Hoge Raad der Nederlanden



Dovnload 334.17 Kb.
Pagina4/11
Datum23.08.2016
Grootte334.17 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11
Het subonderdeel is mede gericht tegen de rov. 4.13, 4.15 en 4.24, waarin het hof - kennelijk met inachtneming van de in rov. 4.4 genoemde omstandigheden - heeft geoordeeld dat LVNL, in verband met haar overwegende adviespositie, op grond van de door haar jegens Chipshol als belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid was gehouden haar advisering zodanig in te richten dat het Chipshol mogelijk zou zijn na te gaan of haar afgewezen plannen zodanig konden worden aangepast dat de luchtverkeersveiligheid gewaarborgd kon blijven (rov. 4.13: "Aldus heeft LVNL gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij vanuit haar overwegende adviespositie op het gebied van de luchtverkeersveiligheid jegens Chipshol als belanghebbende in acht had te nemen."; rov. 4.15: "In dat verband behield LVNL als adviseur haar overwegende informatiepositie. Ook na de bestemmingswijziging had LVNL zich rekenschap te geven van het belang van Chipshol als economisch eigenaar van het Groenenbergterrein (...)"; rov. 4.24: "Nu in het najaar van 2005 is gebleken dat de mededelingen van LVNL in die zin onjuist zijn, dat het Groenenbergterrein met voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van genoemde inrichtingselementen wel kan worden bebouwd, zijn de mededelingen van LVNL, het belang van Chipshol bij bebouwing van het Groenenbergterrein in aanmerking genomen, onzorgvuldig jegens Chipshol."). Met de taak van LVNL om overheden te adviseren over de gevolgen van ruimtelijke plannen nabij de luchthaven Schiphol en met het gegeven dat het vervolgens aan die overheden is om bestuurlijk over zulke plannen te beslissen, dat die overheden zich daarbij van de juistheid en de volledigheid van de hun gegeven adviezen hebben te vergewissen (zie hiervóór onder 2.5) en dat het bovendien die overheden zijn die bij hun bestuurlijke besluitvorming de belangen van de betrokken justitiabelen in het oog hebben te houden, verdraagt zich naar mijn mening inderdaad niet aan te nemen dat LVNL op grond van de door haar in acht te nemen zorgvuldigheid jegens belanghebbende justitiabelen zou zijn gehouden haar advisering zodanig in te richten dat dezen kunnen nagaan of en hoe door hen ingediende plannen zodanig kunnen worden aangepast dat de luchtverkeersveiligheid kan blijven worden gewaarborgd. In zoverre acht ik het subonderdeel gegrond.

2.30 Subonderdeel 2.2 klaagt over onjuistheid althans onbegrijpelijkheid van de rov. 4.13, 4.15, 4.24-4.27, 4.29 en 4.38 in het licht van rov. 4.4. Volgens het subonderdeel heeft het hof in die rechtsoverwegingen immers niet kenbaar getoetst aan de in rov. 4.4 genoemde gezichtspunten. Voor zover het hof niet aan die gezichtspunten heeft getoetst, acht het subonderdeel het bestreden oordeel rechtens onjuist. Voor zover het hof die toetsing wel heeft uitgevoerd, valt volgens het subonderdeel niet zonder meer in te zien welke van de genoemde gezichtspunten het hof tot de conclusie hebben gebracht dat LVNL onrechtmatig jegens Chipshol heeft gehandeld. Het subonderdeel wijst erop dat het hof in de rov. 4.13 en 4.24 het onzorgvuldige handelen van LVNL jegens Chipshol niet heeft gebaseerd op de in rov. 4.4 en het dictum van het arrest genoemde omstandigheid dat onjuiste/onvolledige mededelingen over de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein zijn gedaan, maar op de omstandigheid dat LVNL Chipshol niet volledig heeft geïnformeerd over de wijze waarop zij de bouwplannen heeft getoetst en de benadering die zij in dat verband heeft gekozen.

2.31 Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat het hof in rov. 4.4 als uitgangspunt heeft gekozen dat onder onjuiste informatie ook moet worden verstaan informatie die door haar onvolledigheid een onjuist beeld schept van de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein. Het hof heeft in rov. 4.13 ("Chipshol verkreeg geen afdoende inzicht in de redenen waarom LVNL negatief adviseerde (...). LVNL onthield dusdoende Chipshol de mogelijkheid om aan de hand van de verkregen informatie na te gaan of het bouwplan voor Circle Freight dan wel de ontwikkeling van de rest van het Groenenbergterrein zodanig konden worden aangepast dat de luchtverkeersveiligheid gewaarborgd zou blijven.") en in rov. 4.24 ("Chipshol behoefde er gelet op de mededelingen van LVNL niet op bedacht te zijn dat LVNL bedoelde uiteen te zetten dat met modificering van de op de bouwtekening tevens ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen wel kon worden gebouwd.") geoordeeld dat zich een onjuistheid in de hiervoor bedoelde (ruime) zin voordeed. Van een inconsistentie zoals in de laatste volzin van het subonderdeel bedoeld, is naar mijn mening geen sprake.
Ook overigens zie ik geen grond voor het verwijt dat het hof niet aan de in rov. 4.4 opgesomde gezichtspunten zou hebben getoetst. Voor het hof was kennelijk vooral bepalend dat LVNL een overwegende advies- en informatiepositie innam, hetgeen het hof kennelijk uit de (wettelijke) taak van LVNL heeft afgeleid. Voorts is onmiskenbaar dat het hof ook de aard van de (in zijn ogen bestaande) onjuistheid van de omstreden mededelingen, het belang van Chipshol bij die mededelingen, de relatie tussen LVNL en Chipshol, het dreigend nadeel voor Chipshol en de voor LVNL bestaande mogelijkheden om te voorkomen dat haar informatie tot nadeel voor Chipshol zou leiden, wat overigens van dit alles zij, in zijn oordeel heeft betrokken.

2.32 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 4.13:

"4.13 Onbestreden is gebleven dat de bouwaanvraag ten behoeve van Circle Freight concreet was en dat de ligging en situering van de bebouwing ten opzichte van de Aalsmeerbaan vast lagen. LVNL heeft bij memorie van antwoord onder 88 nog wel gesteld dat het bouwplan van Circle Freight over één kam moet worden geschoren met het eerder ingediende te weinig geconcretiseerde inrichtingsplan, maar tegelijkertijd ook voor haar rekening genomen dat het Circle Freight plan als enig geconcretiseerd onderdeel van het grotere globale plan werd gepresenteerd. Daarmee heeft zij de stelling van Chipshol dat de bouwaanvraag van Circle Freight zo concreet was dat LVNL in staat was daarop een concrete toetsing uit te voeren, in plaats van alleen een toetsing aan de hand van een "worst case scenario", onvoldoende weersproken. Het hof zal daarom van de juistheid van die stelling uitgaan.
De stellingen van LVNL houden verder niets in waarop zou kunnen worden gegrond dat Chipshol niet mocht verwachten dat LVNL op basis van dit plan een concrete toetsing zou uitvoeren. Dat betekent dat LVNL zich toentertijd na haar toetsing van deze bouwaanvraag niet mocht beperken tot de uiteenzetting die zij feitelijk aan Chipshol heeft gegeven.
Het lag op haar weg om daarbij te vermelden dat zij was uitgegaan van een "worst case scenario" en dat dit uitgangspunt had meegebracht dat zij bij de beoordeling van de consequenties van de voorgenomen bebouwing voor de luchtverkeersveiligheid niet alleen de bouwaanvraag in aanmerking had genomen maar ook mogelijke andere bebouwing van gebied A en bebouwing van gebied B en wel in de voor het ILS meest ongunstige vorm. Zonder die aanvullende informatie was de door LVNL gedane mededeling onjuist want onvolledig. Chipshol verkreeg geen afdoende inzicht in de redenen waarom LVNL negatief adviseerde en aldus geen afdoende inzicht in de consequenties voor de luchtverkeersveiligheid van de ten behoeve van Circle Freight voorgenomen bebouwing. LVNL onthield dusdoende Chipshol de mogelijkheid om aan de hand van de verkregen informatie na te gaan of het bouwplan voor Circle Freight dan wel de ontwikkeling van de rest van het Groenenbergterrein zodanig konden worden aangepast dat de luchtverkeersveiligheid gewaarborgd zou blijven.
Aldus heeft LVNL gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij vanuit haar overwegende adviespositie op het gebied van de luchtverkeersveiligheid jegens Chipshol als belanghebbende in acht had te nemen. Dat geldt te meer als in aanmerking wordt genomen dat LVNL en Chipshol (Landvision) al overleg achter de rug hadden, waarin aan de orde was geweest dat concreter bouwplannen LVNL in staat zouden stellen nauwkeuriger te onderzoeken of de luchtverkeersveiligheid voldoende gewaarborgd zou blijven."

2.33 Subonderdeel 3.1 klaagt dat het oordeel van het hof rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel, dat in dit verband verwijst naar vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties, heeft het hof miskend dat LVNL zowel aan Chipshol/Landvision als aan de gemeente Haarlemmermeer heeft medegedeeld dat zij de gebieden A en B, waarvan het bouwplan van Circle Freight een ondergeschikt onderdeel uitmaakte, als één geheel en aan de hand van een "worst case scenario" toetste. Uit de brief van 16 november 1998 aan Landvision (genoemd in rov. 4.8) en uit de brief van 8 maart 1999 aan de Toetsingscommissie (genoemd in rov. 4.12) blijkt volgens het subonderdeel immers dat de gebieden A en B in hun totaliteit aan de hand van een "worst case scenario" zijn getoetst, waartoe LVNL op grond van haar wettelijke taak ook was gehouden. Het subonderdeel betoogt dat het derhalve zowel Chipshol/Landvision als de gemeente Haarlemmermeer duidelijk was op welke wijze LVNL het bouwplan ten behoeve van Circle Freight (dat onderdeel vormde van gebied A) heeft getoetst. Gelet daarop valt, nog steeds volgens het subonderdeel, niet in te zien waarom LVNL onvoldoende inzicht zou hebben geboden in de redenen waarom zij negatief adviseerde en waarom haar mededeling onvolledig zou zijn en zij in strijd met de zorgvuldigheid jegens Chipshol als belanghebbende heeft gehandeld. Volgens het subonderdeel geldt het voorgaande temeer nu het hof niet heeft beslist dat LVNL de bouwaanvraag ten behoeve van Circle Freight en de overige gedeelten van gebied A alsmede gebied B niet als één geheel kon toetsen.

2.34 Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat in de door het subonderdeel bedoelde brieven niet expliciet is vermeld dat het bouwplan ten behoeve van Circle Freight is getoetst als onderdeel van gebied A, dat op zijn beurt, samen met gebied B, aan een "worst case scenario" is onderworpen.
LVNL heeft in haar brief van 8 maart 1999, waarin zij negatief over het bouwplan ten behoeve van Circle Freight adviseerde, uitdrukkelijk verwezen naar haar brief van 16 november 1998, waarin zij is ingegaan op de uitkomsten van de simulatie voor de gebieden A en B in hun totaliteit. Voorts heeft LVNL in haar brief van 8 maart 1999 een verband gelegd tussen haar negatieve advies over het bouwplan ten behoeve van Circle Freight en hetgeen voor gebied A geldt, te weten een maximale bouwhoogte van 3 m, welke bouwhoogte voortvloeide uit die voor de gebieden A en B in hun totaliteit uitgevoerde simulatie. Daarom kan uit de door het subonderdeel genoemde brieven mijns inziens wél worden afgeleid dat het bouwplan ten behoeve van Circle Freight niet op zichzelf, maar als onderdeel van het grotere geheel van de gebieden A en B, althans van gebied A, is getoetst, en dat daarbij is teruggegrepen op de simulatie die eerder voor de gebieden A en B in hun totaliteit was uitgevoerd en ten aanzien waarvan Chipshol volgens het hof (rov. 4.10) had moeten begrijpen dat zij op een "worst case scenario" was gebaseerd.
Bij die stand van zaken volstond het enkele feit dat het bouwplan ten behoeve van Circle Freight op zichzelf voldoende concreet was om anders aan de hand van een "worst case scenario" te worden getoetst, niet voor enig gerechtvaardigd vertrouwen dat het negatieve advies louter op een toetsing van dat geconcretiseerde plan berustte en niet mede op een toetsing van de in dat stadium ook volgens het hof nog niet geconcretiseerde delen van het globale plan voor de gebieden A en B (het hof heeft in rov. 4.13 het Circle Freight plan als "enig geconcretiseerd onderdeel van het grotere globale plan" aangeduid). Ik acht het subonderdeel daarom gegrond.

2.35 Subonderdeel 3.2 betoogt dat, anders dan het hof kennelijk heeft geoordeeld, in het licht van hetgeen subonderdeel 3.1 betoogt, niet relevant of LVNL wel of niet voldoende heeft weersproken dat zij de bouwaanvraag van Circle Freight concreet had kunnen toetsen.

2.36 Of de bouwaanvraag ten behoeve van Circle Freight als zodanig voldoende concreet was om concreet (en anders dan aan de hand van een "worst case scenario") te worden getoetst, doet inderdaad niet ter zake, als Chipshol zich had moeten realiseren dat die bouwaanvraag niet op zichzelf is getoetst, maar als onderdeel van het grotere globale plan, waaraan voor het overige nog een voldoende concrete invulling ontbrak.

2.37 Onderdeel 4 is gericht tegen de rov. 4.24-4.27 en 4.35:

4.24 Het hof is van oordeel dat LVNL met de reeks mededelingen die begon op 29 november 2002 en voorafging aan haar nadere standpuntbepaling van 18 oktober 2005 jegens Chipshol onzorgvuldig heeft gehandeld.
Blijkens de door haar gegeven toelichting heeft LVNL tot haar taak gerekend om de aan haar verstrekte bouwtekeningen te beoordelen met inachtneming van al hetgeen nog verder over het voorgenomen gebruik van het Groenenbergterrein uit die tekeningen kon worden opgemaakt. Zij heeft zich daarvan een totaalbeeld gevormd, meer in het bijzonder een totaalbeeld van de door dit gebruik veroorzaakte verstoring van het ILS.
Die benadering past niet zonder meer bij hetgeen door de gemeente Haarlemmermeer van LVNL werd gevraagd, te weten haar visie op het al of niet verlenen van elk van de gevraagde bouwvergunningen. Hetgeen LVNL tot haar taak heeft gerekend, gaat het bestek daarvan te buiten. Dat LVNL de onderlinge samenhang van de gevraagde bouwvergunningen in haar beschouwingen heeft betrokken en in dat verband bovendien acht heeft geslagen op gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen bouwvergunning was vereist, waaronder in het bijzonder een parkeerplaats voor vrachtauto's, is op zichzelf, gelet op de aan haar toevertrouwde taak, aanvaardbaar. LVNL had evenwel bij de beantwoording van de door de gemeente Haarlemmermeer aan haar gestelde vragen uiteen moeten zetten, voor welke benadering zij had gekozen. Dat lag te meer op haar weg, omdat zij in de periode vóór de bestemmingswijziging te kennen had gegeven dat zij bij concrete (bouw)plannen beter in staat was om te berekenen welke verstoring van het ILS de (bouw)plannen zouden veroorzaken.
Dat betekent immers dat Chipshol, die voorgeschiedenis in aanmerking genomen, mocht veronderstellen dat LVNL aan de hand van haar, Chipshols, concrete (bouw)plannen tot de slotsom was gekomen dat iedere bebouwing hoger dan 3,5 meter moest worden tegengehouden. Chipshol behoefde er gelet op de mededelingen van LVNL niet op bedacht te zijn dat LVNL bedoelde uiteen te zetten dat met modificering van de op de bouwtekening tevens ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen wel kon worden gebouwd. Nu in het najaar van 2005 is gebleken dat de mededelingen van LVNL in die zin onjuist zijn, dat het Groenenbergterrein met voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van genoemde inrichtingselementen wel kan worden bebouwd, zijn de mededelingen van LVNL, het belang van Chipshol bij bebouwing van het Groenenbergterrein in aanme

rking genomen, onzorgvuldig jegens Chipshol.


In dit verband zij herhaald dat het Lib op zichzelf niet aan bebouwing in de weg behoefde te staan, doordat het ontheffingsmogelijkheden bood. De enkele verwijzing door LVNL naar het regime van het Lib is dus ontoereikend om haar mededelingen voor juist te houden.

4.25 Het feit dat LVNL heeft geadviseerd op basis van de eerdere bestektekeningen met de nummers V.2002W813bl01A en V.2002W813bl01B waarin de truckparking nog voorkwam, staat aan bovenstaande conclusie dat LVNL onzorgvuldig jegens Chipshol heeft gehandeld, niet in de weg.


Dat LVNL pas in de fase dat de rapportage van de Commissie artikel 43 Luchtvaartwet werd voorbereid, is geconfronteerd met tekening nummer V.2002W817bl01 en kennis nam van de omstandigheid dat de truckparking uit de plannen was verdwenen, doet niet af aan het feit (dat) LVNL onvoldoende inzicht heeft gegeven in de redengeving van haar advies op basis van de eerdere tekeningen. Daardoor bleef verborgen wat de reden was voor het negatieve advies, althans wat de reden kon zijn. Met name kon verborgen blijven dat LVNL was uitgegaan van een inmiddels achterhaald ontwerp van de inrichting van het terrein. Er bestond voor Chipshol dan ook geen althans onvoldoende aanleiding om LVNL uit eigen beweging op de hoogte te stellen van de tekening met nummer V.2002W817bl01, ook niet nadat zij de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat van 17 september 2003 had ontvangen met als bijlage de schriftelijke toelichting van LVNL van 6 juni 2003. In die toelichting kon Chipshol lezen dat LVNL haar onderzoek had uitgevoerd op basis van de oude tekeningen. In die toelichting viel evenwel niet te lezen op welke onderdelen van de tekeningen LVNL in het bijzonder had acht geslagen. Zij hoefde dan ook niet te begrijpen dat het verdwijnen van de truckparking in de latere tekeningen voor het advies van LVNL van belang kon zijn.

4.26 LVNL betoogt ook nog dat zij niet eerder had kunnen ontdekken dat het laten vallen van de truckparking mogelijkheden voor de bouwplannen van Chipshol biedt. De computersimulatie geeft volgens haar slechts een totaalbeeld. Pas toen LVNL tekening nummer V.2002W817bl01 onder ogen kreeg, bleek haar de relevantie van de truckparking.


LVNL heeft geen succes met dit argument. Het hof moet immers aannemen dat LVNL zich de relevantie van de truckparking voor de luchtverkeersveiligheid van meet af aan heeft gerealiseerd. Anders is niet begrijpelijk waarom ze de truckparking, die niet bouwvergunningplichtig was, in haar computersimulatie heeft meegenomen.
Wetenschap van een en ander had Chipshol, ook voordat tekening nummer V.2002W817bl01 voor LVNL beschikbaar was, in staat gesteld te ontdekken dat de niet vergunningplichtige truckparking invloed had op het ILS.

4.27 In het verweer van LVNL valt tot slot niet te lezen dat het haar onevenredig grote inspanningen zou hebben gekost om Chipshol tijdig toereikend te informeren.

(...)

4.35 Het Cyrrusrapport dateert van 28 november 2006. De data uit dit rapport had Chipshol dus pas ter beschikking na afloop van de hier relevante vertragingsperiode.


Bezwaarlijk kan dus worden aanvaard dat Chipshol haar schade had kunnen beperken door die gegevens eerder in te brengen.
Voor zover LVNL heeft beoogd Chipshol meer in het algemeen te verwijten dat zij haar schade niet heeft beperkt door in een eerder stadium contra-expertise te vragen, moet worden geoordeeld dat dit betoog faalt. Het verwijt aan LVNL houdt in dat zij Chipshol onvoldoende heeft duidelijk gemaakt op welke wijze zij haar onderzoek heeft verricht, en dat bemoeilijkte nu juist contra-expertise."

2.38 Subonderdeel 4.1 betoogt dat het oordeel in rov. 4.24 rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel had het hof in het licht van rov. 4.4 dienen vast te stellen of LVNL onjuiste mededelingen over de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein had gedaan. Blijkens de vaststelling in rov. 4.24 volgens welke het advies van LVNL met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein zoals die volgden uit de door Chipshol opgestelde bouwtekeningen juist en volledig was, was dat laatste niet het geval. Bij die stand van zaken valt volgens het subonderdeel niet in te zien waarom van een onrechtmatig handelen van LVNL jegens Chipshol sprake was.

2.39 Zoals hiervoor (onder 2.31) reeds aan de orde kwam, is het hof met betrekking tot de adviezen/mededelingen van LVNL van een ruim begrip onjuistheid/onvolledigheid uitgegaan. Dat begrip omvat in de benadering van het hof kennelijk mede het geval dat zich uit het advies niet laat opmaken dat modificering van bepaalde, op de bouwtekening ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen bebouwing mogelijk maakt. Al om die reden kan het subonderdeel niet tot cassatie leiden. Overigens lees ik in rov. 4.24 niet dat het hof het advies en de mededelingen van LVNL als juist en volledig zou hebben gekwalificeerd. Aan het slot van rov. 4.24 (p. 32, onderaan) heeft het hof daarentegen overwogen dat de mededelingen van LVNL "in die zin onjuist zijn, dat het Groenenbergterrein met voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van genoemde inrichtingselementen wel kan worden bebouwd". In zoverre mist de klacht van het subonderdeel ook feitelijke grondslag.

2.40 Subonderdeel 4.2 richt zich tegen het oordeel in rov. 4.24, voor zover dat is gebaseerd op de overweging dat, indien bepaalde niet vergunningplichtige aspecten in de tekeningen van Chipshol zouden worden gewijzigd, géén onaanvaardbare verstoring van het ILS zou optreden. Volgens het subonderdeel adviseerde LVNL de gemeente Haarlemmermeer en behoorde het niet tot haar taak de gemeente eigener beweging uiteen te zetten op welke wijze belanghebbenden hun bouwplannen zodanig kunnen inrichten dat deze geen onaanvaardbare verstoring van het ILS opleveren. Het subonderdeel wijst erop dat LVNL geen ontwikkelaar is die wijzigingen in bouwplannen kan voorstellen en dat een verplichting zoals door het hof is aangenomen, zou leiden tot een onaanvaardbare taakverzwaring voor LVNL, die niet met haar wettelijke taak in overeenstemming is. Het subonderdeel betoogt dat LVNL, anders dan het hof heeft overwogen, niet tot het verstrekken inlichtingen over mogelijke alternatieven is gehouden. Daarom kan, nog steeds volgens het subonderdeel, het achterwege laten van de mededeling door LVNL dat met een voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van haar plannen wel zou kunnen worden gebouwd, niet als onrechtmatig handelen jegens Chipshol worden aangemerkt.



2.41 Bij de beoordeling van de klacht van het subonderdeel stel ik voorop dat over de feitelijke grondslag daarvan twijfel mogelijk is. Of, zoals het subonderdeel veronderstelt, het hof van LVNL heeft verlangd dat zij Chipshol informeerde over mogelijke alternatieven, is niet geheel duidelijk. Enerzijds lijkt het hof een minder ver reikende verplichting op het oog te hebben gehad, waar het heeft overwogen dat LVNL had moeten uiteenzetten "voor welke benadering zij had gekozen" (te weten voor het beschouwen van de gevraagde bouwvergunningen in hun onderlinge samenhang, met inachtneming van het gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen bouwvergunning was vereist, waaronder in het bijzonder een parkeerplaats voor vrachtauto's). Anderzijds heeft het hof kennelijk toch een verder reikende verplichting beoogd, waar het heeft overwogen dat "Chipshol (...) er gelet op de mededelingen van LVNL niet op bedacht (behoefde) te zijn dat LVNL bedoelde uiteen te zetten dat met modificering van de op de bouwtekening tevens ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen wel kon worden gebouwd" (rov. 4.24, p. 32). Op een verder reikende verplichting (volgens welke LVNL Chipshol had moeten attenderen op een na aanpassing van de plannen wel mogelijke bebouwing) wijst ook dat het hof in aansluiting op de geciteerde passage heeft overwogen dat, "(n)u in het najaar van 2005 is gebleken dat de mededelingen van LVNL in die zin onjuist zijn, dat het Groenenbergterrein met voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van genoemde inrichtingselementen wel kan worden bebouwd, (...) de mededelingen van LVNL, het belang van Chipshol bij bebouwing van het Groenenbergterrein in aanmerking genomen, onzorgvuldig jegens Chipshol (zijn)" (rov. 4.24, p. 32/33). Een aanwijzing voor de hier bedoelde lezing van de bestreden overweging is ten slotte ook gelegen in hetgeen het hof in rov. 4.8 met betrekking tot de periode vóór 4 september 2002 heeft overwogen, te weten dat (kort gezegd) over de (on)rechtmatigheid van het handelen van LVNL gedurende die periode anders zou moeten worden gedacht, "als Chipshol uit al hetgeen tussen haar en LVNL was voorgevallen had mogen begrijpen dat LVNL in haar advies niet alleen tot uitdrukking zou brengen wat de consequenties waren voor de luchtverkeersveiligheid van een "worst case scenario" maar ook melding zou maken van gebruiksalternatieven, waardoor het luchtverkeersveiligheidsrisico tot aanvaardbare proporties zou kunnen worden teruggebracht".
Uitgaande van de laatste lezing van het bestreden oordeel acht ik de klacht gegrond. Voor een verplichting van LVNL om in haar negatieve advies aan een bestuursorgaan over een bepaald, aan dat bestuursorgaan voorgelegd bouwplan op een bij wijziging van al dan niet vergunningplichtige elementen van dat plan voor haar mogelijk wél aanvaardbaar alternatief te wijzen, zie ik geen grond, alhoewel de aanvrager van de bouwvergunning bij een dergelijke gang van zaken uiteraard kan zijn gebaat. Daarbij moet naar mijn mening in aanmerking worden genomen dat LVNL doorgaans niet bij voorbaat en niet zonder nader onderzoek zal weten of en zo ja welk alternatief voor haar aanvaardbaar zou zijn. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, acht ik ook niet goed begrijpelijk waarom het hof in casu kennelijk van het tegendeel is uitgegaan, waar het ermee rekening heeft gehouden dat LVNL met haar negatieve adviezen "bedoelde uiteen te zetten dat met modificering van de op de bouwtekening tevens ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen wel kon worden gebouwd". Dat die laatste mogelijkheid zich voordeed, heeft LVNL niet al ten tijde van haar negatieve adviezen, maar eerst in oktober 2005 onderkend, nadat zij op basis van een aangepaste bestektekening de toenmalige bouwplannen opnieuw heeft beoordeeld.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina