Hoge Raad der Nederlanden



Dovnload 334.17 Kb.
Pagina6/11
Datum23.08.2016
Grootte334.17 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

2.65 Onder verwijzing naar vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties verwijt subonderdeel 4.14 het hof in de rov. 4.24 en 4.26 te hebben miskend dat de truckparking wel degelijk vergunningplichtig is en daarom (a fortiori) in de toetsing van de bouwplannen van Chipshol diende te worden betrokken. LVNL heeft in dit verband gewezen op de (althans destijds) voor een parkeerterrein als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer bestaande vergunningplicht en op de noodzaak van een aanleg- en gebruiksvergunning, die uit de betrokken bouwverordening kan voortvloeien (hetgeen in casu het geval zou zijn)(17).

2.66 Naar mijn mening mist LVNL belang bij de klacht van het onderdeel, nu (anders dan het hof mogelijk heeft aangenomen) het al dan niet bestaan van een vergunningplicht niet beslissend is voor de vraag welke inrichtingselementen LVNL in haar simulatie diende te betrekken. Overigens meen ik dat de klacht in die zin feitelijke grondslag mist, dat het hof niet in het algemeen heeft geoordeeld dat de parkeerplaats voor trucks niet vergunningplichtig was, maar dat daarvoor geen bouwvergunning was vereist ("(...) gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen bouwvergunning was vereist, waaronder in het bijzonder de parkeerplaats voor vrachtauto's (...)").

2.67 Subonderdeel 4.15 bestrijdt, wederom onder verwijzing naar het betoog in subonderdeel 4.5, het oordeel in rov. 4.27 dat het LVNL geen onevenredig grote inspanningen zou hebben gekost om Chipshol tijdig toereikend te informeren. Volgens het subonderdeel zou het wel degelijk onevenredig grote inspanningen van LVNL hebben gevergd, als LVNL onderzoek had moeten doen naar de uitkomsten van de door haar uitgevoerde simulaties aan de hand van niet bestaande plannen om er achter te komen dat een plan (zonder truckparking) wel tot de mogelijkheden behoorde. In het onderhavige geval lag een analyse door LVNL van de inrichtingselementen die de verstoring veroorzaakten volgens het subonderdeel te minder voor de hand, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat de gemeente Haarlemmermeer, aan wie LVNL adviseerde, daarom had gevraagd. Bovendien had Chipshol de bedoelde analyse volgens het subonderdeel ook zelf kunnen laten uitvoeren, zoals zij, naar het hof in rov. 4.35 heeft vastgesteld, later ook heeft gedaan.

2.68 Zoals hiervóór (onder 2.41) aan de orde kwam, is niet geheel duidelijk hoever de door het hof aangenomen informatieplicht van LVNL gaat. Bij de bespreking van subonderdeel 4.2 ben ik ervan uitgegaan dat het hof van LVNL méér heeft verlangd dan een enkele aanduiding van de door haar gevolgde systematiek (simulatie aan de hand van het totaalbeeld), in het bijzonder op grond van de passage in rov. 4.24 waaruit voortvloeit dat LVNL naar het kennelijke oordeel van het hof aan Chipshol had moeten duidelijk maken "dat met modificering van de op de bouwtekening tevens ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen wel kon worden gebouwd" en op grond van het oordeel aan het slot van rov. 4.24 dat in het najaar van 2005 is gebleken dat de mededelingen van LVNL in die zin onjuist (en daarom onzorgvuldig) waren, dat het Groenenbergterrein met voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van de genoemde inrichtingselementen wél kan worden bebouwd. In de laatste lezing van het bestreden arrest slaagt de klacht van het subonderdeel; het gaat te ver van LVNL te verlangen dat zij in het kader van haar advisering over een haar voorgelegd, concreet bouwplan, in geval van een negatief advies over dat plan, nader onderzoekt en adviseert of en zo ja, welke modificatie van (al dan niet vergunningplichtige) elementen van dat plan al dan niet tot voor haar aanvaardbare alternatieven zou leiden.

2.69 Subonderdeel 4.16 voegt aan subonderdeel 4.15 toe dat het betoog van subonderdeel 4.15 althans heeft te gelden nu Chipshol op de hoogte was van de wijze waarop haar bouwplannen door LVNL werden getoetst.

2.70 Naar mijn oordeel kon het hoe dan ook niet van LVNL worden verlangd door te rekenen of en zo ja, welke modificatie van de haar voorgelegde plannen tot een wel aanvaardbaar alternatief zou leiden. Iets anders is (maar daarop ziet subonderdeel 4.17) dat het hof mogelijk niet meer van LVNL heeft verlangd dan dat zij de door haar gevolgde onderzoeksmethodiek zou aanduiden. In dat geval zou een onderzoek van LVNL naar bij modificatie van de haar voorgelegde plannen mogelijk wel aanvaardbare alternatieven in het geheel niet aan de orde zijn.

2.71 Voor het geval dat rov. 4.24 aldus moet worden opgevat dat Chipshol naar het oordeel van het hof niet op de hoogte was van de wijze waarop LVNL haar bouwtekeningen toetste, bestrijdt subonderdeel 4.17 dat oordeel als onbegrijpelijk. Het subonderdeel verwijst naar de brieven van 17 september 1998 en 16 november 1998 waarin Chipshol op de hoogte is gesteld van de wijze waarop de toetsing door LVNL plaatsvond. Uit de brief van 17 september 1998 (zie rov. 4.8) en in het bijzonder uit de daarin vermelde mogelijkheid dat Chipshol een geheel nieuw uitgewerkt voorstel ter toetsing aan de Luchtverkeersbeveiliging diende te zenden, had Chipshol volgens het subonderdeel kunnen afleiden dat LVNL het totaalbeeld toetste dat uit de voorgelegde plannen naar voren kwam, terwijl uit beide brieven bleek dat ook dynamische objecten zoals auto's in de toetsing worden betrokken. Voorts wijst het subonderdeel erop dat uit de brief van LVNL van 12 augustus 1996 aan één van de potentiële klanten van Chipshol blijkt dat een parkeerterrein de goede werking van het ILS kan beïnvloeden. Volgens het subonderdeel was Chipshol derhalve ervan op de hoogte dat LVNL een totaalbeeld van alle objecten in de ingediende plannen toetste waarbij zij ook niet vergunningplichtige elementen (zoals de truckparking, die volgens het hof niet vergunningplichtig was) betrok.

2.72 Dat Chipshol daadwerkelijk wist hoe LVNL de bouwtekeningen toetste, blijkt naar mijn mening niet dwingend uit de correspondentie waarnaar het subonderdeel verwijst. Enerzijds kon uit de brieven van 17 september en 16 november 1998 worden afgeleid dat het voor de beoordeling van de mogelijkheid om delen van de beoogde (en in dat stadium nog niet uitgewerkte) bouwplannen te realiseren, aankwam op een bij wijze van simulatie te verrichten onderzoek aan de hand van het totaalbeeld van de gebieden A en B, en dat de tot een toelaatbaar niveau te beperken onnauwkeurigheid van het ILS wordt veroorzaakt door de cumulatieve reflecties van statische en dynamische objecten, die zich naar hun aard niet per object, maar slechts in het kader van een totaalbeeld laten beoordelen. Anderzijds waren die brieven, die betrekking hadden op de situatie dat nog slechts van globale en (afgezien van het bouwplan ten behoeve van Circle Freight) nog niet geconcretiseerde plannen sprake was, niet zó duidelijk dat alleen op grond daarvan kan worden aangenomen dat Chipshol positieve wetenschap had dat LVNL ook haar concrete plannen in hun geheel en met inachtneming van niet vergunningplichtige inrichtingselementen beoordeelde. Het subonderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden.
Overigens meen ik dat zozeer voor de hand lag dat LVNL concrete bouwplannen met inbegrip van niet vergunningplichtige inrichtingselementen beoordeelde, dat Chipshol, ook zonder nadere informatie over de door LVNL gevolgde werkwijze, zich had kunnen realiseren dat zij door modificatie van niet vergunningplichtige inrichtingselementen de bezwaren van LVNL (wellicht) had kunnen wegnemen.

2.73 Subonderdeel 4.18 betoogt dat de klacht van subonderdeel 4.17 in elk geval opgaat voor de situatie vanaf 17 september 2003. Naar het hof in rov. 4.23 heeft vastgesteld, heeft LVNL immers in haar notitie van 6 juni 2003 (die was ingebracht naar aanleiding van het tegen het bouwverbod van 19 februari 2003 door Chipshol ingediende bezwaar) uiteengezet op welke wijze zij had getoetst. In dat verband heeft LVNL volgens het subonderdeel uiteengezet dat de plannen voor de kavels I en IV in hun totaliteit zijn beoordeeld en dat ook de verstoring die door dynamische objecten wordt veroorzaakt, in de toetsing werd betrokken. Blijkens vaststelling van het hof in rov. 4.25 heeft Chipshol deze notitie als bijlage bij de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat van 17 september 2003 ontvangen. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien waarom Chipshol niet althans vanaf dat moment op de hoogte was van de wijze waarop LVNL de toetsing van de bouwplannen van Chipshol had uitgevoerd. Evenmin valt volgens het subonderdeel in te zien waarom, zoals het hof in rov. 4.25 heeft overwogen, Chipshol op grond van deze notitie niet kon begrijpen dat het verdwijnen van de truckparking voor het advies van LVNL van belang kon zijn.

2.74 Aangenomen dat het hof LVNL niet meer heeft verweten dan dat LVNL haar werkwijze niet aan Chipshol heeft bekend gemaakt (waardoor Chipshol niet erop bedacht kon zijn dat zij door modificatie van in haar bouwaanvraag opgenomen maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen de bezwaren tegen dat bouwplan - wellicht - kon ondervangen), valt, zonder nadere motivering, die ontbreekt, inderdaad niet in te zien waarom het (in de ogen van het hof) onrechtmatige handelen van LVNL niet een einde nam op het moment dat Chipshol de genoemde notitie ontving, maar tot 18 oktober 2005 voortduurde. Dat, zoals het hof aan het slot van rov. 4.25 heeft overwogen, ook in dat stadium nog niet bekend was op welke onderdelen van de tekeningen LVNL "in het bijzonder" acht had geslagen, kan naar mijn mening niet meer beslissend zijn, als Chipshol uit de notitie ten minste had kunnen afleiden dat ook niet bouwvergunningplichtige) objecten in de simulatie waren betrokken.

2.75 Subonderdeel 4.19 klaagt over rov. 4.35, waarin het hof zou hebben miskend dat de data uit het Cyrrusrapport al eerder dan 28 november 2006 aan Chipshol ter beschikking stonden. Het rapport van Cyrrus was immers gebaseerd op de door LVNL voor haar toetsing gebruikte data. Deze data waren gevoegd als bijlage bij de notitie van 6 juni 2003, waarover Chipshol (naar subonderdeel 4.18 aan de orde stelt) reeds op 17 september 2003 beschikte.

2.76 Waar het subonderdeel in wezen terugvalt op de door subonderdeel 4.18 verdedigde betekenis van de notitie van 6 juni 2003, meen ik dat aan de klacht van het subonderdeel, naast die van subonderdeel 4.18, geen zelfstandige betekenis toekomt.

2.77 Subonderdeel 4.20 poneert dat hetgeen in de subonderdelen 4.18-4.19 is betoogd, met zich brengt dat voor Chipshol, anders dan het hof in rov. 4.25 heeft geoordeeld, voldoende aanleiding bestond LVNL uit eigen beweging op de hoogte te stellen van de door het hof bedoelde tekening V.2002W817bl01. Met name door een simulatie, gebaseerd op de laatstgenoemde tekening, had immers - voordat het door het hof in rov. 4.33 bedoelde onderzoek door het NLR in april 2005 was uitgevoerd - aan de hand van deze tekening kunnen worden vastgesteld dat de truckparking relevant was voor de verstoring van het ILS. In dat verband is, anders dan het hof heeft overwogen, niet van belang dat Chipshol niet behoefde te begrijpen dat het verdwijnen van de truckparking in de latere tekeningen voor het advies van LVNL van belang kon zijn. Het subonderdeel betoogt dat, ook voor LVNL zelf, simulatie aan de hand van een gewijzigd plan de enige mogelijkheid is om te ontdekken welke inrichtingselementen het ILS (onaanvaardbaar) verstoren. Alleen in een dergelijk iteratief proces kan, nog steeds volgens het subonderdeel, worden ontdekt welke elementen de verstoring met name veroorzaken.

2.78 Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat zich ook hier enigszins wreekt dat onduidelijk is wat het hof LVNL precies heeft verweten. Als het verwijt slechts is dat LVNL Chipshol niet heeft duidelijk gemaakt dat zij toetste aan de hand van een totaalbeeld, met inbegrip van niet vergunningplichtige inrichtingselementen, lag het niet op de weg van LVNL, maar op de weg van Chipshol zelf om, althans vanaf het moment waarop de bedoelde werkwijze van LVNL haar duidelijk was geworden, haar plannen desgewenst te modificeren, opdat zou kunnen worden getoetst of de desbetreffende modificaties de bezwaren in verband met een onaanvaardbare verstoring van het ILS zouden ondervangen. In de hier bedoelde benadering zou het LVNL niet eigener beweging door haarzelf bedachte modificaties behoeven te toetsen en aan Chipshol behoeven voor te stellen. Gaat het verwijt verder en heeft het hof LVNL aangerekend dat zij niet zelf wel aanvaardbare alternatieven heeft aangedragen, dan is dat laatste anders.
Als het hof de eerste benadering heeft gevolgd, gaat de klacht van het onderdeel op. Vanaf het moment waarop Chipshol kennis kreeg van de door LVNL gevolgde systematiek, was het in die benadering aan Chipshol zelf om (desgewenst) gemodificeerde plannen in te dienen en ter toetsing te brengen, en om in dat verband (eventueel) ook aandacht te vragen voor tekening V.2002W817bl01, die van de reeds door LVNL getoetste tekeningen afweek. In die zin bestond er voor Chipshol, nadat zij had kennisgenomen van de door LVNL gevolgde systematiek, wel degelijk aanleiding uit eigen beweging LVNL van tekening V.2002W817bl01 op de hoogte te stellen. Als het hof zou hebben bedoeld dat zodanige aanleiding slechts zou hebben bestaan in het geval dat Chipshol uit het rapport van 6 juni 2003 had kunnen afleiden dat tekening V.2002W817bl01, zonder truckparking, een toetsing door LVNL (waarschijnlijk) zou doorstaan, zou het hof mijns inziens wezenlijk méér van LVNL hebben verlangd dan dat zij Chipshol over de door haar gevolgde systematiek informeerde, en wel dat LVNL Chipshol actief op het spoor zette van wel toelaatbare alternatieven en/of haar zulke alternatieven aanreikte (de tweede benadering).
Als het hof de tweede benadering heeft gevolgd, zou daarmee consistent zijn dat naar het oordeel van het hof de notitie van LNV van 6 juni 2003 voor Chipshol geen althans onvoldoende aanleiding was om LVNL uit eigen beweging op de hoogte te stellen van tekening V.2002W817bl01. In dat geval faalt het subonderdeel, wat echter niet wegneemt dat de tegen de bedoelde benadering gerichte klachten zoals die van subonderdeel 4.2 slagen.

2.79 Subonderdeel 4.21 betoogt dat de klacht van subonderdeel 4.20 in elk geval opgaat voor de situatie die intrad na het beschikbaar komen van het door het hof in rov. 4.33 genoemde rapport van het NLR in april 2005. Uit dat rapport bleek immers dat de door Chipshol op tekening V.2002W817bl01 voorgestelde bebouwing geen ernstige belemmeringen zou meebrengen. Chipshol had in elk geval vanaf het moment dat zij kennis nam van dit rapport de betrokken tekening door LVNL kunnen laten toetsen. Volgens het subonderdeel beschikte Chipshol vanaf dat moment over dezelfde informatie als zij zou hebben gehad indien LVNL de door het hof in rov. 4.24 bedoelde inlichtingen omtrent de mogelijkheden van bebouwing bij het weglaten van bepaalde niet vergunningplichtige elementen wel zou hebben verstrekt.

2.80 Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat de omstandigheid dat Chipshol de informatie die LVNL haar (naar het oordeel van het hof) onthield, op enig moment van een derde verkreeg, niet afdoet aan de door het hof aangenomen onzorgvuldigheid van het handelen van LVNL en de door het hof aangenomen onrechtmatigheid van dat handelen niet beëindigt, maar hooguit een rol zou kunnen spelen in het kader van een op Chipshol rustende schadebeperkingsverplichting. Tegen die achtergrond zie ik geen verband met de voorgaande subonderdelen.

2.81 Subonderdeel 4.22 bestrijdt de in rov. 4.25 vervatte overweging dat LVNL in haar negatieve advies van een inmiddels achterhaald ontwerp van de inrichting van het terrein was uitgegaan. Volgens het subonderdeel is deze overweging, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het subonderdeel betoogt dat LVNL heeft aangevoerd dat er twee bouwplannen circuleerden, één met truckparking voor de door het hof in rov. 4.19 bedoelde kavels I en IV, in welk plan de truckparking op kavel I was geprojecteerd (de tekeningen met de nummers V.2002W813bl01A en V.2002W813bl01B) en waarvoor blijkens rov. 4.19 een bouwvergunning is verleend, en één zonder truckparking voor de kavels II, III en V (de tekening met nummer V.2002W817bl01), zonder dat Chipshol heeft aangegeven dat het plan (fase 1) voor de kavels I en IV inmiddels was achterhaald. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien waarom sprake zou zijn van een inmiddels achterhaald ontwerp voor de kavels I en IV, nu de tekeningen met de nummers V.2002W813bl01A en V.2002W813bl01B enerzijds en de tekening met nummer V.2002W817bl01 anderzijds op verschillende te ontwikkelen kavels zagen en voor de ontwikkeling van de kavels I en IV inmiddels een bouwvergunning was verleend. Het subonderdeel tekent nog aan dat op tekening met nummer V.2002W817bl01 de truckparking weliswaar was vervallen, maar die tekening niet is overgelegd in verband met de ontwikkeling van het kavel (kavel I) waarop de truckparking was geprojecteerd, maar in verband met de bouwaanvraag voor de ontwikkeling van de kavels II, III en IV. Het op de bestreden overweging gebaseerde oordeel dat voor Chipshol geen althans onvoldoende aanleiding bestond om LVNL uit eigen beweging op de hoogte te stellen van de tekening met nummer V.2002W817bl01, is volgens het subonderdeel dan ook rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.

2.82 Het oordeel in rov. 4.25 dat LVNL bij haar negatieve advies (waarmee, naar ik aanneem, is bedoeld het negatieve advies naar aanleiding van de bouwaanvraag voor de kavels I en IV zoals omschreven in rov. 4.19) van een inmiddels achterhaald ontwerp van de inrichting van het terrein was uitgegaan en zulks voor Chipshol verborgen bleef bij gebrek aan inzicht in de redengeving van het advies, is mijns inziens in strijd met de feiten die het hof zelf heeft vastgesteld. LVNL is bij haar advies uitgegaan van de tekeningen die bij de betrokken bouwaanvraag zijn overgelegd en niet op enig moment door de tekening met nummer V.2002W817bl01 zijn vervangen. Zou dat laatste al anders zijn, dan zou chronologisch nog altijd onjuist zijn dat LVNL bij haar advies van inmiddels (op dat moment reeds) achterhaalde tekeningen is uitgegaan. Het negatieve advies van LVNL dateerde van 16 december 2002, waarna de desbetreffende bouwvergunningen op 1 februari 2003 zijn verleend (rov. 4.19). Tekening V.2002W817bl01 behoorde tot de bouwaanvraag voor de kavels II, III en V, welke bouwaanvraag eerst op 27 maart 2003 (na het negatieve advies en na de verlening van de desbetreffende bouwvergunningen) werd ingediend. Dat voor Chipshol (volgens het hof: tot het moment waarop Chipshol kennis nam van de notitie van 6 juni 2003; zie p. 33, laatste volledige volzin) verborgen zou zijn gebleven dat LVNL bij de beoordeling van de bouwaanvraag voor de kavels I en IV is uitgegaan van de tekeningen V.2002W813bl01A en V.2002W813bl01B (met truckparking) en dat deze tekeningen afweken van de later (in verband met een andere bouwaanvraag) overgelegde tekening met nummer V.2002W817bl01, valt niet in te zien. Naar mag worden aangenomen kende Chipshol de achtereenvolgens door haar ingediende tekeningen, het doel waarvoor die tekeningen waren ingediend en de onderlinge verschillen tussen die tekeningen. Het oordeel dat "(m)et name verborgen kon blijven dat LVNL was uitgegaan van een inmiddels achterhaald ontwerp van de inrichting van het terrein" en het althans mede daarop gebaseerde oordeel dat "(e)r (...) voor Chipshol dan ook geen althans onvoldoende aanleiding (bestond) om LVNL uit eigen beweging op de hoogte te stellen van de tekening met nummer V.2002W817bl01 (...)", houden dan ook geen stand.

2.83 Volgens subonderdeel 4.23 vitiëren de subonderdelen 4.4-4.22 ook de oordelen in de rov. 4.6, 4.25, 4.29 en 4.36.

2.84 Het subonderdeel werkt niet uit hoe en in welke oordelen de subonderdelen 4.4-4.22 in de genoemde rechtsoverwegingen doorwerken. Dat klemt temeer, nu die doorwerking mede zal afhangen van de vraag welke van de klachten van de subonderdelen 4.4-4.22 gegrond zullen worden bevonden. Daarom zie ik van een bespreking van het subonderdeel af.

2.85 Subonderdeel 4.24 is gericht tegen het oordeel in rov. 4.19 dat LVNL in haar reactie van 16 december 2002 ten onrechte ervan uitgaat dat de nieuwe bouwaanvraag (de aanvraag van 22 november 2002 voor de kavels I en IV) betrekking heeft op gebouwen die hoger zijn dan 10 m, voor zover deze overweging mede dragend is geweest voor het oordeel in rov. 4.24 dat LVNL onzorgvuldig jegens Chipshol heeft gehandeld. Volgens het subonderdeel is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden nu geen van beide partijen zich erop heeft beroepen dat de nieuwe bouwaanvraag geen betrekking had op gebouwen die hoger zijn dan 10 m en heeft het althans in zoverre een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven. Het subonderdeel betoogt voorts dat de bestreden overweging onbegrijpelijk is omdat de verwijzing in de brief van 16 december 2002 naar de brief van 30 oktober 2002, naar het hof heeft vastgesteld, alleen zag op de bezwaren van LVNL in verband met de luchtverkeersveiligheid. Nu LVNL niet adviseerde over (overschrijding van) de bouwhoogte en haar bezwaren daarop ook geen betrekking hadden, valt, nog steeds volgens het subonderdeel, niet in te zien waarom met de handhaving van haar bezwaren ten aanzien van de tekeningen (in verband met de luchtverkeersveiligheid) in de brief van 16 december 2002 ook de opmerking in de brief van 30 oktober 2002 ter zake van de bouwhoogte zonder meer zou zijn gehandhaafd.

2.86 Dat LVNL in haar brief van 16 december 2002 (naar aanleiding van de bouwaanvraag van 22 november 2002) voor haar bezwaren uit hoofde van de luchtverkeersveiligheid mede verwees naar haar eerdere brief van 30 oktober 2002 (die een reactie vormde op de bouwaanvraag van 12 september 2002), impliceert niet dat LVNL alle door haar in die brief gemaakte (en op de bouwaanvraag van 12 september 2002 toegespitste) opmerkingen ook en onverkort in verband met de bouwaanvraag van 22 november 2002 handhaafde. Dat, zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld ("(...) dat LVNL in haar reactie van 16 december 2002 ten onrechte ervan uitgaat dat de nieuwe bouwaanvraag betrekking heeft op gebouwen die hoger zijn dan 10 meter"), LVNL in haar brief van 16 december 2002 bedoelde haar opmerking in de brief van 30 oktober 2002 over "de gebouwen D1, D2, D3 en D4 (die) de toegestane bouwhoogte ter plekke van 10 meter overschrijden" (welke opmerking onmiskenbaar was toegesneden op het blijkens rov. 4.17 overigens op meerdere punten in strijd met het bestemmingsplan bevonden bouwplan van 12 september 2002) ook voor het nieuwe bouwplan te handhaven, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, inderdaad niet in te zien. Waar het subonderdeel al op die grond slaagt, laat ik onbesproken of het hof met de bestreden overweging buiten de rechtsstrijd is getreden, dan wel daarmee een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven.

2.87 Subonderdeel 4.25 betoogt dat subonderdeel 4.20 ook rov. 4.35 vitieert. Op grond van hetgeen in subonderdeel 4.20 is aangevoerd, kan Chipshol wel degelijk worden verweten dat zij haar schade niet heeft beperkt door in een eerder stadium contra-expertise te vragen, in het bijzonder op basis van tekening V.2002W817bl01.

2.88 In rov. 4.35 heeft het hof geoordeeld dat Chipshol meer in het algemeen niet kan worden verweten dat zij haar schade niet heeft beperkt door in een eerder stadium contra-expertise te vragen, omdat het door Chipshol aan LVNL verweten gedrag dat inhoudt dat LVNL Chipshol onvoldoende heeft duidelijk gemaakt op welke wijze zij haar onderzoek heeft verricht, contra-expertise nu juist bemoeilijkte. Ik kan de klacht van het subonderdeel in zoverre onderschrijven dat, zoals bij de bespreking van de subonderdelen 4.17 en 4.18 (naar welke subonderdelen in subonderdeel 4.20 wordt verwezen) aan de orde kwam, Chipshol reeds voor ommekomst van de door het hof onderscheiden periode van aansprakelijkheid van LVNL van 29 november 2002 tot 18 oktober 2005 en in elk geval na ontvangst van de notitie van LVNL van 6 juni 2003 met de werkwijze van LVNL (toetsing door LVNL van de bouwvragen in hun geheel, met inbegrip van niet vergunningplichtige inrichtingselementen) bekend mocht worden verondersteld en dat althans vanaf het moment dat dit laatste gold, het door het hof voor een contra-expertise veronderstelde beletsel zich niet meer voordeed.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina