Hoge Raad der Nederlanden



Dovnload 334.17 Kb.
Pagina8/11
Datum23.08.2016
Grootte334.17 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

2.114 Zoals hiervóór (onder 2.34) reeds aan de orde kwam, meen ik dat Landvision c.q. Chipshol had kunnen begrijpen dat het ten behoeve van Circle Freight ingediende bouwplan niet op zichzelf, maar in samenhang met het globale en overigens nog niet uitgewerkte plan werd getoetst, en dat een nadere uitwerking van de rest van dat plan (mogelijk) tot een andere (positieve) beoordeling van het ten behoeve van Circle Freight ingediende bouwplan zou kunnen leiden. In zoverre acht ik de klacht van het subonderdeel gegrond.

Vereenzelviging


2.115 Onderdeel 9 klaagt over de rov. 4.9 en 4.10:

"4.9 Het hof leidt uit de hierboven omschreven gebeurtenissen af dat LVNL rond 1998 een zeer overwegende informatiepositie innam, waar het ging om de bebouwingsmogelijkheden van het Groenenbergterrein. Niet alleen was zij met de wettelijke taak belast om te adviseren over de luchtverkeersveiligheid. De praktijk laat zien dat zij ook door beslissende autoriteiten als de gemeente Haarlemmermeer in een vroeg stadium werd betrokken bij de vraag of en zo ja welke bebouwing op het Groenenbergterrein zou kunnen worden toegelaten. Niet voor niets leidde de gemeente Haarlemmermeer het ertoe dat Chipshol (Landvision) zich over haar inrichtingsplan verstond met LVNL. LVNL moet zich hebben gerealiseerd dat aan de door haar gedane mededelingen groot gewicht toekwam en Chipshol voor de door haar voorgenomen gebiedsontwikkeling afhankelijk was van haar, LVNL's, bevindingen ten aanzien van de luchtverkeersveiligheid.


Uit het overleg dat heeft plaatsgehad tussen LVNL en Chipshol moet aan LVNL verder duidelijk zijn geweest dat Chipshol als economisch eigenaar van het Groenenbergterrein groot belang had bij de mededelingen die LVNL zou doen over de verenigbaarheid van haar bouwplannen met de luchtverkeersveiligheid. Dat het overleg in die periode grotendeels is gevoerd op naam van de aan haar gelieerde vennootschap Landvision maakt dat niet anders.
Voorts valt op dat in het overleg dat heeft plaatsgehad tussen LVNL en Chipshol (Landvision) een voorname rol heeft gespeeld dat LVNL heeft toegelicht nauwkeuriger te kunnen adviseren naar gelang de bouwplannen van Chipshol (Landvision) concreter aan haar zouden worden gepresenteerd. Dat betekent enerzijds dat LVNL zich bij haar mededelingen over de bebouwingsmogelijkheden van het Groenenbergterrein rekenschap diende te geven van het belang van Chipshol bij haar mededelingen daarover. Anderzijds betekent het ook dat Chipshol (Landvision) zich diende te realiseren dat LVNL, zolang zij nog niet over geconcretiseerde bouwplannen beschikte, zich bij haar mededelingen over die luchtverkeersveiligheid op en rond het Groenenbergterrein zou laten leiden door een meer algemene notie van luchtverkeersveiligheid.

4.10 Al hetgeen tussen LVNL en Chipshol (Landvision) is voorgevallen biedt daarom onvoldoende houvast voor de gevolgtrekking dat Chipshol mocht menen dat LVNL vóór 4 september 2002 meer tot uitdrukking heeft gebracht dan hetgeen zij kon vaststellen op basis van een "worst case scenario".


Vooral hetgeen in de loop van 1998 is uitgewisseld tussen LVNL en Chipshol (Landvision) laat zien dat de van de kant van Chipshol gepresenteerde plannen nog niet erg concreet waren. Sterker, door Landvision werd bij LVNL bepleit om haar de ruimte te gunnen om pas na bestemmingswijziging de door haar geconcretiseerde plannen te doen toetsen aan de eisen van luchtverkeersveiligheid. Het voorliggende inrichtingsplan zou toch niet worden uitgevoerd.
Er is geen aanwijzing dat in die fase een geconcretiseerd plan, waarin een keuze is gemaakt met betrekking tot de relevante variabelen zoals hoogte en bouwrichting, aan LVNL is voorgelegd, met één uitzondering die het hof hieronder zal bespreken.
LVNL mocht daarom vóór 4 september 2002 volstaan met advisering op basis van een "worst case scenario", zonder afzonderlijk toe te lichten dat zij zich had beperkt tot onderzoek van een "worst case scenario". De stellingen van Chipshol zijn dan ook ontoereikend om te aanvaarden dat LVNL onjuiste mededelingen heeft gedaan door onvermeld te laten dat zij een onderzoek had uitgevoerd op basis van een "worst case scenario". Bij gebreke van toereikende stellingen zal bewijslevering in deze kwestie achterwege blijven."

2.116 Subonderdeel 9.1 klaagt dat, voor zover de vereenzelviging van Chipshol en Landvision in de rov. 4.9 en 4.10 mede een rol heeft gespeeld bij het oordeel van het hof in rov. 4.13 dat LVNL onrechtmatig heeft gehandeld jegens Chipshol en de in de vorige onderdelen geformuleerde klachten ten aanzien van deze overweging falen, het bedoelde oordeel rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, indien het hof heeft aangenomen dat aan Landvision verstrekte (onvolledige) mededelingen zonder meer als (onvolledige) mededelingen jegens Chipshol zijn aan te merken. Er bestaat volgens het subonderdeel slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden aanleiding rechtspersonen te vereenzelvigen, bijvoorbeeld indien een bij twee rechtspersonen betrokken bestuurder misbruik maakt van het verschil in identiteit tussen deze twee rechtspersonen om derden te benadelen. In dergelijke gevallen behoeft dergelijk misbruik in rechte niet te worden gehonoreerd. In het verlengde daarvan is volgens het subonderdeel toerekening van kennis, wetenschap of (reden tot) twijfel die bij een rechtspersoon omtrent bepaalde mededelingen bestaat aan een andere rechtspersoon die deze kennis, wetenschap of (reden tot) twijfel zelf niet had, weliswaar niet onder alle omstandigheden uitgesloten, maar daarbij moet terughoudendheid worden betracht. Het subonderdeel betoogt dat niet valt in te zien waarom het hof in het onderhavige geval heeft aangenomen dat de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden zich voordoen, en dat daarvoor in ieder geval niet toereikend is dat, zoals de rechtbank Haarlem in haar vonnis van 14 november 2007 in rov. 2.12 heeft vastgesteld, Landvision tot het Chipshol-concern behoort. Daarvan uitgaande valt, nog steeds volgens het subonderdeel, evenmin in te zien waarom het door LVNL geven van de - volgens het hof onvolledige - inlichtingen in verband met een door Landvision beoogde ontwikkeling zonder meer jegens Chipshol onrechtmatig is.

2.117 Het subonderdeel kan reeds hierom niet tot cassatie leiden, omdat, anders dan het kennelijk veronderstelt, de bedoelde vereenzelviging van Chipshol en Landvision kennelijk niet van beslissende betekenis is geweest voor het oordeel in rov. 4.13. Het oordeel in rov. 4.13 steunt hierop dat LVNL Chipshol onvoldoende inzicht heeft geboden in de redenen waarom zij negatief over het ten behoeve van Circle Freight ingediende bouwplan adviseerde. De bedoelde vereenzelviging speelt slechts een rol voor zover het hof kennelijk ten overvloede aan dat oordeel heeft toegevoegd dat zijn oordeel "te meer (geldt) als in aanmerking wordt genomen dat LVNL en Chipshol (Landvision) al overleg achter de rug hadden, waarin aan de orde was geweest dat concreter bouwplannen LVNL in staat zouden stellen nauwkeuriger te onderzoeken of de luchtverkeersveilighied voldoende gewaarborgd zou blijven." Overigens meen ik dat niet onbegrijpelijk is dat het hof heeft aangenomen dat LVNL erop bedacht diende te zijn dat haar mededelingen aan Landvision ook voor Chipshol van belang zouden zijn en dat ook Chipshol haar handelingen daarop mogelijk zou afstemmen. Zo blijkt uit de processtukken dat voor alle betrokken partijen duidelijk was dat Chipshol en Landvision in ieder geval gelieerde ondernemingen waren, met dezelfde plannen en (in ieder geval deels) dezelfde bestuurders, en dat [betrokkene 1] zowel voor Chipshol als voor Landvision optrad. Zo sprak LVNL in haar correspondentie (onder andere in haar brief aan de staatssecretaris van 29 november 2002) van een door [betrokkene 1] ingediende aanvraag, zonder daarbij enige vennootschap te noemen (zie rov. 4.23).

Passeren bewijsaanbod


2.118 Onderdeel 10 betreft het passeren van het bewijsaanbod van LVNL, weergegeven in haar memorie van antwoord onder X (nr. 195). Subonderdeel 10.1 klaagt dat het hof dit bewijsaanbod rechtens onjuist, althans op zonder nadere motivering, die ontbreekt, ontoereikende gronden heeft verworpen.

2.119 Het bedoelde bewijsaanbod luidt als volgt:

"Zonder daartoe onverplicht te worden gehouden, biedt LVNL aan al haar stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens. LVNL herhaalt daartoe het bewijsaanbod zoals in eerste aanleg gedaan, ook met betrekking tot haar stellingen in hoger beroep. Verder biedt LVNL bewijs aan in de persoon van de Eric Kroese, voorzitter van de directie van LVNL over het feit dat de adviezen en mededelingen van LVNL jegens Chipshol geen relatie hebben met grondposities van SRE of de reservering van de tweede Kaagbaan en uitsluitend zijn gegeven met het oog op de luchtverkeersveiligheid."

2.120 Het subonderdeel faalt voor wat betreft het algemene bewijsaanbod in de eerste twee volzinnen. Dit bewijsaanbod is onvoldoende specifiek. Voor wat betreft het bewijsaanbod in de derde volzin geldt dat de te bewijzen aangeboden feiten niet tot de beslissing van de zaak kunnen dienen, nu het hof de stellingen van Chipshol met betrekking tot de vermeende belangen van LVNL niet heeft gehonoreerd.

Restklacht
2.121 Onderdeel 11 betoogt dat de vorenstaande onderdelen ook de beslissing in rov. 5.4 vitiëren.

2.122 Rov. 5.4 betreft de ten laste van LVNL in hoger beroep uitgesproken proceskostenveroordeling. Die proceskostenveroordeling kan inderdaad niet in stand blijven, indien één of meer van de in het principale beroep aangevoerde klachten tot cassatie leidt.

Dictum
2.123 Onderdeel 12 memoreert dat het hof in rov. 4.24 heeft vastgesteld dat LVNL het tot haar taak heeft gerekend om de aan haar verstrekte bouwtekeningen te beoordelen met inachtneming van hetgeen nog verder over het voorgenomen gebruik van het Groenenbergterrein uit die tekeningen kon worden opgemaakt. Zij heeft zich daarvan volgens het hof een totaalbeeld gevormd. Subonderdeel 12.1 betoogt dat, daarvan uitgaande, rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is het dictum (derde gedachtestreepje) waarin het hof voor recht heeft verklaard dat LVNL jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door in de periode vanaf 29 november 2002 tot 18 oktober 2005 zonder mededeling daarvan niet de door Chipshol voorgelegde bouwplannen te toetsen, maar een "worst case scenario". Het subonderdeel licht toe dat, nu LVNL blijkens rov. 4.24 de bouwtekeningen van Chipshol heeft beoordeeld met inachtneming van hetgeen nog verder over het voorgenomen gebruik van het Groenenbergterrein uit die tekeningen kon worden opgemaakt, van een toetsing aan de hand van een "worst case scenario" geen sprake was; een dergelijke toetsing gold, naar in subonderdeel 4.5 is uiteengezet, alleen voor de globaal ingevulde gedeelten van de bouwplannen van Chipshol, waarvan in de bewuste periode blijkens de rov. 4.19 en 4.24 geen sprake was.

2.124 Ik acht de klacht van het subonderdeel gegrond. In de bedoelde periode was nog slechts van concrete bouwplannen sprake en was, naar de eigen vaststellingen van het hof, een toetsing aan de hand van een "worst case scenario" niet meer aan de orde.

2.125 Onderdeel 13 memoreert dat het hof in rov. 4.3 heeft overwogen dat Chipshol bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep heeft toegelicht dat zij met de door het hof bedoelde opsomming niet heeft bedoeld de periode na het bouwverbod van de minister van Verkeer en Waterstaat van 19 februari 2003 als relevante vertragingsperiode uit te sluiten. Voorts herinnert het onderdeel eraan dat het hof heeft overwogen dat Chipshol bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat zij niet langer volhoudt dat haar in dit geding nog schadevergoeding toekomt voor de vertraging over de periode van 23 november 2002 tot 30 januari 2003. Voor de genoemde periode is Chipshol volgens het hof schadeloos gesteld. Het hof heeft in rov. 4.30 van zijn arrest overwogen dat het dus erom gaat vast te stellen of de mogelijkheid bestaat dat Chipshol tengevolge van onjuiste mededelingen van LVNL vanaf 30 januari 2003 vertragingsschade heeft geleden.

2.126 Subonderdeel 13.1 bestrijdt het oordeel in rov. 4.3 als rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, voor zover dat oordeel aldus moet worden begrepen dat (vertragings)schade die is veroorzaakt door handelen van LVNL na 18 oktober 2005 voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het hof heeft immers in het dictum van zijn arrest voor recht verklaard dat het gaat om onrechtmatig handelen van LVNL tot 18 oktober 2005.

2.127 De klacht van het subonderdeel is ongegrond. Nog daargelaten dat bij tegenstrijdigheid tussen rechtsoverwegingen en het daarop gebaseerde dictum in beginsel die rechtsoverwegingen prevaleren en het om die reden niet wel mogelijk is een rechtsoverweging met een beroep op het daarvan afwijkende dictum te bestrijden, is van een tegenstrijdigheid zoals door het subonderdeel bedoeld geen sprake. In de eerste plaats heeft het hof in rov. 4.3 slechts het nader te onderzoeken standpunt van Chipshol met betrekking tot de periode van de beweerdelijk door haar geleden vertragingsschade weergegeven zonder daaraan zelf reeds een oordeel te verbinden, in de tweede plaats betreft het dictum (eerste en derde gedachtestreepje) de periode waarin LVNL volgens het hof onrechtmatig jegens Chipshol heeft gehandeld, welke periode niet noodzakelijkerwijs met die van de (beweerdelijk) door Chipshol als gevolg daarvan geleden (vertragings)schade samenvalt.

2.128 Subonderdeel 13.2 bestrijdt, uitgaande van de rov. 4.3 en 4.30, als rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, rov. 4.29 en het dictum van het arrest waarin het hof voor recht heeft verklaard dat LVNL jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door in de periode vanaf 29 november 2002 tot 18 oktober 2005 onjuiste mededelingen te doen ter zake van de bebouwingsmogelijkheden van het Groenenbergterrein en zonder mededeling daarvan niet de door Chipshol voorgelegde bouwplannen te toetsen, maar een "worst case scenario". Het hof had volgens het subonderdeel immers, gelet op de rov. 4.3 en 4.30, van een periode van 30 januari 2003 tot 18 oktober 2005 moeten uitgaan.

2.129 Evenals rov. 4.3 betreft rov. 4.30 de periode waarover LVNL mogelijkerwijs vertragingsschade heeft geleden. Die periode valt niet noodzakelijkerwijs samen met die waarin LVNL onrechtmatig jegens Chipshol heeft gehandeld. Ook subonderdeel 13.2 kan daarom niet tot cassatie leiden

3. Bespreking van het incidentele cassatiemiddel

3.1 Het incidentele cassatiemiddel omvat vijf onderdelen, waarvan de onderdelen 1-4 in verschillende subonderdelen zijn verdeeld. Onderdeel 1 is gericht tegen de rov. 4.6 en 4.15:

"4.6 In de periode vóór 4 september 2002 heeft LVNL bij verschillende gelegenheden en daarnaar gevraagd naar buiten gebracht dat het Groenenbergterrein met het oog op de luchtverkeersveiligheid niet of nauwelijks zou kunnen worden bebouwd.


Tussen partijen is onomstreden dat de door de gemeente Haarlemmermeer beoogde bestemmingswijziging zou meebrengen dat ook bebouwing werd toegestaan die de werking van het ILS zou verstoren en aldus de luchtverkeersveiligheid in het gedrang zou kunnen brengen. Ook is onomstreden dat na die bestemmingswijziging de gemeente Haarlemmermeer dergelijke bebouwing op grond van de Woningwet niet meer zou kunnen tegenhouden.
Dat betekent naar het oordeel van het hof dat het LVNL in beginsel vrij stond om in haar advisering en overige berichtgeving over de luchtverkeersveiligheid in verband met het gebruik respectievelijk de bebouwing van het Groenenbergterrein te kiezen voor een zogeheten "worst case scenario" en daarbij vooruit te lopen op de invoering van het Lib. In die fase diende LVNL immers rekening te houden met tal van gebruiksmogelijkheden, waaronder de voor de luchtverkeersveiligheid meest ongunstige bebouwing.

(...)


4.15 Na de bestemmingswijziging van het Groenenbergterrein deed zich een wezenlijk andere situatie voor. Vanaf dat moment, 4 september 2002, mocht Chipshol erop rekenen dat door haar voorgenomen bouwplannen die in overeenstemming waren met de planvoorschriften geen bezwaar zouden ontmoeten, met dien verstande dat zij ook dan ermee rekening diende te houden dat de luchtverkeersveiligheid gewaarborgd moest blijven.
De gemeente Haarlemmermeer heeft de bescherming van de luchtverkeersveiligheid geen afzonderlijke plaats gegeven in het gewijzigde bestemmingsplan maar heeft deze overgelaten aan de autoriteit die op grond van de Luchtvaartwet met het oog op de luchtverkeersveiligheid grenzen kan stellen. In dat verband behield LVNL als adviseur haar overwegende informatiepositie. Ook na de bestemmingswijziging had LVNL zich rekenschap te geven van het belang van Chipshol als economisch eigenaar van het Groenenbergterrein en zelfs sterker dan voordien omdat Chipshol tengevolge van de bestemmingswijziging ervan mocht uitgaan dat zij mocht bouwen op het Groenenbergterrein, tenzij haar bouwplannen de luchtverkeersveiligheid zouden schaden."

3.2 Volgens subonderdeel 1.1 heeft het hof door aldus te oordelen in strijd met art. 24 Rv het verweer van LVNL aangevuld met ambtshalve bijgebrachte feiten en/of rechtsgronden zonder dat een daarop gericht partijdebat heeft plaatsgevonden. LVNL heeft volgens het subonderdeel aan haar verweer tegen de vorderingen van Chipshol niet (kenbaar) ten grondslag gelegd dat het feit dat de bestemmingswijziging vóór 4 september 2002 nog niet (definitief) was vastgesteld, met zich brengt dat de aan haar voorgelegde bouwplannen niet voldoende concreet waren en/of anderszins aan LVNL (in beginsel) de vrijheid gaf om in haar advisering en overige berichtgeving over de luchtverkeersveiligheid in verband met het gebruik respectievelijk de bebouwing van het Groenenbergterrein te kiezen voor een zogeheten "worst case scenario" en daarbij vooruit te lopen op de invoering van het Lib. LVNL heeft daarentegen, nog steeds volgens het subonderdeel, in respons op Chipshols stellingen in essentie aangevoerd dat zij, kort gezegd, in het tijdvak tussen 1996 en 2005 de aan haar voorgelegde bouwplannen steeds ICAO-conform heeft getoetst aan de luchtverkeersveiligheid volgens een zogenaamd tweestappenplan. Daarbij heeft LVNL, voor wat betreft de vraag of zij mocht uitgaan van een "worst case scenario", geen (kenbaar) onderscheid gemaakt naar de periode vóór en na wijziging van het bestemmingsplan op 4 september 2002, maar gesteld dat zij louter afhankelijk van de mate van concretisering van aan haar voorgelegde bouwplannen globaal respectievelijk "worst case" toetste en behoorde te toetsen.

3.3 Redengevend voor het oordeel van het hof dat LVNL in de periode vóór 4 september 2002 in haar advisering voor een "worst case scenario" kon kiezen, is niet de beoogde bestemmingswijziging als zodanig, maar het gegeven dat LVNL (mede gelet op die bestemmingswijziging) met tal van gebruiksmogelijkheden, waaronder de voor de luchtverkeersveiligheid meest ongunstige bebouwing, rekening diende te houden (zie de slotzin van rov. 4.6: "In die fase diende LVNL immers rekening te houden met tal van gebruiksmogelijkheden, waaronder de voor de luchtverkeersveiligheid meest ongunstige bebouwing."). In de benadering van het hof verengde de ruimte voor een toetsing aan de hand van een "worst case scenario" zich, naarmate LVNL meer concrete plannen werden voorgelegd, óók voor zover dat vóór 4 september 2002 geschiedde. Uit de beslissing van het hof met betrekking tot de (van januari 1999 daterende) bouwaanvraag ten behoeve van Circle Freight (rov. 4.12), wat overigens van die beslissing zij, vloeit immers voort dat het hof toetsing van een concreet bouwplan aan de hand van een "worst case scenario", óók voor zover die toetsing plaatsvond vóór 4 september 2002, niet zó vanzelfsprekend vond dat LNVL haar niet uitdrukkelijk aan Chipshol had moeten verantwoorden. De aldus door het hof gevolgde benadering, met inbegrip van de betekenis die het aan de bestemmingsplanwijziging heeft toegekend, is mede ingegeven door Chipshol zelf, waar haar raadsman bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep heeft verklaard:

"(Bij 89) Mr Van Schie geeft aan dat in de eerste fase, de fase tot de wijziging van het bestemmingsplan, de LVNL de grootste vrijheid had om duidelijk te maken wat zij in verband met de luchtverkeersveiligheid van bebouwing dacht en vanuit haar rol alle reden had om zich daartegen te verzetten op basis van een worst case benadering. Toen haar echter een concreet plan werd voorgelegd had zij dat behoren te toetsen."(21)

Reeds in dat licht treft de klacht dat het hof zou zijn getreden buiten de rechtsstrijd van partijen, geen doel. Evenmin is er enige grond voor het verwijt dat het hof ambtshalve feiten zou hebben bijgebracht.

3.4 Subonderdeel 1.2 betoogt dat het bestreden oordeel voorts van een onjuiste rechtsopvatting getuigt omtrent de in de gegeven omstandigheden van het geval op LVNL als deskundig, aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gebonden overheidslichaam jegens Chipshol rustende (bijzondere) zorgplicht, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is tegenover Chipshols in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien dat LVNL - gegeven het door LVNL in acht te nemen zorgvuldigheidsbeginsel en de van haar vergbare deugdelijke voorlichting, haar zeer overwegende deskundigheids- en informatiepositie en het aan LVNL bekende gewicht van haar mededelingen, alsmede Chipshols voor LVNL kenbare afhankelijkheid daarvan en belang daarbij - in de gegeven omstandigheden van het geval niet (steeds) een (zo nauw mogelijk) bij de aan haar gepresenteerde bouwplannen aansluitende toetsing aan de luchtverkeersveiligheid behoorde te verrichten, ongeacht of de bestemming van het Groenenbergterrein al was gewijzigd of niet. Naar Chipshol in eerste aanleg en in appel gemotiveerd en gedocumenteerd heeft gesteld, brengt de van LVNL in de gegeven omstandigheden te vergen (bijzondere) zorgvuldigheid mee, dat zij bij haar op eigen initiatief en op verzoek van andere overheden respectievelijk Chipshol verrichte toetsing, de aan haar voorgelegde bouwplannen (deugdelijk) behoorde te toetsen op hun effecten voor de luchtverkeersveiligheid en dat zij, ook zonder dat de voorgenomen bestemmingswijziging al definitief was gerealiseerd, daarbij diende uit te gaan van de in die bouwplannen ingevulde parameters en slechts onbekende elementen mocht invullen op een wijze die de meeste verstoring voor de werking van het ILS zou kunnen veroorzaken.

3.5 Anders dan kennelijk aan het subonderdeel ten grondslag is gelegd, volgt in de benadering van het hof de wijze waarop LVNL diende te toetsen niet uit het antwoord op de vraag of de bestemming van het Groenenbergterrein reeds was gewijzigd, maar uit het antwoord op de vraag of LNVL, gelet op de mate van concretisering van de haar gepresenteerde plannen, wel of niet met méér gebruiksmogelijkheden rekening diende te houden, welke vraag het hof voor de fase die aan de bestemmingswijziging voorafging, in beginsel in bevestigende zin heeft beantwoord. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag, óók voor zover het veronderstelt (dat uit het bestreden arrest voortvloeit) dat LVNL niet (steeds) een (zo nauw mogelijk) bij de aan haar gepresenteerde bouwplannen aansluitende toetsing aan de luchtverkeersveiligheid behoorde te verrichten. Ook in de benadering van het hof diende de toetsing door LVNL zo nauw mogelijk op de haar gepresenteerde plannen aan te sluiten, waarbij de mate van concreetheid van de gepresenteerde plannen steeds beslissend is: in het geval van concrete bouwplannen (welk geval zich na de bestemmingswijziging voordeed) kan de toetsing nauwer en concreter op die bouwplannen aansluiten dan in het geval van een concreet plan als onderdeel van een groter en overigens nog niet geconcretiseerd plan (de situatie met betrekking tot de bouwaanvraag ten behoeve van Circle Freight) of in het geval van een in het geheel nog niet geconcretiseerd globaal indelingsplan. Het subonderdeel mist daarom feitelijke grondslag.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina