Hoofdletters



Dovnload 142.44 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte142.44 Kb.
HOOFDLETTERS





voorbeelden

spellingregel





Morgen begint de vakantie.

zinnen

Schrijf het eerste woord van een zin met een hoofdletter.







s Avonds drink ik nooit koffie.

Schrijf het tweede woord van een zin met een hoofdletter als het eerste begint met een apostrof.





@ spreek je uit als apenstaartje.


Schrijf geen hoofdletter als de zin begint met een cijfer of symbool.

A40





eigennamen - soortnamen

Schrijf een eigennaam1 met een hoofdletter.





B3




Schrijf een soortnaam2 met een kleine letter.

B17





persoonsnamen3

Schrijf voor- en familienamen met een hoofdletter.




A13

B46





Schrijf begrippen die als een persoon worden voorgesteld met een hoofdletter.


A35

B46





Schrijf een kleine letter als de persoonsnaam verwijst naar mensen met een bepaalde eigenschap.


A52

B7





Schrijf een persoonsnaam met een kleine letter als we die gebruiken om voorwerpen of andere zaken te benoemen.


A1

B54





Schrijf een persoonsnaam met een hoofdletter als duidelijk verwezen wordt naar de maker of uitvinder.


A9

B29





Schrijf samenstellingen4 met een persoonsnaam met een hoofdletter.


B13

A5





Schrijf samenstellingen met een persoonsnaam klein als die niet meer rechtstreeks naar de persoon in kwestie verwijst.


A43

B1





Schrijf samenstellingen met de naam van een uitvinder of ontdekker klein.


A23

B38





Behoud de hoofdletter als je uitdrukkelijk naar de uitvinder of ontdekker verwijst.


A4

B26





Schrijf afleidingen5 van een persoonsnaam klein.


A55


B23



heilige namen en begrippen

Schrijf de naam van een heilig persoon of begrip met een hoofdletter.




A32

B44





Behoud de hoofdletter in samenstellingen met een heiligennaam als die nog naar de heilige persoon of het begrip verwijst.


A2

B15


A45




Schrijf samenstellingen met een heiligennaam met een kleine letter als ze niet meer rechtstreeks naar de heilige persoon of het begrip verwijzen.


B5




Schrijf het woord “god” klein als het niet naar het Opperwezen verwijst.


A37

B51






Schrijf afleidingen van een heiligennaam met een kleine letter.


A16

B31


B55

A54





Schrijf namen van heilige boeken of delen daarvan, hun afleidingen en samenstellingen met een hoofdletter, als de tekst zelf bedoeld wordt.


B25

A53


B42

A10





Schrijf namen van heilige boeken en hun samenstellingen met een kleine letter als een exemplaar bedoeld wordt.

B6

A24



B36

A47


B45

A3
B19

A51

B2




aardrijkskundige namen

Schrijf aardrijkskundige namen (plaatsen, landen, hemellichamen, rivieren, bergen, …), hun samenstellingen en afleidingen met een hoofdletter.

OPGELET!


A8

B53





Schrijf aardrijkskundige namen met een kleine letter als ze een voorwerp benoemen.


A33

B4

A7






Schrijf samenstellingen met en afleidingen van aardrijkskundige namen met een kleine letter als ze een voorwerp benoemen.


A46

B8

A11







Schrijf samenstellingen met aardrijkskundige namen met een kleine letter als ze een dier- of plantensoort benoemen.


B47

A31





Schrijf namen van windstreken en hun afleidingen met een kleine letter.


B9

A21





Schrijf namen van windstreken met een hoofdletter als ze verwijzen naar een gebied (politiek, economische, geografisch).

A49


B12

A6

B50



A28


talen en dialecten

Schrijf namen van talen en dialecten, hun samenstellingen, afleidingen en verbogen vormen met een hoofdletter.




B10

A50





Schrijf een taalnaam met een kleine letter als die een minachtende betekenis heeft.


B48


A15

B28


A44



volkeren, etnische en religieuze groepen

Schrijf namen van (leden van) een bevolkingsgroep, hun samenstellingen en afleidingen met een hoofdletter.




B11

A39


B27





Schrijf spotnamen en bijnamen voor leden van een bevolkingsgroep en hun samenstellingen met een kleine letter.


A19

B49


A42

B21





Schrijf namen voor leden van etnische (raciale) groepen, hun samenstellingen en afleidingen met een kleine letter.


A12

B33


A41

B14





Schrijf namen van aanhangers van een bepaald geloof, hun samenstellingen en afleidingen met een kleine letter.


A38

B43


A14




Schrijf namen van stromingen (artistiek, cultureel, maatschappelijk, religieus), hun samenstellingen en afleidingen met een kleine letter.


B20

A36





Schrijf namen van volgelingen van een bepaalde stroming met een kleine letter.

B16


A34




periodes

Schrijf woorden waarmee we de tijd indelen, hun samenstellingen en afleidingen met een kleine letter.




B18

A30


B41



Schrijf historische periodes, hun samenstellingen en afleidingen met een kleine letter.

A17


B35




historische gebeurtenissen

Schrijf namen van historische gebeurtenissen en hun samenstellingen met een hoofdletter.



A26


B40



feestdagen

Schrijf namen van officiële feestdagen met een hoofdletter.




A18

B30






Schrijf samenstellingen met feestdagen met een kleine letter.

A20


B37




instanties, bedrijven en organisaties

Schrijf namen van instanties, bedrijven en organisaties met een hoofdletter, tenzij ze zelf een andere schrijfwijze gebruiken.



A25


B39




merken

Schrijf merken en hun samenstellingen met een hoofdletter, tenzij de naamgever een andere schrijfwijze gebruikt.




B22

A29





Schrijf merknamen met een kleine letter als ze een soortnaam geworden zijn.

B32


A22




titels

Schrijf het eerste woord van een titel en hun samenstellingen (boek, film, prijs, toneelstuk) met een hoofdletter.




B34

A27





Schrijf de naam van een krant of tijdschrift op de manier die de oprichter of redactie gekozen heeft.

A48


B52



functies

Functies van personen schrijf je met een kleine letter.





! BELANGRIJK !
1. Je moet al deze regels niet vanbuiten studeren, maar je moet de meest voorkomende wel altijd toepassen:
* Een zin begint met een hoofdletter.

* Schrijf eigennamen met een hoofdletter.

* Schrijf namen van talen, hun afleidingen en samenstelling met een hoofdletter.

* Schrijf historische periodes met een kleine letter.

* Schrijf historische gebeurtenissen met een hoofdletter.
2. Twijfel je over één van de andere regels, zoek dan de correcte schrijfwijze op.

oefening
Gebruik hoofdletters waar het nodig is.

op paasmaandag hebben vandalen op een aantal kerkhoven in west-vlaanderen en in de noorderkempen een ware ravage aangericht.

’s winters maakt hij elke ochtend een fikse wandeling, ook al vriest het tot minus 20° celsius. waarom hij dat doet, mag joost weten.

wat de anderen ook mogen denken van deze spartaanse opvoeding, het laat hem allemaal siberisch.

2001 en welbepaald op 1 januari en dus niet het jaar 2000 was het jaar waarin het derde millennium begon.

waarom moet je in godsnaam toch altijd sint-pieter, de paus van rome en god weet welke heiligen uit de hemel allemaal aanroepen, als je in plaats van op de spijker, op je vinger hamert.

aan de universiteit van leiden zijn vlaamse en nederlandse taalkundigen, in samenwerking met de nederlandse taalunie, onder meer bezig met de redactie van het woordenboek der nederlandsche taal.

in de lobby van de hilton, midden in de joodse buurt, brachten vertegenwoordigers van de noord-amerikaanse indianen hun onfortuinlijke situatie onder de aandacht en refereerden aan hun latijns-amerikaanse lotgenoten uit vroegere tijden met name de inca’s.

de weliswaar prachtige beelden van de waardevolle film over het leven van de eskimo’s aan de noordpool, die we in het museum van tervuren zagen, toonden aan dat het leven van die mensen ongemeen hard was.

tijdens het interbellum was de latere nobelprijswinnaar een communist, maar na de tweede wereldoorlog sloot hij zich aan bij de liberalen die heftig reageerden tegen de marxistische staatsstructuren achter het ijzeren gordijn in het voormalige oostblok.




HOOFDLETTERS: oplossingen A


1. een Rubens

2. een godendrank

3. Belgisch

4. montignaccen

5. molotovcocktail

6. Franstalig

7. belgicisme (= een Belgisch woord dat afwijkt van de Nederlandse standaardtaal vb. sacoche)

8. een fles bordeaux

9. het Marshallplan (= economische hulpverlening van de Verenigde Staten aan West – Europa na WO II)

10. thorarol

11. shetlandpony

12. jood (= joodse gelovige)

13. Vadertje Tijd (= de tijd)

14. barokkerig

15. Belgen

16. de Bijbel (= de Heilige Schrift)

17. Guldensporenslag

18. nieuwjaarsbrief

19. blanke

20. de Senaat

21. het Nabije Oosten

22. Oscaruitreiking

23. de ziekte van Alzheimer

24. de Schelde

25. Coca – Cola

26. Kerstmis

27. Flair


28. Duitse romans

29. een pamper

30. oudheidkunde

31. westerse beschaving

32. een Boeddhabeeld

33. parmaham

34. maandag

35. sjonnie en marina (= ordinaire jongen en meisje)

36. calvinist

37. goddelijk

38. kapitalisme

39. spaghettivreter (= scheldnaam voor een Italiaan)

40. Amsterdam

41. katholiekendag

42. zigeunerdans

43. alzheimerpatiënt

44. Inca - achtig

45. een sint – jakobsschelp

46. alpenviooltje

47. Melkwegstelsel

48. paus

49. Nederlands

50. schoolfrans

51. zon


52. een diesel

53. bijbelpapier

54. het Oude Testament

55. Christus






HOOFDLETTERS: oplossingen B


1. coopertest

2. maan


3. hoofdstad

4. marsmannetje

5. god

6. België



7. alzheimer

8. noordzeekrab

9. het verdrag tussen Noord en Zuid

10. koeterwaals (= gebrabbel)

11. jap (= scheldnaam voor een Japanner)

12. Antwerps

13. een marshallplan (= een groots hulpverleningsplan)

14. islamitisch

15. een mariadistel

16. januari

17. Jan Janssen

18. middeleeuwen

19. aarde

20. socialist

21. indiaan

22. een cola

23. het koninkrijk Gods

24. een casanova (= man met vele, overspelige liefdesverhoudingen; vrouwenversierder)

25. een bijbel (= een exemplaar)

26. freudiaans (= iets prijsgeven uit het onderbewustzijn)

27. moffenvriend (mof = scheldnaam voor een Duitser)


28. Vikingboot

29. Shakespearedrama

30. valentijnskaartje

31. Bijbels

32. Het uur nul

33. moslim

34. De Standaard

35. Eerste Wereldoorlogboeken

36. de Poolster

37. Belgacom

38. het syndroom van Down

39. iPod


40. Pasen

41. prehistorisch

42. een thora

43. renaissancekunst

44. Onze – Lieve – Vrouwekerk

45. Scheldeoevers

46. Magere Hein (= de dood)

47. noorden

48. Joden (= iemand die behoort tot het Joodse volk)

49. latino

50. on - Nederlands

51. maagdelijk

52. koning

53. een sneetje gouda

54. de nieuwe Mulisch (= Nederlandse auteur)

55. Koranschool





SPELLINGSPEL
SPELREGELS


  1. Leerling A speelt op het linkerdeel van het veld, leerling B neemt het rechterveld voor zijn rekening. De jongste speler mag beginnen.




  1. Bij het begin van het spel worden de pionnen in vakje 1 geplaatst.




  1. In elk vakje staat een woord. De speler die aan de beurt is, zegt of het woord juist of fout gespeld is.




  1. De tegenspeler controleert of het antwoord juist is aan de hand van de oplossingenkaart die de leerkracht gegeven heeft.




  1. Beide leerlingen noteren het correcte woord op hun werkblad.




  1. Is het antwoord juist, dan mag de speler 1 vakje verdergaan. Is het antwoord fout, dan blijft de pion staan en is het de beurt aan de tegenpartij.




  1. Geef je een juist antwoord op de hokjes van de grijze middenstrook, dan mag je twee vakjes vooruitzetten.




  1. De leerling die het eerst het lesonderwerp bereikt, is gewonnen.




  1. Als het spel afgelopen is, vullen de leerlingen de ontbrekende woorden op hun werkblad verder aan.




HOOFDLETTERS (A)

HOOFDLETTERS (B)

55

Christus

54

het Oude Testament

53

bijbelpapier


52

een diesel

51 

Zon


55

Koranschool

54

de nieuwe Mulisch

53

een sneetje gouda

52

Koning


51 

maagdelijk


 46

Alpenviooltje


47

melkwegstelsel

48

paus

49

Nederlands

50

schoolfrans


 46

Magere Hein


47

noorden

48

Joden

49

Latino

50

on – Nederlands


45

een Sint - Jokobsschelp

44

Inca - achtig

43

Alzheimerpatiënt

42

zigeunerdans

41 

katholiekendag

45

scheldeoevers


44

onze – lieve – vrouwekerk

43

renaissancekunst

42

een Thora

41 

prehistorisch

 36

Calvinist


37

goddelijk

38

kapitalisme

39

spaghettivreter

40

amsterdam

 36

de poolster


37

Belgacom

38

het syndroom van Down

39

iPod

40

Pasen

35

Sjonnie en Marina


34

maandag

33

parmaham

32

een boeddhabeeld

31 

westerse beschaving

35

Eerste Wereldoor-

logboeken

34

De standaard

33

moslim

32

Het uur nul

31 

bijbels

 26

kerstmis


27

Flair

28

Duitse roman

29

een pamper

30

oudheidkunde

 26

Freudiaans


27

moffenvriend

28

vikingboot

29

shakespeare-drama

30

Valentijnskaartje

25

coca – cola


24

de Schelde

23

de ziekte van Alzheimer

22

Oscaruitreiking

21 

het Nabije Oosten

25

een bijbel


24

een casanova

23

het koninkrijk gods

22

een cola

21 

indiaan

 16

de Bijbel


17

guldensporenslag

18

nieuwjaarsbrief

19

blanke

20

de senaat

 16

Januari


17

Jan Janssen

18

Middeleeuwen

19

Aarde

20

socialist

15

Belgen


14

barokkerig

13

vadertje tijd

12

jood

11 

shetlandpony

15

een Mariadistel


14

islamitisch

13

een marshallplan

12

antwerps

11 

jap

 6

franstalig


7

belgicisme

8

een fles Bordeaux

9

het Marshallplan

10

thorarol

 6

België


7

Alzheimer

8

noordzeekrab

9

het verdrag tussen Noord en Zuid

10

Koeterwaals

5

molotovcocktail


4

montignaccen

3

belgsich

2

een godendrank

1 

een rubens

5

god


4

Marsmannetje

3

hoofdstad

2

maan

1 

coopertest




1 eigennaam  duidt één individu of uniek ding aan (vb. België)

2 soortnaam  heeft vaak een meervoudsvorm; er bestaan meerdere exemplaren van (vb. land)

3 persoonsnaam  eigennaam van een persoon of zelfstandig naamwoord dat een persoon aanduidt

4 samenstelling  een woord dat bestaat uit meerdere grondwoorden die elk afzonderlijk bestaan

5 afleiding  een woord dat bestaat uit een grondwoord en een voor- of achtervoegsel. De voor- of achtervoegsels bestaan niet als afzonderlijk woord.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina