Hoofdstuk 1: Seksualiteit, burgerij en prostitutie in de negentiende eeuw 3



Dovnload 480.32 Kb.
Pagina1/9
Datum25.07.2016
Grootte480.32 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9
De regulering van Rotterdamse prostituees tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw.

Begeleider: Prof. dr. A Baggerman

Youri Seidler

297444


Master maatschappijgeschiedenis

Juni 2011

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Seksualiteit, burgerij en prostitutie in de negentiende eeuw 3

1.1 Seksualiteit 4

1.2 Burgerij 9

1.3 Man-vrouw verhoudingen en de dubbele moraal 12

1.4 Prostitutie 15

1.5 Bronnen en periodisering 19

1.6 Onderzoeksopzet 23
Hoofdstuk 2: Oorsprong en handhaving van het prostitutie reglement in Rotterdam 25

2.1 De oorsprong van de gereglementeerde prostitutie 25

2.2 Het Rotterdamse prostitutiebeleid 29

2.3 De uitvoering van het beleid 30

2.4 Bestrijding van de clandestiene prostitutie 34

2.5 Conclusie 40


Hoofdstuk 3: Behandeling in het Ziekenhuis voor aan syfilis lijdende vrouwen 42

3.1 Inrichting en personeel 42

3.2 Behandelwijze en kosten 47

3.3 Affaires en corruptie 49

3.4 De patiëntenregisters 55

3.5 Conclusie 59


Hoofdstuk 4: Conclusie 65
Literatuur 72
Bijlage 74

Hoofdstuk 1: Seksualiteit, burgerij en prostitutie in de negentiende eeuw

Op 13 september 2005 werd in De Volkskrant een artikel geplaatst met de titel “'Afwerkplek' kan uit het Rotterdams woordenboek”.1 Het artikel werd geplaatst naar aanleiding van de sluiting van de

Rotterdamse Keileweg. In het artikel gaf de auteur een overzicht van het debat dat gevoerd werd in de Rotterdamse politiek. Een kwart eeuw had Rotterdam de prostitutie behandeld als een noodzakelijk kwaad dat hoorde bij een (wereld)havenstad. Volgens voorstanders zou een prostitutieverbod niet zorgen voor een afname van het aantal prostituees en hoerenlopers. In plaats daarvan zou de bedrijfstak zou zich voortzetten in de illegaliteit waarmee het overzicht voor de overheid zou verdwijnen. Dit was niet alleen puur theoretisch; het was ook empirisch bewezen. Na de sluiting van de roze buurt in Katendrecht eind jaren zeventig had de prostitutie zich namelijk naar het centrum van de stad verplaatst. De overlast werd groter wat uiteindelijk leidde tot de opening van de Keileweg in 1994. De algemene opinie was dat het beter om was te reglementeren dan te verbieden.

Na de overwinning van Pim Fortuyn in 2002 veranderde de Rotterdamse politiek. Politici werden gevoeliger voor de klachten van de burgers. Vanuit de maatschappij werd steeds meer overlast ervaren van de bezoekers en tippelaars van de Keileweg. Dit leidde tot een debat in de gemeentepolitiek over de tippelzone in Rotterdam. De algemene opinie over prostitutie begon te veranderen. De tegenstander gebruikten verschillende argumenten tegen het behoud van de tippelzone. Andere steden met meer inwoners hadden geen tippelzone. Prostitutie was dus niet inherent aan een grote stad. Een ander argument was dat de haven was veranderd. Grotere efficiëntie had ervoor gezorgd dat schepen vaak dezelfde dag nog terugvoeren. Hierdoor bleven matrozen niet meer hangen om hun geld uit te geven. Het belangrijkste argument was gericht op de mensonterende omstandigheden waaronder de prostituees op de Keileweg werkten. Eind 2003 werd vanuit de politiek besloten de tippelzone binnen afzienbare tijd te sluiten.

De Rotterdamse omgang met de prostitutie lijkt een typisch eenentwintigste-eeuws fenomeen. De gereglementeerde prostitutie komt over als een Nederlands construct, dat vaak in één adem wordt genoemd met softdrugs, klompen en tulpen. Een eeuw eerder werd echter bijna precies hetzelfde debat gevoerd met neen soortgelijk doel en grotendeels dezelfde argumenten. Prostitutie was geïnstitutionaliseerd geworden en bordeelhouder een erkend beroep. Eind negentiende eeuw ontstond steeds meer weerstand vanuit de maatschappij tegen de prostitutie. De tegenstand kwam uit verschillende delen van de samenleving. Vanuit morele overwegingen pleitten de tegenstanders tegen de instandhouding van de gereglementeerde prostitutie. De voorstanders van reglementering waren vooral medici die als argument naar voren brachten dat de mannelijke lusten niet te onderdrukken waren en daarom prostitutie als een noodzakelijk kwaad zagen. De uitkomst van het debat was hetzelfde, namelijk het verdwijnen van de gereglementeerde prostitutie.

Het is niet verrassend dat veel wetenschappers hebben geschreven over prostitutie. Het is een fenomeen dat al lang en in veel samenlevingen voorkomt, vaak onderwerp is van maatschappelijke afwijzing maar nooit lijkt te verdwijnen. In deze thesis zal onderzocht worden hoe werd omgegaan met prostitutie in Rotterdam halverwege de negentiende eeuw. In het eerste hoofdstuk zal een overzicht worden gegeven van de belangrijkste literatuur met betrekking tot het onderwerp van deze thesis. Ik zal proberen de belangrijkste werken samen te vatten, tegenover elkaar te zetten en te vergelijken. Vanuit algemene werken over de negentiende-eeuwse maatschappij zal steeds dieper worden ingegaan op de prostitutie. In de eerste drie paragrafen wordt een beeld gegeven van de negentiende-eeuwse denkbeelden over seksualiteit, verhoudingen tussen de seksen en de burgercultuur. Als eerste komt de ontwikkeling van seksualiteit in de samenleving aan bod. Wetenschappers als Michel Foucault en Norbert Elias hebben geschreven over de machtsrelaties binnen (Westerse) samenlevingen en op welke manier die de seksualiteit regelden. Vervolgens zal het werk van Jos van Ussel centraal staan. Aan de hand van de denkbeelden van de burgerij zal een beeld worden gecreëerd van de ideeën over en de omgang met seksualiteit in de eind negentiende-eeuwse maatschappij. Vervolgens wordt literatuur besproken waarin de ontwikkeling van de prostitutie is beschreven, met name het werk van Martin Bossenbroek en Jan Kompagnie zal hier centraal staan. In de laatste paragraaf zal de onderzoeksopzet alsmede enkele methodologische keuzes verduidelijkt worden.


1.1 Seksualiteit

In Jos van Ussel's Geschiedenis van het seksuele probleem uit 1968 wordt de omgang met seksualiteit van grofweg de zestiende tot en met de eerste helft van de twintigste eeuw beschreven. Volgens Van Ussel was seksualiteit geen probleem ten tijde van de zestiende eeuw.2 Het idee dat seksualiteit geen probleem was in het verleden, duidt erop dat dit wel het geval is in de huidige samenleving. Van Ussel wilde deze verschuiving onderzoeken. Hij begon zijn onderzoek met het analyseren van opvoedkundige geschriften uit de zestiende eeuw. Als voorbeeld voor de vroege omgang met seksualiteit deed hij een vergelijkend onderzoek naar verschillende uitgaven van Erasmus' Colloquia.3 Dit werk van Erasmus zou meerdere keren herdrukt worden, maar de nieuwe versies zouden in de loop van de tijd beetje bij beetje aangepast worden. Woorden die in de zestiende eeuw gangbaar waren, werden 100 jaar later te expliciet bevonden. Volgens Van Ussel valt op deze manier de eerste verschuiving ten opzichte van seksualiteit waar te nemen.

Het werk van Van Ussel kan geplaatst worden binnen de civilisatietheorie van Norbert Elias. In Über den Prozess der Zivilisation. Soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen produceert Elias de theorie dat de ontwikkeling van Westerse maatschappijen ervoor heeft gezorgd dat het driftleven geremd werd. De processen van staatsvorming en civilisatie in West-Europa leidden tot verandering van de leefwijze binnen de maatschappij.4 Van Ussel betoogde dat het civilisatieproces, waarmee hij modernisering, urbanisatie, veranderde sociale verhoudingen en arbeidsomstandigheden bedoelde, hebben geleid tot een toenemende onderlinge afhankelijkheid tussen mensen. Deze grotere afhankelijkheid zou als gevolg hebben dat mensen meer rekening met elkaar moesten houden, waardoor een nieuw systeem van waarden, normen en sociale gedragspatronen ontstond. In de eerste plaats werden de sociale normen opgelegd van buitenaf. Gedragsregels kwamen niet voort uit de mens zelf maar waren een construct dat van bovenaf opgelegd werd . Dit kon alleen plaatsvinden met behulp van een steeds omvangrijker staatsapparaat en groeiende interdependentie tussen mensen. Dit noemt Van Ussel, in navolging van Elias, Fremdzwang. Hij beschrijft dit als politionele dwang die regelgeving oplegt.5 Vanuit de Fremdzwang ontwikkelde zich de Selbtzwang. Dit is de verinnerlijking van de gedragspatronen die eerst van buitenaf opgelegd werden.6 De taboes en voorschriften zijn tot regel geworden gedragspatronen.7 De ontwikkeling van de moderne maatschappij zorgde ervoor dat mensen sociaal dichter bij elkaar kwamen te staan. De verticale machtsstructuur werd vervangen door een horizontale waarin mensen sociaal gelijk en wederzijds afhankelijk zijn. Dit heeft als gevolg dat mensen sociale regels bij elkaar afdwingen.8 De overgang van Fremd- naar Selbtzwang evolueerde in een periode van eeuwen, het was geen plotselinge overgang.9

Een gevolg van de overgang van Fremd- naar Selbtzwang is het ontstaan van een schuldcultuur.10 In een maatschappij waar sprake is van Fremdzwang is het zedelijkheidsgedrag en de sociale integratie van een persoon gericht op een uitwendige autoriteit, bijvoorbeeld de overheid, ouders of geestelijkheid. Bij afwijkend gedrag wordt de persoon veroordeeld door de machten van buitenaf, de openbare mening. In een maatschappij waarbij regelgeving van buitenaf opgelegd wordt, is er sprake van een schaamtecultuur. Door de ontwikkeling van Selbtzwang gaat men streven naar een gerust geweten. De mens gaat zichzelf veroordelen voor wat hij fout heeft gedaan. Het conflict wordt een innerlijke kwestie. Overtreden van de sociale normen leidt daardoor tot schuldgevoel in plaats van schaamte.

De overgang van een schaamte- naar een schuldcultuur heeft als gevolg dat uit angst voor verkeerde gedachten en gedrag, onderdrukking van gevoelens ontstaat. De gevolgen hiervan zijn de erotisering van en overgevoeligheid voor eerder normaal gevonden objecten. Onderdrukking van gevoelens leidt ertoe dat directe en symbolische verwijzingen naar seksualiteit een probleem worden. Als voorbeeld hiervan geeft Van Ussel het ontstaan van een cultuur waarin de vrouwelijke borst tot erotisch object wordt gemaakt. Aan de hand van voorbeelden uit de kunst en geschriften toont hij hoe de borst voorheen geen seksuele lading had. Als gevolg van de ontwikkeling van een schuldcultuur werd het seksuele uit de openbaarheid verdrongen.11 De grotere gevoeligheid voor het seksuele leidde tegelijkertijd tot een grotere vijandigheid tegenover prikkels waardoor seksualiteit uit het openbare leven werd gedreven.12 Om zijn beweringen kracht bij te zetten geeft Van Ussel een overzicht van de verschillende manieren van omgang met seksualiteit tussen de zestiende een negentiende eeuw. De slaapkamer werd tijdens de zestiende eeuw vaak nog met gasten en kinderen gedeeld, maar tijdens de negentiende eeuw veranderde de slaapkamer in een mystieke ruimte waar bezoek niet welkom was.13 Een andere verschuiving die Van Ussel signaleerde was de seksualisering van de naaktheid. Hij omschrijft hoe mensen in de zestiende eeuw elkaars naaktheid niet als aanstootgevend of seksueel beschouwden. Met de verinnerlijking van seksualiteit en samenleving verdween naaktheid uit de openbaarheid en werd het in het seksuele domein geplaatst.14

Vanaf het moment dat seksualiteit uit de openbaarheid verdween, werd het een maatschappelijke probleem. Seksualiteit was niet meer bespreekbaar en vooral de voorlichting en inwijding van de jeugd in het seksuele werd een problematische kwestie. Van Ussel geeft een aantal mogelijke oorzaken voor het ontstaan van wat hij 'het seksuele probleem' noemt. Zo zou het een onbedoeld resultaat kunnen zijn van het moderniseringsproces, het gevolg van het aanbrengen van levensfases, oftewel de afzondering van kinderen uit de volwassenenwereld, of de bewuste actie van godsdienstige groepen.

Het werk van Van Ussel is gebaseerd op de civilisatietheorie van Elias. Deze theorie behandelt de ontwikkeling van de Westerse maatschappij in zijn geheel. Van Ussel heeft het werk van Elias gebruikt en verfijnd op het gebied van de seksualiteit. Een tegenstander van Elias' civilisatietheorië is Hans Peter Duerr. Volgens Duerr zorgen de civilisatie en staatsvorming er juist voor dat de lijnen tussen personen en bestuur langer werden. Hierdoor kennen mensen elkaar steeds oppervlakkiger en was er geen gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid. Volgens Duerr weerlegt dit Elias' theorie van voortgaande normering. Juist in kleinere samenlevingsverbanden was er sprake van veel striktere normering.15 Een belangrijk punt dat Duerr over het hoofd ziet, is het ontstaan van grotere sociale gelijkheid die zich ontwikkelde als gevolg van het civilisatieproces. In een klein samenlevingsverband zoals een dorp was er veel sociale controle, maar de vraag is of dit veroorzaakt werd door een groter gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid of door meer sociale gelijkheid. Duerr gaat voorbij aan de notie van Elias dat de verticale machtsstructuur vervangen werd door een horizontale machtsstructuur. Door de horizontale machtsstructuur ontstaat grotere gelijkheid en werden waarden en normen door de samenleving aan zichzelf opgelegd. In een maatschappij met een bepaalde mate van sociale gelijkheid, ontstaat een (onbewust) debat en verinnerlijking van de sociale norm.

In 1976 verschijnt het eerste deel van Michel Foucault's Histoire de la sexualité. In dit werk geeft Foucault een nieuwe verklaring voor de veranderde omgang met seksualiteit. Volgens hem werd seksualiteit niet uit het openbare leven verdreven, maar juist bespreekbaar gemaakt tijdens de achttiende eeuw.16 Allereerst werd de waarheid aan het licht gebracht om die vervolgens te verhullen. “Veel meer dan een negatief uitsluitings- of verwerpingsmechanisme, gaat het om een fijn vertakt net van vertogen, vormen van weten, lusten en machten dat onder stroom wordt gezet. Het gaat om processen die haar uitzaaien aan de oppervlakte van de dingen en de lichamen, die haar prikkelen, openbaar maken en tot spreken brengen, haar in het werkelijke inplanten en haar gebieden de waarheid te zeggen: een complete zichtbare fonkeling van het seksuele waarin de veelvoud van de vertogen, de hardnekkigheid van de machten en de wisselwerking van weten en lust weerkaatsen.”17 In Histoire de la sexualité zet Foucault uiteen hoe seksualiteit zich in West-Europa heeft ontwikkeld. Hij bezigt de hypothese dat de maatschappij die in de achttiende eeuw tot ontwikkeling komt, de seks niet verborgen heeft, maar juist een heel apparaat in gang heeft gezet om deze te erkennen.18 De achttiende-eeuwse maatschappij heeft de kennis die zij verkreeg geprobeerd om te zetten in waarheid door middel van regels en normering.

Foucault begint zijn betoog met de veronderstelling dat de laatste drie eeuwen steeds meer aandacht was ontstaan voor seksualiteit en dat er ten tweede een versterking en inplanting van een stelsel van tegenstrijdige vormen van seksualiteit had plaatsgevonden.19 De grotere aandacht voor seksualiteit en ontwikkeling van de wetenschap had geleid tot een medisch vertoog, waarbinnen twee stromingen actief waren. Allereerst een biologische stroming (fysiologie van de voortplanting) en ten tweede een medische stroming (geneeskunde van de seks).20 De biologische stroming richtte zich puur op het lichamelijke aspect van de voortplanting. De geneeskunde van de seks beschrijft Foucault als 'de wil tot niet weten'. Volgens hem waren medici bezig met het systematisch verhullen van de waarheid. Dit is iets anders dan de ogen afwenden voor seksualiteit zoals bijvoorbeeld Van Ussel beweert. Eerst moesten alle aspecten ontdekt worden waarna deze afgeschermd werden van de samenleving door richtlijnen en adviezen te ontwikkelen die geen ruimte lieten voor het afwijkende.21

Om de Westerse omgang met seksualiteit te verklaren maakt Foucault gebruik van twee strategieën waarop de waarheid rondom seks gebaseerd werd. De eerste strategie baseert zich op de zogenaamde Ars Erotica. Seksualiteit en de omgang met seks wordt verklaard vanuit de lust. Door ervaring en praktijk, wordt seksualiteit beleefd en ontstaan gedragspatronen. De omgang met seksualiteit is dus gebaseerd op de beleving. Als voorbeeld van landen met een Ars Erotica systeem noemt hij India, Japan, China en de meeste Arabisch-Islamitische landen. Westerse landen hebben zichzelf een ander systeem eigen gemaakt, de zogenaamde Scientia-sexualis.22 Om de waarheid over seks uit te dragen werden procedures ontwikkeld die zijn geordend rondom een 'weten-macht'. Vanaf de Verlichting ging de wetenschap zich met seksualiteit bezighouden. Dit gebeurde toen vooral in samenhang met de opkomende bevolkingsproblematiek. Hierdoor ontwikkelde zich de bevolkingspolitiek.23 Het werd nodig om de seksualiteit te reguleren. De verspreiding van een medisch en pedagogisch discours leidde uiteindelijk tot beleidsadviezen waardoor ideeën vanuit het discours in de praktijk worden gebracht. Dit leidde tot een proces van regulering en normalisering.24 De omgang met seksualiteit en de “waarheid” in de maatschappij kwam voort uit de bevindingen van de medici. In tegenstelling tot Van Ussel, die de regulering van seksualiteit zag als een gevolg van het civilisatieproces, ziet Foucault de ontwikkeling van de wetenschap als één van de belangrijkste sturende instanties binnen de maatschappij.

Er zijn echter ook overeenkomsten tussen Van Ussel en Foucault. Foucault signaleert vanaf het begin van negentiende eeuw dat aan de bekentenis binnen de maatschappij steeds meer belang werd gehecht. Vooral de biecht heeft over een lange periode een grote rol gespeeld in het vertoog over seksualiteit.25 Dit komt grotendeels overeen met het ontstaan van de schuldcultuur die Van Ussel beschrijft. Het was niet meer belangrijk om enkel te zeggen wat er gebeurd was, maar om in en rondom seksualiteit de gedachten te reconstrueren.26 Een andere overeenkomst tussen Foucault en Van Ussel is de invloed die de mensen zelf hadden op het ontstaan van sociale gedragspatronen. Volgens Foucault waren alle mensen verstrikt in een net van veelvoudige en veranderlijke machtsrelaties waarop zij individueel geen invloed hadden. Doordat de mens deel uitmaakt van de samenleving is hij zelf onderdeel van ‘de macht’. Deze macht is zich in de loop van de tijd steeds meer toe gaan leggen op de disciplinering van de individuele lichamen en het reguleren van de bevolking als geheel. De macht die de seksualiteit reguleert is volgens Foucault een onzichtbare macht zonder duidelijk machtscentra.27 Zonder al te veel verbeelding valt de ontwikkeling van de Selbtzwang die Van Ussel waarneemt te vergelijken met het net van veelvoudige machtsrelaties, waarbij er niet meer sprake is van een verticale machtsstructuur, maar van een horizontale structuur zonder machtscentra.

Een voorbeeld van de toepassing van Foucault’s ideeën in historisch onderzoek vinden we in het boek Sex, politics and society van Jeremy Weeks. Volgens hem was de taak van de vrouw in de negentiende eeuw slechts om te zorgen voor reproductie. Weeks beschrijft hoe de reproductieve rol van de vrouw eind negentiende eeuw werd afgewezen. Volgens hem was dit geen gevolg van de seksuele bewustwording van vrouwen, maar zorgde economische neergang aan het eind van de negentiende eeuw ervoor dat de gezinsgrootte beperkt werd door een gebrek aan voedsel.28 Een opvallende uitspraak die haaks staat op wat Thimo de Nijs schrijft in zijn boek In veilige haven. Hij beschrijft juist de opkomst van het feminisme als een beweging die ervoor zorgde dat de dubbele moraal niet meer als vanzelfsprekend werd geaccepteerd. Weeks doet nog een aantal andere opmerkelijke uitspraken. Zo geeft hij een beschrijving van hoe de middenklasse met de arbeidersklasse omging. De moralisten van de middenklasse zouden gericht zijn op het oproepen van angst ten opzichte van seksualiteit om zo de arbeidende klasse aan te sporen tot een vromer leven.29 Volgens de moralisten was het probleem dat binnen de arbeidende klasse het gezin niet langer kon bestaan. Door industrialisatie werd de vrouw gedwongen om te werken en hield het traditionele gezin op met bestaan. Weeks merkt op dat de voor-huwelijkse seks onder vrouwen uit de arbeidende klasse niet het gevolg was van zedeloosheid, maar werd veroorzaakt doordat zij moesten werken. Hierdoor zouden zij pas later trouwen. De veranderde sociale relaties in de industriële samenleving beïnvloedden de seksuele uitingen van de arbeidersklasse.30
1.2 Burgerij

Uit de werken van Foucault en Van Ussel blijkt dat er met de ontwikkeling van de moderne samenleving een nieuwe klasse ontstond die een belangrijke rol zou spelen in de manier waarop de maatschappij zich ontwikkelde. Modernisering zorgde voor herstructurering van de samenleving. In plaats van de klassieke standen van de adel, geestelijken en arbeiders, ontstond een nieuwe groep die niet meer zelfvoorzienend was, maar door middel van handel ook rijkdom kon vergaren. Deze klasse wordt meestal de burgerij genoemd. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond hierdoor een nieuwe vorm van sociale vrijheid. Afkomst werd minder belangrijk voor de sociale positie. Het was mogelijk om te stijgen op de sociale ladder door hard te werken. De grotere sociale vrijheid had nog een ander gevolg. Waar voorheen de scheiding tussen klassen overzichtelijk was, vervaagden de grenzen tussen klassen. Voor het ontstaan van de burgerij waren er duidelijke voorschriften over de omgangsvormen tussen verschillende klassen. Personen van adel verwachtten bepaalde manieren en omgangsvormen van lagere klassen. Door het tentoonspreiden van manieren en gebruiken was duidelijk wie tot welke stand behoorde en hoe je jezelf diende op te stellen tegenover iemand van een andere sociale klasse.31 De afstand tussen adel en arbeiders werd door de samenleving in stand gehouden. De burgerij ging juist haar normen en waarden uitdragen als de 'juiste' levenswijze. Met andere woorden, de burgerlijke stand probeerde om de arbeidende klasse op te voeden tot het leven dat ze zelf leidde. De burgerij had als ideaal om de samenleving te vormen naar hun voorbeeld. Ironisch genoeg neemt De Nijs waar dat de burgerij zich aan het eind van de negentiende eeuw af begon te keren van het huiselijkheidsideaal naarmate deze levensstijl voor meer mensen haalbaar werd. De moralistische levenswijze van de burgerij heeft ervoor gezorgd dat de burgerij een grote invloed heeft uitgeoefend op de samenleving van de negentiende eeuw. Historici zijn het er niet over eens wanneer de burgerij haar hoogtij beleefde.

Hoewel de opkomst van een burgerlijke klasse zorgde voor een vorm van sociale vrijheid, moet opgemerkt worden dat iemand uit de hogere burgerij niet zomaar geaccepteerd zou worden in adellijke kringen. Iemand uit de lagere burgerlijke klasse zou ook niet zomaar geaccepteerd worden binnen de hogere burgerij. De Nijs toont dit aan in de inleiding van zijn boek waar hij de Pincoffs-affaire beschrijft. De 'self-made' Rotterdamse zakenman Lodewijk Pincoffs werd ondanks zijn vergaarde vermogen nooit echt geaccepteerd binnen de sociale kringen van de hogere burgerij.32 Het is de vraag in welke mate de burgerij echt als een aparte klasse gezien kan worden. De Nijs heeft kritiek op het gebruik van de term 'burgerij' door historici. De personen die door historici tot de burgerlijke klasse worden gerekend, verschillen soms net zoveel van elkaar als een arbeider van een adellijk persoon. De Nijs stelt zichzelf de vraag wat de overeenkomsten waren tussen artsen en advocaten enerzijds en winkeliers en ambachtslieden anderzijds.33 Toch werden deze personen vaak tot één klasse gerekend door historici. Zijn kritiek richt zich op het stratificatieonderzoek wat dateert uit de jaren '70 en '80 van de twintigste eeuw. Stratificatieonderzoek zou zich teveel concentreren op economische determinanten van sociale ongelijkheid als beroep, inkomen en vermogen enerzijds en te weinig aandacht hebben geschonken aan sociale interactie tussen mensen anderzijds.34 Pieter Stokvis verdeelt de samenleving in drie standen die volgens hem tegelijkertijd de klassen waren. Zo onderscheidt hij de gegoede burgerij, de kleinere burgerij en de arbeidende klasse.35

Naast de vraag wie wel en niet tot de burgerlijke klasse behoorde, is het de vraag in welke periode de burgerij de meeste macht uitoefende. Over het algemeen wordt verondersteld dat de invloed van deze klasse het grootst was tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw. Zo is Van Ussel van mening dat omstreeks 1860 de glorietijd was van de burgerij. Toen stond het seksuele probleem meer dan ooit voorop. De seksuele waarden die door de burgerij werden opgedrongen, bleken niet haalbaar in de praktijk. In de praktijk speelde het gezinsleven zich af in een verstikkende atmosfeer en was de seksualiteit sterker dan ooit aanwezig in de vorm van prostitutie.36 Binnen de lagere klassen heersten vrijere vormen van seksuele omgang. Van Ussel is van mening dat de Victoriaanse preutsheid ervoor heeft gezorgd dat een sfeer van obsessie, verdringing en onwetendheid is ontstaan rondom seksualiteit. Dit had als resultaat frigide vrouwen, seksuele onkunde van de man en angst voor het lichamelijke.37

Net zoals Van Ussel proberen Stokvis en De Nijs hun werk te plaatsen in een veranderlijke negentiende-eeuwse maatschappij. Stokvis registreert een aantal veranderingen op het gebied van de structuur van stad en platteland, sociale geledingen en verhoudingen, kerkelijke gezindten en maatschappelijke scheidslijnen. Volgens hem zorgde technologische ontwikkeling ervoor dat de manier van leven en het historisch bewustzijn veranderden in de loop van de negentiende eeuw. Gedurende de eerste helft werd het platteland als rustgevend en ontspannend ervaren. Rond 1885 zou de algemene mening over het platteland180 graden gedraaid zijn. Na 1885 stond het platteland te boek als vormelijk en ouderwets, de stad als modern en enerverend.38 Dit is volgens Stokvis een weerspiegeling van de overgang van pre-industriële samenleving naar een industriële samenleving in het laatste kwart van de negentiende eeuw.39



Alain Corbin heeft zich bezig gehouden met de veranderingen in het bewustzijn van de negentiende-eeuwse burgerij. Zo heeft hij zich onder meer gericht op de ambities van de burgerij, het ervaren van tijd en ruimte, de dromenwereld en vrije tijdsbesteding. Het onderzoek van Corbin is gebaseerd op secundaire literatuur en is gericht op de Franse burgerij. Hij schenkt veel aandacht aan de ontwikkeling van het denken en de geest. Dit geeft een meer filosofische benadering die interessante perspectieven biedt. Zo schrijft hij over de ambities van negentiende-eeuwse jongeren dat studenten aan lycea liever een baan als ambtenaar wilden dan dat ze de zakenwereld in gingen. Dit lijkt te verschillen met de Nederlandse situatie waar ambtenaren minder verdienden en daarom meestal niet tot de burgerij hoorden. Ook schrijft hij dat mensen in arbeiderskringen zo trots waren op hun vakbekwaamheid dat ze daarom niet wilden overgaan naar een andere sociale klasse.40 Ondanks grotere sociale vrijheid zouden arbeiders bewust gekozen hebben om hun sociale positie te behouden. Dit verschilt van de meeste literatuur waarin wordt uitgegaan van een vooruitgangsgedachte waarbij de arbeiders zich kunnen ontwikkelen en mogelijk opwerken.

Over het ervaren van tijd en ruimte schrijft Corbin dat er sprake was van een nieuwe manier om ruimte te ervaren. Dit zou blijken uit de manier waarop reizen beleefd werden. Tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw veranderde de serene rustige rondreis, waarbij men van stad tot stad trok om monumenten en kunst te bekijken, in een gebeurtenis die diende om nieuwe ervaringen op te doen.41 Na 1830 verbreedden de wegen van de fantasie zich. In plaats van gevoelsmatig te dromen gingen mensen steeds meer fantaseren over exotische orden en vreemde plaatsen.42 Oorzaak hiervan was het burgerlijke ideaal waarbij men steeds volgens strikte regels moest leven en er barrières werden opgeworpen die de gedragingen bepaalden. Ook een nieuwe striktere omgang met tijd was hier een oorzaak van.43 Het dromen ontwikkelde zich ook op een andere manier. Door het burgerlijke ideaal voor kuisheid dat gold van circa 1850-1870 hadden mensen meer erotische dromen voorheen volgens Alfred Maury.44



  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina