Hoofdstuk 1 ANTWOORDEN hoofdstuk 1 livius als historicus



Dovnload 118.71 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte118.71 Kb.
HOOFDSTUK 1 ANTWOORDEN

HOOFDSTUK 1 LIVIUS ALS HISTORICUS
2. Ja, Cicero eist (bij monde van Antonius) dat de stijl van een historicus ‘breed, kalm en gelijkmatig voortstroomt’, en Quintilianus beschrijft Livius’ stijl als lactea ubertas, een stijl die de zuiverheid en rijkdom van melk heeft, dus met zinnen die soepel en vloeiend lopen.

4. VOORWOORD (PROOEMIUM) (praefatio, 1-6, 10-12)
a. Is al dat werk wel de moeite waard? (1-3)
1. Het is een algemeen bekend onderwerp dat door vele schrijvers wordt opgepakt.

2. Dat er kennelijk beroemdere en betere schrijvers zijn dan hij.

3. novi semper scriptores

4. - ze denken betrouwbaardere feiten te hebben (certius aliquid)

- ze denken mooier te schrijven dan de vroegere schrijvers (scribendi arte)

b. Willen de lezers niet liever moderne geschiedenis? (4-6)
1. - het is een gigantisch werk om meer dan 700 jaar te beschrijven

- hij denkt dat de meeste lezers liever eigentijdse geschiedenis lezen

2. Dat hij zolang als hij de oude geschiedenis beschrijft niet hoeft te denken aan al de ellende van zijn eigen tijd.

3. Hij kan objectiever te werk gaan omdat hij geen rekening hoeft te houden met de gevoelens van nog levende personen.

4. non flectere a vero

5. Hij zal ze weergeven zonder een oordeel over de waarheid ervan te geven.



c. De geschiedenis leert de mensen hoe te handelen (10-12)
1. Het geeft voorbeelden (exempla) van hoe wel en hoe niet te handelen.

2. desiderium per luxum atque libidinem pereundi perdendique omnia

3. De Romeinen hadden in het verleden weinig bezittingen/rijkdom: Livius geeft dus een economische verklaring.

HOOFDSTUK 2 DE VROEGSTE GESCHIEDENIS VAN ROME
2. AENEAS BIJ KONING EUANDER (Vergilius, Aeneis VIII, 454-519)
1. - Mars loopt op de slapende Rea Silvia af (de oude man rechts is de riviergod Tiber)

- Rea Silvia met de baby’s op schoot, rechts 2 herders

- de 2 herders leggen de baby’s in de rivier (belichaamd door de zittende oude man)

- 2 herders vinden de baby’s in een grotachtige omgeving, terwijl ze door een wolvin worden gevoed

2. Omdat Aeneas geen Italiër is: het was voorspeld dat alleen een buitenlander de Etrusken/Etruriërs kon onderwerpen.

HOOFDSTUK 3 ROMULUS, DE EERSTE KONING
1. DE SABIJNSE MAAGDENROOF (I, 8.4-9.16)
a. Rome neemt in omvang en bevolking toe (8.4-7)
1. Ze hopen dat de bevolking in de toekomst zal toenemen.

2. Romulus, de Romeinen.

3. Een stuk land beschikbaar te stellen waar zich allerlei soort gelukzoekers uit de omliggende volkeren kon vestigen.

4. vana (4)

5. Ja: virium haud paeniteret (11-12).

6. Als de bevolking behoorlijk is toegenomen.



b. Een nijpend tekort aan vrouwen (9.1-5)
1. penuria mulierum (2)

2. (quas) sua virtus et di iuvent (7-8)

3. a. De goden hebben geholpen bij het stichten van de stad (deos adfuisse).

b. Dat het Rome in de toekomst niet aan virtus zal ontbreken en dat ze dus macht en een grote naam zullen verwerven.

4. 1. Ze keken op de Romeinen neer.

2. Ze waren bang voor de toenemende macht van Rome.

5. Omdat de stad mensen van het laagste allooi, ook slaven, als bevolking had opgenomen.

6. a. Omdat de vrouwen dan van hetzelfde (lage) allooi zijn als de mannen.

b. Het is het antwoord van de naburige volkeren.

c. Romulus organiseert een luisterrijk feest (9.6-9)
1. a. Vrouwen.

b. Op spelen komen veel mensen af, die in feestelijke stemming zijn en niet op een gewelddadige aanval rekenen.

2. Omdat het veel minder uitbundig werd georganiseerd dan in de tijd van Livius en zijn lezers.

3. Vanwege het schouwspel zelf.

4. De lezer weet wel, maar de genodigden niet, dat de gastvrijheid slechts schijn is: het zal op geweld uitlopen.

5. - grote aantal huizen van de stad (i.p.v. stad vol met huizen)

- bij het zien (i.p.v. toen zij hadden gezien)

- snelle groei van (i.p.v. dat snel gegroeid was)



d. De ‘maagdenroof’ (9.10-12)
1. ex composito, signo dato

2. a. het onderwerp pars is enkelvoud, het naamwoordelijk deel raptae is meervoud.

b. Een groot deel betreft veel vrouwen.

3. 1. De meesten komen bij de man terecht in wiens handen ze toevallig vielen.

2. De knappe meisjes komen bij de vooraanstaande senatoren terecht.

3. De allermooiste was gereserveerd voor Thalassius.

4. destinatas (5)

5. Van de primores.

6. Misschien was ‘Thalassio’ de naam of de verbastering van de naam van een oude inheemse of Etruskische god van het huwelijk of vruchtbaarheid.

e. Romulus verontschuldigt zich tegenover de meisjes (9.12-16)
1. a. - violatum hospitii foedus (2)

- per fas ac fidem decepti (3-4)



b. (ex) inuria (10)

c. purgantium (14)

2. Dat ze slavinnen of bijvrouwen zouden worden.

3. Hun ouders.

4. Omdat de vaders van de meisjes geweigerd hadden een huwelijksverdrag met hen te sluiten.

5. - ze worden wettige echtgenotes met burgerrecht, krijgen de beschikking over ’t bezit van de man en ze zullen wettige kinderen krijgen

- liefde ontstaat vaak vanzelf, zelfs na onrecht

- ze krijgen extra goede echtgenoten omdat die er alles aan doen om hun ouders en vaderland te doen vergeten

6. Dat hun man/vriend van hen houdt en naar hen verlangt.

2. DE SABIJNSE MAAGDENROOF BIJ DE DICHTER OVIDIUS (Ars Amatoria, 101-134)
1. quanto t/m concelebrant (c, 5-6)

2. parentium…expleat desiderium (e, 13)

3. Bij Ovidius gaan de Romeinse mannen op de meisjes af en ieder pakt het meisje van zijn voorkeur, bij Livius zijn de mooiste meisjes al van te voren ‘toegewezen’.

HOOFDSTUK 5 TARQUINIUS PRISCUS, DE VIJFDE KONING
1. DE ETRUSK LUCUMO VERTREKT NAAR ROME (I, 34.1-10)
a. Lucumo als enige erfgenaam (34.1-3)
1. In Rome.

2. Die van zijn grootvader.

3. Arruns, de broer van Lucumo, was eerder dan hun vader, lid van een machtig geslacht uit Corinthe, overleden. Arruns’ vrouw was zwanger maar dat wist hun vader niet, zodat de ongeboren kleinzoon niet werd opgenomen in het testament. Op die manier erfde Lucumo het gehele familievermogen.

b. Lucumo en Tanaquil verhuizen naar Rome (34.4-7)
1. Zijn rijkdom door zijn erfenis en het feit dat hij met een vrouw van hoge komaf is getrouwd.

2. Dat Lucumo uit een heersersfamilie stamt.

3. - quae haud facile t/m innupsisset (3-4)

- dummodo virum honoratum videret (6-7)

4. In een nieuwe stad als Rome wordt ook adeldom/hoge positie verkregen op grond van prestaties i.p.v. geboorte, kijk naar de laatste drie koningen.

5. dummodo virum honoratum videret (6-7)

6. - hij wilde hogerop

- hij was niet gebonden aan Tarquinii (stad van zijn moeder, zijn vader kwam uit Corinthe)

7. Het zijn de argumenten van Tanaquil.

c. Lucumo krijgt een voorteken (34.8-10)
1. Dat Tanaquil de betekenis wist van verschillende wondertekens die zich in de lucht voordeden.

2. Gunstig.

3. Van Jupiter, omdat de adelaar de aan hem gewijde vogel is.

4. De hoogste top, namelijk het koningschap, leiderschap.

5. Het sieraad, namelijk het leiderschap (van Corinthe), was van hem (zijn vader) afgenomen en wordt hem nu weer onder goddelijke bescherming teruggegeven.

6. ‘op een mensenhoofd geplaatst sieraad’.




2. LUCUMO WORDT KONING TARQUINIUS PRISCUS (I, 34.10-35.6)
a. Tarquinius wordt adviseur van de koning (34.11-35.2)
1. a. conspicuum (1)

b. - het feit dat hij nieuw was in Rome

- het feit dat hij rijk was

- het feit dat hij hulpvaardig was

2. 1. Hij wordt door zijn hulpvaardig gedrag bekend, ook bij de koning.

2. Door zijn diensten jegens de koning wordt hij een intieme vriend van de koning en hij wordt overal bij betrokken.

3. Hij wordt als voogd aangesteld van de prinsen.

3. De prinsen waren al bijna volwassen; als ze volwassen zouden zijn, zou Tarquinius geen voogd meer zijn en zou een zoon van Ancus koning worden. Hij moest dus haast maken met de koningsver­kiezing, om zelf koning te kunnen worden. Ook wilde hij de prinsen uit het zicht houden.

4. Er werd een interregnum/interrex ingesteld/aangesteld.



b. Tarquinius wordt koning (35.2-6)
1. - de 3 voorafgaande koningen waren buitenlanders, Tatius en Numa waren zelfs respectievelijk vijand van Rome en onbekend met de stad

- hij is al jong in Rome komen wonen en heeft als volwassene langer in Rome gewoond dan in zijn vaderstad

- hij had koning Ancus als de beste leermeester op ieder gebied

- hij heeft al dan niet financieel veel gedaan voor anderen

2. Het laatste argument: benignitate erga alios (13).

3. c (aetas: dát leven, zúlk leven): eius kan niet op Tarquinius slaan omdat die onderwerp van de zin is.

4. benigno t/m beneficiis (d, 2-3)

5. Livius vindt de ambitio die Tarquinius als koning ten toon spreidt niet goed: waarschijnlijk vanwege de 100 nieuwe senatoren uit de lagere klassen.

6. petisse ambitiose regnum (dicitur) (1-2)

7. Hij kiest 100 nieuwe senatoren uit de lagere klassen, die hem kunnen steunen bij zijn maatregelen.

8. Omdat de senatoren door de koning zelf (beneficio) als senator zijn gekozen en benoemd.

9. regnis sui - firmandi: augendae - rei publicae (zelfst. nw. – gerundivum: gerundivum – zelfst. nw.) (17-18)




HOOFDSTUK 6 SERVIUS TULLIUS, DE ZESDE KONING
1. DE ZOON VAN EEN KRIJGSGEVANGENE (I, 39-40.3)
a. Een ongewoon voorteken (39.1-3)
1. Zij had, zoals vele Etrusken, verstand van voortekenen en wist ze te duiden: perita t/m mulier (c, 6).

2. tam humili cultu educamus (9-10)

3. De zonen van de vorige koning Ancus, van wie Tarquinius als voogd was aangesteld, zullen zich nog steeds gepasseerd voelen.

b. De adellijke afkomst van Servius Tullius (39.4-6)
1. tam humili cultu (a, 9)

2. Met een prodigium: vlammen verschenen om het hoofd van de kleine Servius toen hij sliep.

3. Of Servius eer kreeg vanwege het prodigium of om een andere reden.

4. De omstandigheid dat Servius Tullius zo’n belangrijke positie aan het hof innam en zijn bijzondere kwaliteiten.

5. Dat de moeder van Servius geen slavin werd, maar in het paleis als een gelijke werd behandeld en daar haar kind kon baren.

6. Omdat zijn zwangere adellijke moeder, na inname van haar stad en dood van haar man, door de Romeinen krijgsgevangene werd gemaakt.

7. De koningin (Tanaquil) en de moeder van Servius Tullius.

c. De zonen van Ancus zijn boos (40.1-3)
1. Toen Tarquinius koning werd, waren de zoons bijna volwassen, dus ca. 15 jaar, en Tarquinius heeft bijna 38 jaar geregeerd. Ze zijn al 52-53 jaar.

2. tum (3)

3. a. servus serva natus (11)

b. Chiasme: deo prognatus - deus: servus - serva natus

4. advenis: Tarquinius Priscus, servis: Servius Tullius.


2. SERVIUS TULLIUS WORDT KONING (I, 40.4-41)
a. Aanslag op koning Tarquinius (40.4-7)
1. 1. Tarquinius was de eigenlijke boosdoener, de voogd die hen van de troon had beroofd.

2. Als koning zou hij de dood van Servius genadeloos wreken.

3. Tarquinius zou een andere schoonzoon en troonopvolger kiezen.

2. - 2 ruwe herders worden geselecteerd (6)

- deze, voorzien van gereedschappen, fingeren een enorme ruzie bij de ingang van het paleis (7-8)

- de ruzie trekt aller aandacht, ook van de koning (9-11)

- ze worden bij de koning geroepen (11)

- zetten ruzie bij koning voort, tot ze een voor een hun verhaal moeten vertellen (11-13)

- koning keert zich vol aandacht naar de herder, die uitleg geeft (14-15)

- de andere herder vermoordt de koning (15)

- beiden vluchten (16)

3. tandem obloqui desistunt (13-14)

4. Livius gebruikt alleen het praesens historicum en de infinitivus historicus.

b. Tanaquil neemt de regie in handen (41.1-3)
1. Een echte man.

2. a. experrectus sum (a, 7)

b. In passage a werd Servius echt wakker uit zijn slaap, in deze passage is ‘wakker worden’ overdrachtelijk bedoeld: hij moet beseffen dat hij onder goddelijke bescherming staat.

3. Ja, Tanaquil heeft steeds de goddelijke voortekenen begrepen en ernaar gehandeld, eerst bij haar man Tarquinius, en nu bij Servius Tullius.

4. In 1-9 vinden veel gebeurtenissen plaats die in korte tijd worden verteld (= korte verteltijd, lange vertelde tijd), vanaf 10 is de vertelde tijd gelijk aan de verteltijd omdat Tanaquil in de directe rede tot Servius spreekt (‘speech’).

c. Servius Tullius wordt koning (41.4-7)
1. 4 (sopitum) - 7 (visuros)

2. 7 (interim) - 9 (esse)

3. c

4. Vrij veel dagen (aliquot dies) ná de dood van Tarquinius.



5. Direct nadat Tanaquil verscheen en het volk begon toe te spreken.


HOOFDSTUK 7 DE MACHTSOVERNAME VAN LUCIUS TARQUINIUS
1. LUCIUS TARQUINIUS EN TULLIA (I, 46)
a. De jonge Tarquinius ageert tegen Servius Tullius (46.1-3)
1. Dat Servius als buitenstaander koning is geworden, in plaats van hijzelf, de zoon van de overleden koning Tarquinius Priscus.

2. Hij brengt het volk op zijn hand door hun land te schenken en daarna vraagt hij hun of ze hem als koning willen.

3. Omdat de landverdeling tegen de zin van de senatoren had plaatsgevonden.

4. Een ambiteuze echtgenote.

5. Vrijheid van koningen: de republiek.

6. De alwetende verteller Livius ‘verklapt’ dat Tarquinius de laatste koning zal zijn, en wel door zijn eigen gedrag.



b. De twee Tullia’s (46.4-6)
1. fortuna, credo, populi Romani

2. iuvenis ardentis animi (a, 10-11)

3. (materia ad) cupiditatem et audaciam (9-10)

4. Tullia wendt zich af van haar eigen man en richt zich op haar zwager.

5. Dat zij uit slapheid haar ambitieuze man niet steunt.

c. Soortgenoten vinden elkaar (46.7-9)
1. a. Praesens.

b. Nee: contrahit is een praesens historicum, gebruikt om het verhaal spannender te maken; fit is wel een normaal praesens, hier gebruikt om iets algemeens weer te geven.

2. Kwaad trekt kwaad aan, soort zoekt soort.

3. a. Arruns Tarquinius

b. Lucius Tarquinius

c. Lucius Tarquinius

4. - parallellie

- anafora

- asyndeton

5. Als irrealis/onwerkelijkheid.

6. Dat Tarquinius en Tullia hun echtgenoten hebben vermoord of hebben laten vermoorden.


2. LUCIUS TARQUINIUS GRIJPT NAAR DE MACHT (I, 47-48)
a. De verwijten van Tullia (47.1-5)
1. Door een anafora en asyndeton te gebruiken.

2. De moord op hun echtgenoten was bedoeld om als nieuw echtpaar naar het koningschap te streven. Als ze dat nu niet doen, zijn de moorden voor niets gepleegd.

3. Geen koning zijn, maar ondergeschikt (slaaf).

4. Het verwijt sloeg toen op haar eerste man Arruns: (ut elanguescendum) aliena ignavia (esset) (c, 7).

5. Omdat haar nieuwe echtgenoot behalve slap is, ook een moord/moorden op zijn geweten heeft.

6. Door een alliteratie (penates-patrii-patris) en een polysyndeton (et…et…) te gebruiken. Bovendien staat regem (13) met nadruk als laatste woord in de zin.

7. Dat het koningschap hem op een presenteerblaadje wordt aangeboden, terwijl zijn vader er zoveel moeite voor heeft moeten doen.

8. Door het gebruik van de directe rede (speech). Livius suggereert dat Tullia deze woorden zo heeft gesproken, zodat het heel levensecht overkomt als in een roman.



b. Tarquinius presenteert zich als koning (47.6-9)
1. c

2. Servius Tullius.

3. Tullia is de dochter van de huidige koning, maar Servius Tullius zou zoon van een slavin zijn, wat Livius en velen met hem overigens niet geloven, dus haar koninklijke afkomst is niet helemaal zeker.

4. Aan haar man Tarquinius, die door Tanaquil werd gepasseerd als koning ten gunste van Servius.

5. Zijn vader, Tarquinius Priscus, had honderd senatoren benoemd uit de lagere families.

6. Lijfwacht.

7. De greep naar de macht/staatsgreep van Tarquinius.

8. ad regem Tarquinium (12-13)



c. Tarquinius belastert Servius (47.10-12)
1. Door moordenaars die waren ingehuurd door de zonen van de gestorven koning, van wie hij vroeger de voogd was geweest.

2. a. agro, capto ex hostibus, viritim diviso

b. Toen sprak hij over land dat veroverd was op de vijanden (en waarvan kennelijk werd verwacht dat het aan de patriciërs werd toebedeeld) en niet van dat van de aanzienlijken, en noemde hij het volk niet het laagste uitschot: hij overdrijft de situatie om Servius extra slecht af te schilderen.

3. a. Servius heeft 44 jaar geregeerd.

b. ca. 60 jaar.

4. - servum servaque natum (1-2)

- ita natum (5)

- infimi generis hominum, ex quo ipse sit (6)

- alienae honestatis (6-7)
HOOFDSTUK 9 TARQUINIUS SUPERBUS, WORDT VERJAAGD (I, 56-60.4)
1. DE VERKRACHTING VAN LUCRETIA (56-58)
c. Een nachtelijk bezoek (58.1-5)
1. Dat hij in zijn rechterhand zijn zwaard voor Lucretia haar neus houdt.

2. a - asyndeton

- chiasme: nullam – opem: mortem – imminentem

(bijv. nw. – zelfst. nw.: zelfst. nw. – bijv. nw.)

b. maar


3. Haar te doden.

4. 1. Overspel + 2. met een slaaf (en niet met bijvoorbeeld een prins).

5. a. vicisset, victrix, expugnato

b. Dat het puur om een (seksuele) verovering gaat en niets met liefde te maken heeft.

6. Sextus Tarquinius houdt het zwaard in de linkerhand in plaats van in de rechterhand.

d. Lucretia stelt een voorbeeld (58.6-12)
1. Lucretia’s man was niet in Ardea, maar toevallig al op weg naar Rome en hij was in gezelschap van Brutus.

2. De dood van Sextus Tarquinius.

3. b (sibi): als ze zich echte mannen betonen, doden ze Sextus Tarquinius, zodat zijn vreugde voor hem
‘pestiferum’ zal zijn.

4. corpus violatum, animus insons (7-8)

5. Zij vindt dat ze wel straf heeft verdiend (supplicio non libero), zoals alle vrouwen die dit overkomt.

6. Sextus Tarquinius.

7. - mihi…pestiferum (10-11)

- cultrum quem sub veste abditum habebat (17)



2. EINDE VAN DE KONINGSTIJD (59-60.4)
a. Brutus ontpopt zich als leider (59.1-5)
1. - Tullia heeft Tarquinius aangespoord zijn broer (en haar zuster) te doden

- Tulia zat erachter om haar vader van de troon te stoten en te doden

- ze reed met haar wagen over het lijk van haar vader

2. ferro, igni, quacumque dehinc vi

3. a. Dat de voorheen onnozele Brutus zich tot leider van de opstand tegen de koning ontpopt.

b. miraculo rei novae (14)

c. Brutus had steeds gespeeld alsof hij onnozel was.

4. Verbazing over Brutus als leider en verontwaardiging over de daad van Sextus Tarquinius.

5. a. patris maestitia: scelus regium ac vim (15)

Brutus castigator auctorque: miraculo rei novae (14)

b. Chiastische volgorde.

6. - hij roept op om nooit meer een koning toe te laten

- hij roept op om tegen vijanden op te treden, omdat dat Romeinen past

7. - Die waren uitermate verbaasd: van part. coniunctum is een hoofdzin gemaakt

- vanwaar etc.: van afh. vraagzin is een directe vraag gemaakt.



b. De toespraak van Brutus (59.6-10)
1. ‘hij speelde met opzet de rol van onnozele hals’ (pag. 89)

2. miseriae t/m demersae (12-13)

3. De aanleg van de Circus Maximus en het Grote Riool (Cloaca Maxima)

4. ‘de koning zelf werd’ t/m ‘vermoord’ (pag. 80)

5. ‘Dolzinnig’ t/m ‘rijden’ (pag. 81)

6. Chiasme: stupro- infando: miserabili- caede (zelfst. nw.-bijv. nw: bijv. nw.-zelfst. nw.).

7. 1. Gebeurtenissen m.b.t. Lucretia (9-12)

2. Trotse/hoogmoedige gedrag van de koning (12)

3. De ellende van het Romeinse volk (12-15)

4. De schandelijke dood van Servius Tullius (15-17)



c. Koning Tarquinius wordt verjaagd (59.11-13)
1. Dan de misdaden die Livius Brutus al eerder in de mond heeft gelegd.

2. Alle gruwelijke details die Brutus in zijn verontwaardiging te berde brengt.

3. a. Opdat de wraakgodinnen Tullia laten boeten voor de moord op haar vader en de verminking van zijn lijk.

b. invocati ultores parentum di (b, 17)

c. De Furiën, Furiae.

d. De eerste conuls worden benoemd (60.1-4)
1. - harum rerum (1)

- re nova (1)

- motus (2)

2. liberatorem urbis (6)

3. Het Latijn is in het Nederlands in het passief omgezet: de acc. liberatorem is onderwerp geworden en het actieve accepere is met ‘werd’ vertaald.


HOOFDSTUK 12 HORATIUS COCLES
1. PORSENNA BELEGERT ROME (II, 9)
a. Koning Porsenna trekt tegen Rome op (9.1-4)
1. a. consilium : monebant t/m sineret (5-6), preces : orabant t/m pateretur (3-5)

b. Chiastisch: eerst worden de preces uitgewerkt, dan het consilium.

2. aequari summa infimis (8)

3. Tarquinius.

4. Omdat hij het eervol voor de Etrusken vindt als een koning van Etruskische afkomst, dus een Tarquinius, in Rome regeert.

b. De senaat ontlast het volk (9.5-8)
1. Etrusken golden als geduchte vijanden en de angst dat het volk liever vrede had onder een koning dan oorlog, met alle ellende vandien, tijdens de ­republiek.

2. Het gebukt gaan onder het juk van een koningschap, dus het afschaffen van de republiek.

3. multa blandimenta (5)

4. a. - quisquam unus : universus senatus



- malis artibus : bene imperando

b. Chiastische woordvolgorde.

2. HORATIUS COCLES HOUDT DE ETRUSKEN TEGEN (II, 10)
a. Horatius Cocles spoort de Romeinen aan de brug af te breken (10.1-4)
1. Het benadrukt de sterke tegenstelling.

2. Als de Romeinen de vijanden daar niet zouden tegenhouden, zouden ze direct doorstoten naar het centrum van de stad (Palatijn, Capitool).

3. Dat de vijand de Tiber niet kan oversteken, en dus niet snel de stad kan binnenvallen.

4. - asyndeton: monere, praedicere; ferro, igni, quacumque vi



- trikolon (met climax en asyndeton): ferro, igni, quacumque vi

5. - de brug niet te verlaten

- de brug af te breken


b. Horatius Cocles daagt de Etrusken uit (10.5-9)
1. In a, 13-15 zegt Horatius Cocles dat ze de brug moeten afbreken en hijzelf de aanval zal opvangen. De vijand bevindt zich bij de Janiculum, dus daar vangt hij hen op.

De Romeinen zullen de brug vanaf de kant van de stad, waarheen ze zijn gevlucht, afbreken.

2. Hij is de enige die niet vlucht, maar juist tot de aanval overgaat.

3. a. Van Sp. Larcius en T. Herminius.

b. Van de Etrusken.

4. Sp. Larcius en T. Herminius.

5. Chiasme: singulos-provocare: increpare-omnes

6. Horatius Cocles.



c. Dankzij Horatius wordt de brug op tijd gesloopt (10.10-13)
1. conabantur is imperfectum en sustinuit is perfectum. De Etrusken probeerden met een aanval steeds (voortdurende handeling in het verleden) Cocles te verdrijven, toen door gekraak en geschreeuw de aanval ophield (eenmalig moment/feit in het verleden).

2. b


3. publicos honores (12)

4. Horatius kreeg van iedereen, arm en rijk, iets tastbaars voor zijn levensonderhoud in deze moeilijke omstandigheden.

5. De oorlog met koning Porsenna en de Etrusken.

6. rem ausus t/m quam fidei (9)




HOOFDSTUK 13 MUCIUS SCAEVOLA EN CLOELIA
1. MUCIUS SCAEVOLA REDT ROME(12-13.5)
a. Gaius Mucius heeft een plan (12.1-5)
1. - servientem (cum sub regibus esset)(4-5): liberum (5)

- nullo bello t/m esse (5): (ab iisdem Etruscis) obsideri (quorum t/m fuderit) (6-7)

- eundem populum ab iisdem Etruscis obsideri (6): quorum saepe excercitus fuderit (6-7)

2. - populum Romanum – servientem: liberum – eundem populum



- nullo – bello: ab hostibus – ullis

3. Omdat de leefomstandigheden in Rome zó slecht waren door het langdurige beleg, dat de mensen probeerden de stad uit te komen en naar de vijand over te lopen.

4. De Romeinen zouden Mucius ervan beschuldigen een overloper te zijn, als niemand van zijn werkelijke plan op de hoogte zou zijn, omdat er niet genoeg voedsel was.

5. Door ferro (16) denkt de lezer aan moord.



b. De aanslag op de koning mislukt (12.6-11)
1. Dat Mucius de koning niet kon herkennen en de verkeerde man doodde.

2. - de koning en de secretaris zaten naast elkaar en waren eender gekleed

- Mucius durfde niet te vragen wie de koning was uit vrees zich te verraden

3. Er was geschreeuw onder de soldaten ontstaan toen die zagen dat de secretaris werd vermoord.

4. Dat hij terstond ter dood wordt gebracht, na eventuele martelingen.

5. Het doden van de aanvoerder van de vijanden.

6. De directe rede: hij geeft de woorden die Mucius gesproken zou hebben letterlijk weer.

7. Op de zetel zit Porsenna met een dolk in zijn hand, links voor ligt de doodgestoken scriba, Mucius houdt zijn hand in het vuur en rechts staan soldaten van Porsenna.



c. Porsenna laat Mucius ongedeerd gaan (12.12-16)
1. trikolon: iure belli liberum, intactum, inviolatum

2. Hij verklapt zogenaamd het eedverbond van 300 Romeinen: de koning kan iedere dag een moordenaar op zijn stoep aantreffen tot de kans aanwezig is de koning te doden.

3. a. nunc t/m dimitto (10-11)

b. minis (14)

4. circumdari ignes (2)

5. - ferrum hostemque in vestibulo habeas regiae (b, 17)

- uni tibi et cum singulis res erit (b, 19)

6. Bluf, want hij had zijn aanslag zelf bedacht uit verontwaardiging over de Etruskische bezetting, en zijn plan alleen met de senaat besproken (passage a).




d. De vredesvoorwaarden (13.1-5)
1. se slaat op het onderwerp, of logisch onderwerp, dus Porsenna. Livius zou als alwetend verteller eum hebben gebruikt. Ook de conjunctivi texisset en superessent wijzen op een subjectief gegeven.

2. Dat de Romeinen als eerste om vrede zouden vragen.

3. Door Porsenna.

4. De Tarquinii hebben aan Porsenna gevraagd om hen te helpen het koningschap in Rome terug te winnen.

5. Dat de Romeinen het eigenlijk niet wilden.

6. - ze moeten veroverd land teruggeven

- ze moeten gijzelaars geven, als het garnizoen van de Etrusken de Janiculum verlaat.

2. DE DAPPERE CLOELIA (13.6-11)
a. Porsenna eist de gevluchte Cloelia terug
1. patres C. Mucio trans Tiberim agrum dono dedere (d, 13-14)

2. - van de bijzin cum t/m essent is een hoofdzin gemaakt

- van het participium frustrata is een hoofdzin gemaakt

3. Zittend op een paard.

4. in admirationem versus (8)

5. ad propinquos (5)



b. Cloelia wordt geëerd (13.9-11)
1. Cloelia.

2. - in passage a, 2-3 is verteld dat de meisjes al met Cloelia waren gevlucht

- grammaticaal: quos (vellet) (4), quos is een mannelijke vorm

3. - zij was zelf nog een jong meisje, dus ze koos voor leeftijdgenoten

- jonge jongens/mensen hadden het meeste last van gijzelaarschap

4. De nadruk valt op novus door het gebruik van de anafora novam (virtutem) en novo(genere).

5. a. - hij laat Mucius Scaevola vrij uit bewondering voor zijn moed, als hij ziet wat de jongeman zichzelf aandoet, en geeft naar aanleiding hiervan de bezetting van Rome en zijn steun aan de Tarquinii op.

- hij laat uit bewondering voor de actie van Cloelia de gegijzelde meisjes gaan, laat haar vrij en geeft haar nog een deel van de gijzelaars naar eigen keuze



b. virtus (c 10 en 13, a 1, b 3 en 9)

6. Dat volgens andere bronnen dan die Livius gebruikt heeft Rome wél door Porsenna is veroverd.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina