage die LNVL met die adviezen aan te nemen besluiten leverde, een ten opzichte van die besluiten onzelfstandig karakter toekwam.
Dat LVNL haar zelfstandige informatiepositie ook feitelijk innam jegens Chipshol en als gevolg daarvan rechtstreeks overleg met Chipshol had (de onder (g) bedoelde omstandigheid) sluit evenmin uit dat van een voorbereidingshandeling met een ten opzichte van het betrokken besluit onzelfstandig karakter sprake was. Ook in de zaak [A]/Valkenswaard(7) werd de belanghebbende (weliswaar niet door een derde die het bestuursorgaan adviseerde, maar) door het betrokken bestuursorgaan (zelf) rechtstreeks geïnformeerd over de (vraag of was voldaan aan de) voor het beoogde besluit geldende eisen.
Ook de laatste, onder (h) genoemde omstandigheid, te weten dat het verwijt aan LVNL in de kern erop neerkomt dat zij, gelet op het belang van Chipshol, beter dan zij heeft gedaan, had behoren uiteen te zetten wat haar tot haar negatieve standpunt had gebracht, welk gedrag als zelfstandig adviseur zou losstaan van de inhoud van het bouwverbod, kan de conclusie van het hof mijns inziens, niet, althans niet zonder meer, dragen. Naar het oordeel van het hof "(staat) (d)at gedrag van haar (LVNL: LK) als zelfstandig adviseur (...) los van de inhoud van het bouwverbod", kennelijk omdat "(i)n het besluit inhoudende het bouwverbod noch in andere besluiten van bestuursrechtelijke aard (...) oordelen (vallen) aan te wijzen die van betekenis zijn voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van deze handelwijze van LVNL." Naar mijn mening heeft het hof hier miskend dat het ook bestuursrechtelijk niet zonder betekenis is indien een adviseur in zijn aan een besluit ten grondslag gelegd advies niet naar behoren heeft uiteengezet wat hem tot zijn in dat advies verwoorde standpunt heeft gebracht. Nog daargelaten dat een bestuursorgaan zich niet op een advies kan verlaten zonder zich te hebben vergewist (en zonder in voorkomend geval ten genoegen van de bestuursrechter te hebben verantwoord) dat het advies op zorgvuldige wijze is tot stand gekomen(8), is een bestuursorgaan tot een draagkrachtige motivering van zijn besluit gehouden, ook als dat besluit op een advies berust, en mag het bestuursorgaan ter motivering van dat besluit slechts naar een met het oog daarop uitgebracht advies verwijzen, indien het advies zelf een toereikende motivering bevat en van dat advies kennis is of wordt gegeven(9). Anders dan het hof in rov. 4.38 heeft verondersteld, staat de omstandigheid dat LVNL onvoldoende zou hebben uiteengezet wat haar tot haar negatieve standpunt heeft gebracht, dan ook geenszins "los" van het bouwverbod, dat een draagkrachtige motivering diende te bevatten, ook voor zover het (mede) op het negatieve standpunt van LVNL berustte.

2.6 Het subonderdeel voert mijns inziens terecht aan dat voor de beantwoording van de vraag of een voldoende nauw verband bestaat tussen het gegeven advies, de in dat verband gegeven (volgens het hof onvolledige) inlichtingen en het genomen besluit, een aantal gezichtspunten van belang is, waaronder de vraag (i) in welke mate het besluit op het advies is gebaseerd, (ii) of de onjuistheid en/of onvolledigheid van het advies of de gegeven inlichtingen (al dan niet als onderdeel van de voorbereiding van het besluit) in het bezwaar en beroep tegen het besluit aan de orde kon(den) worden gesteld en tot vernietiging van dit besluit kon(den) leiden en (iii) of het advies dan wel de inlichtingen tot andere schade hebben geleid dan die welke door het besluit zelf is veroorzaakt. Aan deze gezichtspunten heeft het hof inderdaad geen aandacht geschonken, alhoewel de hiervóór onder (h) genoemde omstandigheid wellicht met het laatste gezichtspunt (wel of geen andere schade dan die welke door het besluit is veroorzaakt) in verband zou kunnen worden gebracht. Zoals hiervóór (onder 2.5) al aan de orde kwam, lijkt het hof in verband met die omstandigheid echter te hebben miskend dat gebreken in de verantwoording van het door de deskundige ingenomen standpunt ook doorwerken in het besluit waarop dat standpunt is gebaseerd en dat besluit kunnen vitiëren.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina