Hoofdstuk 1 en 2- introductie en Sociaal-psychologisch onderzoek



Dovnload 93.39 Kb.
Pagina1/6
Datum23.08.2016
Grootte93.39 Kb.
  1   2   3   4   5   6

Hoofdstuk 1 en 2- Introductie en Sociaal-psychologisch onderzoek


Definitie van sociale psychologie:
De wetenschappelijke studie die probeert te verklaren in hoeverre en op welke wijze gedachten, gevoelens en gedrag van mensen wordt beïnvloed door de expliciete of impliciete aanwezigheid van anderen.

Gedachten: cognities / waarnemingen
Gevoelens: emoties / affect
Gedrag: doen

Sociale psychologie onderscheidt zich van:



  • sociologie

  • psychologie

  • mensenkennis

Fundamentele attributiefout:
De onterechte neiging van mensen om oorzaken van gebeurtenissen en gedragingen vaker toe te schrijven aan kenmerken van personen dan aan de sociale situatie.

Geschiedenis van de sociale psychologie:



  1. Structuralisme (1880). Handelt over de bouwstenen van het bewustzijn. Menselijk brein is opgebouwd uit een aantal losse bouwstenen met elk een eigen functie. Methode: introspectie

  2. Gestaltpsychologie (1912). Het geheel is meer dan de som der delen. Gaat op zoek naar aangeboren organisatieprincipes. Phi-fenomeen (mensen zien dingen die er in werkelijkheid niet zijn, maar waarvan de illusie wordt gewekt dat ze er wel zijn). Mensen construeren een sociale situatie.

  3. Functionalisme (1890). Loopt ongeveer parallel met 2. Het bewustzijn als middel om te overleven. Men gaat op zoek naar de functie van het bewustzijn.

  4. Behaviorisme (1913). Volgt uit 3. Levert grote kritiek op de introspectie-methode. Men gaat het gedrag van mensen bestuderen, geen mentale processen. Stimulus-respons-theorie (alle menselijke gedrag kan hiermee verklaard worden).

Er bestaan twee basale behoeften van de mens:

  • Het streven naar een correct beeld van onszelf en van de wereld om ons heen

  • Het streven naar een goed gevoel over onszelf

Sociaal-psychologisch onderzoek werkt vaak in de volgende stappen:

observeren – inductie – theorievorming – deductie – toetsen



Inductie: algemene theorieën worden afgeleid van specifieke observaties
Deductie: specifieke hypothesen worden afgeleid van algemene theorieën

Er bestaan drie verschillende onderzoeksmethoden:



  • beschrijvend

  • correlationeel

  • experimenteel

Beschrijvend onderzoek


Hierbinnen bestaan verschillende meetinstrumenten:

  • Systematisch observeren. Het subject is zich niet van de aanwezigheid van de observatoren bewust.

  • Participerend observeren. Het subject is zich wel van de aanwezigheid van de observatoren bewust, maar de observator beïnvloedt de situatie niet.

  • Andere meetinstrumenten.

Correlationeel onderzoek


Stel X = persoon 1, Y = persoon 2.
Positieve correlatie: bepaald aspect meer / minder bij X, dan ook meer / minder bij Y.
Negatieve correlatie: bepaald aspect meer bij X, dan minder bij Y (of andersom).
Lage correlatie: Er is geen verband tussen een aspect bij X en hetzelfde aspect bij Y.

Ethische principes van sociaal-psychologisch onderzoek


Informeel consent: Het subject moet goed en volledig geïnformeerd zijn over wat er gaat gebeuren.
Terugtrekken: Het subject moet ten allen tijde kunnen aangeven dat hij / zij wil stoppen met het onderzoek, en dit moet hem / haar ook duidelijk gemaakt worden voor het onderzoek begint.
Debriefing: Het subject moet achteraf een goede en volledige uitleg krijgen over de resultaten van het onderzoek en de conclusies die daar aan verbonden kunnen worden.
Vertrouwelijkheid: De resultaten van het onderzoek en de gegevens van het subject mogen alleen voor de doeleinden van het onderzoek gebruikt worden.

Hoofdstuk 3- Je sociale zelf


Zelfconcept: Het geheel van eigenschappen dat we onszelf toekennen. Het zelfconcept is iets dat zich in de loop van de tijd ontwikkelt. De eerste stap hierin is zelfbewustzijn.

Twee soorten zelfconcept:



  • Individualistisch, onafhankelijk zelfconcept (independent). Dit komt vaak voor in de Westerse landen.

  • Afhankelijk zelfconcept (interdependent). Dit zie je vaak in Azië.

Onder zelfcomplexiteit wordt de stabiliteit van ons zelfconcept in verschillende situaties verstaan. Een lage zelfcomplexiteit houdt in dat ons zelfconcept vaak hetzelfde blijft, hoge zelfcomplexiteit betekent dat ons zelfconcept in verschillende situaties anders is.

Ons zelfconcept kan op verschillende manieren gevormd worden:



  • Introspectie (naar binnen kijken). Problemen die zich hierbij voordoen: er wordt (te) weinig tijd aan besteed, en de motieven voor introspectie zijn vaak onduidelijk (met als gevolg dat mensen verkeerde motieven gaan ‘bedenken’).

  • Observatie van ons eigen gedrag. We krijgen kennis over onszelf door ons gedrag te observeren, mits we het idee hebben dat dat gedrag vrijwillig vertoond wordt.

  • Jezelf vergelijken met anderen. Festinger’s sociale vergelijkingstheorie houdt hiermee verband: men vormt zich een beeld over zichzelf door eigen prestaties en meningen te vergelijken met die van anderen.

  • Herinneringen.

Zelfachting is het gevoel dat we over onszelf hebben. Een hoge zelfachting is belangrijk voor je welzijn. Zelfachting wordt bepaald door een aantal zaken:

  • De discrepantie tussen je reële zelfbeeld (wie ben je) en je ideële zelfbeeld (wie wil je zijn).

  • De mate waarin we onszelf op deze discrepantie focussen (hoe belangrijk is het voor ons), en de mate waarin we onszelf van deze discrepantie bewust zijn.

Over het algemeen zijn mensen zich niet erg bewust van zichzelf, maar het zelfbewustzijn wordt in bepaalde situaties (zoals voor een spiegel staan) wel versterkt. Er zijn hierbij ook duidelijke individuele verschillen: sommige mensen zijn zich vaker en meer bewust van zichzelf dan anderen.

Oplossingen voor een lage zelfachting:

  • Probeer de discrepantie tussen je reële en ideële zelfbeeld te verminderen.

  • Ontsnap aan de staat van zelfbewustzijn (door het vermijden van bepaalde situaties, of je toevlucht te nemen tot alcohol, drugs of uiteindelijk zelfs zelfmoord).

Andere oplossingen zijn de volgende:

  • Self-serving bias

  • Basking in reflected glory (BIRGing): jezelf identificeren met mensen / groepen die succes hebben.

  • Cutting off reflected failure (CORFing): jezelf distantiëren van mensen / groepen die falen.

  • Neerwaartse vergelijking: jezelf vergelijken met anderen die het nog slechter hebben gedaan / getroffen dan jijzelf.

  • Self-handicapping: het jezelf extra moeilijk maken, zodat je bij falen de omstandigheden de schuld kunt geven. Dit wordt door sommige mensen vaker en sterker toegepast dan anderen.

Cognitieve dissonantiereductie (Festinger): we gedragen ons vaak irrationeel. Als onze attitude niet klopt met ons gedrag => cognitieve dissonantie => dit voelt niet prettig => reduceren van dit gevoel (met bovenstaande methoden).

Zelfpresentatie: dit is de gedragsmatige component van ons ‘zelf’.
Motieven:

  • We willen goed overkomen bij anderen (strategische zelfpresentatie).

  • We willen anderen overtuigen van ons zelfbeeld (zichzelf bevestigende zelfpresentatie).

Voor de meeste mensen is het tweede punt belangrijker dan het eerste.



  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina