Hoofdstuk 1: Wat is Psychologie? §1: De Psychologie en haar studieobject



Dovnload 0.82 Mb.
Pagina1/11
Datum24.08.2016
Grootte0.82 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11
Hoofdstuk 1: Wat is Psychologie?

§1: De Psychologie en haar studieobject

  1. De voorgeschiedenis van de psychologie als wetenschap

Inleiding

Ebbinghaus: stichter van de moderne geheugenpsychologie

1879: geboortejaar van psychologie al zelfstandige en empirische wetenschop, jaar dat Wundt het eerste psychologische laboratorium stichtte

Woord psychologie voor de eerste keer gebruikt op het einde van de 16e eeuw door Göckel, term psychologie wordt pas echt ingevoerd op het einde van de Middeleeuwen.

Onze christelijke beschaving heeft steeds een impliciete opvatting over de menselijke natuur gehad. Het ontwikkelen van regels voor onze samenleving veronderstelt een zekere kennis van het menselijk handelen.
Erfenis uit de wijsbegeerte


  • Plato en Aristoteles: eigen conceptie over de ziel van de mens

  • Augustinus: houdt zich bezig met de analyse van de menselijke geest. De ziel vat hij op als ondeelbaar en spiritueel, het lichaam als sterfelijk en materieel. Hoewel de ziel niet ruimtelijk uitgebreid is, heeft ze wel invloed op het lichaam.

  • Thomas van Aquino: bekrachtigt het onderscheid tussen geest en lichaam door de mens te zien als centrum van driften door de wil beheerst.

  • René Descarten: in het menselijk organisme is er een res extensa en een res cogitans. Res extensa omvat het lichamelijk functioneren en kan wetenschappelijk benaderd worden. Res extensa wordt door de res cogitans beheerst. De mens al denkend wezen en centrum van vrije wil kan niet wetenschappelijk benaderd worden dus kan de psychologie zich niet ontwikkelen als wetenschap. Geest moet met het lichaam in interactie kunnen treden, deze interactie vindt plaats in de pijnappelklier.

  • 3 opeenvolgende copernicaanse revoluties

  1. nicolaus copernicus -> Giardano Bruno -> Galileo Galilei

copernicus: aarde is niet centrum van het heelal, zon draait niet rond aarde

Bruno: er zijn meerdere zonnen en meerdere aarden, waarbij ieder om zijn eigen zon draait en waarop mogelijk ook denkende wezens huizen.-> stoot op protest van kerk, nieuwe kosmologie vindt geleidelijk ingang door het werk van Kepler

Galilei: ontdekt met de telescoop de manen van Jupiter en de fasen van Venus -> protest van inquisitie

=>terwijl vroeger de mens gezien werd als centrum van Gods creatie, wordt de mens slechts een levend wezen op aarde die zelf ingeschakeld is en een veel ruimer systeem van het heelal.

2. Charles Darwin

verschillende diersoorten hebben zich in de evolutie gedifferentieerd en de hoogste trap in de ontwikkeling is het menselijk dier -> darwinisme: verklaart het ontstaan van nieuwe soorten door natuurlijke selectie

struggle for life – survival of the fittest – natural selection, door deze selectie ontstaan ook de opeenvolgende diersoorten waaran 1 soort de mens is.

3. Sigmund Freud

mens heerst niet over zijn eigen handelen, er is geen sprake van vrije wil, wetenschappelijke benadering van psychologie wordt mogelijk wanneer aangenomen wordt dat het handelen van de mens onderworpen is aan wetmatigheden die de vrije wil overstijgen, Freudiaanse benadering kan niet wetenschappelijk genoemd worden.
Impliciete mensopvatting

Intuïtieve mensenkennis: niet alleen begrijpen van een individu in zijn eigenheid en in het voorspellen van het individuele gedrag , maar eveneens het formuleren van algemene uitspraken over de mens in het algemeen.

Als gewone mensen hebben wij bepaalde gemeenschappelijke opvattingen over het menselijk gedrag, deze opvattingen behoren tot de intuïtieve mensenkennis, het geheel van opvattingen over men en wereld dat voor het dagelijks leven maatgevend, vanzelfsprekend en gewoon is. De psychologie van de intuïtieve mensenkennis is geen expliciete leer over de mens.-> folk psychology: kenmerkt zich door een vocabulair waarin mentalistische concepten als meningen, verlangens, pijn, verwachtingen, bedoelingen,… een essentiële rol spelen in de gedragsverklaringen. Naast aanduiding van de soort mentale toestand is wat iemand denkt of wil essentieel bij het vaststellen om welke mentale toestand het precies gaat -> verwijzing naar de inhoud van de gedachte of het verlangen is grotendeels bepalend voor de identificatie van de mentale toestand. Gedragsverklaringen bestaan uit het aangeven van de voor het optreden van dat gedrag doorslaggevende opvattingen en verlangens. Er is een antwoord op de vraag welke opvattingen en verlangens een causale rol in een bepaalde episode hebben gespeeld. Meningen en wensen worden opgevat als in principe onafhankelijke entiteiten -> opvattingen zijn functioneel discreet, ze zijn individueel aanwijsbaar.

Folk psychologie bestaat uit impliciete wetmatigheden en generalisaties over mentale toestanden, daarbij gaat het om het feit dat als bekend is wat iemand denkt en wil, het gedrag van die persoon begrijpelijk, verklaarbaar en voorspelbaar is. Meestal bestaat er een logisch verband tussen de causaal opeenvolgende mentale toestanden in een gedachtenketen. Deze mentale toestanden zijn inhoudsvol, causaal werkzaam en functioneel discreet.

Er bestaan grote verschillen tussen de folk psychologie van verschillende culturen, studie hiervan: ethnopsychologie

GEVAREN VAN INTUÏTIEVE MENSENKENNIS



    • vaag

    • inconsistent

    • geen verklaring

    • niet kritisch geëvalueerd

    • te normatief

WANNEER WORDT ONDERZOEK ECHT WETENSCHAPPELIJK?

      • geformuleerd in toetsbare taal

      • mogelijkheid moet openblijven de uitspraken voortdurend aan kritiek en toetsing te onderwerpen

      • uitgangspunt moeten empirisch-geobserveerde gegevens zijn

      • gegevens moeten systematisch verzameld zijn, groep moet representatief zijn

      • eenduidige verklaringen waardoor anderen verklaringen voor hetzelfde verband uitgesloten worden




  1. Studieobject en werkwijze van verschillende stromingen in de psychologie

ACADEMISCHE PSYCHOLOGIE

Introspectiepsychologie

  • Wundt: stichter van wetenschappelijke psychologie: 1879

  • Amerikanen probeerden aan te tonen dat James al 1875 een laboratorium oprichtte

  • Methodes:

    • Van buitenaf (reactietijden)

      • 1796: maskelyne ( aan basis van de eerste vormen van experimentele psychologie) -> Kinnebrook -> Bessel ->Walbeck

      • gedankenmesse: verbouwde slingeruurwerk van Wundt – 8e seconde tussen de verwerking van 2 waarnemingen is de tijdsduur van de snelste gedachte => ons bewustzijn kan geen 2 voorstelling tegelijk bevatten

      • perceptie: het passief opnemen van een prikkel in het bewustzijn, voorstelling ligt in periferie van het gezichtsveld, apperceptie: impliceert aandacht en omvat bewust interpreteren van een prikkel, aandacht is precies op voorstelling gericht

  • van binnenin: introspectie

Bij zorgvuldige introspectie blijkt de bewuste ervaring uit 2 elementen te bestaan: gewaarwordingen en gevoelens

Gewaarwordingen: in te delen volgens 4 eigenschappen: modaliteit; kwaliteit, intensiteit en duur



Gevoelens: aangename, spanning, activerend

  • Mentale scheikunde van Titchener: alle activiteiten van binnenuit konden herleid worden tot specifieke elementaire gewaarwordingen. Hij probeerde om een tabel van Mendeljev te construeren van elementaire gewaarwordingen, de psychische moleculaire structuurelementen.

Stimulus error: na zorgvuldige training kan deze afnemen zodat enkel nog de rapportering overblijft van de stimulus-ervaring

  • Van de 2 methoden: analyse van reactietijden en introspectie, raakt introspectie zwaar in discrediet: het gebrek aan eenheid in de gegevens van de introspectie raakte direct aan de uitvoerbaarheid van zijn onderzoeksproject, de combinatie van de 2 methodes is ook nooit overtuigend overgekomen.

  • Völkerpsychologie: de mens leeft in maatschappelijke verbanden die een lange ontwikkelingsgang hebben doorgemaakt. In culturele producten komt de ontwikkeling van de hogere mentale functies en de manier waarop die werken tot uitdrukking. Het idee dat de geest zich uitdrukt in instituties en cultuur gaat terug op de idealistische opvatting dat de geschiedenis moet worden gezien als een proces waarin de geest de wereld bewerkt en zo tot groter zelfbewustzijn komt, een idee dat een belangrijk onderdeel uitmaakt van de geesteswetenschappen

  • Herwaardering voor Wundt: informatieverwerking

  • Reactie op introspectiepsychologie:

            • Akt-, Denk-, Gestaltpsychologie

            • Naïef behaviorisme en neobehaviorisme


Behaviorisme

  • Wijst het studieobject en de werkwijze van de introspectiepsychologie af.

  • Vertrekt van objectieve feiten: In bepaalde situaties voert de persoon bepaalde handelingen uit.

  • Studieobject psychologie: verbanden tussen prikkels en reacties

  • Geestelijke vader: Watson

  • Geen scheidingslijn tussen mens en dier

  • Watson: 2 argumenten ter verdediging van zijn programma

      • Hij verwoordt de onvrede die in brede kringen over de introspectie bestond: Introspectie levert subjectieve en oncontroleerbare gegevens op. Termen als bewustzijn en bewustzijnstoestand zijn overbodig.

      • Introspectiepsychologie heeft maar een beperkt nut.

  • Rigoreus omgevingsdenken: alle verschillen tussen mensen zijn te herleiden tot verschillen in de omgeving

  • Optimisme over verbeterbaarheid en veranderbaarheid van de mens, sociale instituties zijn conventies die door mensen veranderd konden worden of afgeschaft kunnen worden zodat men met een propere lei kan beginnen.

  • Watson: kwam in contact met conditioneringsonderzoeken van Sechenov: alle gedrag is een aaneenschakeling van simpele psychische processen. Deze processen moeten bestudeerd worden in termen van simpele eenheden: de reflex, leerlingen: Pavlov, Bektherev: reflexologie

  • Watsons theorie: De reflex is de basiseenheid waaruit gedragingen en gewoonten worden samengesteld; door het mechanisme van klassieke conditionering worden die reflexen gekoppeld aan nieuwe stimuli; behalve connecties tussen stimuli en reflexen kunnen ook verbindingen ontstaan tussen reflexen onderling => Wanneer we een stimulus tegenkomen, reageren we met responsen die hetzij voortkomen uit onze erfelijke bagage, hetzij uit het repertoire van gewoonten dat we gevormd hebben.

  • Watson: neurose is resultaat van verkeerde conditionering


Naiëf behaviorisme

  • psychologisch gebeuren wordt herleid tot S en R

  • Skinner


Neo behaviorisme

  • er werden tussenliggende variabelen gepostuleerd, afgeleid tussen de prikkel en de reactie, deze tussenliggende variabelen kunnen niet geobserveerd worden en zijn dus afgeleid. Ze worden vooral afgeleid uit de karakteristieken van het gedrag zelf.

  • Theoretische uitwerking: Hull: ambitie: psychologie voorzien van een systeem van exact gedefinieerde begrippen en postulaten.-> gaat niet samen met Watsons eis dat behavioristische psychologie uitsluitend betrekking zou hebben op observeerbare grootheden.

  • Wiener Kreis: logisch positivisme: het is geoorloofd zuiver theoretische termen te gebruiken, zolang deze maar een duidelijk omschreven relatie bezitten met iets observeerbaars

  • Watson: legt er voortdurend de nadruk op dat de psychologie moet bestuderen hoe het organisme zich door gedrag aanpast aan de omgeving MAAR: S-R-schema laat weinig ruimte voor aanpassing

  • Hull: behaviorist moet zich bezig houden met stimulus-reactie-connecties maar ook met het nut van een bepaalde reactie In een organisme kan op een gegevenmoment een toestand van tekort of teveel ontstaan: need, het bestaan van needs leidt in het organisme tot een drive: wordt sterker naarmate er needs zijn -> welk gedrag er vertoond wordt, hangt of van de stimulus maar of er een reactie gegeven wordt, wordt mede bepaald door de drive, habit:associatie tussen S en R, als een bepaalde response leidt tot het verminderen van de need en daardoor tot een reductie van de drive, wordt de habit versterkt, hierdoor gaat alleen succesvol gedrag deel uitmaken van het gedragsrepertoire van het organisme.


Gestaltpsychologie

  • doet nog dikwijls ene beroep op de introspectiemethode maar verwijt de introspectiepsychologie de mentale processen te moleculair behandeld hebben

  • Stelt dat het geheel, de Gestalt, van de gevoelstoestanden,… meer is en kwalitatief anders dan een elementaire analyse van losstaande belevingen.

  • Von Ehrenfels: Gestaltskwaliteiten: er bestaan configuraties van gewaarwordingen die te samen een extra opleveren, het geheel van zo’n configuratie heeft eigenschappen die de delen niet bezitten: het geheel is meer dan de som van de delen -> elementenpsychologie -> 1E FUNDAMENT VOOR GESTALTPSYCHOLOGIE

  • 2E FUNDAMENT (Köhler): Eigenschappen van gehelen berusten op onbewuste inferenties uit elementaire gewaarwordingen

  • Köhler: Bestreed de idee dat waarnemingsverschijnselen die betrekking hebben op een bepaalde regio van het waarnemingsveld zouden berusten op onbewuste inferenties

  • Wertheimer: Stroboscopische beweging;

    • onze waarneming van objecten en van de omgeving is anders dan de som van disparate, zintuiglijke gewaarwordingen die zich elk moment wijzigen -> dichotomie tussen het zintuiglijk gegeven en onze ervaring in de Gestaltpsychologie belangrijk

    • Onderscheid tussen de subjectieve waarneming en de objectieve waarneming Subjectieve wordt verworpen als studieobject


Cognitieve psychologie en de opkomende informatieverwerkingstheorieën

  • Voorlopers

    • Tolman: Er is een stimulus en een reactie met ertussen tussenliggende variabelen, de fysische prikkels worden door het organisme verwerkt tot betekenisvolle situaties en daarin stelt het organisme geen motorische reacties maar doelgerichte handelingen; reageerde vooral tegen het behaviorisme

    • Bartlett

    • Echte cognitieve psychologie: er zal aangetoond worden dat bij allerlei perceptuele activiteiten onze bestaande kennis en attitudes tegenover de perceptuele objecten een belangrijke invloed hebben

    • Binnen de cognitieve psychologie ontwikkelden zich de informatieverwerkingstheorieën


Informatietheorie

  • theorieën over informatieverwerking ontstonden vanuit de moeilijkheden die de informatietheorieën ondervonden om het begrip informatie psychologisch te valideren

  • methode ontwerpen om fysische communicatiekanalen op een zo efficiënt mogelijke wijze te gebruiken

  • Informatiebron -> boodschap -> overbrenger -> signalen -> kanaal -> ontvanger ->omzetten in een voor de bestemming verstaanbare boodschap -> kan verstoord worden door ruis

  • Verband tussen informatie en onzekerheid

  • Informatiemaat van de boodschap kan berekend worden adhv het aantal ja/Nee vragen die de ontvanger moet stellen om zelf de boodschap van de zender te reconstrueren.

  • Eenheid van informatie: bit

  • Redundantie: voor zover de situatie voorspelbaar is, levert een teken minder informatie

  • Hicks wet: reactietijd bij het kiezen neemt toe als een logaritmische functie van het aantal alternatieven

  • Problemen

    • Situationele informatie leent zich niet goed tot kwantificatie

    • Informatietheorie beperkt zich tot het beschrijven van statische S-R-relaties zonder adaptief programma

    • Intrinsieke ontwikkelingen binnen de informatietheorie benadrukten meer en meer de informatieverwerking


Informatieverwerkingstheorieën

  • belangrijk: uitvinding van computer

  • Turing: basis van computers

  • Waarom is computeranalogie zo vruchtbaar voor de informatieverwerkingstheorieën?

      • Computer kan een instructie uitvoeren, als die constructie maar in de gepaste symbolische vorm is gegeven. Een computer is een “general purpose machine” en kan zodoende andere machines simuleren. Als een gepaste invoerbeschrijving aan hen wordt gegeven, zijn ook mensen in staat simulaties van allerlei mogelijke machines te realiseren

      • Computers werken met algoritmen en maken gebruik van subroutines en compilers. Het opslaan en ophalen van informatie in het menselijk geheugen, het genereren van oplossingen voor problemen en beslissingssituaties en het waarnemen en herkennen binnen de menselijke perceptie zijn alle te beschouwen als concrete vormen van symboolmanipulatie

      • Computers werken conditioneel – gedachtengang van conditie-paren is terug te vinden in productieregels als model voor redeneerpatronen van mensen.

      • Computers kunnen programma’s en data in dezelfde symbolische vorm opslaan -> is te zien als een integratie van procedurele en declaratieve kennisrepresentaties in het mentale systeem.

  • uitgangspunt: zorgvuldige bestudering van gedragsverschijnselen die ze pas daarop proberen te integreren in een ruimere visie van het mentale

  • methodes

    • Subtractieve methode: Donders

    • Additieve methode: Sternberg: richt zijn aandacht op de gebeurtenissen, processen die verlopen tussen de prikkel en de reactie. Het reactie-tijd interval is gevuld met een aantal op elkaar volgende, van elkaar onderscheidbare processen of fasen. In elke fase wordt een bepaalde transformatie uitgevoerd. Het resultaat van die transformatie vormt de invoer van een daarop volgende fase of proces. Deze methode wijkt op 2 punten af van die van Donders.

      • Sternberg wil de opeenvolgende deelprocessen bestuderen door hun duur te beïnvloeden mbv experimentele variabelen.

      • Methode om te bepalen welke factoren verschillende fasen van het verwerkingsproces beïnvloeden.

    • Dubbele taak technieken: hiermee wordt het soms mogelijk specifieke processen chronometrisch te lokaliseren in de lineaire sequentie van opeenvolgende bewerkingen. Vb: proef van Posner

  • problemen

    • snelheid

    • patroonherkenning

    • afwijkend/uitzonderlijk gedrag vs normaal gedrag

    • graceful degradation, damage, noise


Connectionisme

  • Cascademodel: verschillende componenten van een informatieverwerkend systeem zijn alle voortdurend actief

  • Benaming: Parallel distributed processing-modellen: Parallel omdat verschillende processen op hetzelfde ogenblik uitgevoerd worden, distributed omdat de activiteiten niet specifiek gelokaliseerd kunnen worden maar verspreid zijn over een netwerk van neuronale verbindingen. Deze benadering probeert mathematische modellen uit te werken om met die parallelle processen het mentale te simuleren. Omwille van uitwerking vaar neuronen spreekt men soms van connectionisme.

  • Uitgangspunt: hersen-metafoor: Mentale processen worden voorgesteld als dynamische netwerken van eenvoudige neuronale verwerkingseenheden, units, op grote schaal. De units worden neuronaal genoemd omdat ze fundamentele kenmerken gemeen hebben met de neuronen van onze hersenen.

  • Basiseenheid: neuron: doet niet veel meer dan het optellen van alle signalen de langs de verbindingen ( synapsen) worden toegevoerd. De belangrijkste eigenschap van een synaps is dat hij iets toevoegt aan de som der ingangssignalen of dat hij er iets van aftrekt.

  • Rosenblatt: perceptrons, 3 subnetwerken: sensorisch deel, associatieve deel, respons deel

  • Belang: vooral op theoretisch niveau

      • Fysiologische plausibiliteit

      • Men slaagt erin een aantal psychologische concepten op een zinvolle manier te (her)interpreteren.

      • Rekensnelheid

      • Resistance to noise, graceful degradation

      • Neuraal netwerk functioneert als een inhoudadresseerbaar geheugen

  • Negatief

      • Functionele specificiteit is strijdig met de opvatting van de PDP-benaderingen

      • Ontwikkelde leeralgoritmes hebben enorme rekenkracht dat je eigenlijk alles kan oplossen

      • PDP-simulaties kunnen niet onderworpen worden aan een falsificatie

      • Verabsolutering

      • Neurale plausibiliteit


Opkomst van de cognitieve neurowetenschappen

  • EEG

    • Om hersenactiviteit te meten

    • Problematisch omdat veel van haar verbindingen globaal zijn: je weet dat de hersenen actief zijn maar je weet nog niet wat ze juist doen

  • ERP

    • Wordt gemeten met een groot aantal elektroden op verschillende plaatsen over de schedel

    • Probleem: oplossing is altijd afhankelijk van veronderstellingen

    • Beperkte spatiale resolutie en grote temporele resolutie

    • Het blijft moeilijk te zeggen waar en op welke manier de electrische signalen in de hersenen worden gegenereerd

            • Zeer onwaarschijnlijk dat bepaalde ERP-component 1 onderliggend proces weerspiegelt

            • Diverse factoren zijn van invloed op het signaal dat uiteindelijk op de schedel wordt gemeten.

  • Single cell recording

    • Hoge spatiale resolutie, hoge temporele resolutie

    • Om ethische redenen niet toe te passen bij de mens

  • PET

    • Hersenen converteren glucose in energie, wanneer de proefpersoon geïnjecteerd wordt met glucose die radioactief is dan zal die glucose zich vooral opstapelen in de hersendelen die voor de uitvoering van een bepaalde taal belangrijk zijn.

    • Hoge spatiale resolutie, slechte temporele resolutie

    • We meten hiermee niet direct de elektrische neuronale activiteit maar wel de metabolische activiteit

  • MRI

    • Duidelijk beeld van hersenactiviteiten

    • Precieze beelden van de hersenstructuur

    • Goede spatiale en temporale resolutie

    • Er moet geen radio-actieve substantie geïnjecteerd worden


NIET-ACADEMISCHE PSYCHOLOGIE

Dieptepsychologie

  • menselijk gedrag wordt hoofdzakelijk bepaald vanuit drijfveren, instincten en verlangens. Sommige drijfveren vinden hun oorsprong in diepere lagen, dus kennen we hun oorsprong niet en kunnen ze ons gedrag storen. Deze vinden hun uitdrukking in dromen, versprekingen,…

  • Mesmer: vertegenwoordiger van magnetisme

  • Liébault: 1e geneesheer die somnambulisme als therapie toepaste

  • Bernheim <-> Charcot: Bernheim: hypnose berust op suggestie, Charcot: paste hypnose toe op hysterische vrouwen en vermoedde daarbij een seksuele achtergrond

  • Freud: brengt ideeën van Charcot in praktijk -> is slecht hypnotiseur -> slaat over op vrij associaties


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina