Hollandia t versie juni 2013



Dovnload 290.24 Kb.
Pagina2/3
Datum22.07.2016
Grootte290.24 Kb.
1   2   3

De Cock van Dijk techniek methode

Dit is een methode waarbij voetbaltechnieken via individuele oefeningen en zonder weerstand worden aangeleerd. De oefeningen zijn gericht op essentiële technische vaardigheden, zoals balgevoel, snel voetenwerk, tweebenigheid en schijn- en passeerbewegingen. Een speler die dit op jonge leeftijd aanleert, heeft er zijn hele (voetbal)leven plezier van. Bij de verschillende oefeningen komen ook traptechniek en het aan- en meenemen van de bal aan bod.


Middels een boekje en DVD worden de oefeningen overzichtelijk ingedeeld in hoofdstukken. Deze methode is een belangrijk onderdeel voor elke leeftijdsgroep bij Hollandia T. De boekjes en DVD’s worden verspreid via de coördinatoren.
4 tegen 4 trainingsvorm

Dit is een heel belangrijk trainingsonderdeel geworden. '4 tegen 4' is een trainingsvorm die bedoeld is om spelers meer te laten voetballen. De K.N.V.B. staat achter deze trainingsvorm en heeft diverse informatieboeken daaromtrent uitgegeven.



Frans Hoek

Ook in het jeugdvoetbal is het belangrijk dat keepers specifieke training krijgen. Keeperstraining houdt namelijk meer in dan het tegenhouden van de bal. Frans Hoek, wellicht de meest bekende keeperstrainer ter wereld (o.a. bij Ajax, Barcelona en het Nederlands Elftal), geeft in zijn boek een brede uiteenzetting van trainingsvormen voor keepers.


De jeugdcommissie van Hollandia T is van mening dat deze methoden de nodige meerwaarde kunnen bieden en beveelt ze dan ook van harte aan.


      1. Trainingsopzet


Voorbereiding

Het is van groot belang dat een training gedegen wordt voorbereid. Een veelvuldig improviserende trainer kan zorgen voor 'stilstaande' momenten, waarbij de concentratie van de jeugd kan afnemen. Er dient rekening gehouden te worden met diverse zaken, zoals het aantal aanwezige spelers in verband met bepaalde oefenvormen (afmelden bij afwezigheid!), de trainingsruimte en de aanwezigheid van voldoende materiaal (doeltjes, opgepompte ballen, hesjes en pionnen / dopjes). Het is aan te bevelen om de training op papier te zetten en vóór de training de benodigde 'veldjes' voor de diverse oefenvormen uit te zetten.


Om goed voorbereid aan de trainingen te beginnen is een trainingsdocument “Oefenstof Hollandia T” opgesteld. In dit document zijn – per leeftijdscategorie – jaarplanningen en voorbeeldoefeningen per thema opgenomen als ondersteuning voor de trainers. De jaarplanning is een leidraad voor de opbouw van de trainingen gedurende het seizoen. De coördinator zorgt ervoor dat iedere (nieuwe) trainer in het bezit is van dit document.
Nuttig kunnen ook 'thematrainingen' zijn (bijvoorbeeld tweewekelijks). Hierin kunnen bepaalde tekortkomingen die uit wedstrijden naar voren komen, individueel en in groepsverband, verbeterd worden. Trainen op specifieke onderdelen van het voetbal (koppen, trappen, passeren, etc.) kan spelers verder ontwikkelen. Voordoen is daarbij erg belangrijk. Met 'circuittrainingen' wordt in groepjes per onderdeel getraind. Selectiespelers en trainers van de senioren zouden daarbij per 'circuit' specifieke aanwijzingen kunnen geven. Dit motiveert jeugdspelers vaak extra om op die specifieke onderdelen te blijven trainen.
Inhoud

Het belangrijkste aspect bij een training vormt wellicht de beleving ervan. Een training moet namelijk niet alleen leerzaam zijn, maar ook leuk. Voetballers moeten steeds met plezier naar het voetbalveld komen. Het speelse karakter bij de jongste jeugd moet geleidelijk overgaan in prestatiegericht werken bij de A-junioren.


De basis van iedere training dient gevormd te worden door de belangrijkste uitgangspunten binnen de 'Zeister Visie' (zie paragraaf 2.1). De hier genoemde vier elementen dienen telkens terug te komen.
Voetbaleigen bedoelingen

  • zoveel mogelijk gebruik maken van de bal, ook tijdens de warming-up

  • verdedigen, aanvallen en omschakelen

  • spelen om te winnen: doelpunten maken en voorkomen

  • werken in afgebakende ruimten (veld is namelijk ook afgebakend)

  • wedstrijdgerichte oefeningen

Veel herhalingen

  • terug laten komen van bepaalde oefenvormen

  • veel beurten tijdens een oefenvorm

  • oefenen, oefenen, oefenen! (oefening baart kunst)

Trainingen afstemmen op de groep

  • rekening houden met leeftijd, capaciteiten, fysieke mogelijkheden, etc.

  • rekening houden met kwaliteitsverschillen binnen de groep

  • oefenvormen zo nodig aanpassen

Juiste coaching

  • motiveren

  • aansturen op het vinden van eigen oplossingen

  • spelers beïnvloeden (iets leren)

  • spel beïnvloeden (op bepaalde manier laten spelen, weerstand verhogen)

  • 'praatje – plaatje – daadje'

  • coachen door: aanwijzingen geven, ingrijpen (spel stilleggen), voordoen, vragen stellen, etc.

  • gebruiken van eenduidige coachtermen (zie bijlage 4)

Naast deze uitgangspunten is er nog een belangrijk aspect wat in de training verwerkt dient te worden. Bij iedere voetbaltraining hoort namelijk als vanzelfsprekend weerstand. Te denken valt aan weerstand door:



  • de bal  beheersing van de bal

  • de tegenspeler  aangaan van duels

  • de medespeler  samenspel

  • de spelregels  omgaan met de spelregels

  • ruimte  hoe minder ruimte, hoe moeilijker het spel

  • tijd  handelingssnelheid

Omdat er tijdens wedstrijden sprake is van deze 'voetbalweerstanden', dienen deze ook tijdens trainingen terug te komen. Spelers moeten deze weerstanden namelijk leren kennen en er mee leren omgaan, zodat ook in wedstrijden (onder druk van de tegenstander) een goed resultaat neergezet kan worden.


Evaluatie

Evaluatie van een training is zeer belangrijk. Een trainer moet zich telkens afvragen:



  • Is er sprake geweest van voetballen?

  • Is er voldoende geleerd?

  • Is er plezier beleefd aan de training?

Een zekere zelfreflectie van de trainer is hierbij een belangrijk onderdeel:



  • Zijn bepaalde oefeningen nuttig geweest?

  • Hoe of wat kan het volgende keer beter?

Alleen op deze wijze zal het technisch jeugdplan bijdragen aan het plezier en de ontwikkeling van de jeugd.




      1. Trainingsvormen

Er zijn diverse oefenvormen mogelijk in een training. Deze zijn terug te brengen tot een drietal hoofdvormen, te weten:


1. Basistechnieken

Bij de jongste spelers dienen eerst de basistechnieken geoefend te worden, maar er moet zo snel mogelijk weerstand worden ingebouwd.


2. Positiespelen

Zo vroeg mogelijk beginnen met het gevoel voor samenspel. Eerst met een groot overtal, bijvoorbeeld 7:1; later verkleind tot 5:1, 3:1 en 5:2.


3. Partijspelen

Wedstrijden spelen in partijen ('om te winnen!'), waarin bepaalde opdrachten verwerkt kunnen worden (beperken balcontacten, vaste posities, verplicht duel aangaan, etc.).


Binnen deze drie hoofdvormen komen aspecten naar voren die verdeeld kunnen worden onder de kopjes 'techniek', 'tactiek' en 'conditie':


Techniek

Tactiek

Conditie

Passen

Aanbieden

Sprintsnelheid

Dribbelen

Wegblijven

Sprintkracht

Drijven

Samenspelen

Sprongkracht

Stoppen

Direct spelen

Uithoudingsvermogen

Aan-/meenemen

Scoren

Coördinatie

passeren

Dekken

Looptechniek

Koppen

Rugdekking

Wendbaarheid

Sliding

Storen

….

Tweebenigheid

Rust brengen

….

….

….

….

….

….

….

Met deze aspecten zijn vele oefenvormen te maken. Het is daarbij van het grootste belang rekening te houden met de leeftijdscategorie waarvoor de oefening bedoeld is. Niet alle oefeningen zijn namelijk voor iedereen geschikt. In bijlage 1 zijn per leeftijdscategorie leeftijd specifieke kenmerken aangegeven en welke oefeningen in welke vorm gewenst zijn. In bijlage 2 wordt aandacht besteed aan keeperstraining. In bijlage 3 zijn aandachtspunten bij de hoofdvormen van trainingen aangegeven.


In ons trainingsdocument “Oefenstof Hollandia T” staan vele trainingsvormen per leeftijdscategorie uitgewerkt. Indien er vragen zijn over de oefenstof kunnen de trainers zich wenden tot de hoofdtrainers per categorie.



    1. Wedstrijden

Wanneer een coach de wedstrijd van zijn team bekijkt, ziet hij wat er fout gaat: de wedstrijd wordt 'gelezen'. De zwakke punten van de wedstrijd zullen de doelstellingen voor volgende trainingen kunnen zijn. Het streven is dan ook dat een trainer van een team tevens de coaching van dat team tijdens wedstrijden verzorgt. Het gebruik van eenduidige coachtermen is daarbij belangrijk (zie bijlage 4).




      1. Zevental




        1. Algemeen

In de F- en E-pupillen wordt gespeeld op een half veld. Dit past beter bij de jeugd van deze leeftijd (5-10 jaar). Er wordt 7 tegen 7 gespeeld, waardoor de spelertjes vaak aan de bal komen en er veel scoringsmogelijkheden zijn, wat de beleving bevordert. Een wedstrijd bij de F–pupillen duurt twee keer 20 minuten en bij de E-pupillen twee keer 25 minuten.


Op deze plaats wordt de formatie van een zevental, zoals Hollandia T die voorstaat, uiteengezet.

De formatie waarin Hollandia T wil spelen is 1-3-3: een keeper, 3 verdedigers en 3 aanvallers. In de situatie van verdedigen vormen beide linies (verdedigers en aanvallers) een V of een kommetje. In het geval van aanvallen vormen beide linies een omgekeerde V.


Het opdragen van taken aan jeugdige voetballers moet heel voorzichtig gebeuren, laat ze vooral hun eigen mogelijkheden en onmogelijkheden ontdekken. Het plezier in het spel staat daarbij voorop. Pas wanneer opgemerkt wordt dat de spelertjes toe zijn aan meer in teamverband spelen (met de daarbij behorende afspraken), kan daar langzaam mee begonnen worden. Ingewikkelde tactische vondsten zijn niet gewenst, de ontwikkeling van de spelers en het plezier in het spel moeten voorop staan. In de volgende paragraaf worden de basistaken die bij de verschillende posities horen puntsgewijs aangegeven. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt tussen verdedigende en aanvallende taken.



        1. Taken zevental


Doelverdediger (1)

verdedigend: • doelpunten voorkomen

• positie kiezen ten opzichte van de bal, doel, tegenstanders en medespelers

• coachen

aanvallend: • positie kiezen ten opzichte van de verdedigers

• voortzetting door middel van rollen, werpen, passen of trappen

• opbouwen bij voorkeur via de zijkanten (2 en 4) of centrale verdediger (3)

• fungeren als centrale opbouwer (vliegende keep)


Centrale verdediger (3)

verdedigend: • voorkomen van doelpunten (niet uit laten spelen)

• dekken van de centrale aanvaller van de tegenpartij

• binnenkant afdekken, doel afschermen

• rugdekking verzorgen aan medespelers

• veld klein houden / 'naar voren' verdedigen

• bal afpakken

aanvallend: • positie kiezen tussen verdediging en aanval

• aanspelen van verdedigers en aanvallers die meedoen in de aanval

• meedoen met de aanval

• wanneer er ruimte is: zelf met de bal naar voren dribbelen, drijven

• doen doelpogingen als de gelegenheid zich voordoet


Vleugelverdedigers (2 en 4)

verdedigend: • voorkomen van doelpunten (niet uit laten spelen)

• dekken van de aanvallers van de tegenpartij

• binnenkant afdekken, doel afschermen

• rugdekking verzorgen aan medespelers

• veld klein houden / 'naar voren' verdedigen

• bal afpakken

aanvallend: • positie kiezen (uit elkaar, veld groot maken)

• aanspeelbaar zijn bij opbouw vanuit de doelverdediger

• aanspelen van de aanvallers

• meedoen met de aanval

• wanneer er ruimte is: zelf met de bal naar voren dribbelen, drijven

• doen doelpogingen als de gelegenheid zich voordoet
Centrale aanvaller (6)

verdedigend: • dekken van de centrale verdediger van de tegenpartij (niet uit laten spelen)

• storen bij de opbouw van de tegenstander / voorkomen van de dieptepass

• bal afpakken

• rugdekking verzorgen aan medespelers

• veld klein maken

aanvallend: • kies zo diep mogelijk positie (veld zo lang maken dat je nog bereikbaar bent)

• afspeelmogelijkheden creëren voor de aanvallers (terugpass)

doelgericht zijn

• doelpogingen door combinatie met medespelers of individueel


Vleugelaanvallers (5 en 7)

verdedigend: • storen bij de opbouw van de tegenstander (niet uit laten spelen)

• bal afpakken

• rugdekking verzorgen aan medespelers

• veld klein maken / 'naar binnen' verdedigen

aanvallend: • positie kiezen ten opzichte van de verdedigers (veld lang maken)

• met de bal zo snel mogelijk naar het doel, alleen of door combinatie met medespelers

• positie kiezen voor het doel (aanspeelbaar zijn om te kunnen scoren)

• doen doelpogingen


      1. Elftal




        1. Algemeen

De oudere jeugd (>10 jaar) speelt in een elftal op een veld met 'normale' afmetingen. Er is een onderverdeling in D-pupillen (10-12 jaar), C-junioren (12-14 jaar), B-junioren (14-16 jaar) en A-junioren (16-18 jaar). De wedstrijdduur is respectievelijk twee keer 30 minuten, twee keer 35 minuten, twee keer 40 minuten en twee keer 45 minuten. Stap voor stap komt de overgang naar de senioren in zicht.


In deze vier leeftijdscategorieën zijn grote verschillen aan te merken. Met name de overgang van een 'klein' naar 'groot' veld is voor de meeste spelers een flinke stap. Het eerste seizoen in de D-pupillen is daarom voor velen een moeilijk jaar. Juist daarom is de begeleiding van eerstejaars D-pupillen zo essentieel. Ze moeten heel goed onderwezen worden in het 'grote veld voetbal': Wat wordt er van mij verwacht en wat doen andere spelers. Goede en duidelijke afspraken zijn erg belangrijk. Deze afspraken (in trainingen en wedstrijdbespre­kingen) moeten per categorie uitgebouwd worden, met als doel dat volwaardige voetballers doorstromen naar de senioren.
De wijze waarop een elftal speelt is over het algemeen terug te zien in de formatie van de spelers op het veld. De meest logische veldbezetting is een keeper, vier verdedigers, drie middenvelders en drie aanvallers (1-4-3-3). Hierbij is er sprake van een optimale veldbezetting om de taken binnen een team te leren. Dit is ook de wijze waarop Hollandia T wil spelen. Natuurlijk is het mogelijk om afhankelijk van het niveau en de tegenstander hier van af te wijken, echter de basisformatie moet voor iedereen duidelijk zijn.
De basisformatie staat hieronder weergegeven:

Om de gekozen speelwijze uit te kunnen voeren, is het noodzakelijk om er in besprekin­gen, trainingen en voor- en nabesprekingen van wedstrijden de nodige aandacht aan te besteden. Steeds weer dient aan de orde te komen:

  • formatie, veldbezetting, veldverdeling;

  • speelwijze (hoe wordt er verdedigd, opgebouwd en aangevallen?);

  • taken en verantwoordelijkheden van de verschillende posities.

Voetbal is een teamsport en het rendement van de teamprestatie zal het hoogst zijn wanneer elke speler zijn taken naar behoren invult. Deze taken moeten een speler wel aangeleerd worden. In het jeugdvoetbal gaat de ontwikkeling van spelers dan ook boven alles. De trainers en leiders hebben dus een ander doel (leren voetballen) dan de spelers (kampioen worden). In de volgende paragraaf worden de taken die bij de verschillende posities horen puntsgewijs aangegeven. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt tussen verdedigen, aanvallen en omschakelen.







        1. Taken Elftal


Doelverdediger (1)

verdedigen: • positie kiezen ten opzichte van de bal en in duels 1 tegen 1

• organiseren en coachen van de verdediging

• verwerkt de bal door te vallen, vangen, tippen en stompen

Omschakelen: • balbezit: juiste voortzetting (rollen, werpen of trappen)

• balverlies: snel in positie komen

aanvallen: • betrokken zijn met de aanval (niet op de doellijn blijven staan)

• coachen van de medespelers


Centrale verdediger (3)

verdedigen: • organiseren en coachen van de verdediging

• rugdekking geven aan de overige spelers

• afstoppen van opkomende middenvelders

• het klein houden van het speelveld (spelen op buitenspel)

Omschakelen: • balbezit: vrijlopen om voor vleugelverdedigers en doelverdediger aanspeelbaar te zijn

• balbezit: voor de verdediging spelen om meerderheid te creëren op het middelveld

• balverlies: snel in positie komen om (weer) rugdekking te geven

aanvallen: • inspelen van de opkomende verdedigers, middenvelders en aanvallers

• inschuiven bij balbezit op het middenveld


Voorstopper (4)

verdedigen: • dekken van de centrumspits van de tegenpartij

• ophouden van aanval bij numerieke minderheid: geen aanval op de bal

omschakelen: • balbezit: vrijlopen om aanspeelbaar te zijn voor directe omgeving

• balbezit: indien mogelijk inschakelen bij combinatie van middenveld

• balverlies: snel weer in positie komen en directe tegenstander afstoppen

aanvallen: • meedoen met het spel (aanbieden, mee opkomen, verplaatsen van het spel)

Vleugelverdedigers (2 en 5)

verdedigen: • dekken van de vleugelaanvaller van de tegenpartij (niet uit laten spelen)

• rugdekking geven aan het centrum bij aanval over andere vleugel

• indien gepasseerd dan herstellen naar het centrum

omschakelen: • balbezit: vrijlopen om aanspeelbaar te zijn voor directe omgeving

• balbezit: spelen in een combinatie met overige spelers

• balverlies: snel weer in positie komen en directe tegenstander afstoppen

aanvallen: • meedoen met het spel (aanbieden, mee opkomen, verplaatsen van het spel)


Centrale middenvelder (10)

verdedigen: • opvangen van de inschuivende verdediger

• positie kiezen tussen tegenstander en eigen doel

• rugdekking geven aan overige middenvelders

• ruimtedekking toepassen bij numerieke minderheid (niet op bal verdedigen)

• voorkomen van een dieptebal (kort dekken) en niet uit laten spelen

omschakelen: • balbezit: direct aanspeelbaar zijn

• balbezit: spelbepalende speler zijn (spel verdelen, organiseren, coachen)

• balbezit: na verovering van de bal direct proberen de diepte te zoeken

• balbezit: ruimte creëren om combinaties mogelijk te maken

• balverlies: snel weer in positie komen

• balverlies: dieptebal voorkomen (druk op de bal)

aanvallen: • inschakelen in de aanval (het benutten van ruimte door aanvallers gecreëerd)

• in scoringspositie komen en doelpunten maken


Rechter en linker middenvelder (6 en 8)

verdedigen: • dekken van de directe tegenstander(niet uit laten spelen)

• positie kiezen tussen tegenstander en eigen doel

• rugdekking geven aan overige middenvelders bij aanval over andere vleugel

• ruimtedekking toepassen bij numerieke minderheid (niet op bal verdedigen)

• voorkomen van een dieptebal (kort dekken) en niet uit laten spelen

omschakelen: • balbezit: direct aanspeelbaar zijn

• balbezit: na verovering van de bal direct proberen de diepte te zoeken

• balbezit: ruimte creëren om combinaties mogelijk te maken

• balverlies: snel weer in positie komen

• balverlies: dieptebal voorkomen (druk op de bal)

aanvallen: • inschakelen in de aanval (het benutten van ruimte door aanvallers gecreëerd)

• niet tegelijk met alle middenvelders in de aanval (balans, denk ook verdedigend)
Centrale spits (9)

verdedigen: • afdekken van opkomende centrale verdediger (niet uit laten spelen)

• storen in de opbouw van de tegenpartij in samenwerking met vleugelaanvallers

• voorkomen van passes van centrale verdedigers in de lengterichting van het veld

omschakelen: • balbezit: aanspeelbaar zijn of ruimte creëren voor medespelers

• balbezit: in scoringspositie komen en doelpunten maken

• balverlies: dieptebal voorkomen (druk op de bal)

aanvallen: • komen tot scoringskansen door combinatiespel of individuele actie

• creëren van ruimte voor opkomende medespelers door 'terugvallen' op middenveld

• het benutten van ruimte door anderen gecreëerd ('gaten induiken')

• doelpunten maken
Vleugelaanvallers (7 en 11)

verdedigen: • afdekken van de vleugelverdediger (niet uit laten spelen)

• storen in opbouw van de tegenpartij in samenwerking met de andere aanvallers

• tegenstander naar de buitenkant dwingen (kortste weg naar doel afschermen)

omschakelen: • balbezit: aanspeelbaar zijn of ruimte creëren voor medespelers

• balbezit: in scoringspositie komen en doelpunten maken

• balverlies: dieptebal voorkomen (druk op de bal)

aanvallen: • komen tot scoringskansen door combinatiespel of individuele actie

voorzetten geven

• kortste weg naar het doel en oog houden voor opkomende medespelers



• bijsluiten bij voorzetten andere kant



Bijlagen


  1. Aandachtspunten per leeftijdscategorie




    1. Kabouters (5-6 jaar)


Specifieke kenmerken

  • behoefte aan duidelijke leiding;

  • gering concentratievermogen (dus korte trainingsonderdelen);

  • bal- en maatgevoel zijn nog slecht ontwikkeld;

  • druk (speels) en willen van alles ondernemen;

  • individueel gericht, weinig sociaal-voelend;

  • training en wedstrijd zien als avontuur (nog niet echt de wil om te winnen);

  • grote individuele verschillen (vooral motorisch).


Trainingsdoelstellingen (‘leren beheersen van de bal’)

Technische vaardigheden:

  • dribbelen en drijven met de bal

  • afronden op doel (veel laten scoren)

Tactische vaardigheden:

  • samenspelen

Fysieke gesteldheid:

  • beweegt motorisch goed (lopen, rennen, sprinten, huppelen, kniehef, hakken naar billen, hinkelen, springen etc.)

Mentale vaardigheden:

  • sportiviteit tijdens het spelen

  • respect aanleren (op hun niveau)


Accenten training

  • ruime bewegingservaringen laten opdoen, vooral met bal

  • voetballen aanleren op een manier die in de belevingswereld ligt van de kinderen

  • plezier hebben in het spel

  • ruimte laten voor eigen ontdekkingen

  • doeltjes niet te klein, meerdere scoringsmogelijkheden (scoren betekent vreugde en enthousiasme)

  • speelse oefenvormen aanbieden

  • warming up via spelletjes (bijvoorbeeld tikkertje)


Te behandelen thema's

Het gehele jaar door en (afwisselend en herhalend):

  • dribbelen en drijven met de bal

  • passen, mikken, stoppen van de bal (onderkant/binnenkant voet, terugkappen van de bal, de bal op zij meenemen (links en rechts)

  • gericht schieten / afronden op doel (stil liggende bal, bal van voren, opzij en van achteren)

  • kleine partijspelen (4:4 in verschillende variaties) (1:1) (2:2) (2:3) (3:4) met en zonder keeper

  • overgang van half F-veld naar heel F-veld

  • keeper: leren uitgooien, uitschieten van de grond of uit handen (naar de zijkanten)

  • keeper: naar de bal toe komen en uit doel komen.


Coaching

  • simpele aanwijzingen: 'Doe mee', 'probeer bal af te pakken', 'naar voren lopen, dribbelen, schieten’, 'ga naar doel'

  • ruimte laten voor eigen ontdekkingen

  • simpel woordgebruik

  • helpend gedrag voor, tijdens en na de wedstrijd en training (samen opruimen van de spullen)

  • complimenten geven voor overspelen (overspelen is echter geen doel voor kabouters)

  • individuele aandacht

  • stimuleer de kinderen om naar de bal te vragen


Speelveld

De kabouters spelen 5(+k) tegen 5(+k) op een half F-veld of kleiner (30x50 of 20x40)





    1. F-pupillen (6-8 jaar)


Specifieke kenmerken

  • behoefte aan duidelijke leiding;

  • gering concentratievermogen (dus korte trainingsonderdelen);

  • bal- en maatgevoel zijn nog slecht ontwikkeld;

  • druk (speels) en willen van alles ondernemen;

  • enthousiast en leergierig;

  • individueel gericht, weinig sociaal-voelend;

  • training en wedstrijd zien als avontuur (nog niet echt de wil om te winnen);

  • grote individuele verschillen (vooral motorisch);

  • relatief weinig kracht, geringe duurprestaties;

  • snel herstel na inspanning.


Trainingsdoelstellingen (‘Doelgericht handelen met de bal’)

Technische vaardigheden:

  • zuiver passen met de binnenkant van de voet over een korte afstand 4-5 mtr (mikken)

  • stoppen van de bal met de voetzool en de binnenkant van de voet

  • dribbelen en drijven met de bal

  • passeren met de binnenkant en buitenkant van de voet

  • ingooien

  • enigszins getraind in tweebenigheid

  • afronden op doel (veel laten scoren)

Tactische vaardigheden:

  • herkennen van het verschil tussen aanvallen en verdedigen

Fysieke gesteldheid:

  • beweegt motorisch goed (lopen, rennen, sprinten, huppelen, kniehef, hakken naar billen, hinkelen, springen etc.)

  • kan linksom en rechtsom draaien (met bal en zonder bal)

Mentale vaardigheden:

  • doorzetten als het even tegen zit

  • sportiviteit tijdens het spelen


Accenten training

  • ruime bewegingservaringen laten opdoen, vooral met bal

  • veel spelvormen; positieve spelbenadering (aanval, scoren)

  • ruimte laten voor eigen ontdekkingen

  • doeltjes niet te klein, meerdere scoringsmogelijkheden (scoren betekent vreugde en enthousiasme)

  • speelse oefenvormen aanbieden

  • warming up via spelletjes (bijvoorbeeld tikkertje)


Te behandelen thema's

Het gehele jaar door en (afwisselend en herhalend):

  • dribbelen en drijven met de bal

  • passen en trappen (links en rechts)

  • gericht schieten / afronden op doel

  • verwerken van de bal

  • ingooien

  • leren samenspelen

  • duel 1:1 (aanvallend)

  • kleine partijspelen (4:4 in verschillende variaties)

  • keeper: leren uitgooien, uitschieten van de grond of uit handen (naar de zijkanten)

  • keeper: naar de bal toe komen en uit doel komen.


Coaching

  • blijven motiveren, veel complimenten geven

  • ruimte laten voor eigen ontdekkingen

  • simpel woordgebruik, duidelijke aanwijzingen

  • helpend gedrag voor, tijdens en na de wedstrijd en training

  • individuele aandacht

  • geen tactische aanwijzingen

  • alleen coachen op aanvallen en scoren

  • niet te veel vaste posities

  • stimuleer de kinderen om naar de bal te vragen



    1. E-pupillen (8-10 jaar)



Specifieke kenmerken

  • geldingsdrang (wil laten zien wat hij kan);

  • concentratie wordt beter maar is nog snel afgeleid;

  • gevoelig voor aandacht en complimentjes;

  • coördinatie van lichaam wordt beter;

  • leergierig;

  • hoge bewegingsdrang en over het algemeen erg lenig;

  • zijn duidelijk aan het groeien, krachtiger en zelfstandiger;

  • worden meer sociaal voelend en beseffen dat voetbal een teamsport is;

  • ideale leeftijd om voetbaltechnische vaardigheden aan te leren;

  • toename uithoudings- en doorzettingsvermogen.


Trainingsdoelstellingen (‘Doelgericht samenspelen’)

Technische vaardigheden:

  • passen met de binnenkant/buitenkant van de voet over 10-15 meter

  • schieten op doel met de wreef en de binnenkant van de voet van een afstand van 10-15 meter

  • koppen (niet te veel)

  • wegdraaien met de binnenkant van de voet

  • dribbelen met richtingsveranderingen en snelheid maken met de bal, afschermen van de bal (snel voetenwerk aan de bal)

  • kapbewegingen met binnen en buitenkant van de voet

  • bal stoppen met binnen- en onderkant van de voet

  • tweebenigheid

  • veel baltechnische training

Tactische vaardigheden:

  • positiespel tijdens het samenspelen met kleine aantallen (2:2 /3:3/ 4:4/ 3:1/ 4:2)

  • ruimte zoeken en waarnemen

  • balsnelheid aanpassen aan situatie

  • naar de bal toegaan (in de bal komen), aanbieden of juist ruimte zoeken (diep gaan)

Fysieke gesteldheid:

  • vergroten van de coördinatie tijdens het bewegen met de bal

  • durven het lichaam te gebruiken tijdens het duel om de bal

Mentale vaardigheden:

  • graag willen winnen / omgaan met winst en verlies

  • gedisciplineerd gedrag tegen scheidsrechter, trainer, coach, begeleider, medespelers en tegenstander


Accenten training

  • veel op techniek trainen

  • veel spel- en wedstrijdvormen

  • kleine partijspelen en eenvoudige positiespelen

  • veel balcontact

  • korte gezamenlijke warming-up in teamverband of warming up via spelletjes


Te behandelen thema's

Het gehele jaar door (afwisselend en herhalend):

  • individuele baltechniek (beheersen en bewerken van de bal)

  • gericht schieten / afwerken op doel

  • passen en trappen (links en rechts)

  • dribbelen en drijven met de bal

  • duel 1:1 (aanvallend)

  • eenvoudige positiespelen (3:1, 4:1)

  • uitspelen van de 2:1-situatie

  • koppen (lichte ballen over korte afstand, niet met afwerken; techniek scholen, angst wegnemen)

  • kleine partijspelen (4 tegen 4 in verschillende variaties)


Coaching

  • veel vragen stellen (interactie)

  • ruimte laten voor eigen ontdekkingen

  • niet teveel tactische aanwijzingen

  • simpel woordgebruik, duidelijke aanwijzingen

  • helpend gedrag voor, tijdens en na de wedstrijd

  • spelvreugde moet voorop staan

  • veel complimenten geven


Opmerking: bij 2e jaars E-pupillen aandacht schenken aan de overgang naar D ('groot veld')

    1. D-pupillen (10-12 jaar)



Specifieke kenmerken

  • enthousiast en goed aanspreekbaar;

  • aanleg om techniek te leren is groot;

  • balgevoel neemt enorm toe;

  • over het algemeen sterk gemotiveerd (leergierig);

  • leren snel en kunnen voorbeelden snel na doen;

  • groepsvorming: bij de groep horen wordt erg belangrijk;

  • concentratie is nu redelijk groot;

  • goede coördinatie (lichaamskenmerken zijn goed in evenwicht);

  • kritiek op eigen prestaties en van anderen;

  • inzicht in het samen met andere voetballen om te kunnen presteren;

  • kracht en uithoudingsvermogen duidelijk toegenomen.


Trainingsdoelstellingen (‘Spelen vanuit een basistaak’)

Technische vaardigheden:

  • passen en schieten over 20 meter

  • pasen met de wreef

  • wegdraaien met de buitenkant van de voet (bal afschermen)

  • passeren met overstap en zijstapbeweging

  • jongleren met de voorkeursvoet

  • stevige pass stoppen (direct pass klaar)

  • tweebenigheid

  • meerdere acties met de bal achter elkaar maken *

  • jongleren met beide voeten en knie *

  • lichaamsschijnbeweging toepassen *

  • snel voetenwerk *

  • kan een sliding maken *

Tactische vaardigheden:

  • heeft overzicht over een gedeelte van het veld

  • combineren in positiespel met overtal tegen ondertal (5:3 / 4:2/ 6:4)

  • buitenspelregel beheersen

  • onderling coachen *

  • herkent posities in het veld

  • begrip hebben van een goede veldbezetting (‘veld’ groot/klein maken)

  • kan samen verdedigen en samen aanvallen *

  • heeft overzicht aan de bal (over de bal heen kijken) *

  • kan omschakelen van verdedigen naar aanvallen en andersom *

  • kan zich vrij lopen (naar de bal, diep, stap links of rechts, achter tegenstander vandaan) *

  • kan op mandekking spelen *

  • heeft handelingssnelheid en kan onder druk voetballen *

Fysieke gesteldheid:

  • gebruiken van het lichaam bij het afschermen van de bal

  • goede lichaamscoördinatie

  • acties en uitvoering op hogere snelheid uitvoeren *

Mentale vaardigheden:

  • Willen oefenen om vaardigheden onder de knie te krijgen

  • niet bang zijn om fouten te maken *

  • lef in de acties *

* = 2e jaars D-pupillen


Accenten training

  • basis- en baltechnieken staan voorop (zoveel mogelijk met bal)

  • veel spelsituaties trainen

  • schaven aan techniek (afwisselend programma)

  • techniek vormen onder weerstand (wedstrijdsituaties)

  • creativiteit van spelers niet inperken

  • korte gezamenlijke warming-up in teamverband

Te behandelen thema's

Het gehele jaar door (afwisselend en herhalend):

  • individuele baltechniek • 'achterlangs komen' bij aanval

  • dribbelen • druk zetten (pressie)

  • drijven met de bal • opbouw van achteruit (ook door keeper)

  • passen en trappen (links en rechts) • positiespel 5:2 en 3:1

  • aan- en meenemen van de bal • positiespel 2:1 ('1-2 combinatie')

  • koppen • duel 1:1 (aanvallend en verdedigend)

  • afwerken op doel • uitspelen van overtalsituatie


Coaching

  • ruimte laten voor eigen ontdekkingen

  • extra aandacht voor vrijlopen bij balbezit en dekken bij balverlies

  • gebruik maken van eenvoudige coachtermen (zie ook bijlage 4 'standaard coachtermen Hollandia T')

  • positieve waardering is erg belangrijk

  • stimuleren van de teamgeest (voetbal is teamsport)

  • helpend gedrag voor, tijdens en na de wedstrijd




    1. C-junioren (12-14 jaar)


Specifieke kenmerken

  • kritisch voor gezag;

  • (pré)puberteit (idealistisch / eigenwijs);

  • bij sommigen enorme lengtegroei dus beperkte belastbaarheid;

  • onstabiele motoriek;

  • motivatiegebrek;

  • andere interesses gaan meespelen;

  • gezins- en studieomstandigheden kunnen rol spelen;

  • blessuregevoelig;

  • behoefte aan vaste afspraken, rechten en plichten.


Trainingsdoelstellingen (‘Afstemming basistaken binnen team’)

Technische vaardigheden:

  • balsnelheid verhogen

  • draaiend aan en meenemen van de bal

  • pass afstand vergroten

  • sneller gaan handelen onder druk van de tegenstander

  • tweebenigheid

  • aan- en meenemen met een bedoeling *

  • richting geven aan passing *

  • aanvallend koppen vanuit de voorzet *

  • verschillende manieren passen uitvoeren *

Tactische vaardigheden:

  • onderling coachen

  • steekpass mogelijkheid zien

  • overslaan van spelers en ruimte

  • herkent moment om druk te zetten

  • leren anticiperen op acties van medespelers *

  • rug en ruimte dekking herkennen *

Fysieke gesteldheid:

  • sterker worden in de persoonlijke duels om de bal

  • loopvermogen vergroten (vrijlopen/loopacties)

  • schotkracht *

  • startsnelheid verhogen *

Mentale vaardigheden:

  • bewuster samen met anderen spelen en samenwerken

  • scherpte en concentratie vast kunnen houden *

* = 2e jaars C-junioren


Accenten training

  • technische voetbalvaardigheden vanuit wedstrijdsituatie (handelingssnelheid vergroten)

  • veel positie- en partijspelen

  • geen krachttraining (lengtegroei)

  • oog hebben voor individuele tekortkomingen/ problemen

  • herhalen en aanscherpen van technische grondvormen

  • gezamenlijke warming-up in teamverband


Te behandelen thema's

Het gehele jaar door (afwisselend en herhalend):

  • positiespel (3:1, 4:1, 5:2, 5:3) • druk zetten (pressie)

  • duel 1:1 (aanvallend en verdedigend) • positioneel dekken

  • kaatsen • omschakeling bij balbezit

  • passen, trappen (links en rechts) • omschakeling bij balverlies

  • koppen (techniek) • benutten van kansen (afwerken)

  • individuele baltechniek • aanbieden van de spitsen (kaatsen, wegdraaien)

  • opbouw van achteruit (ook door keeper) • 'achterlangs komen' bij aanval


Coaching

  • aanwijzingen gericht op wedstrijdsituatie (zie ook bijlage 4 ‘Standaard coachtermen Hollandia T’)

  • aspecten van wedstrijdtactiek nadrukkelijk aan de orde laten komen (tempo, spelverplaatsing, etc.)

  • individuele minpunten signaleren en verbeteren; ook aandacht voor positieve waardering

  • motiveren waarom iets (anders) moet

  • eigen verantwoordelijkheden steeds meer benadrukken

  • benaderen en bespreken van de wedstrijd (voor- en nabespreking)

    1. B-junioren (14-16 jaar)



Specifieke kenmerken

  • meer realiteitszin (neemt sneller wat aan);

  • meer denken in teambelang;

  • toenemende zelfkennis (kritisch naar eigen prestatie);

  • gezag wordt weer beter geaccepteerd;

  • minder emotioneel;

  • streven naar verbetering van prestaties;

  • soms groepsvorming;

  • kracht-, interval- en duurtraining zijn weer mogelijk.


Trainingsdoelstellingen (‘Spelen als team’)

Technische vaardigheden:

  • wreeftrap verbeteren (grotere afstand en strakker)

  • tweebenigheid

  • vertragende en versnellende passing

  • balsnelheid kunnen aanpassen afhankelijk van de situatie in het veld (temporiseren)

Tactische vaardigheden:

  • onderling coachen

  • verschillende dekkingsvormen kennen: positiedekking, mandekking, rugdekking en gestaffeld

  • 3e man in het spel betrekken

  • verplaatsen van de bal (wisselpas)

  • herkent taken en posities

  • ruimte maken voor medespelers (paslijn open maken of tegenstander meetrekken)

  • vooractie maken om vrij te komen

  • kan van achteruit opbouwen om tot scoren te komen

  • weet zijn positie bij stilstaande spelsituatie (corner, vrije trap etc.)

Fysieke gesteldheid:

  • tempowisselingen in acties en na acties

  • doorbewegen na acties

  • balans houden in acties en duels met tegenstanders

Mentale vaardigheden:

  • teamtaken kunnen uitvoeren


Accenten training

  • wedstrijdsituaties nabootsen met hoog tempo en veel weerstanden

  • verbeteren van technische elementen

  • trainen op (handelings)snelheid en uithouding

  • wedstrijdtactiek en taken binnen team terug laten komen (ook specifiek per linie)

  • veel positiespelen

  • gezamenlijke warming-up in teamverband


Te behandelen thema's

Het gehele jaar door (afwisselend en herhalend):

  • positiespel in de opbouw (5:2 en 3:1) • druk zetten (pressie)

  • duel 1:1 (aanvallend en verdedigend) • het spel verleggen

  • kaatsen (aanbieden/ loskomen van tegenstander) • omschakeling bij balbezit

  • dribbelen, passen, trappen (links en rechts) • omschakeling bij balverlies

  • koppen (aanvallend, verdedigend) • aansluiting tussen de linies

  • opbouw van achteruit (ook door keeper) • aanbieden van de spitsen (kaatsen, wegdraaien)

  • diversiteit aan afwerkvormen • benutten van kansen (afwerken)

  • 'achterlangs komen' bij aanval • 'stilstaande situaties' (corners, vrije trappen)


Coaching

  • aanwijzingen gericht op wedstrijdsituatie (zie ook bijlage 4 ‘Standaard coachtermen Hollandia T’’)

  • aspecten van wedstrijdtactiek nadrukkelijk aan de orde laten komen (tempo, spelverplaatsing, etc.)

  • aanwijzingen individueel, positioneel, per linie en voor gehele team

  • individuele minpunten signaleren en verbeteren; ook aandacht voor positieve waardering

  • eigen verantwoordelijkheid spelers benadrukken

  • benaderen en bespreken van de wedstrijd (voor- en nabespreking)

    1. A-junioren (16-18 jaar)



Specifieke kenmerken

  • stabilisatie van karakter;

  • benadering lichamelijke volwassenheid;

  • duidelijke zelfkritiek;

  • toenemende individualisering (zich op de voorgrond willen plaatsen);

  • prestatie- en geldingsdrang neemt weer toe;

  • vaak sterke groepsvorming;

  • hoogtepunt in het leren van motorische vaardigheden;

  • grote belastbaarheid met nauwelijks gevaar voor overbelasting .


Trainingsdoelstellingen (‘Presteren als team in competitie’)

Technische vaardigheden:

  • functioneel gebruiken van alle technische vaardigheden om in de wedstrijd snel te kunnen handelen

  • ballen inspelen met een bedoeling en daar technisch uitvoering op aanpassen

Tactische vaardigheden:

  • in linies samenwerken met medespelers (positiespel)

  • momenten herkennen om voor diepte te kiezen of juist voor rust in balbezit kiezen

  • verder kijken dan de dichtstbijzijnde medespeler

  • lezen van de wedstrijd

Fysieke gesteldheid:

  • gebruik maken van fysieke voordelen ten opzichte van de tegenstander

Mentale vaardigheden:

  • teambelang voorop kunnen stellen


Te behandelen thema's

Het gehele jaar door (afwisselend en herhalend):

  • positiespel (5:2 en 3:1) • druk zetten (pressie)

  • duel 1:1 (aanvallend en verdedigend) • het spel verleggen

  • kaatsen (aanbieden/ loskomen van tegenstander) • snelle omschakeling bij balbezit

  • passen, trappen (links/rechts, hoog/ laag, breed/diep) • snelle omschakeling bij balverlies

  • koppen (aanvallend, verdedigend) • aansluiting tussen de linies

  • opbouw van achteruit (ook door keeper) • aanbieden spitsen (kaatsen, wegdraaien)

  • diversiteit aan afwerkvormen • benutten van kansen (afwerken)

  • 'achterlangs komen' bij aanval • 'stilstaande situaties' (corners, vrije trappen)


Coaching

  • aanwijzingen gericht op wedstrijdsituatie (zie ook bijlage 4 ‘Standaard coachtermen Hollandia T’)

  • aspecten van wedstrijdtactiek nadrukkelijk aan de orde laten komen (tempo, spelverplaatsing, etc.)

  • aanwijzingen individueel, positioneel, per linie en voor gehele team

  • individuele minpunten signaleren en verbeteren; ook aandacht voor positieve waardering

  • eigen verantwoordelijkheid spelers benadrukken

  • benaderen en bespreken van de wedstrijd (voor- en nabespreking)

  1. Keeperstraining



Voor een keeper is het belangrijk dat hij:

  • actief wordt betrokken bij de groepstraining van zijn team

  • individuele training krijgt om specifieke vaardigheden te oefenen

  • aandacht krijgt voor zijn zelfvertrouwen, durf en brutaliteit


Daarom dient de training van de doelverdediger gesplitst te worden in:

  • individuele training (specifieke keeperstraining)

  • training met de groep


Aandacht dient geschonken te worden aan:

  • sterke punten: onderhouden

  • zwakke punten: verbeteren

Een goede keeperstraining is hoofzakelijk gebaseerd op drie aspecten: techniek, tactiek en conditie. Daarnaast is het aanleren van veelvuldig en op een goede manier leiding geven tijdens de wedstrijd belangrijk. In de diverse oefenvormen van de training dienen deze aspecten terug te komen. Hieronder staan enkele aandachtspunten omschreven:


Werken aan techniek:

  • vangen

  • (uit)werpen

  • (uit)trappen van de grond of uit de handen

  • stompen

  • vallen, rollen, opstaan

  • oppakken van de bal

  • voetenwerk

  • springen (in relatie tot vangen, pakken en stompen)

  • werken met diverse soorten ballen


Werken aan tactiek:

  • opbouwend spel: meevoetballen (links en rechts), uittrappen, uitwerpen, coachen

  • verdedigend spel: opstelling ten opzichte van het doel en verdediging organiseren

  • inzicht hebben in het spel (o.a. uitkomen of staan blijven)

  • coaching

  • goede opstelling, timing


Werken aan conditie:

  • kracht

  • snelheid

  • vaardigheid

  • reactie

  • durf

  • doorzettingsvermogen

  1. Aandachtspunten bij hoofdvormen trainingen



Dribbelen en drijven

  • bal zowel links / rechts als binnen- / buitenkant voet raken

  • opkijken (niet alleen naar de bal)

  • al dan niet onder weerstand

  • met schijnbewegingen

  • bij dribbelen:  tegenspelers opzoeken en uitspelen

 bal kort aan de voet houden, veel balcontacten

  • bij drijven:  bal vooruit spelen, maar binnen bereik houden

 rechtlijnig of met richtingsveranderingen
Passen en trappen

  • binnenkant van voet:  nauwkeurig, korte afstanden, snel spel

 raakvlak is binnenkant van voet tussen wreef en enkel

 standbeen naar speelrichting gericht, been niet te ver naast bal

 bovenlichaam iets over bal gebogen


  • wreeftrap:  hoge balsnelheid, langere afstanden, schoten op doel

 raakvlak is de wreef

 standbeen naar speelrichting gericht, been niet te ver naast bal

 iets schuine aanloop

 pass door de lucht door 'achterover hangen'

 na de pass doorzwaaien met speelbeen


  • let op balsnelheid


Aan- en meenemen van de bal

  • met alle lichaamsdelen

  • over de grond en uit de lucht

  • vanuit stand en in beweging

  • met (kwart en halve) draai

  • met tegenstander (weerstand)

  • aandachtspunten:  'in de bal komen'

 lichaam achter de bal houden

 naar de bal blijven kijken


Jongleren

  • met alle lichaamsdelen

  • zowel met links als met rechts

  • wedstrijdelement (jezelf verbeteren, beste in groep)

  • vanaf 'junioren':  met verplaatsingen

 met meerdere spelers
Koppen

  • ogen open bij raken van de bal

  • bal midden op voorhoofd raken

  • hele lichaam gebruiken (niet alleen hoofd)

  • lichaam moet 'spanboog' zijn

  • armen en benen zorgen voor balans

  • aanspannen van nek- en halsspieren


Duel

  • partijtjes 1:1 (met of zonder doeltje / pion)

  • duel in de lucht (kopduel)

  • duel om de bal

  • aanvallend:  tegenstander opzoeken (niet ontwijken)

 gebruik van schijnbewegingen

 actie durven maken



  • verdedigend:  goed gebruik maken van lichaam

 wanneer gepasseerd: tackle of sliding inzetten
Combineren

  • met z’n tweeën (1-2 combinatie)

  • met meerdere medespelers

  • als afwerkoefening:  met twee of meerdere aanvallers

 al dan niet met verdedigers (weerstand)

 zonder bal buitenom ('achterlangs') gaan

 met (schijn-) overname
Positiespelen


  • bij pupillen 'lummelen': 6:2, 5:2, 4:1

  • bij junioren opbouw in moeilijkheid (6:3, 5:3, 4:2, 3:2, 3:1, 2:1)

  • met meerdere vakken (verplaatsen van spel)

  • als afwerkoefening (volledige weerstand)




1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina