Hoge Raad der Nederlanden



Dovnload 334.17 Kb.
Pagina5/11
Datum23.08.2016
Grootte334.17 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11
Bij de hiervoor verworpen opvatting dat het hof het oog had op een minder ver gaande verplichting volgens welke LVNL had moeten uiteenzetten "voor welke benadering zij had gekozen" (te weten voor het beschouwen van de gevraagde bouwvergunningen in hun onderlinge samenhang, met inachtneming van het gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen bouwvergunning was vereist, waaronder in het bijzonder een parkeerplaats voor vrachtauto's), teken ik ten slotte aan dat, nog daargelaten of niet reeds de gemeente de plannen voor de kavels I en IV als één geheel ter beoordeling aan LVNL heeft voorgelegd(15), de door LVNL gevolgde benadering alleszins voor de hand lag. Of een bouwplan al dan niet tot een onaanvaardbare verstoring van het ILS zou kunnen leiden, liet zich uiteraard slechts aan de hand van alle daarin opgenomen, al niet vergunningplichtige inrichtingselementen beoordelen, nu het op het cumulatieve effect van al die inrichtingselementen aankwam. In dat verband rijst de vraag waarom LVNL dit nog eens uitdrukkelijk had moeten uiteenzetten. Voorts is het de vraag of een uiteenzetting zoals door het hof bedoeld Chipshol daadwerkelijk op het spoor van wel aanvaardbare alternatieven zou hebben gezet. Dat laatste zou wellicht het geval zijn geweest als in een dergelijke uiteenzetting op de bijzondere betekenis van de parkeerplaats voor vrachtauto's zou zijn gewezen, maar uit de stukken laat zich opmaken dat de cruciale betekenis van die parkeerplaats met het oog op een mogelijke verstoring van het ILS eerst later (in het najaar van 2005) aan LVNL is gebleken.

2.42 Subonderdeel 4.3 stelt aan de orde dat een wijziging van de plannen door LVNL sponte sua en een toetsing van die gewijzigde plannen zinloos is zonder instemming van de indiener van het plan. Een toetsing van door de indiener van het plan uiteindelijk niet gewenste alternatieven, leidt tot onnodig handelen. Daarbij wijst het subonderdeel erop dat na 29 november 2002 geen contacten tussen LVNL en Chipshol hebben plaatsgehad, zodat voor LVNL niet kenbaar was welke wijziging van plannen voor Chipshol aanvaardbaar was. Onder die omstandigheden kan het nog steeds volgens het subonderdeel niet als onzorgvuldig handelen van LVNL jegens Chipshol worden beschouwd dat LVNL niet heeft aangegeven met welke aanpassing van niet vergunningplichtige inrichtingselementen het plan wel had kunnen worden gerealiseerd.

2.43 Kennelijk heeft het hof bedoeld dat LVNL Chipshol op wel uitvoerbare alternatieven diende te wijzen, ook als niet zou vaststaan dat Chipshol die alternatieven daadwerkelijk zou willen realiseren. In die benadering van het hof dienden onnodige toetsingshandelingen op de koop toe te worden genomen. Bij die stand van zaken mist het subonderdeel doel.

2.44 Subonderdeel 4.4 bestrijdt het oordeel in rov. 4.24 als rechtens onjuist, omdat het doen van een onvolledige mededeling - in die zin dat LVNL aan de gemeente Haarlemmermeer had moeten uiteenzetten dat het Groenenbergterrein met een voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van niet vergunningplichtige inrichtingselementen wél had kunnen worden bebouwd - eerst jegens Chipshol onzorgvuldig is, indien deze onvolledigheid aan degene die de mededeling deed duidelijk was, althans behoorde te zijn.

2.45 Het subonderdeel kiest mijns inziens terecht als uitgangspunt dat de door het hof aangenomen onzorgvuldigheid vooronderstelt dat LVNL met de onvolledigheid van de door haar gedane mededeling (in de door het hof bedoelde zin) bekend was, althans behoorde te zijn. De klacht van het subonderdeel mist echter feitelijke grondslag, nu het hof, zoals hiervóór (onder 2.41) reeds aan de orde kwam, kennelijk van bekendheid van LVNL met die onvolledigheid is uitgegaan.

2.46 Subonderdeel 4.5 voegt aan de klacht van subonderdeel 4.4 toe, dat voor zover het oordeel in rov. 4.24 aldus moet worden begrepen dat het hof van oordeel zou zijn geweest dat LVNL ten tijde van haar negatieve adviezen al wel van de relevantie van de niet vergunningplichtige inrichtingselementen (de truckparking) op de hoogte was of behoorde te zijn, dat oordeel rechtens onjuist of althans onbegrijpelijk is. Het subonderdeel verwijst naar uiteenzettingen in de stukken van de feitelijke instanties van de door LVNL op grond van verdragen, besluiten van volkenrechtelijke organisaties (waaronder het ICAO) en de wet te volgen werkwijze, die inhoudt dat zij toetst aan de hand van (een) bouwplan(nen), waarbij, door middel van simulatie van een totaalbeeld van de daarin opgenomen objecten (inrichtingselementen), de door ruimtegebrek veroorzaakte storing van het ILS wordt vastgesteld, zulks met dien verstande dat bij onbekendheid van de invulling van het totale plan de toets "worst case" wordt uitgevoerd. Volgens het subonderdeel valt, nu LVNL het totaalbeeld van de objecten (inrichtingselementen) in de (concrete) bouwtekeningen van kavels I en IV zoals die door de gemeente aan LVNL zijn voorgelegd, heeft getoetst, niet in te zien waarom voor haar duidelijk was - of gelet op haar wettelijke taak voor haar duidelijk behoorde te zijn - welke specifieke inrichtingselementen een verstoring van het ILS veroorzaakten en na aanpassing van welke specifieke elementen de verstoring aanvaardbaar zou zijn. Het subonderdeel betoogt dat LVNL dan ook geen inlichtingen behoefde te verschaffen over de wijze waarop het plan ten aanzien van de wel ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen zodanig zou kunnen worden aangepast dat de verstoring van het ILS aanvaardbaar was.


Voor zover het hof zijn oordeel in rov. 4.24 mede heeft gebaseerd op de aanbevelingen van het in rov. 4.33 bedoelde rapport van het NLR, is dat oordeel volgens het subonderdeel rechtens onjuist, althans, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De aanbeveling in het rapport dat LVNL in haar documentatie duidelijkheid verschaft over de bronnen van de verstoring van het ILS-signaal, betekent niet dat LVNL daartoe rechtens is gehouden, noch dat zij daartoe (op het moment van het verstrekken van de door het hof in rov. 4.24 bedoelde inlichtingen) in staat was, aldus het subonderdeel.
Het subonderdeel besluit met de conclusie dat ook om deze redenen niet valt in te zien waarom de mededelingen van LVNL onzorgvuldig waren jegens Chipshol.

2.47 De klacht van het subonderdeel is mede gebaseerd op wettelijke bepalingen en bepalingen van bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, waaronder het ICAO, waaruit zou voortvloeien hoe de door LVNL te verrichten toetsing dient plaats te vinden. Anders dan het subonderdeel zou kunnen doen vermoeden, schrijven die bepalingen niet tot in detail een werkwijze voor zoals door LVNL bedoeld, met inbegrip van een onderscheid tussen globale en concrete plannen en van een in geval van globale plannen te toetsen "worst case scenario". Wel is duidelijk dat de (mijns inziens niet bindende) voorschriften van ICAO Annex 10, Attachment C(16), ervan uitgaan dat "(t)he occurrence of interference to ILS signals is dependent on the total environment around the ILS antennas (...)", met inbegrip van "fixed" en "movable objects" (paragraaf 2.1.10.1), en dat mogelijke verstoringen kunnen worden berekend met behulp van een computersimulatie (paragraaf 2.1.10.4), waarbij wordt uitgegaan van de wortel van de som van de gekwadrateerde statische en dynamische verstoring ("root sum square combination") (paragraaf 2.1.10.5.1). Voor de beoordeling van de klacht van het subonderdeel acht ik slechts relevant dat een mogelijke verstoring van het ILS zich slechts aan de hand van een totaalbeeld laat vaststellen.


Tegen de achtergrond dat LVNL aan de hand van het totaal van de inrichtingselementen van het haar voorgelegde bouwplan bepaalt of al dan niet van een onaanvaardbare verstoring van het ILS sprake is, kan, zoals hiervóór (onder 2.41) al aan de orde kwam, niet worden aangenomen dat LVNL, zonder verdere berekeningen op grond van door haar in de voorgelegde tekeningen aan te brengen variaties, reeds ten tijde van haar negatieve adviezen aan LVNL ermee bekend was of had moeten zijn dat met aanpassing van de niet vergunningplichtige inrichtingselementen, met name het afzien de truckparking, de toenmalige plannen voor de kavels I en IV zonder onaanvaardbare verstoring van het ILS hadden kunnen worden gerealiseerd. De enkele omstandigheid dat die laatste mogelijkheid in het najaar van 2005 werd onderkend bij onderzoek van een nieuwe tekening waarin Chipshol zelf een bepaalde wijziging (het vervallen van de truckparking) had doorgevoerd, volstaat niet voor de conclusie dat LVNL die mogelijkheid ten tijde van haar negatieve adviezen kende of behoorde te kennen.

2.48 In rov. 4.24 lees ik niet dat het hof zijn oordeel over de bekendheid van LVNL met de mogelijkheid van een aanvaardbare aanpassing van de bouwplannen mede heeft gebaseerd op het in rov. 4.33 bedoelde rapport van het NLR, zodat de tweede klacht van het subonderdeel feitelijke grondslag mist.

2.49 Volgens subonderdeel 4.6 vitieert het betoog in subonderdeel 4.5 ook het oordeel in rov. 4.8, indien dat oordeel aldus moet worden begrepen dat op LVNL de verplichting kan rusten om gebruiksalternatieven te geven. Gelet op haar wettelijke taak heeft LVNL volgens het subonderdeel een dergelijke verplichting niet.

2.50 Het subonderdeel kan mijns inziens niet tot cassatie leiden. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, geeft rov. 4.8 niet blijk van de opvatting dat LVNL in de daar bedoelde situatie (toetsing aan de hand van een "worst case scenario") tot het noemen van wel aanvaardbare gebruiksalternatieven was gehouden. In rov. 4.8 heeft het hof niet meer geformuleerd dan een nader te onderzoeken (maar uiteindelijk afgewezen) hypothese met betrekking tot hetgeen Chipshol in de daar bedoelde periode mocht veronderstellen.

2.51 Subonderdeel 4.7 klaagt dat het hof in rov. 4.24 voorts heeft miskend dat LVNL, gelet op haar wettelijke taak, geen visie geeft over het al dan niet verlenen van bouwvergunningen. LNVL beoordeelt volgens het subonderdeel immers geen bouwvergunningen, maar toetst bouwplannen aan de hand van simulatiemodellen gebaseerd op het ICAO. Als de gemeente Haarlemmermeer om een visie van LVNL zou hebben gevraagd op het al dan niet verlenen van elk van de gevraagde bouwvergunningen - zoals het hof in rov. 4.24 heeft overwogen - behoefde LVNL daaraan derhalve niet te voldoen, indien het hof daaronder meer heeft begrepen dan de beantwoording van de vraag of de gebruiksmogelijkheden zoals die bleken uit de bouwtekeningen het ILS op onaanvaardbare wijze verstoorden. Gelet op de wettelijke taak van LVNL was dat, naar uit 's hofs vaststelling in rov. 4.1.5 volgt, ook voor de gemeente Haarlemmermeer duidelijk. Voor zover het hof zijn beslissing in rov. 4.24 mede op zijn vorenstaande overweging heeft gebaseerd, is die beslissing, nog steeds volgens het subonderdeel, rechtens onjuist.

2.52 In de door het subonderdeel bestreden passage ligt mijns inziens besloten dat het hof aan zijn oordeel mede ten grondslag heeft gelegd dat LVNL, door de gevraagde bouwvergunningen in onderlinge samenhang te beoordelen en mede acht te slaan op gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen bouwvergunning was vereist, is getreden buiten het bestek van hetgeen de gemeente van haar had gevraagd, te weten "haar visie op het al dan niet verlenen van elk van de gevraagde bouwvergunningen". Kennelijk achtte het hof de door LVNL gevolgde benadering, alhoewel "op zichzelf (...) aanvaardbaar", dermate afwijkend dat LVNL mede om die reden de door haar gevolgde benadering bij de beantwoording van de door de gemeente gestelde vragen had moeten uiteenzetten ("(...) is op zichzelf, gelet op de aan haar toevertrouwde taak, aanvaardbaar. LVNL had evenwel bij de beantwoording van de door de gemeente Haarlemmermeer aan haar gestelde vragen uiteen moeten zetten, voor welke benadering zij had gekozen.").


Nog daargelaten dat onduidelijk is hoe de gemeente de bouwaanvraag voor de kavels I en IV aan LVNL heeft gepresenteerd en welke vragen zij daarbij precies heeft gesteld (zie ook hiervóór onder 2.8 en 2.41), was de door LVNL gevolgde benadering niet zo bijzonder (laat staan: afwijkend), dat LVNL die benadering mede daarom in haar adviezen diende te verantwoorden. LVNL had zich niet over "het al dan niet verlenen van elk van de gevraagde bouwvergunningen" uit te spreken, maar diende de (totale) bouwaanvraag op een mogelijke verstoring van het ILS te beoordelen, hetgeen tot een beoordeling van alle, ook niet vergunningplichtige inrichtingselementen noopte. Ik acht het subonderdeel daarom gegrond.

2.53 Subonderdeel 4.8 betoogt dat hetgeen in subonderdeel 4.5 is aangevoerd, met zich brengt dat het oordeel in rov. 4.24 dat hetgeen LVNL tot haar taak heeft gerekend, "het bestek daarvan" (te weten van hetgeen de gemeente aan LVNL had gevraagd) te buiten gaat, rechtens onjuist is. Het subonderdeel herinnert eraan dat LVNL zich een totaalbeeld van de verstoring van het ILS door de objecten (inrichtingselementen), zoals opgenomen in de bouwtekeningen, diende te vormen, en dat LVNL daartoe alle objecten van de bebouwing op het Groenenbergterrein tezamen en in onderlinge samenhang in haar beschouwingen diende te betrekken, inclusief niet vergunningplichtige elementen, zoals dynamische objecten. Daaraan voegt het subonderdeel nog toe dat LVNL de bouwplannen voor de kavels I en IV als één geheel van de gemeente heeft ontvangen en heeft beoordeeld en dat haar dan ook niet duidelijk was dat het bouwplan was opgedeeld in of ingediend als twee bouwaanvragen.

2.54 Door de haar door de gemeente voorgelegde bouwaanvraag (zie rov. 4.19: "een bouwaanvraag voor de kavels I en IV" en "de nieuwe bouwaanvraag") in haar geheel en met inachtneming van niet vergunningplichtige inrichtingselementen te beoordelen, is LVNL niet getreden buiten hetgeen zij ter beoordeling van een mogelijk onaanvaardbare verstoring van het ILS door die bouwaanvraag diende te verrichten. Dat geldt temeer als de gemeente LVNL de plannen voor de kavels I en IV als één geheel en niet als twee afzonderlijke vergunningaanvragen heeft aangeboden. Overigens verwijs ik voor de betekenis van dit een en ander naar de bespreking van subonderdeel 4.7.

2.55 Subonderdeel 4.9 klaagt over het oordeel in rov. 4.24, voor zover daaraan de gedachte ten grondslag zou liggen dat LVNL beleids- of beoordelingsvrijheid zou toekomen om het gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen vergunning was vereist bij haar onderzoek buiten beschouwing te laten. In dat geval zou het bestreden oordeel rechtens onjuist zijn, nu, zoals in subonderdeel 4.5 is uiteengezet, LVNL op grond van haar wettelijke taak geen andere mogelijkheid had dan het betrekken van alle inrichtingselementen in haar simulatie, waaronder het bedoelde, niet vergunningplichtige gebruik.

2.56 Aan rov. 4.24, waarin het hof de door LVNL gevolgde werkwijze niet verder heeft gesauveerd dan als "op zichzelf, gelet op de aan haar toevertrouwde taak, aanvaardbaar" (mits LVNL bij de beantwoording van de vragen van de gemeente zou uiteenzetten "voor welke benadering zij had gekozen"), ligt kennelijk de veronderstelling ten grondslag, dat LVNL, zo zij daartoe al niet was gehouden, in elk geval had kunnen kiezen voor een andere benadering. Daartegen voert het subonderdeel mijns inziens terecht aan dat een dergelijke veronderstelling van een misvatting van de taak van LVNL getuigt. Ook die misvatting doet afbreuk aan de door het hof aangenomen (en op een veronderstelde keuze van LVNL voor een bepaalde, in de ogen van het hof kennelijk niet voor de hand liggende benadering gebaseerde) gehoudenheid van LVNL om in haar adviezen aan de gemeente te expliciteren voor welke benadering zij had "gekozen".

2.57 Subonderdeel 4.10 betoogt dat de klacht van subonderdeel 4.9 ook rov. 4.6 vitieert, voor zover het daarin vervatte oordeel dat het LVNL vrijstond om (voorafgaand aan de bestemmingswijziging van 4 september 2002) te kiezen voor een "worst case scenario" aldus moet worden begrepen dat LVNL naar het oordeel van het hof ook voor een andere benadering had kunnen kiezen.

2.58 Het subonderdeel mist naar mijn mening feitelijke grondslag. Uit rov. 4.7 blijkt immers, dat het hof ervan is uitgegaan dat LVNL "het belang van de luchtverkeersveiligheid had te dienen door uit te gaan van een "worst case scenario"", in welk oordeel ligt besloten dat LVNL (althans in de periode die in de rov. 4.6-4.7 aan de orde is) niet voor een andere benadering had kunnen kiezen.

2.59 Subonderdeel 4.11 bestrijdt het in rov. 4.24 vervatte oordeel dat Chipshol mocht veronderstellen dat LVNL tot de conclusie was gekomen dat iedere bebouwing hoger dan 3,5 m moest worden tegengehouden. Volgens het subonderdeel is dit oordeel (dat volgens het subonderdeel mede voortvloeit uit het eveneens rechtens onjuiste, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijke oordeel in rov. 4.1.6 dat LVNL zich tot in het jaar 2005 op het standpunt heeft gesteld dat eventuele bebouwing niet hoger mocht worden dan 3 respectievelijk 0 m) rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Volgens het subonderdeel, dat in dit verband verwijst naar subonderdeel 4.5, toetst LVNL bouwplannen voor zover die beschikbaar zijn. Dat is gebeurd ten aanzien van de tekeningen waarop het hof in rov. 4.24 heeft gedoeld (de in rov. 4.25 genoemde tekeningen V.2002W813bl01A en V.2002W813bl01B). In de brief aan de Toetsingscommissie van 16 december 2002, waarin LVNL over de uitkomsten van de simulatie naar aanleiding van die tekeningen heeft bericht, heeft LVNL volgens het subonderdeel dan ook niet (naar ik begrijp: in algemene zin) aan de Toetsingscommissie medegedeeld dat de bebouwing niet hoger mocht zijn dan 3 (respectievelijk 3,5) m. Het subonderdeel betoogt dat daarom niet begrijpelijk is waarom het hof heeft geoordeeld dat LVNL zich ook na de bestemmingswijziging en bij de toetsing van concrete plannen op het standpunt heeft gesteld dat de bebouwing niet hoger mocht zijn dan 3 (respectievelijk 3,5) m. Daarbij is het bedoelde oordeel volgens het subonderdeel ook tegenstrijdig met rov. 4.19, waarin het hof heeft geciteerd uit een brief van LVNL aan de gemeente Haarlemmermeer, waarin melding wordt gemaakt van een overschrijding van de ter plekke toegestane bouwhoogte van 10 m.


Voor zover het hof het aan LVNL toegeschreven standpunt heeft afgeleid uit de verwijzing van LVNL naar het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (Lib) en/of uit mededelingen van LVNL over het Lib, is dat volgens het subonderdeel eveneens onbegrijpelijk. De mededelingen van LNVL naar aanleiding van het Lib stonden volgens het subonderdeel los van (de mededelingen over de wijze waarop) de simulaties (die) naar aanleiding van concrete bouwplannen plaatsvonden. Het subonderdeel memoreert dat LVNL in dat verband heeft gesteld dat het bouwverbod de in het Lib vastgestelde bouwhoogten in feite naar voren heeft getrokken en dat de in het Lib opgenomen bouwhoogten waren gebaseerd op een "worst case scenario". LVNL heeft daaraan, nog steeds volgens het subonderdeel, toegevoegd dat dit dezelfde wijze van toetsen is als voor globale plannen geldt en dat op het Lib een ontheffing kan worden verleend indien bij toetsing van een concreet plan blijkt dat dit geen onaanvaardbare verstoring van het ILS oplevert. Uit dit betoog van LVNL volgt volgens het subonderdeel dat (de mededelingen over en/of de verwijzing naar) het Lib niets van doen heeft met de toetsing van concrete bouwplannen - zoals de door het hof in rov. 4.24 bedoelde plannen - en de in dat verband toelaatbare bouwhoogten.
Het subonderdeel concludeert dat, voor zover het hof zijn oordeel dat LVNL onzorgvuldig heeft gehandeld, mede heeft gebaseerd op zijn overweging over hetgeen Chipshol met betrekking tot de toegestane bouwhoogten mocht veronderstellen, dat oordeel ook om die reden rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.

2.60 De klacht van het subonderdeel is terecht voorgesteld. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt inderdaad niet in te zien waarom "Chipshol, de voorgeschiedenis in aanmerking genomen, mocht veronderstellen dat LVNL aan de hand van haar, Chipshols, concrete (bouw)plannen tot de slotsom was gekomen dat iedere bebouwing hoger dan 3,5 m moest worden tegengehouden." Datzelfde geldt voor de (mede in de klacht van het subonderdeel betrokken) passage in rov. 4.1.6, volgens welke LVNL "(t)ot in het jaar 2005 (en dus ook in de periode waarin inmiddels een concrete toetsing van concrete bouwplannen aan de hand van een simulatie aan de orde was; LK) (...) zich naar aanleiding van het door Chipshol voorgenomen gebruik van het terrein op het standpunt (heeft) gesteld dat eventuele bebouwing niet hoger mocht worden dan 3 respectievelijk 0 meter." De maximale bouwhoogten van respectievelijk 3 m (voor gebied A) en 0 m (voor gebied B) vloeiden voort uit de toetsing van het nog niet geconcretiseerde globale plan aan de hand van de "worst case"-simulatie waarover LNVL Landvision bij brieven van 5 november 1998 en 16 november 1998 (zie rov. 4.8) berichtte. Zoals het hof in het bestreden arrest ook zelf meermalen en terecht heeft benadrukt, trad met de beschikbaarheid van concrete bouwplannen een wezenlijk andere situatie in, en wel in die zin dat het voortaan op een toetsing aan de hand van een simulatie van die concrete bouwplannen en niet langer op de resultaten van de in 1998 uitgevoerde toetsing van het globale plan aan de hand van een simulatie van een "worst case scenario" aankwam.


In rov. 4.24 lees ik niet dat het hof zich voor de bestreden overweging zou hebben gebaseerd op mededelingen van LVNL over het Lib. Dat laatste is ook niet aannemelijk, nu het hof zich blijkens het slot van rov. 4.24 zeer wel bewust is geweest dat het Lib (voor concrete bouwplannen) ontheffingsmogelijkheden bood. Voor zover het subonderdeel van een andere opvatting uitgaat, mist het feitelijke grondslag.

2.61 Subonderdeel 4.12 herhaalt de klacht van subonderdeel 4.11 voor het oordeel in rov. 4.29 "dat LVNL in de periode van 29 november 2002 tot 18 oktober 2005 jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door mede te delen dat op het Groenenbergterrein iedere bebouwing hoger dan 3,5 meter moest worden tegengehouden (...)".

2.62 De klacht van het subonderdeel slaagt op dezelfde gronden als die van subonderdeel 4.11.

2.63 Subonderdeel 4.13 bestrijdt onder verwijzing naar subonderdeel 4.5 het oordeel in rov. 4.26 dat LVNL geen succes heeft met het argument dat zij niet eerder had kunnen ontdekken dat het laten vallen van de truckparking mogelijkheden bood voor de bouwplannen van Chipshol en de relevantie van de truckparking pas bleek toen zij bouwtekening V.2002W817bl01 onder ogen kreeg. Volgens het subonderdeel is dit oordeel rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het subonderdeel betoogt dat het hof in rov. 4.26 heeft aangenomen dat LVNL zich de relevantie van de truckparking van meet af aan heeft gerealiseerd omdat anders niet begrijpelijk is waarom zij de truckparking die niet vergunningplichtig was, in haar computersimulatie heeft meegenomen. Het subonderdeel stelt daar tegenover dat LVNL op grond van haar wettelijke taak en de toetsingseisen zoals weergegeven in het ICAO alle objecten (inrichtingselementen) en daarmee ook niet vergunningplichtig gebruik van een terrein in haar simulatie dient te betrekken en dat daarom uit de omstandigheid dat LVNL ook de truckparking in haar beschouwingen heeft betrokken, niet impliceert dat zij zich (in de door het hof bedoelde zin) de relevantie van de truckparking voor de luchtverkeersveiligheid heeft gerealiseerd. Volgens het subonderdeel is in dit verband van belang dat de relevantie van de truckparking voor de verstoring van het ILS eerst aan het licht kwam nadat het door het hof in rov. 4.33 bedoelde onderzoek door het NLR in april 2005 met inachtneming van de in de rov. 4.25-4.26 bedoelde tekening V.2002W817bl01 (zonder truckparking) was uitgevoerd.

2.64 Uit de omstandigheid dat LNVL de truckparking in haar simulatie heeft betrokken terwijl die truckparking niet vergunningplichtig was, heeft het hof kennelijk afgeleid dat LNVL al van meet af aan een bijzondere betekenis aan die truckparking heeft toegekend met het oog op een mogelijke verstoring van het ILS. Die gevolgtrekking is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, inderdaad niet begrijpelijk. Of het ILS al dan niet onaanvaardbaar dreigt te worden verstoord hangt af van het totaalbeeld, van de situatie ter plaatse in haar geheel, met inbegrip van alle al dan niet vergunningplichtige inrichtingselementen. LVNL heeft de truckparking in haar simulatie betrokken omdat die truckparking nu eenmaal onderdeel vormde van het door middel van die simulatie te toetsen totaalbeeld (in die zin was de truckparking relevant, maar niet meer of niet minder relevant dan ongeacht welk ander inrichtingselement dat van het te toetsen totaalbeeld onderdeel vormde), en niet omdat LVNL ermee rekening hield dat juist de aanwezigheid van die truckparking van doorslaggevende betekenis zou kunnen zijn bij het intreden van een onaanvaardbare verstoring van het ILS. Ik acht de klacht van het subonderdeel daarom gegrond.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina