Homilie bij de uitvaart van zuster kostka – isabelle lemey



Dovnload 63.78 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte63.78 Kb.

HOMILIE BIJ DE UITVAART VAN

ZUSTER KOSTKA – ISABELLE LEMEY



Zuster van het Geloof

Sint-Pieterskerk Tielt - donderdag 31 januari 2013


Zuster Liesbet,

beste zusters van het Geloof,

Eerwaarde Heer directeur en Eerwaarde Heer Ere-directeur,

beste familieleden van de familie Lemey-Meganck,

beste vrienden en bekenden van Zuster Kostka uit Ichtegem, Oostrozebeke, Tielt en Waregem – Het Gaverke misschien,

achtbare aanwezigen,
voor de invulling van mijn homilie in deze uitvaart zou ik jullie graag een kleine diamontage willen laten zien – of een beetje actueler en moderner gezegd: een kleine ‘powerpoint’, met vier dia’s erin (licht-beelden zei men vroeger!) waarop je telkens, naar ik hoop, zuster Kostka / Isabelle Lemey zult herkennen…


  1. De Engel-bewaarder


Zuster Kostka is altijd ‘kleuterleidster’ geweest. Zeven jaar in Oostrozebeke-centrum, zes jaar in Tielt en zesentwintig jaar in de wijkschool ‘de Engel’ in Ichtegem. Maar vroeger heette dat zo niet: ‘kleuterleidster’. Vroeger was de kleuterklas nog de ‘bewaarklas’. En dus was Zuster Kostka letterlijk en figuurlijk bijna haar hele leven lang soort van ‘bewaar-engel’, en op de ‘Engel’ zelfs een echte ‘ENGEL-BEWAARDER’, van beroep en van roeping. Het was een full-time job, met ontelbaar veel overuren…
Misschien weten de jonge gasten hier in de kerk dat niet. Vroeger, lang geleden, had ieder mens zijn eigen engelbewaarder. Die was er heel speciaal voor jou, en was ook altijd bij je, (altijd ‘stand-by’ zouden we tegenwoordig zeggen).

Wanneer ik er aan denk, dan komen mij plaatjes en prentjes voor ogen, versjes en rijmpjes die ik nog van buiten ken.

Dit bijvoorbeeld, een versje dat je kon opzeggen bij wijze van avondgebed:

s Avonds, als ik slapen ga,



volgen mij veertien engeltjes na;

twee aan mijn hoofdeind,

twee aan mijn voeteneind,

twee aan mijn rechterzij,

twee aan mijn linkerzij,

twee die mij dekken,

twee die mij wekken,

twee die mij wijzen

naar ’s hemels paradijzen…
Of dat prentje in een kader dat ik op mijn eerste communie cadeau heb gekregen, en dat jaren lang boven mijn bed heeft gehangen. Er staat een klein jongentje op dat bij middel van een smal bruggetje over een afgrond heen wil lopen. Achter het angstig kijkende kind staat er een engel met grote vleugels wijd uitgespreid, en die zal onbetwijfelbaar in staat zijn om het kind veilig naar de overkant te begeleiden, mocht het gammele bruggetje het niet houden.
Ik hield van dat kadertje, en ook van dat rijmpje voor het slapengaan. Al vond ik veertien engeltjes toch wat veel – ééntje was eigenlijk al genoeg, want zo bang was ik nu ook weer niet – toen nog niet. En de afgronden waar ik als kind overheen moest waren toch eigenlijk maar heel kleine kloofjes – toen nog wel…
Heel vaak heeft het bestaan van zulk een engelbewaarder mij als groter wordend kind zeer onwaarschijnlijk geleken, want je zag die nooit ‘in het echt’. Maar het volstond dat er af en toe zo één mens, je vader of je moeder bijvoorbeeld, een oma of opa of later een hele goeie vriend of vriendin - zo’n engelbewaarder in levende lijve – ons tastbaar nabij kwam als wij ons verdrietig of gekwetst of eenzaam voelden, om voor altijd te weten: wij zijn omringd door zorgzaamheid, door liefde en goedheid zonder reden…
Sommige zaken van het geloof en van het leven (om niet te zeggen bijna allemaal) begrijpt een mens maar als hij ouder wordt. Pas vele jaren later, nu bijvoorbeeld nog een keer, bij het nadenken en dankbaar mijmeren over het leven en de dood van zuster Kostka, heb ik mij ten volle gerealiseerd wat een diepe geloofswaarheid in die beelden uit mijn kinderjaren verpakt zat, en hoe tastbaar de grote God ‘Ik-zal-er-zijn’ erin nabij kwam.
Lieve mensen,

het is de roeping van ieder van ons om net als die engelbewaarder op dat prentje,

om zoals Zuster Kostka voor velen van ons dag na dag is geweest

een BRUG te zijn over alle mogelijke afgronden en kloven die mensen scheiden..

Hoor maar naar deze tekst, de litanie-van-alle-mensen:
Een moeder is brug tussen haar schoot en het leven.

Een vriend is brug tussen alleen en samen.

Een verpleegster is brug tussen leven en dood.

Een priester is brug tussen mensen en God.

Een vader is brug tussen klein-blijven en groot-worden.

Een oude mens is brug tussen verleden en toekomst.

Een dichter is brug tussen werkelijkheid en droom.

Een kind is brug tussen reeds en nog niet.

Een meisje is brug voor haar jongen.

Een jongen is brug voor zijn meisje.

De nacht is brug tussen gisteren en morgen.

Een zoen is brug tussen spreken en zwijgen.

Een lied is brug tussen klank en woord…
Ieder van jullie kan een brug zijn

waarover ik loop.

En ik vraag jullie:

zorg dat ik veilig kan overgaan.

Ik zal jou herkennen

als de rots in de rivier,

als de steen in de bedding,

als de steunende hand,

als het woord dat mij draagt…
Ik zal hardop jouw naam noemen,

als jij mij draagt…’
(vrij naar M. Ploem en H. Roeffaerts in ‘Als in een zachte bries…’)
Dat zullen we doen straks, bij de laatste afscheidsgebeden: nog een laatste keer hardop de naam noemen van Zuster Kostka.

En we zullen haar uitgeleide doen met dat oude wiegelied ‘In paradisum’, waarin we vragen dat engelen haar naar het paradijs zouden begeleiden, met een koor van lichtgestalten om haar heen…

Zij zal in goed gezelschap zijn op haar laatste verre reis, zij die misschien nooit buiten haar eigen land is geweest – of hoogstens een keer naar Lourdes, ik weet het niet…
In elk geval: wij allemaal, wij hebben er nu met Zuster Kostka in de hemel elk voor zich een extra engelbewaarder bij. Ik ben zeker dat zij die nieuwe opdracht (van net over de grens met ‘Aart-rijke’) met glans zal vervullen, daar aan de overkant. Zij zal er zijn voor elk van ons. Let er maar op en vertrouw er maar op…


  1. Een boeketje vergeet-me-nietjes


Dat wij Zuster Kostka hier gedenken vandaag, is heel erg nodig en belangrijk om ons allen hier aanwezig moed te geven. Opdat wij in onze situatie van alledag, in onze opdracht en onze roeping kracht zouden hebben om door te bijten in moeilijke ogenblikken. Wij kijken in deze uitvaart op naar iemand die zoveel jaren lang standvastig en trouw, bijna altijd goedgemutst en welgezind, genegen en toegewijd, in eenvoud heeft beleefd datgene waar in onze moderne tijd zoveel vragen worden bij gesteld en waar vaak zulk een mistlaag van twijfels en schamper ongeloof wordt rond geweven: het dagdagelijkse gods (en mens-)dienstvaardige leven van een religieuze.

Ach, het is zo nodig dat wij, mensen van de eenentwintigste eeuw, af en toe een teken krijgen van Godswege om het uit te houden en voort te doen. Een klein bescheiden teken misschien, zoiets als een bloemetje (een vlijtig liesje, een lelietje-van-dalen, een tuiltje ogentroost…) om ons banale grijze leven op te fleuren. Of nog het best van al: een vergeet-mij-nietje, gesymboliseerd in een lieve mens als zij, een ‘Zuster van het Geloof’, iemand naar wie we kunnen opzien en zeggen: en toch, het is mogelijk, het is zinvol en vruchtbaar, dat leven van jou en van ons, het is de moeite van het leven waard…

Ja, de mensen van vandaag, onze wereld en onze Kerk hebben grote nood aan dergelijke tekens!

Lieve mensen hier aanwezig,

ik kreeg ooit – lang geleden, toen de media en de reclamemakers nog over enige creativiteit beschikten – deze merkwaardige omslag per post bij mij thuis besteld, met een frisgroen kaartje in plus een zakje er aan bevestigd met zaadjes van vergeet-mij-nietjes. Ik was blijkbaar vergeten mijn abonnement voor de dagelijkse krant te betalen, en daar wilden ze mij op een vriendelijk-speelse manier aan herinneren. Maar het meest merkwaardige vond ik nog dat er een gebruiksaanwijzing bij het zakje zaad was meegegeven. Moet je horen wat daar op staat:

VERGEET-MIJ-NIETJE (Myosotis Alpestris)

  • Zaai dit zaad bij voorkeur in een kleine plantenbak of kistje.

  • Bedek de zaden met een halve centimeter teelaarde.

  • Plaats het bakje in de schaduw en zorg ervoor dat een goede vochtigheid behouden blijft tot het zaad aan het kiemen gaat.

  • Wanneer de plantjes drie blaadjes hebben, mag u ze verspenen en uitplanten op 25 centimeter afstand van elkaar.

  • Het vergeet-mij-nietje gedijt best in de schaduw.

  • Wacht in elk geval tot ze bloeien om ze in het licht te zetten.

Hoor toch eens, beste (jonge) mensen van de eenentwintigste eeuw, hoe ‘ouderwets’ dat allemaal klinkt: ‘klein’, ‘bedekken met aarde’, ‘in de schaduw’, ‘verspenen en uitplanten’, ‘afstand van elkaar’, en ‘wachten op de bloei’… Dat zijn allemaal woorden, houdingen en gebaren waar we tegenwoordig zo bang voor zijn. En toch zijn ze blijkbaar levensnoodzakelijk om te zorgen voor toekomst en vruchtbaarheid, voor groeien en bloeien en leven in overvloed. Begrijp je waarom we dus vergeet-mij-nietjes als Zuster Kostka zo broodnodig hebben in deze tijd..? Om nooit meer te vergeten waar het op aan komt in het leven. ‘Als de Kerk niet dient, dient ze tot niets…’ (Mgr. J. Gaillot). Ook een leven ‘in het verborgene’ kan ongelofelijk vruchtbaar zijn…

  1. Een glasraam in een kathedraal

Of nog zo’n symbool waarmee je zo’n ‘Zuster van het Geloof’ als zuster Kostka kunt vergelijken. Een beeld uit een middeleeuwse kathedraal: zo’n glasraam vol warme gloed dat van achter in de kerk zijn licht laat vallen op het altaar vooraan; zo’n rozet vol kleur dat gemaakt is van vele stukjes breekbaar glas, alle gevat in lood en steen. En hoe oogverblindend en fascinerend dat schouwspel ook moge zijn: toch zijn het niet het lood en niet de stenen – ja zelfs is het niet het glas dat de boventoon voert in dat prachtige schouwspel dat wel uit de hemel lijkt te komen. Nee, het is het Licht dat dagdagelijks voor het wonder zorgt, het Licht dat ons aanstoot in de morgen, het Licht dat nòg blijft schijnen ook wanneer het avond wordt. En zoals iedereen weet: dat Vriendelijke Licht dat onvermoeibaar creatief speelt met en in dat glas, is God zelf, dag na dag op Zijn Paasbest, net zoals die Tuinman van daarstraks in de weer met zijn vergeet-mij-nietjes…

Hoor naar dit gedicht van Manu Verhulst om het allemaal nog beter te verstaan:

Glasraam in de kerk
De zon van na de noen

speelt in het rood en groen

van de gekleurde ramen.

Een glazenier van lang geleden

heeft zijn tinten vastgezet

in ’t zware lood

gevangen tussen strakke strepen.

Het zonlicht maakt ze los

en werpt ze op de kille stenen

van de vloer.

Bevrijd, getemperd,

niets anders meer dan licht en kleur

zijn zij vertelsels van de zon

en wat die met het licht kan doen

in een verloren achternoen.
En zo wordt elke mens

door glazeniers van lang geleden

een of ander keurslijf aangemeten.

De duizend kleuren

worden netjes vastgezet

in duizend denkpatronen.

Maar op een mooie achternoen

kan het gebeuren

dat God, in al zijn anders-zijn

ons van dat lood bevrijdt.

Alleen dan nog zijn licht

en onze aardse kleuren…

En leven wordt als een gedicht,

een teder spel

tussen boven en beneden.
En nog wat nadere uitleg hierbij, opdat iedereen op deze dia zeker de figuur van Zuster Kostka zou herkennen… Jullie kennen het verhaal wellicht. Toen de juffrouw na een klasbezoek aan de parochiekerk vroeg wat ‘heiligen’ in godsnaam mochten wezen, antwoordde een klein meisje overtuigend: ‘Heiligen, juffrouw, dat zijn mensen die het licht doorlaten, en het schilderen met hun eigen kleuren – en dat kan maar omdat ze helemaal doorschijnend zijn…’ De kleurrijke glasramen en de uitleg bij het kerkbezoek hadden haar dat geleerd.

Lieve mensen hier aanwezig,

eigenlijk zijn heiligen doodgewone mensen, weet je dat? Maar er straalt iets van hen uit. Het zijn altijd mensen die licht doorlaten en doorschijnend zijn… Zij kunnen ook af en toe eens lastig zijn, zij vallen ook wel eens uit omdat ze moe zijn, ze kennen ook tegenslagen en ongemakken, maar zij verdrinken toch niet in het gebroken zijn, zij worden niet negatief in de eenzaamheid of in de oude dag. Zij voelen wel gaan-de-weg dat de bergweg lastig is en oneffen, maar zij herinneren zich toch steeds het weidse panorama uit hun beste momenten, en hebben besloten voorgoed het verlangen daarnaar te blijven koesteren en behoeden. Ik denk dat zo iets ‘roeping heet: dat je het verlangen naar het Licht in jou blijft bewaren, dat je dat verlangen voedt, dat je het ontvangen Licht streelt en behoedt, dat je het zachtjes bijkleurt met je eigen kleuren en het dan doorgeeft aan anderen, al de dagen van je leven…

Beste mensen, we gaan Zuster Kostka hier vandaag niet heilig verklaren, wees gerust. Maar het moet gezegd: een beetje zalig was ze wel, zo af en toe. Zo ontelbaar vele jaren lang, voor heel erg velen.

Zij was vol van genade,

had woorden van honing en een hart van goud.

Wijd spreidde zij haar vleugels,

twee armen boordevol licht.
Haar handen waren voorzichtig,

haar stappen waren zacht

(een engel loopt blootsvoets)

en naderden slechts schroomvol de heilige grond.
Zo simpel was in haar de Liefde dagelijks aanwezig:

een kinderjas wat warmer dichtgetrokken, een mutsje op, een dikke sjaal;

een zakdoek voor een snottebel,

natte broek vervangen, kakkebroek verversen,

een kleuter op het potje helpen gaan (kortom: het heilige van het alledaagse!)

een tikje op de schouder, een kinderhand in de vertrouwde grote zusterhand

om de straat over te steken – want aan ‘de Engel’ daar in Ichtegem

daar is een gevaarlijk kruispunt – dat is alom bekend…
En later op de parochie speelde zij zovele rollen

uit het evangelie en het eerste christendom.

Of nee, ze spèèlde die rollen niet,

ze was ze helemaal.
Zij cumuleerde naar hartenlust

een aantal pastorale functies, zonder benoeming of wijding,

maar met een ongelofelijke toe-wijding en dienstbare bereidwilligheid...

Zij was zuster en vriendin van velen

was dienares, diaken en ‘minister’ tegelijk.

Was Marta en Maria,

en op de duur bijna legendarisch als Veronica.

Liep rond al weldoende, beredderde en bedisselde

opvallend onopvallend in al haar doen en laten.

Verzachtte, verwachtte en lachte vooral;

Gods glimlach is in haar waarempel tastbaar

onder ons verschenen.
Zoals de dichter/schrijver Toon Tellegen zo prachtig zegt:

Er lopen heiligen op straat.



Ze zijn te herkennen aan hun onopvallendheid,

aan hun kostbare mantels van een oneindige kostbaarheid

die losjes om hen heen wapperen,

en aan hun verdriet.

Als we ze tegenkomen, lopen we ze voorbij.

Maar we horen iets ruisen.

Als we omkijken, zien we dat ze zich losmaken van de andere mensen,

hun pas versnellen, zijstraten inslaan.

Overal staan mensen stil en kijken om…’
Let wel: ook al was Zuster Kostka zelf een soort van engel – ze zweefde niet: ze had contact met de realiteit van alledag en alleman… Haar actieve religieuze leven speelde zich dan wel voor een groot deel af op de Wijk ‘De Engel’ – maar die plek bevindt zich toch verbazend dicht, ja op de grens met ‘Aartrijke’, en dat zegt veel…


  1. Een stukje kantwerk van het alombekende ‘Huis Lemey’ in Kanegem


Eerst een gedichtje van Tom De Fré:
Gods vinger legt de draden vast

van mijn en jouw verhaaal.

Alles krijgt zijn spel en plaats

geen speld staat er teveel.

En niets van wat er komen gaat

zal zinloos zijn…’

Zuster Kostka – Isabelle Lemey,

zij was een fijn stuk spellewerk.

Haar leven was van fijne kant:

schoon in zijn eenvoud,

vanzelfsprekend door zijn degelijke kwaliteit,

kostbaar en precies - precieus,

heel kwetsbaar en broos ook op het laatst…
Zij liet God zelf het patroon tekenen van haar levensverhaal,

en op dat voorgegeven grondpatroon borduurde zij geduldig voort,

met draden van dagelijkse zorg en grote toewijding.

En zij wist dat niets van wat er was geweest en wat nog komen zou

in Gods ogen ooit zinloos of vruchteloos zou zijn.
Haar ‘huiswerk’ van alledag - dat was als ‘kant van de Lemey’s’ uit Kanegem’…

Weleer in heel de streek bekend!
Lieve mensen hier in de kerk,
zelf ken en begrijp ik daar allemaal niets van.

Maar als ik iemand zie spellewerken – in Brugge bijvoorbeeld,

buiten op de stoep voor de toeristen,

dan valt mij altijd op

hoe er alleen maar gewerkt wordt aan een klein stukje met een keer.

Men werkt vlijtig in een beperkte ronde,

een cirkel uitgesneden in het grotere oppervlak.

Het geheel krijgen we niet te zien.

Dat zullen we pas kunnen bewonderen wanneer het werk af is…
Zo is het ook met een mensenleven.

En het is niet altijd gemakkelijk

om dag na dag dat kleine stukje te waarderen en te overzien,

Het zijn vaste plaats te geven in het geheel

en te geloven dat het de moeite waard is.
En wat mij nog meer opvalt:

terwijl zo’n vrouw bezig is met spellewerken

(want dat is typisch vrouwen-werk!!)

zien we alleen een wirwar van draden en speldekes en klossen,

schijnbaar ordeloos en zinloos voortdurend herschikt worden en door elkaar gehaald.
En wie alleen met dat voorlopige, dat fragmentaire beeld geconfronteerd wordt,

(de laatste dagen van een zieke mens bijvoorbeeld,

verdriet, eenzaamheid, aftakeling en dood…),

die heeft soms wel eens het gevoel:

dit heeft toch allemaal geen zin, daar zit toch helemaal geen lijn in,

ik zie als buitenstaander niet en begrijp niet waar dit naartoe gaat

en ook niet wat daar de kunst en kwaliteit van is…
Maar je moet weten:

nu zien wij van dingen en van mensen

alleen nog maar een klein fragment.

Ooit, in de hemel, zullen wij het geheel kunnen overzien,

want daar zullen wij elkaar van aangezicht tot aangezicht aanschouwen.

En dan zullen wij alles begrijpen en eindelijk kunnen zeggen:

Ja, het is mooi en goed geweest,

we zijn dankbaar voor al die kostbare kleine stukjes kant -

voor dit stukje kant dat Zuster Kostka was –

kant van de Lemey’s uit Kanegem’ bijvoorbeeld…


Lieve mensen,

de hemel kan niet vreemd, niet ver van ons vandaan zijn.

(en zeker voor een engelbewaarder kan dat niet!)

Hij is ons rakelings nabij.

De hemel is een huis, en in dat huis een Vader/Moeder,

een God die ons verwacht.
Die mij het heimwee schonk naar Zijn Verte,

Hij waakt ook daar over mij;

dag en nacht gaat Hij met mij mee,

een schaduw van vrede aan mijn rechterhand’ – zo zegt het de psalm.
Dus vragen wij in dit heilig uur aan God:

berg Zuster Kostka nu toch in Uw grote armen,

tot wij ons ooit samen mogen warmen

in Uw eeuwig morgenlicht.
Zorg goed voor haar, lieve God.

Vraag haar alstublieft om haar roeping als engelbewaarder

van uit Uw hemel voor ons voort te zetten.

Bewaar haar als een bloem, een ‘roos van Kanegem’,

als een verborgen schat,

als een ster waarin wij blijven geloven,

als een zegen die ons nooit verlaat.
Adieu, dierbare Zuster Kostka / Isabelle Lemey!

Tot ergens dicht bij God.

God zegene en beware je.

En welbedankt voor alles.

Amen.

Geert Dedecker






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina